Naar het overzicht
van stukken over GENEESKUNDE





Verslag over schurft bij het eerste gesticht te Veenhuizen 1 april 1835

Ter voldoening aan het verlangen van den Heer Directeur der kolonien, om over den staat der schurftziekte, bij het 1e gesticht, eenige inlichting te ontvangen, zoo heb ik de eer, het volgende daarover aan te halen.

Na eene voorlopige inspectie over al de kinders, in de gewone zalen, in de schurften ziekenzaal, is het zeer duidelijk gebleken, en het vermoeden bevestigd, dat de schurftziekte als eene algemeene plaag, in het 1e gesticht heerschende, moet aangezien worden.

Bij de jongere meisjes en vooral bij de kleinere jongens mag men bijna de helft; en bij meer in jaren gevorderden, kon men een vierde als zigtbaar voor besmet houden; welk getal zekerlijk bij eene warmere luchtgesteldheid nog zal aangroeijen; want er worden er bijna geene gevonden welke niet reeds één of meermalen onder behandeling waren, waardoor de besmetting aller daarvoor vatbare voorwerpen door gedurige aanraking, tevens voor zeker moet gehouden worden.

Aangezien dat deze vernielende huidziekte blijft voortduren, in weerwil der tot hiertoe in het werk gestelde behandeling, zelfs van dag tot dag meer veld wint, niet alleen in getal, maar ook toeneemt in moeijelijkheid om genezen te worden.

En dewijl de onderlinge omgang, noodwendig voortvloeijende uit de samenwoning en samenleving, van besmette kinders en voorwerpen, met genezene en nog niet aangetaste, volstrekt onvermijdelijk is, derhalve eene gedeeltelijke behandeling voor ontoereikend moet gehouden worden.

En dat mitsdien, ten einde deze kwaal in den wortel aantetasten, nog te beproeven overblijft, eene algemeene en gelijktijdige behandeling en zuivering aller besmette kinders en voorwerpen; om langs dien weg de verdelging te hopen, eene onberekenbaar nadeelig werkende kwaal; zoo op den groei en bloei der aankomende jeugd, het  hinderende in de behandeling van andere ziekten de schurft vergezellende of van haar vergezeld wordende.

Als ook om daardoor voortebuigen(?) in het vervolg zoo vele stoornissen, moeite en kosten bij het huishoudelijke gedeelte der inrigting.

En wanneer wij mogten slagen, in deze hoewel moeijelijke bewerkstelling, zoo zoude het in ’t vervolg mogelijk worden, door voortdurende verdubbelde inspanning en naauwkeurige toezigt de verdere besmetting, althans eene algeheele te ontduiken.

Hiermede aan het verlangen van den Heere Directeur meenende voldaan te hebben, wil ik mij niet verder met overboodige bespiegelingen en uiteenzettingen der voor- en nadeelen inlaten, zoo wel in geneeskundige als huishoudelijke betrekking.

De algemeene besmetting bestaat; eene gedeeltelijke behandeling schijnt ontoereikende; eene verdelging der ziekte voor hoogst belangrijk in duizend opzigten, en eene algemeene en gelijktijdige behandeling en zuivering als niet geheel hopeloos, om van deze zoo veel onheil berokkenende ziekte welligt verlost te worden.

Veenhuizen, den 1 april 1835
De geneesheer bij het 1e gesticht
J. Schindler.


Dit verslag wordt door directeur Van Konijnenburg tegelijk met zijn brief over reorganisatie van de gezondheidszorg in Veenhuizen doorgestuurd naar de permanente commissie, met de woorden:
Dit stuk na het opmaken van mijn rapport ingekomen wordt nog als bijlage van hetzelve den Permanente Commissie aangeboden
3 april 1835
VK