Naar het overzicht
van de POST







De POST van JUNI 1825

In invnr 74 zit vanaf scan 150 ook het rapport van de commissie tot onderzoek naar de ware staat der armen van 25 april 1825. transcriptie


Woensdag 1 juni 1825

Uitgaande post invnr 357. Brief van de Permanente Commissie aan de subcommissie Bols­ward. transcriptie




Donderdag 2 juni 1825

ingekomen post invnr 74. Het Genootschap voor de Zedelijke Verbetering van Gevangenen doet een aanvraag om Sophia Beek (35, spinster uit Leiden) in de kolonie te plaatsen. In 1824 is zij voor zes maanden zonder kwartier veroordeeld ter zake van zich te hebben schuldig gemaakt aan diefstal van een half bedlaken uit de slaapstede van Antje van Hattem te Delft, alwaar zij was ontvangen.


ingekomen post invnr 74 scans 22-23. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie over de uit het verbeterhuis te St. Bernard gezonden Augustinus de Knop (die hier Beknop genoemd wordt). transcriptie:


ingekomen post invnr 74 scans 27-29. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie

(...)

Stukje over de arbeiderskolonist Pieter den Otter.transcriptie

Stukje over de arbeiderskolonistenfamilie Lutkenhuis. transcriptie

De brug welke de Heer Grietman J.A. Willigen verzoekt dat over de vaart in Veenhuizen mogt worden gelegd is reeds aanbesteed en door de Perm. Komm. geapprobeerd en zal spoedig worden gelegd; de verder gestremde communicatie zoo als die van ouds tusschen Oosterwolde over Veenhuizen met Norgh enz. bestond, zal mede spoedig zijn daargesteld: intusschen moet ik de Permanente Kommissie hier bij informeren, dat die weg in communicatie slegts bij zomer en droogte en dan nog steeds gebrek­kig bestond, gaande dezelve over veengronden welke in de winter en bij natte zomers nauwelijks te voet doch dan nimmer voor een rijdtuig praktica­bel waren; ik breng dit ter kennis van de Permanente Kommissie, omdat ik voornemens ben die weg, welke langs de 6e wijk zal gaan, slegts in zoo verre te herstellen of bruikbaar te maken, als zij te voren bestond; eensdeels wijl ik van gevoelen ben, dat eene geregelde en gemakkelijke passage door de kolonien van dien kant niet raadzaam is, vooral nu het 2e etablissement voor bedelaars bestemd is, ten anderen om dat eene goede winterweg op die plaats nog al aanmerkelijke buitengewone onkosten zoude vorderen: mogt de permanente Kommissie van andere gevoelen zijn, zal het mij aangenaam wezen daar van te worden geinformeerd.
(...)
De missive der Permanente Kommissie van den 30 meij N191 is mij bij retour van Veenhuizen geworden; alwaar ik mij bij de aankomst der twee huisgezin­nen bevond; ik meende reeds uit de brief van HH Burgemeesteren, waarvan kopie hier nevens gaat, te kunnen opmaken, dat deeze huisgezinnen zonder voorkennis der Perm. Komm. waren opgezonden; zoo als ik dan ook door haar daarvan niet was geinformeerd; ik was derhalve dadelijk bedagt die huisgezinnen te renvoijeren; dan daar het mogelijk was dat het advijs der Permanente Komm. in mijne absentie te Frederiksoord aankwam, besloot ik dezelve zoo lang eene woning te doen aanwijzen, doch geene verstrekking te geven, tot dat ik te huis komende, door het al of niet ontvangen eener missive van de Permanente Kommissie nader omtrent mijn te houden gedrag in deezen, zoude worden ingeligt. Ik zal de Heer de Geus gelasten dezelve dadelijk terug te zenden.
Aangaande de uit 's Hage aangekomen kinderen moet ik de Perma­nente Kommissie nog berigten, dat door geleiders, boven de op de staat vermelde 33 kinderen, een kind met namen Hubertus Hartman, van Loosdui­nen, is mede gebragt; ik heb gemeend dit kind te moeten opnemen en vestigen.

P.S.
Nog gaat hiernevens afschrift van mijn brief aan HH Burgem. van 'S Hage als meede afschrift eens briefs aan de Heer van Zuilen te 'S Hage welke verzogt had de kinderen Schrijver uit het instituut te Veenhuizen te zullen ontslaan.

