Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Copie uit de notulen van het verhandelde in den kleinen raad, maand november 1825


Zaturdag den 5 november 1825

De onderdirecteur Bosma stelt voor, het verzoek van den kolonist Kalbe, hebbende vrouw en één eenjarig kind, waar tot hier toe genoten was 24 pond brood wekelijks, of dat huisgezin op 's mans verzoek, door het aannemen van een wees, nu 12 pond brood meer in de week kon bekomen.
In den raad is, onder nader approbatie goedgevonden en besloten, dit huisgezin, bestaande thans uit 4 zielen, voortaan 30 pond brood in de week te doen bekomen.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur goedgekeurd.


De onderdirekteur Schurer hernieuwt het verzoek, van de huisverzorgster, Schuts, om met verlof te mogen gaan, naar Groningen, ten einde order te stellen op de zaken van haar aanstaande huwelijk.
Bij de raad is hieromtrent in overweging genomen:
1e dat de huisverzorgster, de weezen bezwaarlijk aan haar eigen lot kan overlaten;
2e dat daar de Sub Kommissie van Groningen, tegen dit huwelijk zijnde, en den man van een zeer ongunstige zijde kennende, volgens de eigene verklaring der vrouw, waarschijnlijk voor de weduwe beter zoude zijn, alleen te blijven.
Is, dien ten gevolge, onder nader approbatie besloten, dit verzoek af te wijzen.

In de kantlijn bijgeschreven: Hetzelve is insgelijk door den Heer Direkteur gedisapprobeerd.


Insgelijks verzoekt dezelfde onderdirekteur, om verlof voor Getske Douwes, ingedeelde wees bij de wed. de Karper. herkomstig van Dokkum.
In overweging genomen zijnde, dat de besteders dezer wees, bij de nu afgelopenen zomer, alrede aan den Direktie gevraagd hadden, of deze meid eens over mogt komen, is dat verzoek onder nader approbatie  toetestaan. Wordt verlof verleend voor 14 dagen. De onderdirekteur zal voor kleeding en reisgeld dezer wees zorgen.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geapprobeerd.


Zijn persoonlijk voor den raad verschenen:

1. De kolonist Baade, uit kol 1, verzoekende 14 dagen verlof, voor zijne dochter Naatje, welke bij hem, en van de noodige kleeding en reisgeld voorzien was, om te gaan naar Holland, verklarende daarover alrede den Heer Direkteur te hebben gesproken, welke hem naar deze raad verwezen had.
Onder nadere approbatie is dit verlof verleend.

In de kantlijn bijgeschreven: Door den Heer Direkteur toegestaan.

2. De kolonist Zorn, van kol 1, zich zeer beklagende over de bij hem ingedeelde en ongelukkige wees, Hendrik Douwes. Deze jongen, oud 16 jaren, hebbende geduriglijk flauwten, of overvallen, was, zoo als Zorn verhaalde nimmer alleen bij het vuur of op andere gevaarlijke plaatsen vertrouwd, dewijl hij dan gevaar liep om te komen.
Hij verzocht derhalve aan den raad, om van deze ingedeelde ontslagen te worden.
Hij had in een briefje aan den onderdirekteur te kennen gegeven, dat zijn oudste zoon en dochter, thans eene steun voor zijn huisgezin, hun ontslag wilden vragen, zoo de ingedeelde niet verplaatst wierde.
In overweging genomen, dat er in den loop dezer week, een nauwkeurig tableau van de indeeling der weezen, aan den Heer Direkteur is ingezonden, en het dus niet wel plaats kan hebben, dat daarin dadelijk weer verandering verzocht wordt, alsmede de moeijeljkheden om voor dezen wees een goed huisgezin meer te vinden.
Is goedgevonden zulks aan den kolonist Zorn te kennen te geven en hem dringend te verzoeken dit ongelukkige kind, dat bij ieder een niet wezen kan, nog eenigen tijd te houden, zullende de raad daaromtrent, vervolgens aan de P. Kommissie, de noodige voordragt, ter verplaatsing inzenden.
Zorn was hiermede wel te vreden.

3. De kolonist Westhoff, van kol 2, te kennen gevende dat een zijner zonen te Leyden, in 's lands dienst zijnde, verleden jaar geduriglijk ziek had gelegen, denzelven onderscheidene keeren te hebben geschreven, doch hoegenaamd geen antwoord terug ontvangen had; - Verzoekende daarom om 12 dagen de kolonie te mogen verlaten, om te onderzoeken, hoe de ziekte zijns zoon is afgeloopen.
Hierbij in overweging genomen zijnde, dat Westhoff behoorlijk zijn pligten vervult, van kleeding en reisgeld zeer wel voorzien is, heeft de raad, onder nader approbatie goedgevonden, dit verzoek toe te staan.

