Naar het overzicht
van stukken over Willempje van der Dooze





28 maart 1843: De directeur draagt het gezin Harbrecht-Van der Dooze voor als kolonisten in de vrije koloniŽn

Inventarisnummer 271 scans 423 en 424, brief met nummer N846


Frederiksoord, den 28 Maart 1843

Ter voldoening aan ß 6 Art 2 der ontvangen Resolutie van den 27 February jl N11 heb ik de eer U Edelen bij dezen, als niet ongeschikt om naar de gewone Kolonien weder te keeren, op te geven de volgende huisgezinnen van Veenhuizen als van:

C.W. Haarbrecht, sterk 5 hoofden, bij het 3e Gesticht. De man is oorspronkelijk een bedelaars Kolonist, gehuwd met de Weduwe Schoolbroek, die voor een aantal jaren als strafkolonist naar de Ommerschans geplaatst is en die den 5 Mei 1838 met opgemelden Kolonist in het huwelijk is getreden, en tevens naar Veenhuizen is overgegaan, welk huisgezin zich sedert al dien tijd zeer goed heeft gedragen.

P. Heidt, sterk 5 hoofden, mede aan het 3e Gesticht sedert 10 Oktober 1840, toen van de Ommerschans komende, waarheen hij verwezen was den 7 October 1837 wegens desertie en ongeoorloofde betrekking met eene andere vrouw. Daarover zijn jaren verloopen en sedert was er op dit huisgezin hoegenaamd geen aanmerking te maken.

Hendrik Martijn, sterk 4 hoofden, den 12 Mei 1837 van Leiden in de gewone Kolonien opgenomen en den 29 Maart 1838 op zijn eigen verlangen, zoo ik meen, naar Veenhuizen overgeplaatst.
 
Mogt soms de terugplaatsing van een dier drie aan bedenkingen onderhevig zijn, dan zou in aanmerking kunnen komen het huisgezin van:
F.J. Sprang, van 6 hoofden, den 10 December 1838, wegens luiheid en dronkenschap des mans naar de Ommerschans verwezen en den 10 October 1840 van daar naar Veenhuizen overgegaan; daar het gedrag van dien persoon sedert ook wel verbeterd schijnt.

De Directeur der Kolonien,
J. van Konijnenburg


Door de 'Heeren Hoofdambtenaren' is op de brief geschreven '6 april 1843 N6' wat inhoudt dat ze op die datum hierover hebben beslist.