Naar het overzicht
van stukken over GENEESKUNDE





De uitbraak van de cholera in juli 1849 te Veenhuizen

Het begint met twee brieven op zaterdag 21 juli 1849, waaruit het begin van paniek spreekt. De eerste brief is van de arts van het eerste of kindergesticht te Veenhuizen, Ulrich Jan Huber, aan de chef van de Geneeskundige Dienst in de koloniŽn Johan Everhard Ranneft. Huber zou deze periode eigenlijk ook voor het tweede en derde gesticht moeten zorgen omdat zijn collega-arts in Veenhuizen Bakhuis met verlof is. Maar dat redt Huber niet en hij roept de hulp van dokter Ranneft in:

Aan den Heer Chef der Geneeskundige Dienst te Frederiksoord

Veenhuizen, 21 julij 1849

Bij dezen ben ik in de treurige noodzakelijkheid ter kennis te geven van de toestand van het weezengesticht.

Onophoudelijk worden lijders aan braakloop met de hevige stijfkrampen in het hospitaal gebragt, vandaag 2 aan de ziekte overleden, de eene werd te 7 uur ingebragt en stierf te 1 uur, de andere kwam te 12 uur en stierf om 8 uur, dus zeer subit.
Het overgroote aantal zieken, en de belangrijkheid derzelven permitteren mij niet van het 1e gesticht te verwijderen.
De heer Bakhuis wilde de ziekte van M. Brakenhof volstrekt niet op rekening van de cholera gesteld hebbend.
Daar dit het eerste geval was, en hierin in het eerst spoedigs verligting der symptomen plaatsgreep, heb ik er mijn niet tegen verzet, tevens om de angst voor de ziekte onder de weezen niet te bevorderen.
Bij dezen verzoek ik u evenwels om ten spoedigste hier te komen, teneinde de dienst aan het 2e en 3e gesticht te regelen, tevens zoude ik u gaarne over het een en ander willen spreken.
Verzoek hiervan tevens melding te maken aan den Direkteur, aan de welke te schrijven, de drukke bezigheden mij thans inst(??)
De geneesheer,
Uw Edele Huber.

De andere brief is van Cornelis Wilhelmus Rensing, sinds enkele jaren adjunct-directeur en dus hoogste gezagsdrager in het eerste gesticht. Hij schrijft aan zijn directe superieur directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg. Het is dan al avond dus er zal een koerier door de nacht naar Frederiksoord gestuurd zijn:

Aan den Heer Direkteur der Kolonien te Frederiksoord

Veenhuizen, 21 julij 1849, 10 uren des avonds

Doctor Huber komt mij zoo even zeggen dat hij in den loop van dezen dag 11 meisjes in de ziekenzaal heeft opgenomen, met hevige buikpijn, vergezeld met braking en dat er sedert hedenmiddag reeds 2 overleden zijn,
hij verzocht dat de Heer Ranneff ten spoedigste mag overkomen, om te raadplegen,
ook kan ZEd niet van dit Gesticht, wanneer zijn tegenwoordigheid bij no.2 of 3, door de absentie van Doctor Bakhuis vereischt wordt.
Ik heb vermeend Uw Edele dit met eene buitengewone impressie te moeten berigten.
De Adjunct-Direkteur,
Rensing

De volgende dag, zondag 22 juli 1849, maakt C.W. Rensing zich zoveel zorgen dat hij rechtstreeks aan de permanente commissie in Den Haag schrijft. Dat mag eigenlijk niet, alles hoort via de directeur te lopen, maar het kan even niet anders:

Om het belangrijke der zaak, vermeen ik regelregt zonder tusschenkomst van de Heer Direkteur der Kolonien ter kennisse van de Permanente Commissie te moeten brengen: dat wij op gisteren vijftig kinderen onder geneeskundige behandeling hebben moeten opneemen met hevige pijn in buik en beenen, vergezeld van braken, waarvan er binnen weinig uren vier overleden zijn.

