Naar het overzicht
van stukken over GENEESKUNDE





Juli 1834: Na een stroom van klachten geeft de directeur de geneesheer van het eerste gesticht HuŽt een laatste waarschuwing


Als de adjunct-directeur van de gestichten bij de directeur klagen over dokter HuŽt, en ook de chef van de geneeskundige dienst van Veenhuizen zijn geduld met de man heeft verloren, geeft de directeur de arts een laatste waarschuwing. HuŽt protesteert daartegen met een - volstrekt onleesbare - brief aan de permanente commissie, de permanente commissie stuurt die brief naar de directeur voor commentaar en die moet dan, op 12 juli 1834 invnr 149, in een brief met nummer N1296, reageren:

Frederiksoord, den 12 Julij 1834

Ik heb de eer, in voldoening aan de marginale van 8e dezer maand N. 5, omtrent den hierbij teruggaanden brief van den Geneesheer HuŽt te Veenhuizen, UWEdG. te berigten, dat de zaak, waarover hij zich beklaagt, beter en juist beschreven is in den brief van den Adjunct-direkteur Hulst, copiŽlijk hierbij gevoegd.

Ook nog van brieven van den Adjunct-direkteur van het 1e gesticht en van den Chef van de geneeskundige dienst en van eene daarop door mij genomene dispositie, leg ik hierbij afschrift over, tot aanvulling van de klagte, welke ik UWEdG reeds vroeger, vooral bij monde aan UWEdG geacht medelid, den WelEdelGestr: Heer Faber van Riemsdijk, over den persoon van dien geneesheer ingebragt heb, opdat UWEdG, bij deze gelegenheid, vernemen zouden, hoe hoog het met hem reeds geklommen is.

Ik vlei mij nog, op grond, dat hij in het behoud zijner betrekking eenig belang schijnt te stellen, dat eene krachtige vermaning en bedreiging van UWEdG den Heer HuŽt van zijne dwaasheid zou doen terug komen, dat ik alleen daarom gaarne zou zien, daar wij anders al wederom in moeijelijkheden met de geneeskundige dienst te Veenhuizen komen.

Anderszins zou men, hangende de vervulling der eventuŽle vacature, den Heer Amshoff wel kunnen engageren, om voor het tractement van den Geneesheer, ook diens werkzaamheden zoo lang op zich te nemen.

Geen jaar is er geweest van minder dooden te Veenhuizen dan verleden jaar, toen de Heer Amshoff de dienst genoegzaam alleen waarnam. Het 1e gesticht telt er nu reeds zoo veel als in dat geheele jaar!

Nog moet ik UWEdG de vraag doen, of de f 2.-, ingevolge UWEdG dispositie van 5 April jl N. 21, voor iedere verlossing uit te betalen, al of niet in het abonnement van een kolonisten-huisgezin moeten beschouwd worden begrepen te wezen.- Volgens art. 25 van het reglement houd ik ze daar buiten; maar dŠŠr is het, wanneer de hulp van den Geneesheer, boven die der vroedvrouw verkozen wordt, terwijl men thans geen vroedvrouw heeft, op grond waarvan de veteranen en alle overige huisgezinnen dan ook nu de hulp van den Geneesheer op kosten van de Maatchappij verlangen.
In de gewone koloniŽn worden de huisgezinnen, echter, voor de toelage aan de vroedvrouw op hun boekje schuldig geschreven.

De Direkteur der KoloniŽn
J. van Konijnenburg

De directeur stuurt een aantal bijlages mee. Om te beginnen de hierboven al genoemde brief van de adjunct-directeur van het derde gesticht Coenraad Hulst. Dit gaat vooral over de kwestie met de vroedvrouw, wiens geld HuŽt in eigen zak steekt:

Afschrift
N. 240   
Veenhuizen den 17 Junij 1834

Toen ik de Eer had UWEg voor de eerste maal in mijne tegenwoordige betrekking bij mij aan huis te zien, sprak ik onder anderen met UWEg af, om in geval van nood, als de Docter niet zoo spoedig bij de hand kon zijn, de verlossingen te laten doen door zekere vrouw, uit het binnengesticht die vroeger dat werk altijd met het beste gevolg behandeld hadt en om die dan daarvoor te betalen de twee Gulden voor elke verlossing bepaald.- UWEg zal zich het gesprek herinneren.

