Naar het overzicht
van de POST







De POST van MAART 1825

Woensdag 2 maart 1825


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Verder is hier bijgevoegd de gevraagde renseignementen bij de nota dd. 24 february als mede dat van Cornelis de Jong bankolonist met het extrakt zijner rekening: terwijl eerst bij eene volgende zullen kunnen worden verzonden de certificate der tegenwoordige berigten van de personen Johannes Homburg en Cornelis de Jong.
Eindelijk heb ik de eer de Permanente Kommissie te doen toekomen de stukken betreffenden de tegen de kolonist Westerveldt inge­bragte be­schuldigingen; de brief van Westerveldt heb ik om berigt in handen gesteld van den Heer Adjunkt Dir. Harloff; afschrift van dat daar opgegeven antwoord is mede hier bij overgelegd: uit alle welke stukken het mijns erachtens genoegzaam blijkt, dat Westerveld, immers zijne vrouw geen genoegzaam vertrouwen verdiend, en zich de grote voordelen die een boer(?) in kol. N5 bij de strikste eerlijkheid en zuinigheid in het behartigen der belangs van de Maatschappij, genieten kan, onwaardig maakt; en ik mij derhalve verpligt gevoel de Permanente Kommissie voortestellen, Westerveld naar eene hoeve in de gewone koloniën terug te brengen; ten ware de Permanente Kommissie mogt goedvinden, hem als een minderen straf, die misschien tot verbetering strekken zal, op hoeve N12 kol. N5 welke hij thans bewoond, te laten.

Bijgevoegd:

Raad van Discipline in de kolonie N5, wegens de ingebragte beschuldigingen van den Heer Onderdirecteur en den wijkmeester Van Blanken omtrent de continueel slegte gedragingen en oneerlijkheid van den landbouwende kolonist J.C. Westerveld gehouden op den 17 february 1825

Vragen

Hoe is uw naam?

Toen gij op order van den Heer Directeur der kolonien om het verkwisten en twee maanden voor tijd opvoeren van uw hooij van de Hoeve N1 naar Hoeve N12 ver­huijzen moest; hoeveel vreemd brood had gij toen op wagen die uw goed voor­bragt?

Wat wilde gij met dat brood doen?




Gij wist toch wel dat er geen vreemd brood in de kolonie mogt worden verkogt!

Hoe konde gij zonder voorkennis van den wijkmeester naar den Hulst rijden met de kolonie paar­den en wagens?


Deed gij dat zonder voordeel?

Is dan zulk een dienst aan een vreem­de niet te groot, om een wagenvragt brood, twee uuren door een slegt weg medetenee­men en dan om zeven a agt da­gen te bewaren?

Zoudt gij uw aandeel van dit brood hebben gekogt?

Wat woud gij dan met uw aandeel van dit brood doen, terwijl het in zijn soort als brood onder de waar­de voor u zeker niet goedgerweg was en zelfs te eenten?

Hebt gij van het zelve niet aan de kolonist die bij uw zaad dorsch­t, des avonds niet een klein kaasje verkogt en medegegeeven?

Hebben uwe koeijen al van dat brood gehad?

Waarom hebt gij dit brood verstopt gehouden, zoo dat men het in uw huis niet eer gewaar werd dan na dat uw goed alles uit den huis op de wagen was gepakt; en men het op de wagen ontdekte?

Was de kolonist zaad-dor­scher, ook des nagts bij uw aan huis?

Waarom leyden er soms des mor­gens garven stroo voor de koeyen, welke maar ter halve waren uitge­dorscht en sommige in het geheel niet, zo als de wijk­meester met een veldwagter heeft gezien?











Antwoorden

Jan Cornelis Westerveld

Twintig









Dit brood had den bakker van der Hulst mij ter bewaring gegeven om het zelve in de kolonie te verko­pen.

Ja voor de kolonisten maar voor de boeren dagt ik mogten het hebben.

Ik wilde een kalf koopen, doch daar­komende was het zelve dood en toen verzogt mij de bakker om dit brood mede te neemen en zeven à agt dagen te be­waaren.

Ja.

Voor mij niet.






Ja.


Ik wilde daarvan mijn beesten voeren.




Dan heeft dit mijne vrouw gedaan; maar ik weet daar niet van.