Gedurende de afgeloopene nacht is het getal tot zeventig geklommen, zoodat wij in haast een zaal in het binnengesticht voor de lijders hebben moeten inruimen, omdat de ziekenzaal vol is.
Dr. Huber heeft mij gisterenavond laat voorgesteld, waaraan ik dadelijk voldaan heb, om den Heer Direkteur der Kolonien te verzoeken, den Heer Rannest naar hier te willen zenden, teneinde met zijn Weledele te kunnen raadplegen, en om wijders adsistentie te kunnen bieden, daar dr .Bakhuis zich thans met verlof te ís-Hage bevind.
De zieken van het 2e en 3e  gesticht zijn op dit oogenblik , door dien de Heer Huber zich niet van hier kan verwijderen, zonder geneesheer.

Ik kan op dit oogenblik in geene bijzonderheeden meer treden, omdat deze anders te laat op de post zoude komen, maar ik zal zoo vrij zijn, morgen of overmorgen nader te berigten.
De beide andere Gestichten zijn nog van deze ziekte vrij.
De Adjunct-Direkteur, Rensing

N.B. De Heer Huber berigt mij op dit oogenblijk, dat thans reeds 7 dooden zijn.

Vooral dat NB klinkt ernstig. Als dat met alle zeventig opgenomen patiŽnten zo gaat... Diezelfde zondag schrijft ook directeur Van Konijnenburg aan de permanente commissie. Hij kan melden dat de chef van de Geneeskundige Dienst al naar Veenhuizen vertrokken is en hij vindt dat de arts van het tweede en derde gesticht van verlof moet worden teruggeroepen:

Ik vind mij in de droevige noodzakelijkheid UwEd berigt te moeten geven van het ontstaan der cholera aan het 1e gesticht te Veenhuizen, vanwaar ik hedenmorgen den brief kreeg, waarvan een afschrift hier is bijgevoegd met dat van een schrijven des Geneesheers aan de Chef des Geneeskundige Dienst.
Ingevolge van het met dezen gehouden overleg is hij dadelijk naar Veenhuizen vertrokken, om althans in de eerste regeling van behandeling en verpleging bij deze ziekte te voorzien;
zal er door overplaatsing tijdlijk, van de kleine kinderen uit een of de beide zalen van Bught, gevoegzame ruimte voor de afzonderlijke verpleging der cholera-lijders worden gemaakt;
en heb ik de eer UwEd in bedenking te geven, om zelve den Heer Bakhuis, die sedert eergisteren met verlof afwezig en meen ik, naar ís-Gravenhage is, te gelasten zich, in deze omstandigheid, terstond naar zijnen post te begeven, teneinde de Chef des Geneeskundige Dienst niet permanent en bepaaldelijk voor de dienst bij de gestichten 2 en 3 te Veenhuizen behoeve te blijven, daar hij ook hier en soms te Ommerschans kan worden gevorderd.
Van eenen Geneesheer, die zich te Norg heeft neergezet, zoude, zoo ik hoor, weinig dienst kunnen worden verwacht.
Aangenaam zal het mij zijn, van UwEd spoedig te verzekeren of er op de terugkomst van den Geneesheer Bakhuis kan worden gerekend en tegen wanneer.
De Direkteur der Kolonien, J. van Konijnenburg.

Zodra die brieven bij de permanente commissie in Den Haag zijn, doet die het enige juist: ze licht de autoriteiten in, zoals dat bij elke epidemische uitbraak moet. En ze geeft de directie carte blanche om de ziekte te bestrijden, ook als daarvoor tegen veel kosten dingen aangeschaft moeten worden. Op dinsdag 24 juli 1849 neemt ze het volgende besluit:

De Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid

Gelezen den brief van den Direkteur der Kolonien van den 22 dezer N1944,

Mede gelezen dien van den Adjunct-Direkteur van het 1e Gesticht te Veenhuizen van den 22 dezer no.143,

besluit te schrijven als volgt:

a. aan Zijne Excellentie den Heere Minister van Binnenlandse Zaken:

Wij vinden ons in de noodzakelijkheid Uwe Excellentie kennis te geven van het uitbreken der cholera aan het 1e gesticht te Veenhuizen.
Op den 21 dezer zijn er 50 kinderen met hevige  pijn in buik en beenen vergezeld van braken onder geneeskundige behandeling gekomen waarvan er binnen weinige uren 4 zijn overleden, terwijl in de daaropvolgende nacht het getal lijders tot 70 is geklommen.
De Permanente Commissie.

