Naar het overzicht
van stukken over GENEESKUNDE





31 maart 1835: De onder vuur liggende apotheker Steenmeijer doet een boekje open over de diefstallen en bedriegerijen van dokter Amshoff

Er staat niet op de brief tot wie hij gericht is, maar hij bevindt zich bij de ingekomen post van de permanente commissie van de Maatschappij. Om precies te zijn in invnr 157, de scans 606 tot en met 611, met erachter een velletje met notities. De transcriptie is van Theo Zelders.

Veenhuizen, den 31 Maart 1835

Weledele Heer

Het is met leedwezen, dat ik mij gedrongen zie UWeled. met eenen zaak lastig te moeten vallen, welke voor UWeled. even zoo onaangenaam zijn moet, als die voor mij grievende is, alzoo dezelven voor mij, mijne vrouw en zes kinderen verderflijk zijn kan.

Het is alzoo dat ik de vrijheid neem, mij met onbepaald vertrouwen tot UWeled. te wenden teneinde deszelfs krachtdadige bescherming in te roepen, teneinde te verhoeden dat een geheel huisgezin door de intrigues van één enkeld persoon ongelukkig worde.

Den Heer Amshoff schijnt ten doel te hebben mij geheel te onderdrukken, of liever mij van mijn bestaan te beroven.

De eigentlijke beweegredenen bevroedende, zoo ben ik met mijne vrouw en kinderen overeengekome, mij op eenen vertrouwelijke wijze aan UWeled. te verklaren.

Dat de Heer Amshoff ten allen tijden geneigd was uit den apotheek artikelen voor zijn eigen praktijk mede te nemen, dit is reeds kort na het overleiden van de Heer Sporon gebleken, en kan uit nevensgaande nota verder blijken, aan die artikelen, welke ik mij in waarheid heb weten te herinneren.

Dat de Heer Amshoff mij verscheiden drankjes pillen en poeders, voor eenige hoofdambtenaren heeft doen gereedmaken, die ik den volgenden dag of des avonds laat moest bezorgen, om te doen schijnen dat die van Assen waren gekomen, en waarvoor zijn Weled. zich door Heeren Ambtenaren heeft doen betalen, even of die door hem zelve geleverd waren en zulks geschiede meest al onder voorgeven, dat zijn Weled. zeer geleerde wel wat voor zouden schrijven, doch dat die artikelen in dezen apotheek niet voorhanden waren edoch werden er veelen door mij gereed gemaakt;
Waartoe de Heer Amshoff als dan wat zoogenaamden fatsoenlijke flesjes mede bragt, om dat het gebruik der kolonie fleschen geen agterdogt zoude veroorzaken.

Tijdens dat de heer Krul alhier de praktijk waarnam heb ik met mijn zoon en Kaminga des middernagts een lijk uit het graf gehaald (niet beter wetende of was eene M: v.d. Horst) welke zoude dienen ter lering van de Heer Krul en zekere van Es. Leerling van de Heer Amshoff, welke daar toe expresselijk van Assen kwam.
Die Heeren echter, elkander niet wel kunnende verstaan heb ik daarvan met moeite een skelet gemaakt, hetwelk naderhand de heer Kramer zich heeft toegeeigend.
Dit geschiedde op aandrang van de Heer Amshoff waarvoor ik noch mijn zoon niets hoegenaamd hebben genoten - doch zoo veel ik weet Kaminga 50 centen.

Dat de Heer Amshoff over een geruimen tijd bij mij eens eenige medicijnen heeft gebragt, meestal artikelen waarvan er bij de Maatschappij ruimschoots voorhanden waren, of die geheel buiten gebruik waren waarschijnlijk omdat de Heer Amshoff stadsdoctor geworden zijnde geene medicamenten mogt gereed maken, deze artikelen der Maatschappij duur prijs heeft willen aansmeren, daar zijn Weled. mij wel gezegd heeft dat dit ruim 80 gulden bedroeg, edoch dat men hem niet wilde betalen hier op gronde zich de Heer Amshoff ??? als zijn Weled. een of ander uit mijn apotheek mede nam, zeggende ik moet toch nog zooveel geld van de Maatschappij hebben.

