Naar het overzicht
van de POST







De POST van NOVEMBER 1825

Dinsdag 1 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie over de bedelaars Simons. transcriptie




Donderdag 3 november 1825

Ingekomen post invnr 76 scans 372-374. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Drie nominative staten der kolonisten in de gewone koloniŽn, volgens de order der laatste verdeeling van dezelven. Hoewel de vorm dezer staten eenigsints van elkander en in het bij missive der Permanente Kommissie dd. 17 sept. N560 ontvangen model, verschild, twijfel ik niet, of zullen zij naar haar oogmerk voldoende wezen, en heb dezelve om geen meer tijd te verliezen gemeend, zoo als zij zich bevinden te moeten inzenden. Wat de juistheid der opgaven van de leden in ieder huisgezin aangaat, deze heb ik door den Heer Adj. Dir. Bersma in persoon doen verifieren, en voor accoord bevinding teekenen; waarom ik vertrouw dat die volkomen naar waarheid zij zal.

Lijsten zitten er niet bij.


Brievenboek: Edam draagt voor arbeidershuisgezin Beekman, aangenomen, beantw 9 nov N732, not 8 id art 10. brievenboek 348


Besluit van de Perm: Komm: van Weldadigheid houdende de demissie van den zaalopziener Wenniger, van den 3 Nov 1825 N1, Zie http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Besluiten/1825_11_03Wenniger.html

Besluit der Perm: Komm: van Weldadigheid, houdende benoeming en verplaatsing van koloniale geŽmployeerden, van den 3 November 1825 N2, Zie http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Besluiten/1825_11_03Personeel.html



Zaterdag 5 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Brief van J. Sluiter uit Den Haag aan de Permanente Commissie:

Ontvangen hebbende van de Kommissie van Weldadigheid der Maatschappij van dien naam door derzelver schrijven dd. 2 nov. N700 de kennisgeving mijner behoorlijk bekrachtigde benoeming tot medelid derzelver Kommissie, met de opdragt de functie van derzelver Secretaris als mede van die der Permanente Kommissie: verklaar ik mij met die benoeming en opdragt ten hoogste vereerd en genegen om mij die te laten welgevallen, in de hope dat de besteding mijner kleine krachten door eenen goeden wil gesteund, iets zal mogen bijdragen ter bevordering der heilzame bedoelingen eener Maatschap≠pij die den lof en de medewerking verdient van elken Nederlander en menschenvriend.
Ik neem deze gelegenheid waar, om mijnen diepsten eerbied uitte≠drukken voor den Koninklijken Voorzitter der Maatschappij en de betuiging mijner bijzondere hoogachting aan te bieden aan de onderscheidene leden der Kommissie van Weldadigheid.


Ingekomen post invnr 76 scans 407-409. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Na al het door de Permanente Kommissie bepaalde, en zoo ik meen, nu tot stand gebragt, aangaande het inzenden der bewuste staten en aanvraag om fondsen, moet ik nog de vrijheid nemen aan te merken, dat ik steeds verpligt zal zijn, eenige gelden in kas te houden, ten einde des maandags, dingsdags en ook wel woensdags van iedere week betalingen te kunnen doen uit de gelden der vorige week in kas gehouden, terwijl op vrijdag, zaturdag en zondag nimmer eenige uitbetaling kan plaats hebben, immers niet geboekt worden, wijl reeds des donderdags het register van uitgaven voor die week behoord te worden gesloten opdat het uiterlijk zondag bij de Permanente Kommissie inkomen. Ik zal intusschen zorgen dat deese sommen steeds zoo klein mogelijk zijn en de uitbetalingen op woensdag en donderdag van elke week gedaan worden.



Woensdag 9 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Brief van Van Pallandt-van Keppel uit Den Haag aan de Permanente Com≠missie:

Hoe zeer ook vereerd gevoelenden door de benoeming als lid der Commissie van Weldadigheid wil ik niet ontveinsen optezien tegen werkzaamheden welke daaraan verbonden kunnen wezen en die mij geheel vreemd en onbekend zijn, en optezien vooral als vreemdeling tegen de eervolle betrekking van Eersten Assessor.
Dan mij aanneemende op eene voor mij zo vlijende wijze mag ik ook op de inschikkelijkheid mijner geachte medeleden en op die van onzen Hoogstgeeerden Koninklijken Voorzitter reekenen en het is in die gunstige verwagting dat ik die betrekking aanvaarden zal.



Donderdag 10 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Uit een brief van de subcommissie Leiden aan de Permanente Commissie over huwelijkstoestemming voor de dochter van bedelares Grietje Heins. transcriptie



Brievenboek ergens deze periode (vergeten datum te noteren): subcommissie Hoorn draagt voor gezin N. de Hart als arbeidershuisgezin, na herstelling van een ziekte. Aangenomen, beantwoord 30 nov , not 24 id art 20 brievenboek 348



Vrijdag 11 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Bijgevoegd bij een brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie is een brief van de gouverneur van Groningen over Annegien Wolfs. transcriptie:


Ingekomen post invnr 76 scans 457-459 en verder op de scans 515-516. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Stukje over arbeiderskolonist Dirk van der Burg. transcriptie.