b.  Aan den Direkteur der Kolonien:

naar aanleiding van Uwen brief van den 22 dezer N1944 hebben wij den Geneesheer W. Bakhuis onmiddellijk gelast, zich onverwijld naar Veenhuizen te begeven, wij verzoeken UwEd ons het tijdstip zijner terugkomst te onderrigten.
Voorts verzoeken wij UwEd om al die maatregelen te nemen welke in de gegeven  omstandigheden gepast en doelmatig kunne worden geacht, terwijl wij UwEd magtigen tot den aankoop van hetgeen noodig mogt worden bevonden tot beneging(?) der smartelijke ziekte, welk in onze stichtingen is uitgebroken.
Wij hebben den Adjunct-Direkteur Rensing in last gegeven, ons dagelijks een kort berigt der ziekte te doen toekomen.
De Permanente Commissie.

c. Aan den Adjunct-Direkteur van het 1e Gesticht te Veenhuizen C.W.Rensing.

Naar aanleiding van Uwen brief van den 22 dezer N143 en van een schrijven der Direkteur der Kolonien van denzelfden dagteekening, hebben wij den Geneesheer Bakhuis gelast, onverwijld naar Veenhuizen terug te keeren.

De Koloniale Directie is overigens door ons gemagtigd tot het nemen van maatregelen, die in de gegeven omstandigheden doelmatig kunnen worden geacht.

Een kort berigt van den ziektentoestand, verzoeken wij UwEd dagelijks regtstreeks aan ons in te zenden.
De Permanente Commissie.

Diezelfde dinsdag stuurt adjunct-directeur Rensing een tweede rapport van de chef van de Geneeskundige Dienst. Die was bij zijn aankomst in het gesticht nog diep geschokt geweest en had geschreven over Ďeen toneel van jammer en ellendeí en over 'zalen vol brakende en kermende kinderen'. Maar inmiddels denkt hij de zaak onder controle te hebben:

Aan den WelEdgestr Heer J. van Konijnenburg, Direkteur der Kolonien te Frederiksoord.

Vervolg van het op den 23 julij 1849 uitgebragt rapport betreffende den aan het 1e Gesticht te Veenhuizen heerschende Cholera epidemie.

Gelijk ik U Weledele gisteren heb mede gedeeld waren van 21 tot 23 julij ís middags om 12 uren in het hospitaal 111 ziektegevallen voorgekomen; waarvan bij later onderzoek 30 ware Cholera asiatica, 11 Cholera nostras en 56 Cholerine gevallen bleken te zijn.
Hiervan zijn van 21 julij tot 23 julij ís middags overleden 10, zijnde 4 gevallen buiten cholera overleden.
Van 23 julij Ďs middags tot 24 julij 12 uren in den middag zijn opgenomen 8 lijders, waarvan 1 Cholera asiatica, 2 Cholera nostras, 5 Cholerine.
Van 23 julij tot 24 julij 12 uren in den middag zijn overleden 3 cholera lijders, blijvende dus op 24 julij ís middags om 12 uren in behandeling 17 Cholera asiatica lijders, 13 Cholera nostras en 61 Cholerine lijders.
Reeds gisteren konde ik ter Uwer Weledele geruststelling en ons innig genoegen melden, dat er eene aanzienlijke kalmte onder lijders en bevolking werd waargenomen, welke kalmte heden zoowel door het gering getal opnieuw bijgekomen, als ook door het zien van den ijver en de waakzaamheid voor behandeling en verpleging, dat men niets meer van angst en gespannenheid der gemoederen merkt.
Onafgebroken zijn onze werkzaamheden tot regeling van behandeling en verpleging voortgezet en het mogt ons gelukken heden te 12 uren alles behoorlijk getraceerd en geregeld te hebben.
De Heer Huber verlaat het Gesticht in het geheel niet, terwijl ondergeteekende Zijne Edelen alle dagen tot 2 uren adsisteert, om vervolgens voor de vervulling der overige dienst zorg te dragen.
Gisterenmiddag is door ons eene zeer naauwkeurige lijkopening gedaan van eene op den 21 julij aan Cholera asiatica bezweken lijderes; die alle kenmerken dier hevige ziekte in ruime mate opleverde.
Ter wering van communicatie zijn alle voorzorgen genomen, die de hevigheid er ziekte vereischen.
Ook voor reinheid en luchtzuivering van zalen en pleinen wordt met naauwlettendheid zorg gedragen.
Hiermede heden meenen te aan mijne taak voldaan te hebben, zal ik morgen dit verder vervolgen.
Aldus opgemaakt den 24 julij ís middags om 2 uren door den Chef der Geneeskundige Dienst.
Dr.J.E.Ranneft

