Naar het overzicht
van de POST







De POST van AUGUSTUS 1825

Maandag 1 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

UwelEdl missive, van den 31 Maart 1825 N 1128, ten geleide van den staat van jaarlijksche voordragt tot ontslag van bedelaars colonisten, is, te zijner tijd, bij mij ontvangen.
De gouverneurs van de geoncerneerde provincien zijn gehoord geworden omtrent de gelegenheid, welke voor de te ontslane colonisten ter plaatse van hun domicilie van onderstand voorhanden zoude wezen, om bij hunne terugkomst aldaar werk te vinden, oftewel dat er mogelijkheid zoude wezen hun aldaar arbeid te verschaffen.
Nog zijn de antwoorden niet van al de gouverneurs ingekomen, en ten einde het gunstig jaargetijde niet voorbij ga, heb ik de eer UwelEd hierbij eenen staat te zenden, bevattende 50 personen, zoo man, vrouwen als kinderen, in welker invrijheidstelling ik geene zwarigheid meen te moeten maken, ten gevolge van het omtrent die personen geadvyseerde door de gouverneurs der provincien, waartoe zij behooren, en waartoe ik UwEd autoriseer bij deze.
Ten aanzien van de overige door UwEd voorgedragene personen, zijn de gegevene berigten niet van zoo danigen aard dat ik niet in het ontslaan derzelven zoude moeten difficulteren, van dezen echter zijn uittezonderen de zulken als waar over nog de berigten tegemoet worden gezien, en over welken ik UwEdG nader zal onderhouden.

Bijgeschreven: Beantwoord 13 augustus N475



Donderdag 4 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Brief van de subcommissie Amsterdam aan de Permanente Commissie over desertie kolonist Beukers. transcriptie


Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Gezien het request van Willem Trimp en Johanna van der Wellek te Rotter≠dam, houdende verzoek om ontslag van hunnen zoon Bernardus uit de Ommerschans.
Gelet op het berigt zoo bij den Gouverneur van Zuid Holland als bij den Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid is ingewon≠nen.
Verklaart dat in het verzoek der requestranten wordt gedifficulteerd.


Ingekomen post invnr 75. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer UwelEd. hier bij te doen toekomen een rekwest van Aagje Vaderlandlief houdende verzoek om ontslag uit de Ommerschans, en heb daarop ingewonnen berigt bij den Gouverneur van Noord-Holland.
Ik verzoek UwelEd. mij nopens deze zaak, derzelver consideratien en advies meede te deelen.

Geen rekwest gevonden.


Ingekomen post invnr 75. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Naar aanleiding van het voorstel dienaangaande, vervat in dezelver missive van den 25 july 1825 N415, vereenig ik mij gaarne met de maatregel dat met den Predikant Heerspink schikkingen worden gemaakt, tot het geven van godsdienstig onderwijs aan de kinderen, in UwelEd. voorsz. missive bedoeld, ten einde die kinderen later nu door eenen predikant van hunne gezindheid zijn geexamineerd bij dezen eene belijdenis huns geloofs zouden kunnen afleggen.
En hier door zullen, naar mijn inzien, de aangegevene zwarigheden zijn opgeheven.


Ingekomen post invnr 75. Brief van de subcommissie Monnikendam aan de Permanente Commissie:

In antwoord op UwelEd: missive van den 2 aug: N539 hebben wij de eer te berichten, dat door ons reeds zedert lang onderzoek gedaan is bij de sub≠kom≠missie te Nieuwendam naar den persoon van Willem Moen, dat wij verders der subk: van Nieuwendam verzocht hebben strengelijk naar hem te willen informeeren en ons als dan hetzelve kennelijk te maken, doch op het een en ander hebben wij volstrekt geen antwoord mogen ontvangen, zoo dat wij derhalven van gemelde persoon tot op dit ogenblik niet het minste weten.