Stukje over kolonist Van Wijnmaalen.transcriptie

Stukje over de zaalopziener Vorman in de Ommerschans.transcriptie

Het kontrakt aangaande de schikking met het bewuste stukje heide≠veld zal hier worden opgemaakt, en nader aan de Permanente Kommissie geadresseerd.

Stukje over arbeiderskolonist Philip Christiaan Pracht.transcriptie

- over de verhuur van boerderijen op land waar men voorlopig niets mee doet. transcriptie

Stukje over de zaalopziener Wenninger.transcriptie

Stukje over boekhouder Van Marle die de ontslagen Ras opvolgt.transcriptie

De werkzaamheden aan de gebouwen te Veenhuizen thans zodanig gevorderd zijnde dat naar mijn inzien het niet langer nodig is twee opzieners, van Lemel en Knuver, daar bij in dienst te houden, heb ik gemeend, den eerstgen. te moeten doen aanzeggen, dat hij voor zijnen gedanen diensten, na verloop van twee of drie weeken worde bedankt en de Maatschappij dezelver als dan niet langer behoeft: en den anderen dat ik de Permanente Kommissie zoude voorstellen om hem gedurende de winter tegen een salaris van É7 in plaats van É9 wekelijks in dienst te houden; het welk ik de eer heb bij deeze aan de goedkeuring der Perm. Kommissie te onderwerpen en hare intentie dienaangaande te vragen.
Ik acht het nodig hier bij nog aan de attentie der Permanente Kommissie te adresseren dat Knuver reeds in 1823 bij den aanvang der kolonisatie te Veenhuizen, door ZHEdGest. den Heer 2e adsessor is aangesteld, en meer bepaald over het metselwerk gedestineerd; terwijl van Lemel in het gepasseerde jaar bij den gelijktijdige opbouw des 2e & 3e gebouws, door mij met voorkennis van ZHEdGest. voorn. is in dienst genomen, en meer bepaald het opzigt over het timmerwerk is opgedragen: en eindelijk dat het aftimmeren der kerken en pastorijen hoofdzakelijk in timmerwerk bestaat, waarin egter Knuver ook niet geheel onkundig is.
Omtrent de orde, zindelijkheid en gezondheid der kinderen in de etablissementen te Veenhuizen was alleen opmerkelijk de beterschap in het laatste; veele der zwakke kinderen in het 3e gestigt waren merkelijk bijgeko≠men, en de buikloop bijna geheel ophouden; intusschen zijn drie of vier kleine kinderen gevaarlijk ziek.
De werkzaamheden op het land, voor al het rooijen der aardappelen en zaaijen der rogge, wordt zoo sterk mogelijk en zoo ver het ongunstige weder maar eenigsints toelaat voortgezet.

Bijgevoegd zijn financiŽle rapporten van Wijnmalen en de familie Alles:

Wijnmalen heeft É1,78Ĺ aan schuld en É5,10 aan tegoed.

Rapport Alles. samenvatting
 


Ingekomen post invnr 76 scans 460-462. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Hier nevens heb ik de eer der Permanente te adresseeren
1o Tableau van de indeling der wezen in de gewone koloniŽn opge≠maakt door de Kleine Raad, ingevolge het besluit van 12 sept. jl.
(...)
3o Rapport van den onder Inspekteur van kleding.
(...)
5o Afschrift van het door den Heer Adjunkt Direkteur Drijber aan HH Gedepu≠teerde Staten van Drenthe ingediende rekwest, betreffende den aanslag der etablissementen in de belasting op het gemaal; tot heden is hier op nog geen antwoord van HunEdGrootAchtb. ingekomen, integendeel is de Heer Drijber in deszelfs kwaliteit gesommeerd geweest tot de betaling van de tweede of derde termijn van de zes maanden over welke de bedoelde aanslag loopt, en tengevolge welke sommatie het gevorderde is voldaan: aangenaam zal het mij wezen door de Permanente Kommissie te worden voorgeligt hoedanig mij ons verder in deezen zullen hebben te gedragen, namelijk in geval van vordering der volgende termijnen.
In dezelfde belasting zijn de kolonisten in de gewone koloniŽn aangeslagen, doch hebben zij tot heden niets betaald, het is daarom niet onwaarschijnlijk dat strengere maatregelen van wege de administratie der belasting tegen de kolonisten zullen worden genomen; ik neem derh. almede de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken wel de goedheid te willen hebben mij voorlopig zoo mogelijk te informeren wat door ons in het vooron≠dergestelde geval zal behoren te worden gedaan?
6o Is hierbij gevoegd eene begroting der waarde van eenig land der Maatschappij gelegen te Doldersum, als mede die van eene windkorenmolen staande te Diever en toebehorende aan den Heer van Rooijen. ZEd nament≠lijk heeft mij bij gelegenheid een telling dier eigendommen voorgesteld, en daar mij dit niet geheel buiten het belang der Maatschappij voorkwam, heb ik ook om deze opgave verzogt; het spreekt dunkt mij vanzelf dat in deeze begroting de waarde wel eenige verandering zoude te maken zijn, indien de zaak zelve der Permanente Komm. aannemelijk voorkomt, en zij mogt goedvinden daar over in nader onderhandeling te treden. Ik neem de vrijheid hier bij te voegen dat mijn bedunkens een kooren molen te Veenhuizen van groot belang is, zoo om de kosten van malen van het graan, als ter voorko≠ming der ongelegenheid die bestaat in hetzelve te Assen of Smilde aan de molen te brengen en van daar weder af te halen; zijnde de molen te Norgh onbekwaam om in onze behoefte te voorzien.