Bijgevoegd is de brief van B&W Den Haag waarin ze de komst van 30 à 40 kinderen aankondigen en 2 extra huisgezinnen uit Scheveningen waarvoor geen contract bestaat. Verder bijgevoegd twee brieven van Visser:

Ik heb de eer UWelEdAchtbaren te berigten dat het mij niet vrij staat huisge­zinnen in de koloniën of etablissementen der Maatschappij van Weldadigheid te doen opnemen of vestigen, zonder speciale authorisatie der Permanente Kommissie van welgemelde Maatschappij; waarom ik reeds verpligt zoude zijn geweest, de beide huisgezinnen, waarvan in de missive van HH Burge­meesteren dd. 25 jl. N459 gewag gemaakt word, bij hunne aankomst te Veenhuizen, niet te doen opnemen maar te renvoyeren; ik wierd intusschen daar toe nog meer bepaaldelijk verpligt bij de aanschrijving der genoemde Kommissie van den 30 mei N191.
Ten gevolge van dit een en ander zullen de bewuste huisgezinnen door ons, aanstaande zaterdag naar Steenwijk worden getransporteerd, om van daar met het beurtschip op Amsterdam de terugrijs naar 'S Hage te kunnen voortzetten.


Op UWelEdGeb. missive van den 25 jl. heb ik de eer te rescriberen dat zoo dra huisgezinnen of wezen in de kolonien of etablissementen der Maatschap­pij van Weldadigheid zijn opgenomen, zij daaruit niet kunnen vertrekken, noch te rug gezonden worden, dan ten gevolge eener aanschrijving der Permanente Kommissie van welgemelde Maatschappij, die daaromtrent alvorens met de opzenders is overeengekomen.
Ik moet derhalve zoo vrij zijn UWelEdGeb. te wijzen naar welgemelde Kommissie, of wel naar den Heer Administrateur van het Armenwezen en der Gevangenissen, die zo ver mij bekend, hier de opzender is. 74)





Vrijdag 3 juni 1825

ingekomen post invnr 74. Uit een brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Gezien het request van F:J: Rigter, colonist in het etablissement aan de Ommerschans, houdende verzoek om daar uit ontslagen te worden.
Gezien het berigt bij den Gouverneur van Zuid Holland, te dezer zake ingewonnen.
Gelet op het advys van de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid te 's Gravenhage.
Geeft aan den requestrant te kennen dat hij zich, ter bekoming van ontslag, zou behooren te wenden, tot het Algemeen Armbestuur van Rotter­dam, hetwelk ten opzigte van hem requestrant, een kontrakt met de Maat­schappij van Weldadigheid ter zijner verzorging in de colonien heeft aange­gaan.



Zaterdag 4 juni 1825

ingekomen post invnr 74. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie over wijkmeester Molenkamp. transcriptie

Bij gelegenheid dat de wijkmr. Molenkamp met verlof naar 's Hage vertrekt; heb ik de eer de Permanente Kommissie door hem te doen toekomen het bestek der aanbesteede R.C. kerk en pastorij te Veenhuizen, door den aannemer en mij onderteekend; de kontrakten van die aanbesteding reeds bij den 29 jl. verzonden, zullen de Permanente Kommissie zeker zijn geworden. Voorts een exemplaar van het kontrakt met de Heeren Pik en Rietman betreffende de leverancien van winkelwaren. 74)

Geen bijlagen gevonden.

ingekomen post invnr 74 scans 58-59. Directeur Visser zendt een exemplaar van het contract met leverancier Pik en Rietman, maar heeft nog geen exemplaar van het contract met Brouwer.


Besluit van de Permanente Kommissie van de Maatschappij van Weldadigheid, bepalende eene bijzondere kleeding voor de Bedelaars Kolonisten, die voor de tweede maal van desertie terugkomen van den 4 juni 1825, invnr 963 en invnr 988. transcriptie



Zondag 5 juni 1825

ingekomen post invnr 74 scan 76. Uit een brief van de subcommissie Leiden aan de Permanente Commissie

Gedeelte over kolonist Van Midden.transcriptie


ingekomen post invnr 74. Uit een brief van de subcommissie Delft aan de Permanente Commissie over bedelaars. transcriptie:



ingekomen post invnr 74  Visser vraagt ƒ4500,- voor de komende week.