Docter HuŽt die van onze bepaling deswege kennes scheen bekomen te hebben (ik weet niet hoe) kwam mij kort daarna daar over spreken, en zeide mij, dat ik in de voorzeide gevallen het geld aan hem kon uitbetalen, wijl hij met Louise, (zoo noemde hij de vrouw) daaromtrent schikkingen gemaakt had, waarop ik hem antwoorde, daar tegen geen bedenking te hebben, wanneer ik maar de vrouw als de nood het vereischte kon laten roepen; een enkele keer is dan ook in de bedoelde gevallen de vrouw ter hulp gevraagd en heeft zij de verlossing gedaan,

Waarvoor echter Docter HuŽt het loon getrokken heeft, zonder daarvan een enkele Cent aan de vrouw aftestaan welke zich daarover bij mij kwam beklagen daags na dat zij een vrouw achter het Schut vrouw Bijkerk, wederom geholpen had, een verlossing die ook zeer onverwachts bij nacht, binnen een half uur afliep en ten gevolge daarvan ik aan den Onder Directeur verzochtte om de f 2.- daarvoor aan de vrouw zelve uit te betalen zoo als geschied is.

Docter HuŽt heeft mij heden morgen over die zaak willen spreken, en na dat ik met moeite van hem gewaar wierd wat hij eigenlijk voorhad (want de man stond al te beven van nijd voor dat het gesprek begon) wilde ik hem aan onze vroegere afspraak weder herinneren, met opservatie tevens dat ik niet op eigen gezag, maar met voorkennis van UWEg alzoo gehandeld hadt edoch is hij mij telkens in de rede gevallen, zoo dat ik niet heb kunnen zeggen wat ik het voornemen had te doen,

en bemerkende dat de man onhandelbaar was, en al zijn bedreigingen dat hij met de Direkteur niets te maken had maar mij als chef van het gesticht zou weten te vinden, en het mij geducht zou afleeren, over zijn verdiensten te beschikken en een vrouw tot het doen van verlossingen te gebruiken, die daartoe het regt niet hadt, ik weet al niet wat meer; mij eindelijk begonnen te verveelen, heb ik hem geantwoord zijn bedreigingen niet te vrezen, dat hij doen kon wat hij wilde en mij niet behoefde te ontzien, met ťťn de deur open zettende om het spoedigst en tot voorkoming van feitelijkheden waartoe zijn gedrag zoo veel aanleiding geeft, op de gemakkelijkste wijze, van een aller lastigst sujet ontslagen te worden.

Ik heb het nodig geoordeeld UWEg hiervan voorlopig kennis te moeten geven, om later bij monde daarop nog eens nader terug te komen.

De Adjunct Directeur
(get) C. Hulst

Daarnaast doet de directeur een brief mee van Jannes Poelman, de adjunct-directeur van het eerste gesticht te Veenhuizen. Hij noemt de arts 'zoo ondraaglijk' en gebruikt voor zijn geneeskundige behandeling van de weeskinderen het woord 'folteren'.

N. 77
Veenhuizen den 26 Junij 1834

Ik kan niet mankeeren UWEg ter kennis te brengen dat den Geneesheer HuŽt, zoo ondraaglijk word en zoo verkeerd ook na mijn zien de Lijders behandelt dat het schandelijk is en de kleine Kinderen onnodig foltert met Spaansche vliegen en bloedzuigers tegen alle aanmerkingen daar omtrent van den Heer Ameshof aan, met zijn behandeling blijft voortgaan zoo wel in als uitwendig.