Geen der genoemde stukken is bijgevoegd.


Ingekomen
post invnr 76 scans 473-475. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

... bij deze moet ik de Permanente Kommissie opmerkzaam maken dat met de laatste, bij mijne missive dd. 3 ingezonden aanvraag om fondsen ten bedrage van É1600.- nog mede een erreur moet zijn begaan in de datum aanwijzende de week waar voor die gelden wierden aangevraagd; namentlijk dat daar zeker op zal gesteld zijn voor den 6e tot den 13e nov. daar dit had behoren te zijn van den 14e tot den 20e november, zijnde bij mijne missive van den 29e oct. N379 de aanvraag over 6 tot 13 nov. ingezonden, zonder dat op dezelve eenig bedrag was uitgetrokken, gelijk ik reeds bij mijne brief van den 28e oct. N376 de eer had voorlopig te melden; Ten einde dit nu ten spoedig≠ste op gelijke voet te brengen, heb ik de eer de Perm. Komm. voortestellen mij in de volgende week, dat is van 14 - 20 nov. geen geld te zenden, als zijnde de ontvangen É1600.- voor dat tijdvak bestemd.


Nov 11, dochter Weender trouwt
Vledder, huwelijksakte, 29 november 1825, aktenr. 13
Bruidegom: Francois Hendriks Puper, gedoopt te Boertange (Vlagtwedde) op 11 12 1803, zoon van Hendrik Christiaans Puper en Catharina Gezina Burggraaf.
Bruid: Susanna Jacoba Weener, gedoopt te 's Hertogenbosch op 28-03-1807, dochter van Joannes Weener en Margarita van Voorst.



Zaterdag 12 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie over sollicitant Abel Ellens. :

Gezien het rekwest van Abel Ellens, te Groningen, houdende verzoek, om als geemployeerde bij eenieder colonien van de Maatschappij van Weldadigheid te worden geplaatst.
Gezien het daarop ingewonnen berigt bij de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid te 's Gravenhage, in dato den 7 dezer N721.
Geeft aan den rekwestrant te kennen dat men aan zijn verzoek nog niet heeft kunnen voldoen; doch dat op het zelve regard zal worden gesla≠gen, zoodra der zich eene gelegenheid, om hem te plaatsen, zal afdoen.
Afschrift dezes zal worden gezonden aan de Permanente Commissie voornoemd en aan de rekwestrant tot informatie en narigt.


Ingekomen post invnr 76 scans 476-478. Visser stuurt de verantwoordingen van augustus en september en andere stukken.

12 november 1825: Edam schrijft dat ze Alexander Beekman en gezin hebben opgestuurd.



Zondag 13 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Brief van Nieuwenhuys aan de Permanente Commissie:

Na UWEG met de nieuwe leden der Commissie van Weldadigheid te hebben geluk gewenscht, heb ik de eer te berigten: dat ik niet alleen genoegen neem in de door UWEG voorgestelde schikking met betrekking tot de werkzaamhe≠den van de Heeren Faber van Riemsdijk en Sluiter; maar ook in alle zoodani≠ge welke UWEGeb. onderling bij zoodanige verdeelingen in het vervolg zullen gelieven te maken.



Maandag 14 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Uit uwe geŽerde van 10 dezer vernam ik de voordragt van den Heer Faber van Riemsdijk als lid van de afdeeling van correspondentie, en die van den Heer Sluiter als lid voor de afdeeling van het onderwijs.
Deze voordragt goedkeurende, hoop ik dat gemelde Heeren hunne talenten volgaarne zullen besteden, ter vervulling van de moeijelijke werk≠zaamheden, welke daaraan verknocht zijn.