Maandag 6 juni 1825

ingekomen post invnr 74  Uit een brief van B&W Den Haag aan de Permanente Commissie:

Wij haasten ons, ter beantwoording van UEds. missive van den 4 juny ll. No 203 betrekkelijk de door ons naar Veenhuijzen opgezonden twee huisgezin­nen UEds. te kennen te geven, dat die opzending door ons geschied is ten gevolge van eene missive van Mijnheer den Gouverneur van Zuid Holland in dato 1 april ll., waarbij ZHEdG. ons informeert, dat ten gevolge van Zijner Maj. verlangen de bevoegdheid, bij art. 5 van het door het Gouvernement met de Maatschappij van Weldadigheid gesloten contract, wegens de besteding van vondelingen, weezen, enz. in hare kolonien, aan de zijde van het Gouvernement gereserveerd, is overgedragen aan elke gemeente, naar gelang zij zoodanige kinderen naar derwaards heeft opgezonden, of verder zal opzenden; alsmede krachtens eene aan ons gedane kennisgeving door Heeren Gedeput. Staten van wege den Heer Administrateur voor het Armwe­zen en de Gevangenissen, dat het met UEds. op den 21 maart ll. geslooten contract wegens de overneming van zes weezen en 2 huisgezinnen niet wel aan de approbatie van Z.M. kan worden voorgedragen, aangezien het Gouver­nement een kontract met de Maatschappij van Weldadigheid heeft aangegaan, en aan de Gemeente S'Hage de faculteit heeft gegeven om weezen en huisgezinnen ingevolge dat contract naar de kolonien optezenden. 74)



Dinsdag 7 juni 1825

ingekomen post invnr 74  Uit een brief van de subcommissie Rotterdam aan de Permanente Commis­sie:

Onder de met de laatste bezending van hier naar Veenhuizen geexpedieerde kinderen, zijn er sommigen, welke bij de moeder uit het gestigt, van waar zij vertrokken zijn, eenige weinige spaarpenningen achtergelaten hebben. Men wilde gaarne deze gelden aan die kinderen doen toekomen, en heeft ons verzogt UWEd. te vragen, of daartoe door middel uwer administratie te Veenhuizen, geene gelegenheid zou zijn. Mogen wij van uwe goedheid vergen, hierop te rescriberen, zullende wij, indien aan dit verzoek kan worden voldaan, aan UWEd. de namen der bedoelde kinderen, mitsgaders het quotum aan ieder hunner ter hand te stellen, opgeven, en alsdan voor het geheele montant ('t geen naauwelijks ƒ10- bedragen zal) UWEd. in rekening krediteren. 74)


ingekomen post invnr 74  Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

In antwoord op Uw missive van den 29 januarij 1825, N895, heb ik de eer UWE te informeren dat ik den Gouverneur van Noord Holland verzocht heb, last te geven, om met het eerst te doende transport van bedelaars uit Amsterdam naar de Ommerschans, tevens op te zenden de zeven personen, die ten onderwerp van UWEd. missiven voorn. hebben gestrekt.
Aangezien gedachte personen met namens W: Groenewoud, Corn: van Loenen, E: Beugel, J: Sluiter, J: Kok, Eliz. Meultjes en Joh: Wimmers, in de daad, door den commissaris van policie C: Sepp Jz., te Amsterdam misleid schijnen te zijn geworden, ten aanzien van den aard der colonie, werwaards zij in den tijd zouden worden gederigeerd, uit het gene Regenten van het Bedelaars werkhuis te Amsterdam ronduit verklaren het geval te zijn geweest, verzoek ik UWEd. uit consideratie hiervan geene verdere notitie van desertie der bewuste personen te doen neemen, wanneer zij in de Ommer­schans terug gekeerd zullen zijn. 74)