Neen.


Het heeft op de planken gestaan, welke boven aan de balken van de zolder zijn vastgemaakt.




Neen.


Dat is gelogen.






Deeze vraagen nogmaals aan Westerveld voorgelezen zijnde heeft hij bij zijne gezegde antwoorden blijven persisteeren, en heeft hij ten bewijze daarvan dit mij zijn naamtekening bekragtigd.

bij absentie van den Heer Direkteur der kolonien de Adj. Direkteur der kolonien Harloff
J. Bosscha
L. van Blanken
A.J. Wijkstra
D. Meder
X dit is het handmerk van Harmelink verklarende niet te kunnen schrijven
De Roij

Gehoord in de Raad van Discipline in dato als in het hoofd genoemd, en door de bijzijnde leeden der Raad hier nevens getekend.

De bouwkolonist Westerveld, heeft volstrekt blijven weigeren, de aan hem in deeze, voorkomende gedane vragen welke door hem beantwoord zijn, te willen ondertekenen

De Adjt. Direkteur der kolonien Harloff

Verder bijgevoegd:

Kolonie N5

Certificaat

Wij ondergeteekende Lammert van Blanken, wijkmeester en Hendrik Graf­broek, veldwagter, bede geemployeerdens in opgemelde kolonie, verklaren bij deeze ter requeste van den Heer Directeur der kolonien, dat zij beiden, en ieder voor zig zelven, met eigen oogen hebben gezien dat in de hal van den landbouwer Jan Cornelis Westerveld, des morgens vroeg de half uitge­dorschte garven rogge en sommige geheel ongedorschte voor de koeyen tot voeder hebben geleegen.

Wijders verklaart den wijkmeester van Blanken, dat den landbouwer Wester­veld meerder hooy heeft geoogst dan zijnen nabuur Klaas Tiemens, hem alzo meermalen heeft te kennen gegeeven - de zigtbare vermindering van des­zelfs hooy en evenredigheid van deszelfs nabuur ziende - dat hij zijn vee te veel voerde; hem dit onderscheiden malen heeft voorgehouden. Zulks echter niet heeft kunnen baten als nu eindelijk is gebleeken, dat deszelfs hooy twee maanden vroeger is opgevoerd dan dat van deszelfs nabuur Klaas Tiemens welke met zijn geoogsten genoegzaam tot voeder van zijn vee zal hebben.

Ommerschans den 27 februari 1825

De Wijkmeester        De Veldwachter
Lambert van Blanken        X dit handmerk is gesteld door Hendrik Graf­broek verklarende niet te kunnen schrijven mij present De Roij boekhouder

Verder bijgevoegd:

Aan den HoogEdGestr. Heer den Hr. Visser te Frederiksoord

Mijn Heer!