Ingekomen post invnr 76 scans 494-495. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ik vind mij verpligt en haast mij ter kennis van de Perm. Kommissie te brengen, dat ik na bekomen onderrigt dat sommige kolonisten van hunnen rogge en boekweit buiten de kolonie verkogten, getragt heb de daders te ontdekken; dat het mij gelukt is reeds door eigen bekentenis van J. Janse Meij uit kol. N1 te weten, dat hij zich daaraan heeft schuldig gemaakt; terwijl ik het zeker ben geinformeerde - door den koper zelve - dat Zorn insgelijks rogge en boekweit aan hem heeft verkogt.
Volgens bestaande besluiten der Permanente Kommissie zullen deeze beide kolonisten voor de Raad van Toezigt en Policie gebragt worden en zeker naar de Ommerschans verwezen: dan als ik mij niet bedrieg zijn de woningen op de wal der Ommerschans of de eigenlijke strafkolonie, reeds voor andere huisgezinnen geoccupeerd, zoo dat daar in, in geval van verwijzing, voor de bovengem. kol. geen plaats is; terwijl de huisgezinnen naar mijn inzien ook niet wel in de zalen binnen het gestigt kunnen worden geplaatst veel minder van elkander gescheiden. Ik heb daarom gemeend de Permanente Kommissie te moeten voorstellen, gelijk ik de eer heb bij deeze te doen, het daar heen te dirigeren dat de kol. Zorn en Meij nar een der etab. te Veenhuizen, als arbeidershuisgezinnen wierden overgeplaatst.
Aangenaam zal het mij wezen ten aller spoedigste de intentie der Permanente Kommissie omtrend deeze zaak te verneemen; wijl naar ons inzien de verwijdering dier kolonisten uit deze koloniŽn geen uitstel gedoogd.


Besluit der Perm. Komm van Weld., omtrent het doen van verstrekkingen aan de Bed. Kolonisten, uit hun tegoed, van den 14 Nov 1825 N5, Zie http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Besluiten/1825_11_14Bedelaars.html



Dinsdag 15 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

De missive der Permanente Kommissie dd. 12 dezer N757 heb ik de eer gehad te ontvangen, en zal na bekomen meest mogelijk zekere informatiŽn, omtrent de physieke gesteldheid der Leidsche kinderen, tijdens hunne aankomst te Veenhuizen, dezelve der Permanente Kommissie mede deelen; durvende ik op mijne eigene herinnering in dezen, geen genoegzaam vertrou≠wen stellen.


Ingekomen post invnr 76 scans 510-512. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie.

- over ene Vogelzang die een boerenplaats te Veenhuizen aan de Maatschappij heeft verkocht en in de problemen raakt omdat hij niet betaald krijgt. transcriptie

Zoo vind ik mij ook verpligt ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen, dat zich gisteren bij mij heeft vervoegd zekeren Prakker of Prakking, volgens zijn zeggen verkoper van een of meer waardeelen heide≠veld in de markte van Appelscha, en waar voor hij reeds meermalen de betaling van den Heer van Roijen te vergeefs zoude hebben gevorderd, tevens te kennen gevende mij in mijne kwaliteit geregtelijk om de bedoelde kooppenningen te zullen aanspreeken.
Eindelijk de Permanente Kommissie te informeren, dat de kerkvoog≠den van Vledder mij wederom hebben aangemaand om voldoening der belasting onder de naam van klokrogge, ten behoeve van de predikant dier gemeente, welke de Maatschappij zoude verschuldigd zijn als eigenaresse van eenige waardelen heideveld in de markte van Doldersum: deze zaak is der Permanente Kommissie niet meer geheel onbekend, alleen moet ik hier ter harer inligting nog bijvoegen dat volgens de gedagten des Heeren van Rooijen te Vledder dien belasting oorspronkelijk is betaald uit de groenlan≠den; in welk geval de Maatschappij als nog een gedeelte der groenlanden bezitten dan ook een gedeelte dier lasten zoude verschuldigd zijn.
De Permanente Kommissie herinnerd zich dat de Heer van Rooijen van Dolder≠sum die last op het heide veld wil hebben gelegd, en ik vroeger van oordeel was dat dezelve op de huizen zoude berusten. Ik heb de eer nog aantemer≠ken dat deeze kwestie misschien geheel kon worden weggenomen, indien de geproponeerde ruiling van het groenland tegen de wind-koren molen, kon worden tot stand gebragt, anders zoude het mij aangenaam zijn te worden geinformeerd, hoedanig mij verder in deze zaak te gedragen.
Voorts heb ik de eer de Permanente Kommissie hier nevens te doen toekomen
1o Het geteekend bestek, behorend bij het geapprobeerde kontrakt van aanbesteeding der broodbakkerij te Veenhuizen 2e etablissement.

4o Renseignementen omtrent den Haagschen bestedeling te Ommerschans, Johannes van der Steen.

P.S. de Heer van Lemel wenschte bij de approbatie van het kontrakt de tekening terug te ontvangen.

Geen bijlagen gevonden.