Vrijdag 5 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van directeur Visser:

Aangaande de mishandeling welke de kolonist Vogel te Ommerschans zoude zijn aangedaan, naar het bij missive der Permanente Kommissie dd. 30 july N436 gevoegd afschrift eens briefs van HH Burgemeesteren der stad 'S Gravenhage, heb ik mij naauwkeurig geinformeerd, en zoo mogelijk langs onderscheidene wegen, de juiste toedragt dier zaak opgespoord; naar al het geen ik hieromtrent heb kunnen vernemen schijnt er hoegenaamd geene opzettelijke mishandeling te hebben plaats gehad, hoewel het waar is, dat aan Vogel een ongelukkige slag is toegebragt, die hem zware pijn heeft veroorzaakt; de opzichter Pieter Kortvriend, is mij door onderscheidene kolonisten als zeer zagt en welwillend voor zijn onderhorige menschen opgegeven, terwijl Vogel volgens zijne eigen verklaring, de bewuste slag als zonder opzet aan hem toegebragt beschouwd; na voorlopig eenige inligting te hebben bekomen, heb ik den geslagene en den opziener in tegenwoordigheid van den Adjunct Directeur en eenige bedelaars, die zonder hem te kennen door mij daar toe gedesigneerd wierden ondervraagd; van welke vragen en antwoorden ik de eer heb eene memorie hier bij over te leggen.
Op de missive van de Permanente Kommissie van den 2 dezer N538 aangaande het voorgeven der moeder van J. Stephanus, als of zij haar zoon grotendeels van kleeding moet voorzien, wijl de kolonist van der Heyden daartoe niet in staat is, dient; dat de ingedeelde voor eenige maanden van zijne moeder heeft ontvangen een wit vest en blauw buis, doch hij hier aan geene volstrekte behoefte had, wijl hij zoo wel als van der Heyden en de zijne altijd door onze zorg van kleeden is voorzien, hoewel het ook waar is, dat van wegen de talrijkheid des huisgezins, de kinderen niet altijd gezegd kunnen worden zodanig goed gekleed te zijn, als bij veel andere kolonisten.
Het komt mij voor dat Stephanus verlangd uit de kolonie ontslagen te worden en daar om misschien wel eens over slegte kleeding of anderzints zal geklaagd hebben, daar hij zedert er over zijn ontslag gehandeld word, zich minder vlijtig en gewillig tot den arbeid betoond te zijn.
Betreffende de ingezondene staten van gedeserteerde en overledene bedelaars, bijzonder ten gebruike van ZijnWelEdelGestr. de Heer mr. Faber van Riemsdijk, heb ik de eer te berigten, dat op die staten sedert eene daarover vroeger ontvangene aanschrijving, zijn gebragt alle deserteurs en overleedene bedelaars; immers dat daartoe de nodige aanschrijving aan de Directie te Ommerschans is gedaan, en bij consideratie dier staaten met de controle bij ons voorhanden, dezelve accoord zijn bevonden. Mogt intusschen ZijnWelEdGestr. tot meerdere zekerheid het nodig oordeelen, dat hier omtrent nader onderzoek worde gedaan, zal het mij aangenaam zijn, de bewuste staten terug te ontvangen als zijnde hier geene afschrifte van dezelve voorhanden.