Met den diepsten eerbied en onderdanigheid, nemen wij de vrijheid UEd­Gestr. Heer onze billijke nooden en klagten door dezen te verwittigen, veroorzaakt door valsche beschuldigingen, leugentaal en bedrog waarmede men ons zoekt geheel ten onder te brengen en alreeds met dat ongelukkig gevolg, dat wij den 16 deezer op UEd. order en van de kapt. Harlof onze woning op hoef 1 moesten verlaten en alzoo naar hoef 12 wierden verplaatst. De beschuldigingen als oorzaak van dit alles komt hier op neer:
Ten 1ste dat wij de lijnkoeken dewelke tot voeder voor de schapen waren aan de beesten gaven; dit was eene valsche aanklagte van den opperscheper; 't welk blijkt hij had gezegt dat het bakje waarin hij de koeken brak om ze aan de schapen te geven bij de andere boeren aan 9 koeken vol was en toen wij des 's morgens vertrokken sneed hij er 7 koeken en in het bijzijn van de wijkmeester De Lange welke betuigen moest dat er nog wel 3 a 4 koeken in konden aleer het vol was. Derhalven een leugen van de scheper daar er zoo als blijkt wel 10 a 12 koeken in konden, en uit het verschil van de koeken welke toen aanwezig waren bleek het getal echt te zijn van het geene wij hadden ontvangen.
2de Dat wij de garven rogge aan de beesten gaven. Dit is insgelijks onwaarheid. 't Is waar toen wij den 12 en 13 deezer eene rogge bult in huis haalden, welke garven van de wagen naar omhoog moesten gestoken worden viel er nu en dan van het losse 't welke er zich telkens bij bevind een weinegje tusschen beiden naar beneden. Wij klagden hier wel over aan de heere opzienders alhier maar kregen telkens ten antwoord wij moesten ons meer stil houden en nergens van spreeken. Het gebeurde eens dat er vreemde voerlui bij ons waren: Deze gaf hij van de schoone rogge voor hunne paarden 't welk door ons is gezien en hem voor gehouden waarop hij des anderen daags met een papiertje met rogge na de Hr. J. Bosscha ging zeggende zulks voor de beesten te hebben weggehaald en dat wij ze dus klaare rogge voerden. Dit wierd gretig voor waarheid aangenomen voor dit alles wierd hij wel betaald want als een ander 10 stuiver des daags ontving dan gaf men hem 15 stuiver.
Uit dit alles kan UE dus zien, hoe men met ons heeft gehandelt en ten onder heeft gebragd en wat men met ons in den zin heeft om ons te verlagen zal de tijd leren maar vrezen er echter voor.
Onder schrijver deezes, wierden wij weederom gedagvaard om opnieuw voor den raad te verschijnen. Nu moet UEd vooraf weten dat wij benevens alle andere boeren bij ons 's weekelijks roggenbrood ontvangen van de bakker woondend op de Hulst en daar onze zoon op Zondag den 12 deezer met paard en wagen naar die streken ging om er een kalf van daan te haalen, en dus toevallig bij de bakker kwam. deze verzogt hem om eenige brooden mede te nemen en dit niet durvende zei de bakker dat hij het op zich nam en haalde hem er dus toe over en dewijl de bakker door het slechte weder in 14 dagen geen brood had gebragt nam hij toen rijkelijk brood mede, zoodat hij nog 18 brooden overhield naar dat wij en de andere boeren er naar verkiezing hadden van ontvangen. Nu verzogt ons de bakker vriendelijk om de goedheid te hebben om die brooden voor eerst voor hem op te bergen tot hij gelegentheid om ze te verkopen. Dit verzoek wierd door ons toegestaan en wij plaatsten de brooden in onze voorwoning op de eene van onze groote houden borden en toen wij des morgens verhuisden was de wijkmeester Van Blanken in onze woning en de brooden wierden in zijn bijzijn van de plank afgehaald en op de wagen geleid om naar onze nieuwe woning te vervoeren. Gelijk gezegd is in den raad verschijnende wierden er verscheidene vragen door den Hr. Harlof over dat brood gedaan en gezegd dat wij dezelve brooden hadden schuil gehouden en waarop wij andwoorden dat het brood alle dagen voor elk en een ieder die in de keuken kwam zigtbaar lagen en dat de Hr. Van Blanken zulks des morgens wel moest opgemerkt hebben dewijl hij in de keuken was toen het brood wierden afgegeven. Dit wierd door de heer Blanken miskent dat hij zulks niet had gezien ofschoon wij alleen met 4 werklieden ten allen tijde met eede kunnen bevestigen dat de heer Van Blanke zulks wel degelijk heeft gezien en dus het brood niet hadden schuil gehouden. Nu wierd het gezegde van Van Blanke voor waarheid aangeno­men en des anderen ochtends wierd het brood op order van de heer Harlof uit onze woning gehaald en prijs geklaard ten blijke dat men kwade vermoe­dens hadde als of wij de bakker voor de brooden rogge in plaats hadden gegeven.
Ons hart Mijn Heer spreekt ons vrij en bezitten in alles een zuiver geweten dat de bakker noot rogge van ons heeft ontvangen maar hem het brood telkens met contante gelden hebben betaald, de bakker heeft naar de vrede regter te Ommen geweest om hier over regt te verlangen en wil ten allen tijde met eede bevestigen dat het brood hem in eigendom toebehoord.
Wij verzoeken UEd. vriendelijk om naar een en ander te onderzoeken ten einde wij regt mogen erlangen.

