Naar het overzicht
van stukken over GENEESKUNDE





Het ministerie van Binnenlandse Zaken maakt zich oktober 1826 zorgen dat de 'in de Noordelijke gewesten van dit land heerschende ziekte' ook in het kindergesticht te Veenhuizen zal opduiken.

Op 16 oktober 1826, invnr 81, kondigt het ministerie van Binnenlandse Zaken zoals gebruikelijk een transport aan, maar uit ze ook haar zorgen over de in Noord-Nederland heersende ziekte:


Ministerie van Binnenlandse Zaken
Armwezen no.43
Onderwerp: opzending van kinderen naar Veenhuizen.

ís Gravenhage, den 16 October 1826

Ik heb de eer UwelEd hiernevens te doen toekomen, den Staat van drie kinderen, welke uit de gemeente Leeuwarden naar Veenhuizen opgezonden zijn.

Ik meen ter dezer gelegenheid Uwe aandacht te moeten vestigen op de in de Noordelijke gewesten van dit land heerschende ziekte.

Hoezeer beweerd wordt, dat die ziekte van geenen besmettenden aard zoude zijn, komt het mij voor dat door UwelEd nogthans, geene voorzorgen genoeg kunnen genomen worden, teneinde de ziekte zoo doenlijk uit voorsch. Etablissement te weeren.

Aangenaam zoude het mij weezen door UwelEd te worden geinformeerd van de maatregelen, die bereids door UwelEd mogten zijn genomen, teneinde voorsch Etablissement en alle andere zooveel in derzelver bereik is, te behoeden voor het onheil, dat reeds zooveele oorden des Rijks getroffen heeft.

De Administrateur voor het Armwezen

Op de brief heeft de permanente commissie genoteerd dat ze op 17 oktober de brief beantwoordt, maar dat zullen wel de gebruikelijke sussende opmerkingen zijn.