Woensdag 16 november 1825

Besluit van de permanente commissie 16 november 1825 N771 invnr 963 dat verkopers van koloniale goederen naar de strafkolonie moeten. transcriptie





Donderdag 17 november 1825

Ingekomen post volgens het brievenboek invnr 348:

A. Schuttelaar te Steenwijk. Zegt de huur op van het logement te Frederik≠soord tegen 1o mei.



Vrijdag 18 november 1825

Ingekomen post invnr 76 scans 534-535. Visser stuurt enkele stukken waaronder: extrakt uit het verhandelde bij de Raad van Policie in de koloniŽn van de 12e dezer.

De daarin vervatte beslui≠ten zijn conform geexecuteerd.



Zaterdag 19 november 1825

Ingekomen post invnr 76 scans 550-662. Brief van kolonist Willem Steenhuizen uit Frederiksoord aan de Permanente Commissie:

Eenige tijd geleden met verlof te Amsterdam geweest hebbende, heb ik mijn vervoegt bij den WelEd. Heere President van de subcommissie van Welda≠digheid, ten eijnde mijn ontslag van de colonie te verzoeken, dan ZijnEd. renvoijeerde mijn naar de overigheid alhier op de colonie, om zulks te verzoeken en HunEd. geven mijn wederom te kennen, dat ik deswegens aan de Heeren van de subcommissie van Amsterdam moest schrijven; hetgeen ik dan ook twee maal in de maande september en october gedaan heb, dan op mijne bede van zoo spoedig doenlijk eenig berigt te ontvangen tot dus verre niet voldaan zijnde, zoo neem ik de vrijheid om UWelEds. tegen het aan≠staande voorjaar om mijn ontslag voor de colonie te verzoeken en deswe≠gens als ik zo vrij mag zijn UWelEds. te solliciteeren daar over met voor≠noemde commissie te besoigneren.
De reeden van dit mijn verzoek is, dat ik door lighaamsgebreeken, zoo van borstkwaal als andersints buiten staat ben eenige de minste veldar≠beid te verrigten, en als schoenmaker dat mijne handtering is, voor het tegenwoordige geen de minste fabrijk arbeid van de colonie hebbende, en reeds twee mijner oudste kinderen hun middel van bestaan in Amsterdam vinden, de derde aldaar eene voor haar voordeelige dienst heeft - waartoe zij de verlofpas heeft bekomen; hetgeen wij hoopen zeer spoedig van haar geheel ontslag vergezeld zal zijn - en de vierde tegen het aanstaande voorjaar op de rijkswerf kan geplaast worden, en dus als dan slegts met een vrouw, die ook al hoog opklimmende in jaaren is en nog een jonge zoon die ook nog buiten staat is eenige landarbeid te verrigten als dan overblijf, dus UWelEds. zelver zal bevroeden wij als dan geen verdienst hebbende, en ik van mijn kant bij de boeren buiten de colonie mijn bestaan moet zoeken, waar om ik als schoenmaker voor mijn alsdan klijn huisgezin veel ruimer mijn middelen van bestaan in Amsterdam kan vinden, als hier de colonie ten last te zijn, en dus ook niet geloof UWelEds. mijn van mijn fortuin zoude willen afhouden, te meer daar ik in Amsterdam een huishouden kan, die zeer gaarne onder UWelEds. goedgunstige approbatie voor mijn in de plaats zoude willen zijn, en wij als het waare wel verzekerd zijn van onse kant in geene deele eenig bestuur in Amsterdam om het een of ander lastig te wilen zijn; en mijn zoon die actueel dire gulden per week in Amsterdam moet vertoeven, konde zulks dan gemakkelijk ten mijnent doen. Hoope dus UWelEds. dit een en ander in overweging zal gelieven te neemen, en te willen consenteren dat zulks tegen het aanstaande voorjaar mogt plaats hebben, waar naar ik dan mijne verdere maatregelen konde neemen, mogt ik dus zoo gelukkig weezen hier op spoedig eenig gunstig berigt te ontvangen, zoo zoude altoos zijn waare erkentenis voor betoonen.

Brievenboek invnr 348: Om berigt aan den Direkteur 2 dec, beantw 16 dec N848, not 14 id art 48.


Zondag 20 november 1825

Ingekomen post invnr 76 scans 553-555. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer hier nevens der Permanente Kommissie te doen geworden het gewoon maandelijks koloniaal berigt; als mede eene missive van de sub-kommissie Breda, welke ik niet heb beantwoord. De Permanente Kommissie het geraden oordeelende dit te doen, diene tot hare elucidatie dat de in dien brief bedoelde kolonist P. Hartog is dezelfde welke onlangs uit hoofde van dronkenschap, het verkopen en verpanden zijner goederen enz. naar de Ommerschans is getransporteerd, dat het daarom wel mogelijk is dat zijne kleding somtijds in eene slegten staat was en hem geen geld overschoot, om het aller nodigste in de huishouding te kopen; maar dat het tevens zeker is dat hij zelf daarvan geheel en alleen de schuld was; zoo ver ik weet was hij met zijn huisgezin steeds gezond.