- over bedelaar Adrianus Jacobus van der Spa(en). transcriptie

Het is de Permanente Kommissie zeker door haar medelid den Heer Generaal van den Bosch bekend, dat voor misschien twee of drie maanden, eene oude lindmolen voor de Ommerschans is aangekocht, ten einde daar door in de behoefte bij alle kolonien door eigen arbeid te kunnen voorzien; doch bij het plaatsen van dat machiene bleek, hetzelve nog aan eenige reparatie onderhevig te zijn; alvorens het oogmerk daarmede te kunnen bereiken, en wierd dus de Onder Directeur Honing verzogt daarmede de meeste spoed te maken, waaraan egter niet dan zeer langzaam of liever in het geheel niet word voldaan; intusschen stierf ook de bedelaar-kolonist welke, het machine gereed zijnde, daar mede zoude werken; desniettegen≠staande drong ik, zoo menigmaal ik te Ommerschans was op de geheele voltooijing der molen aan, om ten minsten niet langer opgehouden te worden wanneer zich een deskundig werkman opdeed; gepasseerde zaterdag rapporteerde mij de Heer Brouwer, een lintwever in den kolonie Hoogmoed kolonie No 4 te hebben gevonden, en gelaste ik die man dadelijk na de Ommerschans te zenden, om eindelijk van ons eigen gefabriceerd lint de winkels der Maatschappij te kunnen voorzien; dan tot mijne verwondering keerde Hoogmoed zonder iets te hebben verrigt terug; hem op den weg ontmoetende deed ik hem andermaal na de Ommerschans retourneren, in de hoop van hem weldra aan den gang te zullen brengen; aldaar komende vond ik alles weder bij het oude, en had Honing zelfs niet goedgevonden eenig onderrigt op hulp aan den kolonist te verlenen, zeggende "als zij u gezonden hebben, om de molen in order te brengen, kunt gij zien hoe gij het klaar krijgt", hier over zeer te onvreden, gaf ik dit mijn ongenoegen den OnderDi≠recteur te kennen, die zich veroorloofde daarop brutaal te antwoorden "als u gelooft dat die man het beter weet dan ik zoo als u getoond heb, door hem (den kolonist) te zenden, wil ik (Honing) er niets mede te doen hebben", waarop ik hem te kennen gaf dat de Maatschappij nimmer reden had gehad, over zijne werkzaamheden te vreden te zijn, en ik dus zijn ontslag bij de Permanente Kommissie zou aanvragen, het geen met "ja dit hebt gij reeds al lang gezogt en ik verlang het zelfs", beantwoord werd. Ten gevolge van dit voorgevallene heb ik gemeend een der OnderDirekteuren van Veenhuizen na de Ommerschans te moeten zenden, ten einde provisioneel de directie over het fabriekwezen over en op zig te nemen, met voornemen de Permanente Kommissie voortestellen den zelve bepaaldelijk derwaards over te plaatzen. Ik hoop dat de Permanente Kommissie de door mij in deze genomen maatre≠gel met hare goedkeuring zal gelieven te vereeren en aan Honing het ontslag uit de Maatschappij verlenen. Later hoop ik de eer te hebben een voorstel ter voorziening in de Directie over de fabriek zo te Ommerschans als Veenhui≠zen aan de Permanente Kommissie in te zenden.

Stukje over de zaalopziener Bezemer te Veenhuizen transcriptie

Stukje over de weduwe Haarman.transcriptie

Geen bijlagen gevonden.


Ingekomen post invnr 75. De Administrateur van het Armenwezen schrijft dat hij een verzoek van J.A. Heissenauer ontvangen heeft die als organist in de kolonie geplaatst wil worden. Hij heeft Heissenauer geschreven dat zulk verzoek alleen bij de Permanente Commissie kan worden ingediend.


5 augustus 1825 Notaris S.J. van Royen te Vledder, 5 augustus 1825, aktenr. 134
Betreft: huwelijkstoestemming.
Genoemde personen: Catrina van Beek (Frederiksoord); Jacobus de Wals (Frederiksoord); Jan Keulenaar (Oosterhout); Cornelia de Wals (Oosterhout).
De akte is niet in origineel aanwezig. (huwelijk van dochter in Oosterhout)