In de kantlijn bijgeschreven: Door den Heer Direkteur geapprobeerd.


4 & 5. Hendrik Kolder en Maarten van Waasdijk, ingedeelden bij de wed: Westhoff, kol 2,
6 & 7. Klaas en Elisabeth van Waveren, ingedeelden bij den huisverzorger Jakobs, kol 2.

Over den eerstgemelden had de kommissie van Texel, over den tweeden de kommissie van Delft, en over de beide laatstgenoemden de kommissie van Monnickendam, reeds dezen zomer, aan den Heer Direkteur geschreven, met verzoek om dezelve eens met verlof naar hunne vorige woonplaatsen te doen wederkeeren.
De bezigheden der kolonien, hadden dit verlof niet eerder toegelaten te accorderen.
Kolder en Waasdijk zijn behoorlijk gekleed, en ook van de noodige reispenningen voorzien, en de broeder en zuster van Waveren zouden door de onderdirekteur van kol 2 van het een en ander voorzien worden.
Onder inwachting der approbatie des Heeren Direkteurs, is aan deze 4 weezen een verlof van 14 dagen verleend.

In de kantlijn bijgeschreven: Door den Heer Direkteur geapprobeerd.


8. De wed. Kruidhoed. Deze moest volgens vertoonden brief van haren aanstaanden schoonzoon, den 6e dezer in Amsterdam zijn, ten einde toestemming te geven tot de voltrekking van het huwelijk harer dochter, in Amsterdam wonende. Verzoekt 12 dagen verlof, hare kinderen te verlaten, en naar gemelde stad te reizen, om hare moederlijke pligt te vervullen, haren ouden vader en andere verwanten te bezoeken.
Al de leden van den raad, behalve de secretaris, zijn ervoor, dat de vrouw het gevraagde verlof verleend worde. De secr, meent, dat het huwelijk harer dochter, op hare schriftelijke toestemming, die minder zoude kosten dan de reis, voltrokken konde worden, en dat het voor het huisgezin, hetwelk zonder moeder is, beter ware dat vrouw Kruidhoed te huize bleve.
Onder nadere approbatie van den Heer Direkteur is besloten:
a. Faken zal haar van 't noodige reisgeld voorzien, hetgeen zij belooft bij hare wederkeer te zullen restitueren.
b. Het verlof wordt verleend.

In de kantlijn bijgeschreven: Nu het door de meerderheid der leden van de raad is toegestaan, wordt hetzelve ook door den Heer Direkteur geapprobeerd.


9. De kolonist Boon uit kolonie 1, vertoonende zijn armoedige en waarlijk slechte kleeding, en klagende, bij bij den onderdirektur zijner kolonie, de te goed hebbende kleedingstukken niet te kunnen bekomen.
Hierop verklaardt de onderdirekteur, dat de noodige kleedingstukken in het magazijn niet voorhanden zijnde, het hem onmogelijk is geworden, de kolonisten in de kleeding te houden. Waarop Boon is heen gegaan, nadat hem beloofd was, voor zijne kleeding te zullen zorgen.
In aanmerking nemende, dat het dragen van vreemde kleeding met de 1e dezer maand stellig verboden is, betuigen alle onderdirekteurs eenpariglijk hun onvermogen om de kolonisten, zoodanig in de kleeding te brengen, dat zij naar de kerk en elders kunnen gaan, en in de winter de warmte kunnen houden, en wel om deze 2 redenen:
1. Is in de magazijnen niet voorhanden, wat de kolonisten volstrekt moeten hebben;
2. Zijn de sommen, welke zij op het kleedingfonds tegoed hebben, op verre na niet toereikend, want zullen de kolonisten slechts zuinig en matig gekleed worden, dan beloopt de kleeding van ieder huisgezin, allen dooreen gerekend, wel 5 gulden meer dan zij te goed hebben.
Is goedgevonden hierover met den Heer Direkteur te spreken en de noodige inlichtingen te vragen.

In de kantlijn bijgeschreven: Op de geopperde zwarigheden is door den Heer Direkteur geantwoord:
1. Dat de eenige ontbrekende kleedingstukken, grijze linnen broeken en zwart linnen buisjes, in de volgende week gereed worden.
2. Dat ZWEdG aan de onderdirekteurs wegens de kleedinguitdeeling voor het afgelopen trimester permissie had gegeven om niet slechts te zien op de sommen, welke de kolonisten op het kleedingfonds hadden, maar inzonderheid ook in het oog moesten houden, de wezenlijke behoefte der onderscheidene huisgezinnen. Doch alleenlijk voor deze keer.