Volgt stukje over de desertie van arbeiderskolonist Beerend Hylkes de Jong.transcriptie

De missive der Permanente Kommissie van den 17 dezer N773 heb ik de eer gehad te ontvangen, met de besluiten enz. daar in vermeld; zoo ook het pakket op de 14 dezer buiten het valies aan mij verzonden. In antwoord op eerstgemelde neem ik de vrijheid aan de attentie der Perm. Kommissie te adresseren dat de olij voor de gewone koloniŽn voor É32. in plaats van É37. p. aam te Steenwijk geleverd, zeeker een aanmerkelijk verschil in ons voordeel zoude opleveren; doch als wij die van daar naar Veenhuizen en de Ommerschans moeten transporteeren, het voordeel weder gering worde: intusschen kan het benodigde voor de Ommerschans op Hasselt en voor Veenhuizen op Assen worden gedirigeerd, van de eerste plaats is zeer dikwijls gelegenheid en van de tweede konden wij de olij met onze klijne vaartuigen doen afhalen, beter en minder kostbaar dan van Meppel; zijnde de op en afvoer gelden voor en expres van Veenhuizen gezonden vaartuig aanmerkelijk, zoo ook de vragt van Meppel naar Veenhuizen, gemerkt de olij alleen geen vragt voor een gewoon vaartuig is. In alle gevallen zullen dus naar mijn inzien de transportkosten van Amsterdam tot in de onderscheidene koloniŽn de prijs van É32.- merkelijk verhogen en heb daarom gemeend niet tegen de intentie der Permanente Komm. noch het algemeen belang der Maatschappij te zullen handelen, door met de leveranciers Brouwer & Rietman, als in deeze nabijheid wonende, nog eens nader over de prijs der olij te spreken, en zien of de É37. niet tot É34. kon worden verminderd, in welk geval ik van gevoelen zoude zijn dat het verkieslijker is, ook dit art. door de gewone leveranciers te doen leveren.
De stokvis is een art. dat zeer weinig gebruikt wordt, en twijffel niet of dit zal ook wel wat lager kunnen gesteld worden: zoo dra ik de Heeren Brouwer & Rietman gesproken heb, zal ik de Permanente Komm. den uitslag doen van mededeelen en de benodigde hoeveelheid van deeze beide art. opgeven.

aam = oude vochtmaat. Een aam olij is 145,52 liter

Bijgevoegd:

Breda den 6 nov. 1825

Voor omtrent 2 jaren is, op onze voordragt, in de kolonien der Maatschappij van Weldadigheid opgenomen, zekere Pieter Hartog, schoenmaker met vrouw en 4 kinderen. Van tijd tot tijd wordt de familie van deze menschen alhier woonachtig door hen of van hunnentwege lastig gevallen met klagten over de ongelukkige omstandigheden, waarin zich dezelve zouden bevinden, zoo, dat zij, volgens de laatste berigten, geen hembd aan het lijf en geen zout bij hunne aardappelen  kunnen bekomen.
De familie alhier heeft ons derhalve verzocht, UWelEd. daarvan mededeeling te doen, en tevens vriendelijk te verzoeken ons te willen melden, of gezegde P: Hartog met de zijnen, werkelijk in dien deerniswaardi≠gen toestand verkeren, en wat daarvan de oorzaak is; alzoo hij niet ongene≠gen is, hun, naar vermogen, wel eenigen onderstand te bewijzen, vooral dan, wanneer zij niet door eigen toedoen maar door ziekte of anderszints, zich in armoede bevinden.
Voorts is het verlangen van gezegde familie, dat wij UWEd. verzoe≠ken, aan genoemden P: Hartog of de zijnen, geen verlof te vergunnen, om, uit hoofde van familiezaken, herwaarts overtekomen, zonder dat zij daartoe vanwege hunne betrekkingen alhier zijn aangeschreven geworden.



Maandag 21 november 1825

Ingekomen post invnr 76 scan 560. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Meppel den 21 october(!) 1825

Ik heb de eer de Permanente Kommissie te informeren dat ik gisteren den Heer Rietman en op heden op mijne rijs naar de Ommerschans den Heer Brouwer over de prijs der olij heb gesproken; beide zullen dat art. onder nadere approbatie de Permanente Kommissie voor É34.- per aam leveren.
Ik hoop dat dit door haar worde goedgekeurd en mij ten spoedigste daar van kennis gegeven. De behoefte is doorgaans vier aam per maand en per etablissement.