Woensdag 8 juni 1825

ingekomen post invnr 74  Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Onderscheidene reclames van gemeenten, tegen de bevolene opzending van kinderen uit de gesubsidieerde gestichten, naar Veenhuizen, onder het oog van den Koning gebragt zijnde, heeft Zijne Majesteit de Staats-Commissie, benoemd bij besluit van 3 january 1822 N36 op de zaak gehoord, en zich vereenigd met het daarop door haar uitgebragt rapport van het welk ik de eer heb UWelEdelen, hierbij een afschrift te zenden.
Bereids heb ik UWelEdelen het voorstel gedaan om het tijdstip, waarop men meende dat de laatste 400 kinderen zouden kunnen worden opgezonden, op een meer verwijderde épargne te bepalen. Het zal UWelEde­len uit gemeld rapport blijken dat de Commissie vermeent dat het gemeld getal van 400 kinderen, als mede het laatste 1/3 van de omgeslagene 2700 kinderen slechts eventueel, en, in allen gevallen later dan bepaald is, zouden dienen te worden opgenomen.
Voor zoo verre mij uit den geheelen loop der zaak tot heden is gebleken, zoude ik het daar voor meenen te moeten houden, dat er niet meer dan 2000 kinderen hoogstens, geleverd zullen kunnen worden, doch dat de 500 huisgezinnen en 1500 bedelaars, allengskens bij een te brengen zullen wezen.
Er zal alzoo een schikking dienen tot stand te komen, ten gevolge waarvan eene vermindering in het bepaald getal van 4000 kinderen plaats hebbe; ten einde zonder verlies voor de Maatschappij, aan de schatkist alle uitgaven, zoo veel mogelijk worden gespaard, welke men niet met vertrouwen kan rekenen, dat op de gemeente zouden kunnen worden verhaald.
Ik verzoek UWelEdelen mij hun gevoelen deswegen mede tedeelen. 74)

Bijgevoegd is een lijst van weeshuizen in Noord-Holland die in 1821 subsidie hadden ontvangen (behalve het Aalmoezeniersweeshuis) en het rapport aan de Koning (51 bladzijden) gedateerd 25 april 1825 (zie op die datum in chrono).



Donderdag 9 juni 1825

ingekomen post invnr 74  Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

1e deel brief: http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Personen/Geus.html

Der Permanente Kommissie heb ik de eer te berigten dat ten gevolge onderscheidene harer vroegere besluiten de volgende in dienst stellingen en verplaatsingen van geemploijeerden dezer dagen hebben plaats gehad als de Heer adjunkt Direkteur Drijber overgegaan naar het 2e etablissement t Veenhuizen, en de Heer de Geus van het 2e naar het 3e instituut. De Heer Bersma als opvolger van den Heer Drijber heeft de funktien van adjunkt Direkteur in de gewone kolonien aanvaard, en den Heer Schurer die van onder Direkteur in kol. N3 en 6 op zich genomen; de Heer Wardenburg is van Wateren naar Veenhuizen overgegaan om daar onder de orders van den Heer Drijber met een bepaald opzigt, en dat wel bijzonder over de arbeid en het onderhoud der paarden te zijn belast.
    Zes zaalopzieners zijn met bijna 400 bedelaars van de Ommerschans naar het 2e of bedelaarsinstituut te Veenhuizen overgegaan, als mede zijn van hier naar de etablissementen vertrokken de wijkmr. Snats, Reichenbach en Onversaagt en de opziener Koster; veelen deezer zijn daar thans overcompleet, doch kunnen bij de bevolking van het 3e gestigt geemploijeerd worden. Voorts is door ons als algemeen winkelier provisioneel aangenomen zekere Abraham Eeder uit Leiden, welke persoon door den Heer adj. Direkteur Brouwer, als zeer geschikt voor die betrekking was opgegeven, het spijt mij hier te moeten bijvoegen dat ik vrees die man niet aan de verwagting zal beantwoorden, waarom ik hem dan ook niet als vaste geemploijeerde durf voorstellen.
    Nog is tengevolge het verlangen des Heren 2e ads. als provisioneel geemploijeerde op het Algemeen Bureau aangenomen zekeren Jan Odijk, zijnde een zeer vlugge schrijver. Hopende met al het bovengemelde niet strijdig de intentie der Perm. Kommissie te hebben gehandeld, zullen van een en ander nadere veranderingsstaten worden opgemaakt en ingezonden.
(...) 74)



Zaterdag 11 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Brief van de subcommissie Workum aan de Permanente Commissie. transcriptie:



Ingekomen post invnr 74. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie over onder andere de weduwe Haarman. transcriptie:
Plus onder meer twee exemplaren van het contract met Brouwer.

Bijgevoegd is een brief van Harloff waarin deze meldt hoe bedelaars uit Hoorn in rekening zijn gebracht en een geleidebrief uit Den Haag bij de opsturing van 8 bedelaars.