Zondag 7 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ik neem de vrijheid aan de Permanente Kommissie te adresseeren dat van het huisgezin van Johan Leonhard Rohde de man is agtergebleven: ik moet veronderstellen dat de Permanente Kommissie hiervan niet bewust is, als zijnde de vrouw met hare zes kinderen niet in staat iets te verdienen, en zal dus geheel op kosten der Maatschappij moeten worden onderhouden. Voorts dat J.H. Spits en vrouw zich na hunne aankomst bij mij hebben vervoegt en verklaart niet in de kolonie te kunnen of willen blijven en daarom hun ontslag verzogten; hoewel ik dit niet kon akkorderen ben ik toch van gevoelen, dat het beter ware een zodanig huisgezin te renvoijeren, dan het tegen deszelfs wil in de koloniŽn te houden; en neem daarom de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken het daarheen te willen dirigeren dat deeze beide huisgezinnen naar Amsterdam konden worden terug gezonden, alvorens zij door het gebruik, misschien misbruik van den aan hun verstrekte huisraad, kleding enz. den opzenders grote kosten hebben veroorzaakt.


Ingekomen post invnr 75. Brief van S.J. van Roijen aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer gehad UwelEdelens geŽerde letteren van den 3 dezer N547 betrekkelijk eenige beschuldigingen van de kantonnale kommissie te Meppel, tegen de subkommissie van Vledder, wel te ontvangen; ter beantwoording van dezelve heb ik de eer te rescriberen dat de kantonnale kommissie van Meppel, het zij uit onkunde, of uit onverschilligheid, meermalen heeft ver≠zuimd, zoo als de laatste keer wegens de contributie, verschenen geweest ultimo maart 1824 heeft plaats gehad en thans wederom wegens de contribu≠tie verschenen geweest ultimo maart 1825, plaatsvind, van de vereischte kwitantien, waarop de contributie van de leden word ingevorderd, aan de subcommissie van Vledder toe te zenden.
Dat door de subkommissie van Vledder, altoos dadelijk op ontvangst van genoemde kwitantien, de kontributie is doen invorderen en daarna onverwijld kost en schadeloos voor de Maatschappij van Weldadigheid aan genoemde kantonale kommissie is bezorgd geworden, zoo als ook wegens de laatste contributie verschenen geweest ulitmo maart 1824 heeft plaats gehad, welke op ontvangst der gedagte kwitantien, van de uitelkander verspreid wonende leden is doen ophalen en dadelijk daarna op den 4 february 1825 aan de kantonale kommissie te Meppel kost en schadeloos is bezorgd geworden, uitgezonderd van drie leden, welke om de volgende redenen weigerden te betalen en waarvan de ontvanger kwitantien bij de gemelde contributie op den 4 february voornoemd aan de kantonale kommis≠sie te Meppel zijn geretourneerd, met opgaven waarom dezelve weigerden te betalen en wel van Lambert Manden te Nijensleek die verklaarde aan den destijds fungerende secretaris J.H. van Wolda thans thesaurier der subkom≠missie te Vledder, in tijd voor het lidmaatschap te hebben bedankt en van A.G. Schuttelaar en Hendr. Ger. Schuttelaar te Frederiksoord welke zeggen deze kontributie in Steenwijk te hebben voldaan, en om die reden weigerden aan de kommissie van Vledder te betalen, zonder dat echter van dit alles de minste aantekening word gevonden in de stukken van J.H. van Wolda, noch in die van dominee Heerspink welke laatste van Wolda als secretaris bij de subkommissie te Vledder is opgevolgd.
Dat het de subkommissie van Vledder, onverklaarbaar toeschijnt, om welke redenen de kantonale kommissie van Meppel in haar adres aan de Permanente Kommissie van Weldadigheid opgeeft, dat onder haar leden gevonden worden die tevens geŽmploijeerden zijn in de kolonien onder deze gemeente en dat de meeste der leden in deze gemeente, geŽmploijeerden van genoemde kolonie zouden zijn, daar het de genoemde kantonale kom≠missie zoo uit de stukken daarvan bij haar voorhanden, als uit de kwitantien welke aan haar ter invordering van de Permanente Kommissie worden bezorgd, niet onduidelijk kan zijn, dat er behalve J.H. van Wolda, welke als nu sedert kort als geŽmploijeerde der koloniŽn gereekend kan worden, niemand der geŽmploijeerden lid der subkommissie van Vledder is en dat behalve gen. J.H. van Wolda, slechts vijf der gen. geŽmploijeerden leden der Maatschappij zijn, namentlijk S.B. Drijber sedert 1818, B.J. Bosma sedert 1819, H. Faken, K. Mulder en J. Drijver sedert 1822, welke drie laatsten het lidmaatschap hebben aanvaard bij gelegenheid dat de subcommissie van Vledder, de bode van 't gemeentebestuur, onder andere ook te Frederiksoord bij de huizen heeft rond gezonden, ter uitnodiging om als contribueerende leden der Maatschappij te laten inteekenen.
Dat wat betreft de beschuldiging van laauwheid, welke er in het behartigen der belangens voor de Maatschappij bij de plaatselijke subkom≠missie van Vledder zoude bestaan, en het welke om bij gebragt redenen niet ter aanmoediging van anderen dient, antwoord de subkommissie van Vled≠der, dat het de Permanente Kommissie niet onbekend kan zij, dat van den beginne aan, door haar alle mogelijke middelen ten voorbeeld van anderen zijn aangewend, om leden der Maatschappij te bekomen, dat den ondergete≠kende geadsisteerd met ds. de Kemper ten dien einde op onderscheiden tijden, de gantsche gemeenten en bij alle huizen, waar men rekende dat iets gecontribueerd kon worden, zijn rondgegaan, met dat gunstig gevolg, dat men destijds in deze kleine en geringe gemeente meer leden der Maatschap≠pij telde dan in eenige gemeente dezer provincie; doch welke van tijd tot tijd zijn verminderd.
Ik zal intusschen, ook met behulp van de overige leden der subkom≠missie geene moeite sparen, om zoo bij de ingezeetenen der oude gemeen≠te, als bij de Heeren geŽmploijeerden der Maatschappij nieuwe leden aan te werven.