Teekenen met alle eerbied en hoogagting
Mijn Heer
Uw onderd: Dien: en Dienaresse

J. Westerveld en
Vrouwtje Krol

Ommerschans den 20 febr. 1825

Bijgevoegd brief van Harloff:

Ommerschans den 27 february 1825

Ter beantwoording UwelEdG. missive van gisteren .
De door den wijkmeester en veldwagter gegeven verklaring van Westerveld, ten oprigte van gevoederde rogge gerv, en roekeloos opvoeding van hooij, heb ik de eer UwelEdGestr. te doen toekomen; terwijl ik wat mijnen aanmerkingen betreft, zoo vrij ben UwelEdG. te berigten, dat geene de minste klagten ongegrond, ten Westerveld ooijt zijn ingebragt, dat de vouw met hare brutale uitspraak en dreigementen menigmalen den wijkmr. heeft verbluft en belet opsporingen te doen, welke altijd ten nadeele van Wester­veld moesten uitlopen; het kwam geheel niet in het idee van dat huisgezin, dat zij zich aan ondergeschiktheid moesten onderwerpen, en, zoo doende had nog de wijkmr. nog de ond. dir. veel vermogen om hem, tot eene behoorlijke order terug te brengen.
Dat het met dat brood niet was, zoo het wezen moest, blijkt daar uit, dat de Raad gehouden om Westerveld, eerst ten 10 uren des avonds was afgelopen, en nog dien eigen avond of nagt een van Westervelds familie naar den bakker van den Hulst was gegaan, om des morgens zijne opgegevene les bij mij optezeggen en daar door aan de zaak eene andere wending te geeven, hetgeen echter, daar de bakker reeds om 7 uuren des morgens bij mij was, te zeer in het oog liep. 72)


Ingekomen post invnr 72. Visser stuurt enkele stukken, waaronder de verantwoording voor november 1824.


Brief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armen­wezen:

Met terugzending van het bij UwHEdG. geëerde missive van den 2 febr. ll. N19, om mededeeling van konsideratiën, in onze handen gesteld rekwest van A.Fr. Carton te Rotterdam, ter bekoming van ontslag uit het bedelaars etablissement aan de Ommerschans voor deszelfs dochter Francina Carton, met het daartoe betrekkelijk rapport van de Heer Gouverneur van Zeeland; hebben wij de eer UwHEdG. te berigten, dat gem. koloniste zich sedert derzelver verblijf in de Ommerschans, van den 25 july 1823, stil heeft gedragen en ook genoegzaam vlijtig betoond, ofschoon door ligchaams zwakheid buiten staat belangrijke verdiensten te erlangen; wordende zij ook niet in het strafboek aangetekend gevonden: alle redenen welke ons met de Heer Gouv. van Zeeland doen advyseren tot het toestaan van het onderhavi­ge verzoek.
Om echter, ingevolge het verlangen van het bestuur van Rotterdam, vermeld in het rapport des meergem. Gouvs., bij het werkelijk ontslag van Fr. Carton, dezelve te doen aanzeggen dat, bij aldien zij andermaal tot de bedelarij kwam te vervallen, zij op nieuw naar de kolonie, zonder hoop op terugkeering, zal worden opgezonden; hierin zouden wij zwarigheid vinden, vermits wij vermeenen, dat diergelijke te kennen geving niet zoude kunnen worden nagekomen of gehandhaaft, en dezelve dus ongepast zoude zijn. 356


Uit een brief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armen­wezen:

Ons, op UwHEdG. daarbij gedaan verzoek, nader geinformeerd hebbende naar de persoon van Hendrika de Jong, koloniste in het bedelaars-etablisse­ment, en derzelver gedrag; zoo hebben wij de eer UwHEdG. als een vervolg op onze missive van den 2 febr. ll. N907, ten aanzien van die koloniste te melden, dat dezelve zich sedert haar verblijf aldaar, van 7 april 1824 af, ijverig, stil en zindelijk heeft gedragen, en alzoo ook niet in het strafboek aangetekend wordt gevonden.
Zij is werkelijke de moeder van de beide kinderen Petronella Johanna en Johanna Jacoba Kroes, welke den 7 oct. ll. uit het etabl. zijn ontslagen en van dien tijd af bij partikulieren dienstbaar zijn in den omstreek van de Ommerschans; als komende zij van tijd tot tijd hare moeder bezoeken.
Daar Hendrika de Jong nogtans geen vol jaar in het etablissement geweest is, zoo vermeenden wij als noch dat haar goed gedrag wel termen op levert om haar in de eerst volgende jaarlijksche voordragt tot ontslag te doen begrijpen, maar niet om aan haar verlangen tot dadelijke in vrijheidstel­ling, het geen met de bepalingen der kontrakten niet zoude stroken, te voldoen. 356


