Naar het overzicht
van stukken over GENEESKUNDE





Van 1836 tot 1845: de roep om onderbroeken voor de jongenswezen in Veenhuizen


Het verhaal van de onderbroeken voor de mannelijke weeskinderen in Veenhuizen wordt verteld in De kinderkolonie pagina 316-318. Hier alle stukken.

Het laatste besluit over de voor weeskinderen benodigde kledingstukken dateert van 3 februari 1835, zie deze pagina. Als anderhalf jaar later directeur der koloniën Jan van Konijnenburg, na overleg met de adjunct-directeuren van het eerste en derde gesticht, Jannes Poelman en Sikke Berends Drijber, in een brief op 7 september 1836 met nummer N1826, aan de permanente commissie uitlegt hoe het in de praktijk gaat met die kledingverstrekking, noemt hij ook al de onderbroeken. Invnr 175, scans 128-130::


Frederiksoord, den 7 September 1836
                   
Ik heb de eer UWEdG op de missive van 13 Augustus jl. N6 te antwoorden, dat de zaak omtrent de linnen buizen bij mijnen brief van den 5 Julij jl. N1336 eigenlijk niet breedvoerig genoeg is behandeld geworden, weshalve ik gemeend heb UWEdG nader onder de aandacht te moeten brengen, dat er van de bestaand bepaling, om de weezen bij de Gestichten linnen buizen te doen dragen, zoo zeer niet is afgeweken, daar de weezen niet slechts van dat object, maar ook nog van meer andere, en niet alleen bij dit gesticht, maar zeker ook wel bij het 3e, nog niet geheel en al overeenkomstig het besluit van den 3 Februarij 1835 N3 zullen zijn voorzien,

uit hoofde men ook, zoo veel mogelijk, beneden de toegestane som moet blijven en de Adjunct Directeuren zich te dien einde, bepalen moeten bij het hoogst benoodigde van al de voorgeschreven objecten,

waarom die van het 1e Gesticht de linnen buizen eenigen tijd heeft achtergesteld, maar, daar en tegen, de weezen beter heeft doen voorzien van al het overige,

terwijl men even zoo bij het 3e Gesticht bevinden zou, dat onderscheidene jongens slechts één wollen borstrok en één linnen buis hebben, waarvan er, intusschen, twee zijn voorgeschreven en waarmede, derhalve, het doel, om slechts in den winter den wollen borstrok en in den zomer het linnen buis te doen dragen, almede wordt gemist, daar elk object, om de week of 14 dagen, moet worden gewasschen.

Die van het 1e Gesticht nu, meent, dat de wollen borstrok in den zomer niet te warm is, om erin te werken, gaande de jongens dan, met hun oude pijen buis onder de arm, naar het veld om zich bij regenachtig of koud weder daarmede te dekken, terwijl een linnen buis over het hemd, zonder een wollen borstrok, des morgens vroeg of tegen den avond en bij regen, zelfs in den zomer, al spoedig te koud is en van elk object 2 stuks te geven te kostbaar uitkomt.

Ik kan niet ontveinzen, na hierover met de beide Adjunct Directeuren en den Onderdirecteur voor het fabrijkwezen, in het breede te hebben gesproken, mij daarmede wel te kunnen vereenigen en dan ook twee pijen buizen, twee wollen borstrokken en twee linnen buizen veel te achten, in vergelijking met de bepaling van slechts een pijen broek met twee linnen broeken, waardoor de eerste dikwijls onder de linnen broek gedragen wordt en daarom spoedig versleten is, of wel de jongens om het lijf en aan de beenen, naar het mij voorkomt, te koud gekleed zijn,

uit dien hoofde zou ik UWEdG wel willen voorstellen, om, in de plaats van 2 linnen buizen, 2 onderbroeken toe te staan, van zulk eenen stof als waarvan ik UWEdG eerlang een monster hoop toe te zenden, met een nader bepaald voorstel hieromtrent, tot hoe lang UWEdG zich met deze nadere toelichting gelieven te vergenoegen.

De Directeur der Kolonien
J. van Konijnenburg.

Maar in de kantlijn heeft een lid van de permanente commissie al bijgeschreven: 'De linnen buizen moeten worden verstrekt overeenkomstig de bepaling', dus men wil gewoon geen verandering van die eerdere bepaling. Wie hier meer onderzoek naar wil doen, kan op zoek naar de eerdere brief van de directeur van 5 juli 1836 N1336, vermoedelijk invnr 173, het besluit waarop hij reageert van 13 augustus 1836 N6, invnr 451 en de op deze brief geschreven datum dat die geagendeerd is: 12 oktober 1836 N14, invnr 453.

Vermoedelijk is het daarna wel vaker ter sprake gekomen, maar ik pak de draad weer op op 9 oktober 1839, want dan mengt de medische hoek zich erin. De geneesheer van het eerste of kindergesticht Koenraad Johannes Schünlau is pas drie maanden in dienst, maar vindt onderbroeken hoogst noodzakelijk. Liefst voor alle jongenswezen, anders alleen voor de zwakkere jongens en desnoods alleen voor degenen die al stijf zijn. Invnr 218 scans 240-241:


Veenhuizen den 9 October 1839

Ten gevolgen, van een gesprek met den Heer Directeur der koloniën neem ik de vrijheid, deezen te schrijven, ten einden door tusschenkomst van UWEe zoo het mogelijk is, voor de mannelijke wezen baaijen onderbroeken te verkrijgen.