Maandag 8 augustus 1825

Besluit der Perm: Komm:van Weld:, houdende buiten dienststelling van den onderdirekteur voor de fab, mat. arbeid J. Honing te Ommerschans, van den 8 augustus 1825, invnr 961 transcriptie




Donderdag 11 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Brief van de subcommissie Zaandam aan de Permanente Commissie over de sollicitant Kluvers. transcriptie:


Ingekomen post invnr 75. Brief van de subcommissie Leiden aan de Permanente Commissie:

Het huisgezin van M. van der Heijden is weinige dagen geleden achteruit getreden tot ons leedwezen. Ofschoon in groote haast, melde ik dus, dat van Crijn Nicool. Jaspers mede in maart ll. door ons voor Veenhuizen aan UEds. voorgedragen, thans wordt voorgesteld in de vacature van Bodri. Het zelve heeft wel is waar 7 kind:, de oudste 18, de jongste 2 jaren, maar wij vertrou≠wen dat de Perm. Komm. hier in geene zwarigheid zal maken en bevelen haar hetzelve als zeer geschikt aan.


12 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Sollicitatie van Klaas Kuiper. transcriptie



Zaterdag 13 augustus 1825

brievenboek uitgaande post: 'Dringend verzoek om ontslag voor al de daartoe door de Permanente Kommissie voorgedragen 117 bedelaars.ī



Zondag 14 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75 scans 569-572. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

