Naar het overzicht
van stukken over GENEESKUNDE





25 mei 1826: Directeur der koloniŽn Wouter Visser stuurt opgelucht verslagen van Schuurman en Van Steenwijk naar Den Haag

Directeur der koloniŽn Wouter Visser maakt zich toch wel een beetje zorgen over de hoge sterftecijfers op de Ommerschans. Het zal te wijten zijn aan de 'zwakke, afgeleefde of verwaarloosde gestellen' die er binnenkomen. En dan ook nog die mazelen-epidemie onder de kinderen...

Hij heeft dokter Schuurman uit Steenwijk naar de schans gestuurd om te beoordelen of de arts-bedelaar Douwe Petrus van Steenwijk wel de goede behandelingen geeft. Hij stuurt nu het verslag van Schuurman mee, waarbij hij opgelucht vaststelt dat er volgens die geneesheer geen epidemie op de schans is.

Bovendien heeft hij aan Van Steenwijk nog eens gevraagd op papier te zetten hoe het momenteel er voor staat in de (grote) ziekenboeg van het gesticht. Dat overzicht stuurt hij ook mee (al zal hij er door de overmaat Latijn niet te veel van begrijpen). Al met al valt het volgens Visser nog al mee. Al heeft hij ook een vraag voor de permanente commissie.

De brief van Visser, met de twee genoemde bijlagen, bevindt zich in invnr 73:

Het is der Permanente Kommissie zoo door de algemeene mutatie staten, als koloniale berigten gedurende der laatste verlopen maanden gebleken, dat te Ommerschans veele zieken waren en het getal der overledenen meer dan gewoon was, zelf in dat etablissement;

door mijn eigen onderzoek en beko≠men informatien van den geneesheer zoo wel als Adj. Dir., zoo menigmaal ik mij te Ommerschans bevond meende ik mij overtuigd te mogen houden dat deze buitengewone sterfte hoofdzakelijk was toeteschrijven aan de zwakke, afgeleefde of verwaarloosde gestellen der overledenen, welke grootendeels sedert de maand oktober of november jl. in het bedelaars gesticht waren aangekomen;

behalven een zeker getal kinderen welke aan de gevolgen der maasselen stierven;
niettegenstaande deze mijne overtuiging oordeelden wij het noodzakelijk den Heer med. doctor Schuurman te verzoeken, met mij den aard der ziekte en derzelver geneeskundige behandeling, waar omtrend ik mij niet bevoegd reken te oordeelen, te onderzoeken.

De uitslag hier van voldeed volkomen aan onze verwagting, als kunnende ZijnWelEdele geene de minste spooren van epidemie ontdekken, en had geene aanmerkingen op de geneeskundige behandeling te maken, anders dan op de geneeswijze der kindere welke mazelen hadden en waaromtrend eene andere behandeling werd voorgeschreven.


Dan dezer dagen wederom te Ommerschans als naar gewoonte mij omtrend de ziekte en hetgeen daartoe betrekking heeft, informerende, bleek het mij dat het getal wel niet vermeerderd, maar de aard der ziekte bij veele van eenen anderen, meer ernstige aard was geworden;

ik gelaste den geneesheer mij een eenigsints uitgebreid verslag bepaaldelijk van de laatste, en zijne behandeling van dezelve te geven, ten einde daar door in de eerste plaats bij den WelEdele Heer doctor Schuurman te verneemen of Steenwijk, die geneesmiddelen toediende welke naar de bekende regelen der genees≠kundige in zodanige omstandigheden worden voorgeschreven en ten andere dit stuk zelve aan de Permanente Kommissie te zenden, op dat ook zij, met den aard der omstandigheden, zoo na mogelijk bekend, zoodanige voorzie≠ningen zoude kunnen nemen, als zij zoude vermeenen te behoren.

Met groot genoegen heb ik van doctor Schuurman vernomen dat ik de omstandigheden door Van Steenwijk opgegeven, de lijders zodanig worden behandeld als de aard der ziekte vorderd, terwijl ik hier kan bijvoegen dat de oppassing der zieken in het hospitaal mijns inziens niets te verbeteren overlaat;

dan niettegenstaande doctor Schuurman de geneeswijze van onzen heelmeester goedkeurd was ZijnWelEdele van oordeel, dat van zoodanige ziekte als te Ommerschans bestaat, behoorde te worden kennis gegeven aan het plaatselijk bestuur te Ommen, ten einde dit bestuur er van kennis geve aan het geneeskundig bestuur of kommissie van geneeskundig toevoorzigt te Zwolle, en zulks in gevolge besluit van ZM dd. 31 mei 1818, te vinden in het Staatsblad N25 van dat jaar.

Ik heb egter gemeend hier aan niet te moeten voldoen zonder bepaalde authorisatie der Permanente Kommissie en neem de vrijheid haar te verzoeken mij dienaangaande haar intentie wel te willen mededeelen.

(daarna gaat de brief over op een ander onderwerp)

De reactie van de permanente commissie op deze brief heb ik niet gezien. Vermoedelijk zullen ze wel toestemming gegeven hebben om de autoriteiten te melden hoe het met de gezondheidstoestand op de schans staat, maar zeker weten doe ik dat dus niet.