Reeds bij mijn aankomst alhier, kwam het mij opmerkelijk voor, dat men onder de jongens, meer algemeen, minder goed gevoedde en groote voorwerpen aantreft , dan onder de meisjes; dan dit minder het doel van mijn schrijven  heden zijnde, zoo heft ik dit slechts aan, wijl het  mogelijk ook door den volgenden voorslag kan verbeterd worden.

Meer bepaaldelijk wenschten wij de aandacht der Directie te vestigen op het menigvuldig voorkomen van Jicht en Rheumatische ziekten, waardoor veele jongens stram en stijf zijn, en de voeding van het geheele Organismus, als het ware belemmerd en vertraagd word.

De Hooge ligging en de zachte gronden, welken ons van alle zijden omgeven, doen het hier koud zijn, guurre winden en veel regens behooren hier tot de dagelijksche verschijnselen, en deezen veroorzaken, zoo men er zich niet door warme kleeding aan kan onttrekken belette huiduitwaseming en ziekten van inwendige deelen en van de spieren alsmede van de meer vezelige deelen van waar Jicht en Rheumatismus en deezen geven weder, tot meer belangrijke ziektens, ja zelfs tot veranderingen en ziekelijke voortbrengselen in inwendige organen aanleiding, die het leven onmiddelijk dreigen te vernietigen.

De meisjes hebben tegen deeze invloeden een goede warme kleding; de borst is behalve door het Jak, ook de Borstrok bedekt en de buik en overige deelen, door eene goede warme Rok;
dan bij de jongens, is dit minder,
de borst, heeft weliswaar eene goede beschutting door de Borstrok en Buis doch de buik met de belangrijke en gevoelige organen die in dezelven gelegen zijn benevens de onderste ledematen, hebben over het hemd, in gewone werkdagen, slechts de dunne linnen broek, en hoe weinig deeze, bij hun werk, tegen nattigheid en koude wind beschut en warmte geeft, begrijpt men ligt;
vandaar dan ook dat bij hun zoo veel ziektens ontstaan die uit de inwerking van koude en nattigheid kunnen afgeleid worden en die men, naar mijn inzien door eene meer warme bedekking, zouden kunnen verminderen;

en wel voornamelijk, door aan de jongens in het algemeen, een a twee baaije onderbroeken te verstrekken; deeze toch als sluitende, met eene breede band om het lijf; bedekken en verwarmen, door dien band, de zoo belangrijke bovenbuikstreek, waarin maag en lever als zoo belangrijke ingewanden gelegen zijn, de broek bedekt verder den gehelen buik, de billen en deijen met de naar de onderste extremiteiten gaande zenuwen, dus zoo wel, edele inwendige organen als meer uitwendige deelen, en door deeze bedekking, zouden deeze deelen, tegen ziektens uit verkouding meer beschut zijn en het geheele gestel, als minder aanleiding tot ziekten hebbende, zich meer normaal kunnen ontwikkelen;

doch zoo deeze algemeene verstrekking van dit kledingstuk, eene te groote uitgave mogt veroorzaken en dus in dezelve niet konde getreden worden, dan zoude het echter voor de meer jongeren, die nog zwak en arm aan levenskracht zijn, en dus de uitwendige invloeden, door eigen kracht, minder wederstand kunnen bieden hoogst noodzakelijk zijn, om hun hierdoor, zoo verre te brengen, dat zij zich na een a twee jaren tot meer krachtige voorwerpen konde ontwikkelen,

dan zoo ook dit nog te kostbaar zoude zijn, dan is het voor de reeds stijve en stramme van spieren en geledingen, als Geneesmiddel een onmisbaar kledingstuk, om hun het vreije gebruik hunner ledematen weder te geven.

Dit een en ander WelEdele Heer! hoop ik dat door tusschenkomst van UWEe aan de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid, mogt voorgesteld worden, met zoodanige Détails, der onkosten en toeligtingen, als tot het verkrijgen van dit voorgestelde, zouden kunnen medewerken

De Geneesheer aan het 1ste Gesticht
K.J.Schunlau

Directeur der koloniën Jan van Konijnenburg grijpt deze steun met beide handen aan. Hij moet eerst wat dingen uitzoeken over stoffen enzo, maar dan stuurt hij op 29 oktober 1839 de boven afgedrukte brief van Schünlau naar de permanente commissie, met erbij zijn eigen opmerkingen. Invnr 219, scans 316-317:


Frederiksoord, den 29 October 1839

Ik heb de eer UwEdGeb hierbij mede te deelen eenen brief van den Geneesheer bij het 1e Gesticht te Veenhuizen, over de oorzaak van het rheumatismus, waaraan eenige kleinere jongens lijden en het middel om daarin te voorzien.