Zulke rapporten stuurt de permanente commissie dan weer dagelijks door naar 'Zijne Excellentie den Heer Minister van Binnenlandse Zaken'.

Ondanks wat Ranneft denkt is het op dat moment nog helemaal niet voorbij. De ziekte zal nog met vernietigende gevolgen door het etablissement blijven razen en pas twee weken later kan gemeld worden dat er geen nieuwe choleragevallen meer zijn. Voor meer informatie:
- H.G. Roelfsema-van der Wissel, Ziekte en zorg, de gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniŽn van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859, pagina's 187-193.
- De kinderkolonie, pagina's 337-339.
- Toneel van jammer en ellende, artikel van H.G. Roelfsema-van der Wissel in Waardeel 1999 nr 2 p 12.

Overigens zal begin september de cholera ook toeslaan in het derde gesticht dat inmiddels - sinds 1842 - niet meer een onderkomen voor weeskinderen maar voor bedelaars is. Ook hier wordt dokter Ranneft weer ter assistentie genomen. Op 5 september 1849 stuurt de adjunct-directeur van het derde gesticht, Sikke Berends Drijber, het dagrapport van Ranneft naar de permanente commissie:

Kolonie Veenhuizen
3e Gesticht
den 5 september 1849
Ik heb de eer UwEdgestr hierbij weder in te zenden, een verslag van den Chef der Geneeskundige Dienst met overlegging van een dagrapport van de cholera-zieken op heden.
De Adjunct-Direkteur, Drijber

Bijgevoegd:

RAPPORT
Kolonie Veenhuizen
3e  Gesticht

Vervolgrapport der cholera-epidemie aan het 3e Gesticht.

Het getal aangetaste lijders blijft vermeerderen, zoo als uit nevensgaand dagrapport blijkt.
Onophoudelijk komen nieuwen in behandeling inzonderheid van het mannelijk geslacht.
Bij de buitenbevolking zijn er in het geheel 3 aan cholera asiatica bezweken, te weten van Baalen, vrouw van de Tuin en het zoontje van den onderwijzer Haarman en twee herstellende.
Hoezeer het getal aanzienlijk vermeerdert, schijnt toch het karakter goedaardiger en het verloop der ziekte langzamer te worden.
Met onvermoeijde inspanning zijn wij dag en nacht werkzaam de lijders in alles bij te staan en te verplegen.
De geest der bevolking blijft kalm en gematigd, terwijl er niets wordt verzuimd wat daartoe kan mede werken.
Ieder is van de trouwe en zorgvuldige zorg doordrongen en geeft daarvan ondubbelzinnige bewijzen.
Op het schrijven van den Heer Auerda heb ik voor deszelfs broeder ten antwoord ontvangen, dat genoemde Heer reeds als scheeps-heelmeester naar Oost-Indie is vertrokken, weshalve het eenen wenschelijke zaak zoude zijn (hier een nieuwe geschikte kunnende krijgen) eene offcier van gezondheid ter adsistentie te mogen erlangen, ít welk wij Uw Edele zijn bedrijfdelijk in ernstige overweging geven.
Tot heden hebben wij alles door onderlinge hulp met veel inspanning kunnen afdoen, maar vreezen bij eventueel uitbreken aan het 2e gesticht, waar heden volgens getuigenis des Heeren Huber twee dubieuze gevallen in behandeling zijn genomen in krachten tekort zullen schieten.
Aldus opgemaakt den 5 september ís middags om een uur door den Chef der Geneeskundigen Dienst, Dr. J.E.Ranneft.