Brief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armen­wezen:

Wij hebben op den 20 dec. ll. de eer gehad wel te ontvangen UwHEdG. missive van den 15 dier maand N35; ons daarbij om berigt, konsideratie en advys inzendende de hierbij teruggaande missive van den Heer Gouv. van Overijssel van den 3 der gem. maand en een kopie-brief van den Heer Burgemeester van Steenwijk dd. 1 te voren.
Het inwinnen van de noodige informatiën met betrekking de bij die stukken werkelijk bedoelde personen, heeft ditmaal meerdere tijd dan gewoonlijk vereischt, en alzoo veroorzaakt dat de beantwoording daarvan tot hiertoe heeft moeten worden verschoven.
De in den brief van den Heer Burgemeester van Steenwijk bedoelde personen zijn niet Cornelia en Geesien Nijenhuis, maar Krisje Langenberg en Geesien Nieuwenhuis: immers de missive door dien Burgem. in do. 22 mei 1824 aan den Direkteur der koloniën geschreven betrof de gen. Krisje Langenberg; terwijl ons Geesien Nieuwenhuis de tweede bedoelde is geble­ken te zijn.
Krisje Langenberg is de dochter van een gewone kolonist van dien naam, welke op haar verzoek en met toestemming harer ouders na een tweejarig verblijf in de kol. reeds in 1822 uit dezelve ontslagen is, om in de gewone maatsch. in haar onderhoud zelve te voorzien; alstoen is zij te Steenwijk gaan dienen bij zekeren K.R. de Vries bij wien zij in january 1824 het bedoelde kind buiten huwelijk zoude verwekt hebben, het welk daarom ten huize van dien persoon zou zijn gebragt, terwijl de moeder in eenig ander huis moet zijn bevallen.
Geesien Nieuwenhuis, de tweede bedoelde persoon, is insgelijks na een tweejarig verblijf in de kol., op haar verlangen en de goedkeuring van hare ouder, welke mede gewone kolonisten zijn, op den 30 sept. 1823 ontslagen, zonder dat het der koloniale Direktie bekend was, waarheen zij zich ging begeven.
Beide personen zijn derhalve reeds sedert eenen geruimen tijd buiten alle koloniale betrekkingen, en kunnen derhalve naar ons inzien niet anders beschouwd worden, als alle andere personen uit publieke gestichten van liefdadigheid in de gewone maatsch. wedergekeerd; welke uit de kolonien ontslagene jongelieden zich niet steeds in de naburige gemeenten der kolonien maar uit den aard der zaak, veel eer begeven naar de onderschei­dene plaatsen, van waar zij zijn overgekomen, alwaar zij meer beken zijnde, veelligt gemakkelijker in den dienstbaren staat, als anderzins, een eigen bestaan kunnen vinden, het geen ons door de ondervinding bovendien genoeg­zaam gebleken is.
Het ten laste komen der Steenwijker diakonie van het vermelde aldaar geboren kind, is dus in zekere zin toevallig, en kan niet beschouwd worden als een gevolg van het ontslaan van jonge lieden in de nabij gelege­ne koloniën, alzoo diergelijke omstandigheden even zeer in andere gemeen­ten zouden kunnen plaats hebben.
Waarom het stedelijk bestuur van Steenwijk in het enkele bedoelde voorval van het kind van Krisje Langenberg, het welk voorzeker het eerste zal zijn sedert de stichting der koloniën, grond meent te vinden tot de vrees voor meer soortgelijke bezwaren, betuigen wij niet te kunnen begrijpen. Ofschoon wij de beide gewezene kolonisten en in het bijzonder hare te Steenwijk geborene kinderen, als geheel geene betrekking op de kolonien meer hebbende beschouwen; en ofschoon ons onbevoegd rekenende, omtrent het onderhoud van het kind van Krisje Langenberg, in eenig advys te treden; vermeenen wij, na onze bovenverm. konsideratien, ons gevoelen UwHEdG. niet te mogen achterhouden, dat namelijk de stedelijke regering geen reden heeft om zich over het opgegeven bezwaar te beklagen, veel minder om voor meerdere soortgelijke gevallen voor het toekomende te vreezen. 356



Donderdag 3 maart 1825


Ingekomen post invnr 72. De commissaris-generaal van Oorlog ziet af van het plaatsen van oud-militairen in de kolonie.