Dat ik in een en ander de hand niet had behoren te lenen kan ik niet ontkennen doch ik geef UWeled. in consideratie, of het mij mogelijk was zulks te weigeren aan eenen chef welke het vertrouwen der Hoofddirectie geheel wel bezat, en mij langs bedekte wegen zoo zeer konde benadelen.
Ja dat verkiezende geheel vernietigen.

Ook was de Heer Amshoff zoo vrij en nam al dikwijls zelve 't geen hem aanstond, en ik had de moed niet zulks te beletten.

Ongelukkigerwijze heb ik mij indertijd omtrent een en ander tegen de heer Huet, ook tegen de Heer de Geus uitgelaten.
Zulks is de Heer Amshoff ter ooren gekomen. en sedert die tijd heeft of is de Heer Amshoff merkelijk tegen mij veranderd en te meer daar ik van de Heer Amshoff bij gebrek wat Kina heb geleend, die nawegende was er niet meer dan 7 oude duiten, en wel Amerikaanse Kina - doch de Heer Amshoff spreekt nu van een N: pond terug te willen hebben waarin ik tot nog toe achterlijk ben gebleven waaromtrent ik al dikwijls komplimenten heb moeten horen.

Dat eenige dagen voor nieuwjaar Zijn Weled. Zeer Geleerde tegen den avond bij mij kwam vragende of ik ook versche bloedzuigers had?
Neen antwoordende zond Zijn Weled. mij naar het 1e Etab: zeggende tegen nieuwjaar moet het magazijn opgenomen worden, en dat zullen wij vanavond doen.
Ik gehoorzaamde.
De heer Amshoff kwam dan ook. en of de heer Leeman en Magazijnmeester Brand beweerden dat dit niet den avond mogelijk was.,en er ook wegens de op handen zijnde inspectie te weinig tijd was.
Kon dat echter niets baten.
Het moest geschieden.
Naar eenige artikelen gewogen te hebben - vraagt mij de Heer Amshoff of ik de 25 bloedzuigers al had voor het 2e Etabl:
Ik antwoordde Neen -
Nu krijgt die dan terwijl maar.
Ik deed al zoo 25 zuigers in twee potjes, bezig zijnde die toe te binden nam Zijn Weled. mij dit werk uit de handen zeggende Zie gij maar na het wegen en bond alzo zelve de potjes digt en stak die toen sluiks in de zak.
Na nog eenige minuten rond gelopen te hebben zegde Zijn Weled. tegen Brand ik gloof niet da wij er vanavond doorkomen, mij dunkt wij moesten maar tot naar Nieuwjaar wagten, geredelijk wierd dit toegestemd.
De Heer Amshoff de bloedzuigers beet hebbende steeg te paard en reed weg en heeft zich ook verder met het opnemen van het magazijn niet meer bemoeid.
Het was dus aleen om het belang van de zuigers dat ik met donker avond naar het 1e Etabl als het ware werd gejaagd en het opnemen het voorwendsel was om de zuigers te verkrijgen.

Hier voren aangeduid hebbende de reden waarom de Heer Amshoff mij niet meer mag, en zijne pogingen schijnt te verdubbelen om mij schandelijk en ongelukkig te maken, en daartoe listige middelen in het werk stelt, kan uit het volgende blijken.

De Heer Amshoff vroeg mij of ik zoveel Sulphas Quinine had verkogt;
Dit bevreemde mij.
Ja, de heer Huet had mij daar van beschuldigd.
Als toen schoot mij te binnen dat de Heer Sassen hier zijnde ook buiten af praktizerende, mij zegde dat ik voor de boeren voor mijne moeite en redelijkheid konde rekenen, doch dat ik zijn Weledelzeergeleerde maandelijks een nota moest geven van de recepten tegen prijscourant gerekend, en die gelden aan zijn Weled. moest afdragen, 't geen ook prompt geschiede.
Als toen meen ik aan Godschalk 3 of 4 pakjes poeders van de Sulphas Quinine op recept heb verstrekt - en hem eens een papiertje muskus heb gegeven voor de mot,  en dat ik daar voor geen geld heb willen nemen;
Maar een zwarte das heb ik genomen, ten minste herinner ik mij dit, doch meen ook die poeders prijs courant te hebben verantwoord, dan daarvan ben ik niet zeker.
De muskus ten bedrage van mogelijk 30 cent, die heb ik weg gegeven.