- Over gedeserteerde kolonist Beukers. transcriptie

Zederd weinige dagen nog eene bezending zeewier te Steenwijk aangeko≠men zijnde, zonder dat mij daar van de juiste hoeveelheid bekend is, zal ik ook eerst bij eene volgende de gevraagde opgaaf dienaangaande kunnen suppediteren.
De ingedeelde bij den kolonist P. Heidt kol. N4 Joh. Jacoba Zilver uit 'S Hage, zich aan een zodanig zedeloos gedrag hebbende schuldig gemaakt, dat omtrent de gevolgen daarvan weinig twijfel meer overbleef, hebben wij haar voor den Kleinen Raad in de koloniŽn laten komen, ten einde haar dienaangaande te ondervragen: zij heeft bekend zwanger te zijn, doch omtrent de bewerker van haar ongeluk zijn wij geheel in het onzeeker gebleven, redenen zij dan eens verklaarde hem niet te kennen, dan eens de zoon van den kolonist Stuiver, dan wederom den kolonist P. Heidt als denzelve noemde; intusschen hebben wij om den aard der zaak en op grond van vroeger door de Permanente Kommissie goed gekeurde handelswijze in diergelijke omstandigheden, de vrijheid genomen haar naar de Ommerschans te doen brengen.
Twee bedelaars-kolonisten te Veenhuizen, welker zwanger van de Ommerschans en zoo ik meen reeds in die positie in laatstgen. etablissement zijn gekomen, heb ik mede naar de Ommerschans doen te rug brengen, ten einde voortekomen, dat bij het publiek geene valsche of ongegronde gerugten verspreiden van een wanzedelijk gedrag der kolonisten in het nieuwe etablissement voor bedelaars; mij vleijende hier mede niet tegen de intentie der Perm. Kommissie te hebben gehandeld, zal hier van in der tijd op de mutatie staat nader melding worden gemaakt.

Daar ik mij vleije eerstdaags het genoegen te hebben de Perm. Kommissie in de koloniŽn te zien, zal ik de staat der winkelwaren, welke boven en behalve die waarvoor gekontrakteerd was, geleverd zijn en die ingevolge besluit der Perm. Komm. dd. 19 julij N1 aan haar moest worden ingezonden, hier houden; ten einde eenige bedenkingen welke daarop mogten gemaakt worden, mondeling te kunnen oplossen.



Maandag 15 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Ik heb hiernevens gevoegd request verzoekende P.J. van Leeuwen en H. Fles, echtelieden te Amsterdam, het ontslag uit de Ommerschans van hunnen zoon Jacob.
Een gunstig berigt van den Gouverneur van Noord Holland begeleid voorsz. request.
Het zal mij aangenaam wezen mij met de mededeeling van Uwe consideratien nopens de zaak vereerd te zien; terwijl ik UwelEd. vermeen te moeten doen observeren dat het kind der requestranten, zoo als zij aanvoe≠ren, door hun te Veenhuizen is aangetroffen, werwaarts het uit aanmerking van zijn goed gedrag schijnt overgebragt; doch in eenen deerniswaardigen toestand, ten gevolge van den ongewoon moeijelijken arbeid.
Het zal UWelEd. welligt doelmatig voorkomen hieromtrent een zorgvuldig onderzoek te doen plaats hebben daar het, bij aldien het door de requestranten aangevoerde met de waarheid overeenkomt, noodig wezen zal dat door UwelEd. eenige voorziening word genomen dat de opteleggen arbeid steeds aan de krachten evenredig zij van hem, van wien dezelve gevorderd worden.

Geen request gevonden. De brief is overigens opgesteld door een Lurinai≠re(?) bij afwezigheid van de Administrateur.


Ingekomen post invnr 75. Los velletje: 15 augustus 1825, Hendrik Arends Bolman te Groningen om wijkmeester of opzigter in de Kolonien heeft request gepresenteerd.
Met bijgevoegd aanbeveling dominee Hendriksz. transcriptie




Dinsdag 16 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Brief van J. Kluvers aan de Permanente Commissie over de functie van algemeen winkelier: transcriptie