(get.) M. Bersma Pres.
J.H.van Wolda secr


Zaturdag den 12 november 1825

Zijn voor den raad gecompareerd:

1. Paulus van der Bil, kolonist in kol l, verzoekende voor 14 dagen verlof, om te mogen gaan naar Schiedam.
Is bij den raad in overweging genomen
a. Dat het huisgezin van van der Bil steeds vlijtig werkt en zich zedelijk wel gedraagt',
b. Dat de man voorzien is van genoegzaam reisgeld en goede kleeding.
Is onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, van der Bil het gevraagde verlof verleend.

In de kantlijn bijgeschreven: Dit verlof is door den Heer Direkteur geapprobeerd.

2. Johannes Molewijk, kolonist in kol 1, wil zijn dochter Antje, voor eenige tijd van de strafkolonie Ommerschans gekomen, te mogen geleiden en vergezellen naar Zutphen, alwaar volgens zijne verklaring een dienst voor haar gereed was. Tot deze reis zou hij veertien dagen noodig hebben. Van reisgeld en kleeding is Molewijk voorzien.
Is goedgevonden, zoo den Heer Direkteur zulks goedkeurt, Molewijk zoo spoedig mogelijk te laten passeren, op dat zijne dochter buiten de kolonien in dienst kome.

In de kantlijn bijgeschreven: Is insgelijks door den Heer Direkteur geapprobeerd.


3. Vrouw Lagerwei, van kol 2, verzoekende verlof om met hare beide kinderen, hare ouders, in Deventer wonende, te bezoeken. Gedurende haar verblijf in de kolonie had zij twee zusters verloren, waarom zij gaarne hare moeder wilde spreken.
In overweging genomen hebbende, dat dat het huisgezin van Lagerweij zich vlijtig en zedig gedraagt, en de vrouw goed gekleed, doch slecht van reisgeld voorzien is, is onder nadere approbatie besloten dit verzoek voor zoo verre toetestaan, dat de vrouw haar jongste kind mag medenemen, maar het oudste kind niet, om dan den 23 dezer te vertrekken.
De onderdirekteur van kol 2 zal haar het noodige reisgeld voorschieten, om dan bij hare wederkomst, dit geld op eene voor haar doenlijke wijze te restitueren.

In de kantlijn bijgeschreven: Is geapprobeerd.

4. Vrouw Steenhuizen, van kol 1. verzoekende 14 dagen verlof voor hare oudste dochter Christina om in de andere week te mogen reizen naar Amsterdam, alwaar men voornemens was haar te laten dienen.
Op dit verzoek is in overweging genomen:
a.  dat deze dochter zich altijd zedelijk en goed gedraagt, ter in standhouding van het huisgezin vlijtig werkzaam is, en met eenig regt, (daar haar vader in vele opzigten lastig voor de overige huisgenoten mag heeten) verlangt het ouderlijk huis te verlaten.
b. dat Steenhuizen voor eenigen tijd reeds zijn Kommissie heeft gevraagd om ontslag voor het geheele huisgezin.
c. dat de moeder van de opgenoemde dochter naar inhoud van eenen brief uit Amsterdam, verklaart voor Christina eenen goeden gereed te hebben, en wel bij menschen, die haar als eigen kind zouden behandelen.
Is almede onder inwachting der noodige approbatie goedgevonden dit verlof te verleenen.
De meid is van kleeding en reisgeld voorzien en zou dan heden over 8 dagen vertrekken.

In de kantlijn bijgeschreven: Geapprobeerd.

(get)    M. Bersma, pres.
J.H. Wolda, secr.



Zaturdag den 19 november 1825

Ziujn voor den kleinen raad verschenen:

1. Van Dalen, uit kol 2 vergezeld van de bij hem ingedeelde Maria Ketner, vertoonende de havelooze slechte kleeding van de gemelde wees, die onlangs het huisgezin van Gansinga verlaten hebbende, zoo gekleed bij hem gekomen is.
Na van Dalen over het gedrag en de vlijt dezer wees ondervraagD te hebben en een gunstig antwoord ontvangen te hebben, is het noodige opgenomen, en door den raad besloten onder nadere approbatie, haar die kleeding ten spoedigste te doen verstrekken.