Dinsdag 22 november 1825

Ingekomen post invnr 76 scans 573-574. Uit een brief van directeur Visser uit de Ommerschans aan de Permanente Commissie:

Ik vind mij verpligt en haast mij ter kennis van de Permanente Kommissie in te brengen, dat na het vertrek der schippers Wijkman en Stoffers van hier, niet alleen twee andere schepen met aardappelen op de 15e en 17e dezer naar 's Hage zijn geexpedieerd, en waarschijnlijk daar reeds aangekomen, maar dat nog daarboven op gisteren bij mijn arrivement dezer kolonien, gereed lag of vertrokken was schipper ten Kleij, terwijl eindelijk nog reeds van het grootste gedeelte bevragt was schipper Verrenholt welke beide laatsten dus ook nog te 's Hage zullen aankomen: het spijt mij dat deze, ten gevolge particuliere aanschrijving van ZHEdGest. de Heer 2e ads., en om het belang der zaak gemaakte spoed, eenige ongelegenheid voor de Perm. Kommissie zal veroorzaken, dan ik kan niet besluiten de aangenomen en reeds geheel of gedeeltelijke bevragte schippers te doen ontladen, eensdeels uit hoofde der nutteloos gemaakte kosten van laden, ontladen, liggeld enz., ten anderen dat de voorraad door vijf scheepen aangebragt bij onverhoopte lete(?) wordt in het aanstaande voorjaar welligt onvoldoende zoude worden bevonden, en daar door de Permanente Kommissie in nog grotere onaangenaamheden komen. Wat de sortering en smaak der aardappel aanbelangd, deeze zullen volgens zeggen van den Heer Harloff niet minder voldoende wezen, dan die in het eerste schip; van die in beide laatste schepen zijn, heb ik hier gege≠ven, en komen mij voor zeer goed te zijn.
Aangaande de benodigde olie voor de drie volgende maanden had ik de eer de Permanente Kommissie gisteren uit Meppel te schrijven, terwijl het nog niet ontvangen der vernieuwde kontrakten, geene zwarigheid in het sluiten der overeenkomst zal veroorzaken; intusschen zal het mij aangenaam zijn die te ontvangen.



ĪDonderdag 24 november 1825


Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 348:

J.H.F. Groos sergt. bij het 3e batt. der 9 afd. te S Hage. Solliciteert met voorkennis en onder appuije van zijne chefs, om eenig emploi in de kolonien der M.; hebbende hij vrouw en 4 kinderen.



Vrijdag 25 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Extract uit het verhandelde bij de Raad van Policie in de koloniŽn, in hare zitting van zaturdag den 19 jl.
De kolonist Janse Meij is den 20e dezer naar de Ommerschans overgebragt. De kolonist Zorn, welke mede beschuldigd was van rogge en boekweit te hebben verkogt, heeft voor de Raad van Toezigt in het bijzijn van de koper, die verklaarde een en ander van Zorn te hebben gekogt, alles ontkend, hem zelfs voor een eerlozen verklarende; het was om die reden dat Zorn niet voor de Raad van Policie verscheen. Intusschen word het onder≠zoek na die zaak voortgezet en zal hij, wat de uitslag daar van wezen moge, morgen voor den Raad van Policie gebragt worden.

Voorts ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen dat de verant≠woording over de maand october niet op den bij hare besluit dd. 27 sept. ll. bepaalde tijd zal kunnen worden ingezonden, om reden de verantwoording van het instituut te Wateren nog niet bij ons is ingekomen; hoewel de Heer Mulder daarom reeds meermalen is verzogt en aangeschreven.
Eindelijk moet ik de Permanente Kommissie informeeren, dat in het algemeene magazijn van kleeding de mot is ontdekt: men heeft mij wel verscheidene middelen opgenoemd welke worden in het werk gesteld om dit kwaad uit te roeijen, immers deszelfs voortgang te stuiten, doch tevens weinig bemoedigend daarbij gevoegd, dat men hier in zelden reusseerde. Wij zullen intusschen een en ander beproeven: mogt bij de Permanente Kommis≠sie een zeeker middel bekend zijn, zoude het hoogst belangrijk zijn en mij bijzonder aangenaam wezen, dit ten spoedigste te mogen verneemen.



Zaterdag 26 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Brief van H.A. Bolman aan de Permanente Commissie. transcriptie



