Naar het overzicht
van stukken over GENEESKUNDE





April 1839: Dokter Emilius Carolus de Könnigh over zijn ontslag of overplaatsing

Uit onderstaande brief, invnr 208, blijkt dat dokter De Könnigh in december 1838 al ontslag genomen heeft. Maar nu zijn nieuwe betrekking in Eierland (of Eijerland), het noordelijke gedeelte van Texel, nog niet helemaal rond is, houdt hij alle opties open.

Veenhuizen, 9 april 1839

Wel Edel Gestrenge Heer,

Het gemeente bestuur van Texel heeft mij den 13e maart benoemd voor den binnenkort te vaceren komende post van genees-, heel- en vroedmeester te Eijerland.

Ik heb deze benoeming den 24 maart ll. aangenomen onder voorwaarde dat de voordeelen aan deze post verbonden mij bij wijze van contract zullen verzekerd worden.

Ik heb gegronde reden om te veronderstellen dat aan dit verlangen zal worden voldaan en in dit geval ben ik in de verpligting om, de benoeming door de sociteit van Eijerland gedaan, aan te nemen.

Daar nu echter het tijdstip tegen hetwelk ik het ontslag uit de dienst der Perm. Commissie gevraagd heb reeds voorbij is zoo beschouw ik het in december 1838 gevraagde ontslag als vervallen, en mij zelve daarom verpligt (zoo als ik dit dan ook aan den Heer Burgemeester van Texel en aan den Dirigerende Commissaris van Eijerland heb gezegd) om bij eventueel vertrek opnieuw aan de Permanente Commissie te kennen te geven dat ik haren dienst wensch te verlaten en beloof tevens daarbij een genoegzaam tijdsbestek van 6 weken ā 2 maanden D.V. te zullen laten, om in de ontstaande vacature te kunnen voorzien.

Mogt ik mij echter verpligt vinden voor de benoeming op Eijerland te bedanken alsdan ben ik wel gezind om in dienst der Permanente Commissie te blijven en zal alzoo geene verdere pogingen ter verkrijging eener andere betrekking aanwenden onder voorwaarde dat ik bij het 3e Gesticht worde overgeplaatst en dat de Permanente Commissie mij jaarlijks met eene, aan de werkzaamheden van het toezigt op de geneeskundige eenigzints geevenreedigde gratificatie begunstigde.

Indien met het te nemen besluit omtrent de overplaatsing dit bewijs van tevredenheid der Permanente Commissie over mijne dienst verbonden ware, zoude ik zulks als een bewijs aanmerken kunnen dat het boven uitgedrukte verlangen mij stilzwijgend ware toegestaan.

Ik heb de eer mij met de meeste hoogachting te noemen,

Weledelgestrenge Heere,
UwEdelgestr. Dienaar,
E.C. de Könning

In de kantlijn is, vermoedelijk door de directeur der koloniën Jan van Konijnenburg, bijgeschreven:

Ik heb aan K. gezegt, dat de P. C. wel genegen is om hem aan het 3e Et over te plaatsen, maar zich niet zal verbinden ten aanzien der bedoelde gratificatien, terwijl zij verder verlangt dat hij, geneesheer, zoowel als ieder ambt. zich ondergeschikt aan den Adjunct-Directeur moet gevoelen. Na het schrijven van deze brief heeft K. mij nog te kennen gegeven hij hoogstwaarschijnlijk zal vertrekken.

Blijkbaar wil De Könningh per se weg bij het eerste gesticht, waar adjunct-directeur Jannes Poelman een lange geschiedenis van ruzie met geneesheren en onderdirecteuren heeft, Hij vertrekt uiteindelijk per 1 juli 1839 naar Texel. Zie voor meer over dokter De Könnigh deze pagina.