Vrijdag 19 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Het geen het Gouvernement schuldig is wegens de bedelaars, tot zooverre gemelde nota loopt, bedraagt É114,621:79 en hetzelve heeft te dezer zake reeds betaald É138,930:16 zoodat de Maatschappij É24,308:37 hierop in avance bekomen heeft.
Daarentegen is het Gouvernement invoege als boven voor de wezen schuldig É144,000:- waarop door hetzelve voldaan zijn É63,000:- Het Gouver≠nement is dus te dezer zake alsnog schuldig É81,000:-
Van deze É81,000:- de É24,308:37 aftrekkende welke het Gouverne≠ment op de bedelaars te veel heeft betaald, toont zulks aan dat hetzelve nog eene som van É56,691:≠37 te betalen heeft.
Er wordt alles in het werk gesteld om de gemeenten tot hare verplig≠ting te dezen te houden, en de mandaten van de sommen welke successive≠lijk in 'S Rijks kas zullen inkomen, zullen UWelEd. aan derzelver order betaalbaar gesteld van tijd tot tijd geworden.
Door geene gemeente is nog eene penning gestort voor het onder≠houd harer vondelingen, verlatene kinderen of weezen.



Zaterdag 20 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

In antwoord op de missive der Permanente Kommissie dd. 18 dezer N485 met de mandaten en verder daar bij vermelde stukken, welke ik de eer had te ontvangen, is dienende
Dat de komst van de nieuw benoemde Algemeen Winkelier naar ons inzien wel kan worden verschoven tot den 26 september aanstaande; zullende in het tegenovergestelde geval, of zoo dra zijne tegenwoordigheid wordt vereischt, ik de eer hebben de Permanente Kommissie daar van kennis te geven. transcriptie

- over de bedelaar van der Spa(en). transcriptie

Dat het vooreerst niet nodig is, in plaats van den ontslagenen zaalopziener Besemer te Veenhuizen, zoo min als voor den ontslag genome≠ne en dezer dagen vertrekkende zaalopziener Honing te Ommerschans, nieuwe geemploijeerden te benoemen; als zijnde te Veenhuizen 2e & 3e etablissement nog overcompleet aanwezig.

Dat de onlangs van Amsterdam aangekomen kolonist Spits, kort daarna is geretourneerd, zonder mijne voorkennis.
Eindelijk dat de gecommitteerde van wegen het Ministerie van Binnenlandsche Zaken etc. de Heer mr. D.F. Gevers, de nodige gelegenheid tot volbrengen van deszelfs last in de koloniŽn zal worden gegeven; terwijl de beantwoording der gevraagde renseignementen bij eenen volgende der Permanente Kommissie zal geworden.


20 augustus 1825, Huwelijk Abraham Smit en Grietje weduwe Weender
Vledder, huwelijksakte, 20 augustus 1825, aktenr. 11
Bruidegom: Abram Hermens Smit, gedoopt te Zaltboemel op 22 06 1760; weduwnaar van Aagje Keg, zoon van Harm Abrams Smit en Maria Schelkens.
Bruid: Grietje van Voorst, gedoopt te Zaandam op 14-08-1772; weduwe van Joannes Weener, dochter van Jan Pietersz van Voorst en Grietje Jochems.


Zondag 21 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van de subcommissie Grave aan de Permanente Commissie. transcriptie





Dinsdag 23 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van de subcommissie Amsterdam aan de Permanente Commis≠sie:

- Over de gedeserteerde kolonist Beukers. transcriptie

Omtrent het huisgezin echter van de huisvrouw van Johan Leonhard Rohde, Henriette Franz genaamd, beroepen wij ons op de duidelijke aanmerking: dat de vrouw, zonder den man doch met deszelfs goedvinden, naar de kolonien der Maatschappij zoude vertrekken, als mede op UwelEd: opgevolgde approbatie en kwalificatie tot opzending, behalve dat de man als zeevarende ook absent is, en zich bij zijne vrouw en kinderen dus niet vervoegen kan: - en wij vermenen daarom, behoudens alle respect, van ons verkregen regt, niet anders dan onder protestatie van ongehoudenheid afstand te kunnen doen: met verzoek in dien zin allťťn en zonder consequentie voor de toe≠komst, onze voordragt als nu te willen aanmerken van het gezin van Johan≠nes Wijnbergen en huisvrouw Katje Bout met drie zoons.