Uit de jaarafrekening van de subcie Delft over 1825 (invnr 1105)
11 juni: Aan den cipier J. van Galen voor het voeden en verplegen gedurende eenige dagen van 5 vrouwelijke bedelaars.... 33,80
17 ??: Voor transportkosten door twee politieagenten van bovengemelde bedelaars naar den Ommerschans.... 77,70




Zondag 12 juni 1825

Ingekomen post invnr 74 scans 271-272. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

- over de aanbesteding van de protestantse kerk in Veenhuizen, met bijgevoegd de advertentie, scan 273. transcriptie

- De kolonisten Johannes Franciscus Verbeek en Rijk Kruidhoed uit kol. N1 met voorkennis hunner ouders ontslag uit de koloniën verzogt hebbende, neem ik de vrijheid de Permanente Komm. authorisatie tot het verleenen van dat ontslag te vragen.




Maandag 13 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie over de kinderen Kist. transcriptie



Dinsdag 14 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Visser stuurt enkele stukken waaronder de balansen van de steenbakkerijen, kalkbranderijen, turfgraverijen, mergelgraverijen en takkebossen.



Woensdag 15 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Brief van Jan Frederik Krieger aan de Permanente Commissie. transcriptie




Donderdag 16 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Visser stuurt enkele stukken.



Zaterdag 18 juni 1825


Ingekomen post invnr 74 scans 321-323. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie.

Met terugzending van het rekwest van den kolonist P. Heidt, houdende verzoek om zijne zuster uit de Ommerschans ontslagen te zien en bij zich te hebben, mij bij missive der Permanente Kommissie dd. 7 dezer N105 geworden, heb ik de eer aangaande dat onderwerp te berigten dat na ingewonnen informatie het mij gebleken is, die zuster wel gezond en sterk, doch lui en traag is om te arbeiden, waar door zij naauwelijks aan hare verpligting als bedelares voldoet, dat het alzoo te vreezen is, zij minder streng tot den arbeid aangespoord wordende, niet veel zal verrigten, en daarom meer tot last dan tot voordeel voor het huisgezin van P. Heidt zal verstrekken; bovendien is dat huisgezin als niet zeer proper, gewoonlijk meer slordig dan goed gekleed, en zal wanneer de leden van het zelve nog met eene volwassene zuster vermeerderen en gevolglijk de kleding stukken welke op lopende schuld moeten worden verstrekt, nog over een persoon meer worden verdeeld, zeker niet verbeteren; terwijl zij eindelijk bij hare aankomst ten minsten van eenige nieuwe kleeding stukken zoude behoren te worden voorzien om alle welke reden ik de vrijheid neem de Permanente Kommissie te advijseeren dit verzoek niet dan onder bepaalde voorwaarden te accorde­ren.

Verder heb ik de eer aangaande het vermeend abuis in het ontwerp van het besluit dd. 27 mei ll. betreffende de berekening van benodigde ponden schapenvleesch, de Permanente Kommissie te elucideren, dat de bedoeling van ZHEdGest. den Heer 2e Adsessor hier geweest is
80.000 lb. droog spek of 400 varkens
32.000 lb. schapenvleesch of 800 schapen
40.000 lb. rundvleesch of 80 koeijen
te zamen    152.000 lb. of 38 lb. per hoofd 's jaars, gereekend tegen 40.000 hoofden, wezen en bedelaars, aan welke vleesch zoude worden verstrekt.