Als nu heeft de Heer Amshoff van deze bekentenis gebruik gemaakt zelve bij de regter van Instructie ??? of ik den Apotheek bestal en Godschalk dit van mij kogt.
Welke ook is geciteerd geworden doch de Heeren konden zich van lagchen niet onthouden toen zij van het bagatel onderricht wierden.
Hoewel de Heer Amshof dit  bij vergroting wel op 500 gr gebragt heeft, 't welk mij in de vorige week aan het 1e Etabl; werd gezegd en waarlijk was dit het geval.
Mijne of onze huislijke inrigting en dagelijkse voorkomen zou dit reeds lange hebben verraden.

Komende op datgene waaromtrent de Weled. Gest: Heer Directeur mij ernstig heeft onderhouden.
Namelijk dat in de medicijnen niet alles word gedaan dat staat voorgeschreven.

Als nu moet ik besluiten  - dat de Heer Amshoff andere listige middelen te baat neemt ten einde (daar het vorige hem niet heeft gebaat) eventueel mijnen val te bewerken.
Ik voor mij zou geen reden weten waarom ik de voorgeschreven artikelen hebbende, zoude agterhouden en mijzelve moedwillig in gevaar brengen, daar ieder doctor immers dit kan ontdekken,
ook durf ik volgens mijn eigen geweten te zeggen dat ik ten allen tijde ruim zoveel belang in de zieken heb gesteld als wel de Heer Amshoff welke om de 3 a 4 weken en dan nog maar terloops en meestal bij duister avond de patienten komt nazien en er zich bij de Hoofddirectie zoo veel op voor laat staan, of het belang en voordeel der Maatschappij en de bevolking hem zoo zeer ter harte gaat.

In hoeverre dit gaat kan in de twee volgende staaltjes blijken.

Zekere Truitje Duprée, dodelijk aan de waterzucht laborerende, zou op zekeren zondag voetstoots afgetapt worden.-
Ik werd ontboden met de instrumenten.
De lijderes werd dan in de buik gestoken;
Geen water genoeg ontlastede ging de Heer Amshoff met de Heer Kramer en mij dadelijk weg zonder zorg van behoorlijk verband of niets zoodat moeder van Geffen er mede verlegen was, die ik dan terloops nog influisterde wat zij doen moest terwijl de andere wezen er schande van spraken.-

Niet langer als gepasseerde Zondag, arriveerde de Heer Amshoff met een groot gevolg van heden zijne leerlingen en een partij dames, ging met de Heeren op Vrouwen Ziekenzaal, en zette daar een patient eenige brandende kopglazen op de borst, welke kunstbewerking voor deze lijderes gands niet ongunstig is.
Maar dat de Heeren reeds aan de trap waren om te vertrekken de dames boven kwamen -
de Heer Amshoff zegde wij zijn daar aan 't koppen geweest.
Kom gaat een mee - ten pleziere van de dames werd het meisje weer in de borst gestoken met het lancet, de brandende kopglas er weder op gezet, als zoo moest zij die pijn ten gevalle van het gezelschap weer lijden, zoo dat er waren die naderhand riepen 'Wat zijn hier de kolonisten toch ongelukkig, er word wat met ons geleefd.'
Dit gaat dan alles onder het voorgeven van belangstelling in de lijdende mensheid. -

Dat mijn zoon wel eens kleine abuizen heeft gehad dit kan ik niet ontkennen.
Edoch zal ik voortaan meer toezien, doch wat het met indoen betreft; Legt geensins geheel aan mij.
Slechts eens per week kan ik aanvrage doen en die moet door de Heer Amshoff geteekend

De brief gaat hierna nog een tijdje door, maar van de rest heb ik geen transcriptie. Liefhebbers verwijs ik naar de hierboven genoemde scans.