Woensdag 24 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Brief van Sepp aan de Permanente Commissie:

- Over de gedeserteerde kolonist Molenkamp. transcriptie

Mij steeds verheugende in den bloei der Maatschappij, waarvan zulk een voortreffelijk tafereel in onze stadscourant van gisteren te vinden is, zoo biede mijne geringe diensten bij voortduring aan.


Ingekomen post invnr 75. Brief van P.J. Armand aan de Permanente Commissie. transcriptie




Zaterdag 27 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Brief van koloniste Van der Walle aan de Permanente Commissie:

Daar het mijn in den maand april ll., datum van mijn arrivement alhier niet vergund kon worden, om mijn zoon Izak Jakob van der Walle naar hier mede te nemen, en moest met waar ouderlijk gevoel, hem naar de kolonie Ommer≠schans zien vertrekken, aangezien het getal kinderen dat van vijf niet te boven mogt gaan. - Zoo was tansch mijn nederigste beede om mijn zoon weder onder mijn ouderlijk toeverzigt te mogen hebben, daar hij nimmer als bedelaar is gearresteerd, en dus ook niet als dwang-kolonist kan worden beschouwd. - Met de strelendste hoop bezield van in mijn versoek te jouise≠ren blijf ik met alle nederige respect u

dienaresse
Adriana van der Walle
werk(?) koloniste in het 2de gestigt Veenhuizen No 31



Maandag 29 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Brief van de subcommissie Nieuwendam aan de Permanente Commissie:

De subcomm. der Maatschappij van Weldadigheid gevestigd te Nieuwendam en Zunderdorp heeft de eer UEd: te berigten dat zij na het ontvangen van uwen geŽerden de dato 22 aug. ll. aan het bestuur dezer gemeentens van deze zaak heeft kennis gegeven, met verzoek van de nodige assistentie. Dat het bestuur daarop dadelijk den persoon van Ed. Moen heeft laten opsporen, die zich hier in den omtrek ophield, en hem zoude hebben laten opligten ware hij niet tijdig ontvlugt: dat hij zich evenwel kort daarop in persoon bij meergemeld bestuur heeft gevoegt en in substantie de volgende verklaring heeft gedaan: dat hij de coloniŽn heeft verlaten om den verren afstand (en de daardoor veroorzaakte hoge moeijelijkheid) van den plaats waarop hij in de colonien moest werken, en tevens om de weinige verdiensten die hij daar hebben zoude en de daaruit spruitende schaarsheid in het mainteneren van zijn gezin; dat ook zijne vrouw zoude gevlugt zijn, maar dat haar dat mislukt was. Dat hij evenwel berouw had van zijne handelwijze en in de colonien wenschte terug te keren, gelijk hij dan ook op den 27 ll. gedaan heeft, zijnde zonder geleide van hier vertrokken en zoo wij hopen bereids in de colonien aangekomen.



Dinsdag 30 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

- Over de gedeserteerde kolonist Beukers. transcriptie

Voorts heb ik de eer de Permanente Kommissie te berigten den ontvangst der mandaten N254 - 261 te zamen groot É8000.- uit handen van haar mede lid den WelEdGestrenge Heer mr. Faber van Riemsdijk.



Woensdag 31 augustus 1825

Ingekomen post invnr 75. Sollicitatiebrief van Johannes Lenselink uit Gorinchem, met bijgevoegd drie referenties. transcriptie


Ingekomen post invnr 75. Uit een brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Naar aanleiding van de motieven, welke door UwEd worden bijgebragt, tot het ontslaan van de personen op de hierbij gevoegde nota vermeld, maar zonder die echter alleen voor afdoende te kunnen beschouwen nog voorbehoudende nu nader in overweging te nemen om het te verleenen ontslag meer overeen te brengen met het belang van het gouvernement in het verlangen van de gemeentebesturen.

Bijgeschreven dat op 18 september aan de directeur is geschreven, dus dit is de vrijlating van 22 september.