Stuk over de weduwe Haarman en naai- en breiles in Veenhuizen.transcriptie


Ingekomen
post invnr 74 scans 324-327. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer gehad te ontvangen de missive van de Perm. Kommissie dd. 15 dezer N249, in antwoord op dezelver neem ik de vrijheid, aangaande het inzenden van den algemeenen mutatie staat van het personeel der koloniën op den 4e van elke maand, aantemerken dat het veel moeite zal kosten hier aan geregeld te voldoen, wijl het niet zelden gebeurd dat in de opgave welke wij van de kolonien en etablissementen ontvangen, blijkbare abuizen of onnaauwkeurigheden zijn ingeslopen, waaromtrent wij verpligt zijn, nader elucidatie te vragen; intusschen zullen de Heeren adj. en onder direkteuren worden aangeschreeven te zorgen, dat ook dit gedeelte der administratie en direktie, met de meeste naauwgezetheid word bewerkt, met informatie tevens, van dadelijke kennisgeving aan de Perm. Kommissie welke geem­ployeerde de oorzaak is, van het niet in tijds inzenden van de verantwoor­dingsstaat en zoo doende al het mogelijke in het werk te stellen, om aan het verlangen der Permanente Kommissie te kunnen voldoen.
Voorts heb ik de eer met terugzending des briefs van de Heer direkteur generaal voor de zaken van den R.C. eerendienst dd. 2 junij, houdende voorstel tot het bouwen der R.C. kerk en pastorij in de nabijheid van een der etablissementen te Veenhuizen zoo mogelijk geheel door R.C. kolonisten bewoon en onder R.C. opzieners geplaatst, mij bij voorgem. missive der Perm. Kommissie geworden, te berigten.
Dat in de tegenwoordige tijd, waarin het schijnt dat slegts een etablissement door wezen zal worden bevolkt, het niet wel mogelijk is de R.C. kinderen, van alle ander godsdienstige gezindheden afgezondert, een afgescheiden etablissement te doen bewonen; en al waren het ook dat zoo veele kinderen naar de kolonien te Veenhuizen wierden opgezonden, dat een tweede zelfs derde gestigt ter vestiging van dezelver wierd vereischt, het dan nog zeer toevallig zijn zoude, wanneer het getal der R.C. juist met die plaatsen in een etablissement overeenkomen daar in het tegenovergestelde geval eenige protestantsche kinderen bij de R.C. zouden moeten worden gevestigt, of omgekeerd eenige R.C., waarvoor in hun gestigt geen plaats was, bij de protestantsche - gesteld nu dat dit laatste plaats vond, en dat de R.C. kerk en pastorij nabij dat eene voor R.C. wezen bestemde gestigt, gebouwd was; dan toch zouden zij welke niet in dat etablissement waren opgenomen, zoo veel verder van de kerk verwijderd zijn, als de andere daar nader bij wonen, en zoude over het geheel meer verloren dan gewonnen zijn.
Behalve dit, is reeds het 2e of middelste der drie gebouwen door kolonisten bedelaars, van beider geloofsbeleidenis bewoond, welke in geen geval in afzonderlijke etablissementen kunne worden verdeeld.
Het is ons daarom verkieselijker en voor alle tijd en omstandigheden meest doelmatig voorgekomen, de R.C. kerk zo wel als protestantsche kerk en pastorij, te plaatsen zoo na mogelijk in het midden der beide uiterste etablissementen.
Betreffende het plaatsen der R.C. kinderen en onder opzieners van dezelfde godsdienstige gezindheid, hier aan word reeds zoo veel mogelijk voldaan, door die kinderen afzonderlijke zalen te doen bewonen.
Ook is mij wel geworden de missive der Permanente Komm. van de 16 dezer N250, het doet mij leed tegen de intentie der Permanente Kommis­sie te hebben gehandeld, door het provisioneel, en in afwagting harer approbatie, in dienst nemen van sommige geemploijeerden; terwijl dit in het vervolg niet meer zal plaatshebben. Intusschen moet ik zoo vrij zijn, en hoop dat de Perm. Kommissie mij dit wel ten goede zal gelieven te houden, aan te merken, dat veele der zulke en wel speciaal Eeden en nog meer bepaald Odijk niet alleen met voorweeten, maar zelfs ten gevolge der verklaarde opinie van ZHEdGest. den Heer 2e Ads. onder de bekende voorwaarden zijn aangenomen of in dienst gesteld, terwijl de overige alleen dan wierden geemploijeerd, wanneer in de dadelijke of zeer nabijzijnde behoefte, onzes inziens, behoorde te worden voorzien.
Daar nu Eeden ingevolge het verlangen der Perm. Kommissie zal worden ontslagen, heb ik de eer te verzoeken dat de Permanente Kommissie zoo spoedig mogelijk eenen anderen in zijn plaats gelieven te zenden; wijl de post van algemeen winkelier niet wel, zelfs geene weinige dagen onvervuld kan blijven, en bij mij niemand bekend is, aan wien ik denzelven zoude durven opdragen, of tot dat einde der Permanente Kommissie voorstellen.
De persoon van Odijk was voorheen volgens zijne eigene opgaven als boekhouder in een gestigt van liefdadigheid te Amsterdam geplaatst, naderhand gaf hij les in de fransche taal: door omstandigheden buiten zijnen schuld, uit beiden genoemde betrekkingen geraakt, was hij zonder bestaan. Hier voldoed hij niet aan de verwagting en zoude dus, ook zonder de aan­schrijving der Perm. Komm. van den 16 dezer worden gerenvoijeerd.