2. Arie Groen, oudste zoon eener wed. bij welke hij als ingedeelde wees is beschouwd, verzoekende
a. aanstaande maandag te mogen gaan werken aan de zeedijken, buiten de kolonien,
b. zijn ontslag van de kolonie, als moetende hij, ten gevolge zijner nummerverruiling, in het aanstaande voorjaar komen in dienst bij de Nat Militie.
Na deze beide vragen overwogen te hebben, is hem het eerste verzoek geweigerd, en het tweede, in zoo verre geaccordeerd, dat daartoe het noodige bij den Heer Direkteur zal worden aangevraagd.

In de kantlijn bijgeschreven: Het gevraagde ontslag is door den Heer Direkteur bij de P.K. aangevraagd.

3. Wietske Stellinga, ingedeelde wees bij IJdema in kol 1, verzoekende voor den tijd van 14 dagen, met hare jonge zuster Dirkje, ingedeeld bij Eise de Graaf in kol 2, met verlof te mogen gaan naar Stavoren, ten einde voor haar eenen dienst te zoeken, om in het aanstaande voorjaardde kolonie te kunnen verlaten, en hare familie te bezoeken.
Deze meisjes zijn behoorlijk gekleed en de wijkmeester Ekkelboom neemt aan, haar van het noodige reisgeld te zullen voorzien.
Na de toestemming harer kommissie, en het loffelijke gedrag der twee zusters overwogen te hebben, is haar, onder de gunstige approbatie des Heeren Direkteurs dit verzoek toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Geapprobeerd door den Heer Direkteur der kolonien.

Eindelijk heeft ook de kommissie, op den 22 oktober jl benoemd tot het onderzoek naar de vermiste goederen van vrouw Hille, haar rapport daaromtrent in deze voege uitgebragt:
"Vrouw Bollen, te voren de wed. Hille genaamd, heeft ons verklaard en bevestigd, dat die goederen, welke van eenige waarde hadden kunnen geacht worden, bij haar vertrek aan het haar opvolgende huisgezin waren afgegeven, en dat zij de niets waardige had behouden en medegenomen."
De raad is van oordeel, dat deze zaak, daarmede voor afgedaan moet gerekend worden, echter onder goedkeuring van onzen Heer Direkteur.

In de kantlijn bijgeschreven: Den Heer Direkteur is van hetzelfde gevoelen.

(get) M. Bersma, pres.
J.H. Wolda, secr.



Zaterdag , den 26 november 1825

Verscheen voor den Raad

1. Klaas Visser, vrijboer in kol. 2, te Doldersum, verzoekende 14 dagen verlof om te reizen naar Grootebroek, provincie NoordHolland, teneinde zijne ouders en kinderen aldaar te bezoeken, en de noodige informatien omtrent  zijne oudste dochter, die trouwen zoude, in te winnen.
De leden van den raad in aanmerking nemende, dat Visser zijn talrijk huisgezin, door nijverheid en vlijt behoorlijk heeft gemainteneerd, en zich tevens als een goed kolonist gedraagt, hebben, na zich verzekerd te hebben, dat Visser van goede kleeding en reisgeld voorzien was, onder nadere approbatie goedgevonden, hem het gedane verzoek in te willigen.

2. Klaas Werf, zoon van den kolonist Werf, van Willemsoord, verlangt 14 dagen met verlof naar Enkhuizen te gaan, om zijne doopcedul te halen, dewijl hij met nieuwjaar loten moest voor de N.M. en bij die gelegenheid ook zijne grootmoeder te bezoeken.
Daar de leden van den raad oordelen, dat deze moeijelijke reis zeer goed uitgesteld kan worden, dewijl men den doopcedul kan laten komen, zoo is dit verzoek onder nader approbatie geweigerd, en den jongen het verkeerde van zijn voornemen onder het oog gebragt.

In de kantlijn bijgeschreven: Is niet geapprobeerd.

3. Abraham Prins, ingedeelde bij de wed. Rausch, kol. 1 vertoonende eenen brief van de armen kommissie van Rotterdam, die, ingeval de directie der kolonie over zijn gehouden gedrag tevreden was, en daarmede instemde, er niet tegen had dat hij met verlof overkwam.
Daarop is in de raad overwogen:
a. Dat deze Prins zich 2 à 3 keer aan buitensporigheid heeft schuldig gemaakt,
b. De moeijelijke zeereizen van het tegenwoordige jaargetijde.
Waarom besloten en hem aangezegd of geraden is, dat hij met het verlof gaan tot in het voorjaar wachten zoude, en het hem dan zeker gegeven zou worden. indien hij zich. gedurende den winter wel gedroeg.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur insgelijks niet geapprobeerd.

(get)    M. Bersma, pres.
J.H. Wolda, secr.

Voor copie conform
J.H. van Wolda secr.