Maandag 28 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Van de Heer Adjunkt Direkteur Harloff heb ik ontvangen nevensgaand stuk, houdende beschuldigingen door den onder Dir. en wijkmeester van kol. N5 tegen den hoevenaar Bakema en deszelfs vrouw, als zich te hebben schuldig gemaakt aan verregaande neglisentie in de uitvoering zijner pligten, veront≠achtzamen der hun aanvertrouwde goederen en brutaliteit tegen gen. ambte≠naren hunne superieuren: de Adj. Direkteur voegt hier in deszelfs geleidende missive bij "des avonds na dat ik het rapport had ontvangen kon ik mij niet meer derwaards begeeven om mij van de waarheid der zaak te overtuigen, dan de volgende morgen heb ik nog alles gevonden wat een huishouden van onverschillige en verwaarlozende menschen aanduidt: de koeijen zijn de magerste in de kolonie, met de paarden is het niet beter gesteld; voegd men hier bij eene brutale en alles overschreeuwende, vloekende en door en door brutale vrouw, dan zal UWelEdGestr. gaarne men mij toestemmen, dat de famile van Bakema, althans voor de grote boerderij, geheel en al ongeschikt is, en zal mij derhalve regt aangenaam zijn eenmaal een voorbeeld onder onze bouwkolonisten te kunnen statueren; zonder dit gaat het met anderen op den duur ook niet goed."
Ten gevolge van dit een en ander en uit aanmerking dat zodanige verwaarlozing der Maatschappelijke goederen en brutaliteit tegen den onder direkteur naar ons inzien niet ongestraft behoort te blijven, te meer daar er reeds vroeger klagten tegen een of meerder hoevenaren te Ommerschans zijn ingekomen en het te vreezen is, dat zij zich meer en meer onbehoorlijke handelwijzen zouden veroorloven, neem ik de vrijheid de Perm. Komm. te verzoeken mij te authoriseren den hoevenaar Bakema als onwaardig en ongeschikt dit voorregt langer te genieten, in de gewone koloniŽn te rug te brengen.
Eindelijk heb ik de eer te vragen authorisatie tot het geven van ontslag op deszelfs verzoek aan Arie Groen, zoon van, en als ingedeelde beschouwd bij, de wed: Groen, huisverzorgster in kol. N1. Deeze jongeling is gezond, sterk en zeer goed bekwaam om door eigen handen arbeid zich een bestaan te verschaffen. Als mede aan A. van der Waag, ingedeelde bij den huisverzorger Smit kol. N1; deeze is een zeer geschikte jonge, thans met een bepaald verlof, diendende bij den Heer van Heloma te Wolvinga, welke naar ik verneem bijzonder met hem te vreden is.

Bijgevoegd:

Proces Verbaal

Op heden den drieentwintigste november des jaars eenduizendachthonder≠denvijfentwintig hebben wij S. Bosscha onderdirekteur en E. van der Woude wijkmeester bij kolonie N5 bevonden
Dat ten huize en hoeve N13, bewoond door den bouwman IJ. Bakema de aardappelen ongedekt en voor alle weder bloot stonden, hier over genoemde Bakema onderhouden hebbende heeft hij gezegd zulks niet geweten te hebben en dat hij de aardappelen had laten dekken zonder daarna gezien te hebben.
Alverder hebben wij ondergetekende bevonden dat op gemelde hoeve het hooi rondom de hooimiet verslingerd en in de modder getrapt was en de koeijen voor de helft hooi voor, om half twee uren des middags en overigens slingerde het hooi over de gansche deel zelfs met zoo eene ongeregeldheid dat zulks geen mensch met billijkheid konde aanschouwen zonder zijn misnoegen te kennen te geven.
Zoo hebben wij dan ook den genoemde Bakema zijne huisvrouw hierover onderhouden en hebben tot antwoord bekomen (Ik zal voor de bliksem Mijnheer Visser wel spreken) niets dan brutale uitdrukkingen. Zoo hebben wij haar bij den arm genomen om haar de fout aan te tonen, dan genoemde vrouw heeft niet opgehouden met brutaliseeren; zoo hebben wij Bakema bij of op het land zijnde daar van geinformeerd doch heeft hier op niet geantwoord.
Eindelijk hebben wij aan Bakema heden en ook vroeger gezegd dat hij dorsers moest nemen, uithoofde hij geen enkelde Bos stroo voor zijn vee te voederen had, doch hebben van hem tot antwoord bekomen dat wij hem dorsers zouden geven of brengen.
Het bovengemelde naar waarheid opgemaakt zijnde verzoeken wij dit hier in volgens de bestaande reglementen der Maatschappij van Weldadig≠heid mag worden gehandeld.

Ommerschans den 23 november 1825

J. Bosscha    E. van der Woude



Woensdag 30 november 1825

Ingekomen post invnr 76. Sepp aanvaardt het corresponderend lidmaatschap der Maatschappij met de hem gebruikelijke verrukking. Als bijzondere taak ziet hij de ontginning niet slechts van onvruchtbare gronden, maar ook van de onvruchtbare harten, veler neÍrgezonkene natuurgenoten! waar toch is een hooger! waar een edeler doel!. Voorts wil hij met vasten voet den eenmaal ingeslagenen weg bewandelen die onbedriegelijk leidt naar den tempel van deugd en waarachtig geluk. En besluit hij met: Leve de Maatschappij! Leve hare loffelijke bestuur≠ders! Leve haar verheven stichter! Dat hij hoe langer zoo meer hare schone vruchten mag aanschouwen, in de verhoging van menschenwaarde en geluk, waartoe de strekking van zijn dierbaar en nuttig leven, zoo geheel word ingerigt.

NB Algemeen: Er is hier al regelmatig sprake van vragen over domicilie van onderstand van bedelaarskolonisten, brievenboek 348 eind november.