P.S. nog ben ik zoo vrij de P.K. te herinneren dat tot een bekwame algemeen winkelier vereischt word kennis van levensmiddelen en winkelwaren, bene­vens eenige adm. kundigheden.







Zondag 19 juni 1825

Ingekomen post invnr 74 scans 333-335. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

De kolonisten Maria, dogter van Jacobus Bouwman kol. 4, Hendrik zoon van Willem Kuiters, Jan en Eeltje zoon en dogter van de wed. Roelof Zwaan, Gerardina dogter van Pieter van der Veen, alle uit kol. N3, en eindelijk Grietje dogter van Jan Brands kol. N6 ontslag verzogt hebbende neem ik de vrijheid tot het geeven daarvan de authorisatie te vragen.



Maandag 20 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Visser stuurt het bestek voor de protestantse kerk en pastorie van Veenhui­zen. vermelding



±Dinsdag 21 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Brief van G.K. van Hogendorp aan de Permanent Commissie:

De staat van mijne gezondheid laat niet toe dat ik de eer van de benoeming tot de Commissie van Toevoorzigt aanneme.



Woensdag 22 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Brief van de subcommissie Middelburg aan de Permanente Commissie, met kledinglijst van opgezonden wezen. transcriptie Webpagina WezenVH 1825_06_25Middelburg



Brief van de permanente commissie aan de Administrateur:
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/WezenVH/1829_01_00Familie.html:



Ingekomen post invnr 74. Visser stuurt enkele stukken.



Vrijdag 24 juni 1825

Ingekomen post invnr 74 scans 346-348. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

... als mede te retourneren het rekwest van J. van den Broek bij missive van den 7 dezer N105 ontvangen; de zaalopziener Nieuwenhuis ontkend niet ƒ33,15 van dien man te leen te hebben ontvangen, doch zegt daar van een gedeelte te hebben gerestitueerd, blijkens bijgevoegd antwoord. Wat daar van zij kan ik niet wel beslissen, doch heb inmiddels last gegeven, wekelijks ƒ2- van het salaris des zaalopzieners intehouden, ten einde daar uit in den tijd het nog verschuldigde te kunnen voldoen.
Aan de bedelaars kolonisten Jan, Dirk en Pieter Maatman, die thans te Veenhuizen zijn, is tot heden nog geen ontslag verleend; reden een der zelven ziek zijnde, de overigen verzogt hebben, alvorens te vertrekken, deszelfs herstel te mogen afwagten, en dan gezamentlijk te worden ontsla­gen: indien dit onverhoopt niet overeenkomstig de intentie der Permanente Kommissie zijn mogt, zal het mij aangenaam zijn daarvan te worden geinfor­meerd.

Ten slotte moet ik de Permanente Kommissie berigten, dat zich uit het opvoedingsinstituut heeft verwijderd de jongeling Hendrik van Kampen van Dordrecht; de oorzaak hier van ligt volgens de gedagten des Heeren Mulder in het volgende: gepasseerde week vroeg van Kampen aan de Heer Institu­teur om met verlof naar Dordrecht te gaan. ZEd. weigerde hem zulks.
1e omdat hij het vorige jaar ook met verlof geweest was.
2e omdat hij van HH Regenten daartoe geene toestemming had gekregen.
3e Dat hij zijnen tijd beeter kon besteden met leeren, leezen, schijven en teekenen, wijl hij daar in naar zijne jaren nog niet ver was gevordert.
Overigens was hij zeer vlijtig en naarstig in de arbeid.
Webpagina Archief 182507Desertie


Bijgevoegd:

In rescriptie op de brief van J: v:d: Broek diend het volgende.