Hierin zal zeker moeten voorzien worden. HuŽt is zoo koppig, en hij kan geen regt wijzing of tegen spraak dulden, dit is overbekend, hoe een ongemaklijk man hij is, maar nu ZijnE. niet luisteren wil na den chef, in behandelen der zieken, dit gaat te verre, zijn crediet als geneesheer daalt dagelijks zoo dat ieder vreest de Docter nodig te hebben. Om in een woord alles aan UWEg te zeggen, wij verlangen dat hij uit de dienst wordt ontslagen.

Gisteren heeft zich bij 2 Kinderen van ongeveer 8 Jaar de Kinder Pokken geopenbaart zij schijnen van een ligten aard te zijn, deze Kinderen zijn van het laatst van Amsterdam aangekomen Transport.

De Adjunct Directeur
J. Poelman

Als derde stuurt de directeur een brief van de chef van de geneeskundige dienst voor Veenhizen, die ook in zijn verslag over april, mei en juni - zie hier - al kritiek op HuŽts behandelingen had geleverd:

Veenhuizen den 25 Junij 1834

Ik achte het van mijnen pligt, al wederom te moeten komen op vroegere klagten, die ik ten aanzien van den Heer Huet aan UEg heb moeten doen, daar het nķ eindelijk zoo verre is gekomen dat hij bij aanhoudendheid halstarrig blijft weigeren de behandeling der zieken in te rigten naar de hem door mij met de meeste kiesheid en inschikkelijkheid medegedeelde inzigten.

Het geen er in de laatste dagen is voorgevallen is te veel om UEg schriftelijk te melden, mijns inziens is de man ten eenemale ongeschikt voor den post van Geneesmeester ter dezer plaatse, alwaar om ik UEg verzoek hem ten  minste voor eenige dagen te suspenderen.

De Chef van den Geneeskundige dienst voor de Kolonie Veenhuizen
(get) D: G.H. Amshoff

En tenslotte stuurt de directeur het besluit dat hij naar aanleiding van deze klachten op 2 juli had genomen.

N. 1232

Frederiksoord den 2 Julij 1834

De Directeur der KoloniŽn bij Missive van den 17, 25 en 26 Junij JL hernieuwde klagten ontvangen hebbende, zoo wel van Adjunct directeurs der gestichten N. 1 en 2 te Veenhuizen, als van de Chef der geneeskundige dienst aldaar, over alle gebrek aan ondergeschiktheid van den geneesheer P. G. HuŽt,

Besluit

Art 1
De geneesheer voornoemd wordt bij dezen nadruklijk uitgenodigd, om, van stonden aan, zijn gedrag jegens opgemelde Heeren te veranderen en te verbeteren en derzelver als zijne volstrekte Superieuren te eerbiedigen en te volgen, zoodanig, dat zij en over zijne dienst en over zijne gedragingen jegens HWEd volkomen te vreden zijn en daarvan den Directeur de verzekering kunnen geven, zullende, in het tegenovergestelde geval, het onverwijld ontslag van genoemde geneesheer aan de Permanente Commissie worden aangevraagd.

Art 2
Genoemde Heeren Adjunct Directeuren benevens den Chef van de geneeskundige dienst worden eenpaariglijk verzocht, om, wanneer deze aanmaning onverhoopd van geen goed gevolg mogt zijn, daarvan den Directeur dadelijk te berigten en in alle gevallen zulks te doen na verloop van eene maand tijds om dan bepaaldelijk na te gaan of er nog termen bestaan om tot het aanvragen van het ontslag van genoemde Geneesheer te besluiten.

En zullen hier van afschrift worden uitgereikt aan genoemde Heeren, respectivelijk tot informatie en nazigt.

De Directeur voornoemd
(get) J. van Konijnenburg

Voor eensluidend Afschrift
De Directeur der KoloniŽn
J. van Konijnenburg