Op 18 januari 1836 schrijft  Christiaan Willem Harbrecht een verzoekschrift aan de permanente commissie, of beter gezegd laat hij schrijven, waarin hij toestemming vraagt om met de weduwe Schoolbroek te trouwen en vraagt of ze daarna als vrije kolonisten geplaatst mogen worden.

Daarover besluit de permanente commissie op 9 februari 1836 onder agendapunt N10, invnr 445 (geen scans): ... dat er geene redenen gevonden zijn om aan zijn verzoek te voldoen.


Op 28 maart 1843 moet de directeur der koloniŽn gezinnen voordragen die de lege plekken in de vrije koloniŽn kunnen opvullen. Op die voordracht prijkt ook het gezin Harbrecht-Van der Dooze. De ontvangers hebben op de brief geschreven '6 april 1843 N6' wat inhoudt dat ze op die datum hierover hebben beslist. En... ze accepteren de voordracht.



In 1853 zet Christiaan Willem Harbrecht de procedure voor opvolging in werking. Er komen brieven van de subcommissie Amsterdam, van de adjunct-directeur voor de vrije koloniŽn en van de directeur. Iedereen vindt het okť. Op 26 mei 1853 geeft de permanente commissie haar toestemming: de hoeve wordt overgeschreven op naam van de zoon van Willempje en Christiaan Willem. Voortaan is Willem Harbrecht kolonist.