Reeds bij de jongste inspectie zou ik UwEdGeb geacht medelid onderscheidene kinderen van het mannelijk geslacht bij het 1e Gesticht hebben aangewezen, die stijf gaan, had ik bij die inspectie tegenwoordig kunnen zijn en bij het onderhoud met ZijnEdGeb alhier is mij de behandeling dezer zaak ontsnapt.

Ik kan niet ontveinzen te deelen in het gevoelen zoo van den Adjunct-Directeur als van de Geneesheer aldaar, dat dit ongemak, bij zwakke kinderen ontstaan, het gevolg is van onvoldoende kleeding van onderen, zijnde dan ook het onderscheid tusschen de kleeding dáár en boven, om het lijf, te groot, dan dat zulks geene voorziening zou vorderen, aangezien het bezit van twee pijen buizen de gelegenheid aanbiedt, om alle dag, over den dikken borstrok, nog het oudste buis te trekken, terwijl de bepaling van slechts eene pijen broek, de dragt daarvan tot den zondag doet beperken, met uitzondering van ettelijk gestreng koude dagen, waarop de spaarzaamheid der Directie met de kleeding zwichten moet voor het medelijden met en de zorg voor de kinderen, wordende anders alleen eene, dikwijls dun gesleten, linnen broek door hen gedragen, die verreweg in het grootste gedeelte van het jaar voor zulke kleine en zwakke kinderen en misschien wel voor alle jongens, onvoldoende mag genoemd worden.

Daar nu de baai voor eene onderbroek en te kostbaar en ook te dik is en het althans met eene ligtere stof, zoo als van het hierbij gevoegde staal, van eene linnen ketting met een katoenen inslag, zoude kunnen worden gedaan, zoo heb ik de eer UwEdGeb bij dezen voor te stellen, de bepaling, dat alle jongens-weezen onderbroeken zullen dragen en dat hun daartoe twee stuks zullen worden uitgereikt, voorlopig van zulke stof, totdat deze of soortgelijke in de Kolonien zelve zal worden vervaardigd, waarop de Directie zich zal toeleggen, daartoe gebruikende het katoenen afval.

Eene nota van de kosten van zulk eene onderbroek in de verschillende tailles is hierbij gevoegd.

Mogten UwEdGeb zich vooreerst bepalen, om er slechts eene te geven van zulk aan te koopen stof, al spoedig vlei ik mij van eigen fabrijkaat in een tweede te zullen kunnen voorzien.

En mogten UwEdGeb van oordeel zijn, dat de kleeding stukken niet kunnen worden vermeerderd en er alzoo van een anderen kant eene bezuiniging dient te worden gemaakt, om binnen het geaccordeerde voor kleeding te blijven, dan houd ik het er voor, dat eerder het 2e pijen buis kan worden gemist, dan eene onderbroek ontbeerd.

De Directeur der Kolonien
J. van Konijnenburg

De in de brief genoemde berekening van kosten is invnr 219 scan 319, maar die is niet getranscribeerd. De permanente commissie besluit pas over deze brief op 17 januari 1840 bij agendapunt N4, invnr 496, en dan blijken ze het te duur te vinden:

(...) na het daarbij gedane voorstel om de jongens in de weezen gestichten van onderbroeken te voorzien, aandachtig te hebben overwogen, gemeend hebben zwarigheid te moeten maken in deze nieuwe vermeerdering van kleedingstukken, waarvan de volstrekte noodzakelijkheid ons niet gebleken is.

Dat het louter een kwestie van (misplaatste) zuinigheid is, blijkt uit het feit dat ze een goedkope manier om meisjes een extra doek te geven rond deze tijd wel accepteren.

Daarna volgt er ongetwijfeld nog een heleboel discussie en heen-en-weer geschrijf, maar dat heb ik allemaal niet opgenomen. Belangrijk is dat de permanente commissie uiteindelijk zwicht (maar dat heeft dus wel tien jaar moeten duren) en het volgende besluit neemt:

11 september 1845 N3: De Weezen van het mannelijk geslacht van onderbroeken te voorzien; het melken alsmede de tuinbouw hun te onderwijzen,

De Permanente Commissie

Gelet op het rapport van den Direkteur der Kolonien van den 18e augustus ll. N2072     

Besluit:

1e Te bepalen dat de weezen van het mannelijk geslacht in het kindergesticht te Veenhuizen, zoo die er thans zijn, als die in het vervolg aankomen, zullen worden voorzien van onderbroeken, te maken van imitatiekatoen en te verstrekken op loopende schuld, zullende ieder jongen twee onderbroeken bekomen, en de verstrekking plaats hebben zoodra het daartoe vereischt getal onderbroeken zal gereed zijn.

2e Zich te vereenigen met het denkbeeld des Directeurs, om de weezen bij den Onderdirecteur buiten onderrigt te verschaffen in het melken, alsmede in den tuinbouw, wordende de Directeur gemachtigd, daarmede proeven te nemen, waarvan de Permanente Commissie den uitslag na eenigen tijd gaarne zal vernemen.


Zie hier voor het overzicht van stuken over weeskinderen in Veenhuizen.