De ondergetekende negeerd geenzins schuldig geweest te zijn aan J. v.d. Broek de somma van drie en dertig guldens en 3 stuivers, volgens eene eigenhandig door mij ondergetekende schuldbekentenis, terwijl hij tevens ook verzekerd is, dat aan hem bij onderscheidene voorvallen eenig geld in vermindering is betaald geworden, zoo als het laatste geld, namenlijk zes guldens het geen ik hem op afkorting gegeven heb is geweest in september 1824. Dit geld en het vorige door mij betaalde zijn in vermindering op het bewijs afgeschreven, zodat hij volstrekt geen aanspraak kan maken op de volle som, hoewel ik niet zeker weet het restant van het nog te betaalene, waarom ik J. van de Broek verzoeke mij te willen opgeven hetgeen betaald is en wat nog betaald moet worden, zullende zorge dragen dat hem, het geld ten eersten worde ter hand gesteld.

2e etablissement Veenhuizen den 16 juny 1825
Wm Nieuwenhuysen

P:S:
Zodra ik andwoord hierop van J. vd Broek inhoudende het restant van mijne schuld, zal ontvangen hebben, zal hem het geld van mijne het eerst te trekken pensioen, behouden worden, en weil in de eerste dagen van de maand july aanstaande.



Zaterdag 25 juni 1825

Ingekomen post invnr 74 scans 427-429. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen, dat de bedelaar kolonist Johannes Meinders te Veenhuizen, door de Gouverneur van Noord-Braband is gerekwireerd om in de Nat. Mil. te worden ingelijfd, en zulks door tusschenkomst van de Heer Gouverneur van Drenthe, dat hij ten gevolge daar van den 22 dezer voorzien van een order van den Heer Schout van Norgh naar 's Hertogenbosch is vertrokken, terwijl aan hem, als hebben­de geen tegoed, een gulden rijsgeld is verstrekt: indien hier mede in een of ander opzigt tegen de intentie der Permanente Kommissie mogt zijn gehan­deld, zal het mij aangenaam zijn daar van te worden geinformeerd, ten einde ons in het vervolg daar naar te kunnen gedragen.
In antwoord op de missive der Permanente Komm. van den 21e dezer N274 heb ik de eer te berigten, dat het huisgezin van Wagenmaker altijd als huisverzorgers is aangenomen;

Aangaande het niet betalen der contributie als leden der Maatschappij door koloniale geemploijeerden in de gemeente Vledder, neem ik de vrijheid aan te merken, dat zoo ver mij bekend, nimmer eenige aanvraag des wegen door de sub-kommissie is gedaan, zoo wijl ik mij overtuigd houde dat geene dezelve lid zijnde, een ogenblik zal in gebreeke blijven het verschuldigde te voldoen; immers zo daar van iets ter mijner kennis word gebragt.
Met terugzending der gekwiteerde rekening van P.J. de Visser wegens uitschotten en verdiensten van den zelve bij het waterpassen enz. in den jare 1819 diene de Permanente Kommissie tot informatien, dat het gevoelen des Heeren 2e Ads. is, dat deeze rekeningen niet door de Maat­schappij behoef­den te worden voldaan of gerembourseerd, uit hoofde ZHEdGest. zich niet anders kan voorstellen of de zaak heeft zich op de volgende wijze toegedra­gen, namentlijk dat eenige eigenaars van gronden bij de oude markt van deze plaatsen, waaronder misschien de Heer Siderius in den tijd dat over het plan tot aanleggen van een kanaal naar of door de kolonien wierd gehandeld, voorstelden hetzelve door die gronden te graven; dat de Generaal van den Bosch daar op heeft geantwoord, dat zij dan vooreerst behoorden te laten onderzoeken in hoe verre het terrein, die doorgraving zoude gedogen enz. - maar dat ZHEdGest. daarbij nimmer bedoelde dat dit voor rekening der Maatschappij zoude geschieden.



Dinsdag 28 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie over pastoor Doorenweerd. transcriptie



Woensdag 29 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie over verzoekschrift bedelaarskolonist Chartier de Fonte­nille. transcriptie



Donderdag 30 juni 1825

Ingekomen post invnr 74. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie over aanbesteding protestantse kerk en andere bouwprojecten in Veenhuizen. transcriptie


Ingekomen post invnr 74. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

- over het domicilie van onderstand van bedelaarskolonist Agij van der Linde. transcriptie

- over de ouders van bedelaarskoloniste Antje de Jaar. transcriptie