Vrijdag 4 maart 1825


Ingekomen post invnr 72. Brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

De Gouverneur en Burgemeester hebben mij door omwegen, het­geen mij zeer duidelijk voorkomt, laten vragen, hoedanig dat het katholieke onderwijs in de kolonie was; en het zou mij niet verwonde­ren, dat hierop eene meer legale vrage volgde.
Ik heb begrepen dat ik als ondeelig lid geen vrijheid had om 1o ten zij gevolgmagtigd hier op officieel te antwoorden en mij ver­genoegd hun te verwijzen naar de Star No. 8 van ll. jaar kolonie be­rigten. 2o Dat ik ofschoon lid der Kommissie een gek figuur zou maken met te moeten zeggen. Ik krijge nimmer berigten, ofschoon lid van de kolonie, en moet mij vergenoegen uit het geen elk en ieder in de Star leest.
Dit heeft mij bewogen om UEd. minzaam te verzoeken mij in staat te willen stellen om een meer voldoend antwoord te kun­nen geven, en wel met omme­gaande post.
De Heer Mendes lid der overstrooming kommissie, vondt het oogen­blik gunstig voor de Maatschappij, doch wilde uit een beginsel dat de Heeren wel begrij­pen zullen marchandeeren, dat is te zeggen in de vergadering voor­dragen om de ongelukkigen naar Veenhuizen te zenden, en wanneer zij het daar niet naar hun zin had­den, vrijheid geven om binnen 14 dagen te rug te keeren.
De Engelsche post bragt mij het berigt van het meer liberaal engel­sche handel systema. Men heeft de men uitgaande hooge regten werkelijk vermindert, ook eene reden voor de aanmerkelijke rijzing der koloniaal waren. Fran­sche wijnen van L1 op L?, ijver van L7 op L1 enz. 72)


Ingekomen post invnr 72. Brief van B&W Den Haag aan de Permanente Commissie:

Ter beantwoording van UEd. mis­sive van den 16 july ll. N297 heb­ben wij de er UEd. de navolgende, onlangs bij ons ingekomene infor­matien omtrent P.J. Armand me­detedeelen.
Hij heeft eene goede op­voeding genooten in zijne jeugd geregeld onderwijs ontvangen, en onderscheidene talen aangeleerd; te Amsterdam op een koopmans kantoor geplaatst zijnde, is hij van hetzelve wegens los gedrag en misbruik van sterken drank tot twee reizen weggezonden; in dienst getreden zijnde heeft hij zich aan desertie schuldig ge­maakt; naderhand heeft hij bij de Fransche armee gestaan; heeft alverder op een oorlogschip eene kruistogt op de Middelandsche Zee gedaan; en is toen weder op een koop­manskantoor te Amster­dam gekomen; doch wegens in­conduite weggezonden zijnde, is hij eindelijk alhier bedelende ge­vonden en naar de Ommerschans verzonden.
Misschien zoude hij zich onder een naauwkeurig opzicht geplaatst, en met eenig emplooy in eene uwer kolonien begunstigd, waartoe hij wat de bekwaamheid betreft zeer geschikt is, tot de goede principes, die hij in zijne jeugd ontvangen heeft, terugkee­ren en dan zoude dit tot zijne ver­betering kunnen strekken; en in dit geval mogen wij wel lijden, dat hij als bedelaar uit de Ommerschans ontslagen wordt; waartoe hij zich onlangs aan ons bij rekwest ver­voegd heeft. 72)


Besluit van de permanente commissie, houdende de benoeming tot onder-direkteur over den fabriekmatigen arbeid in het 1e Etabl. te Veenhuizen, van de persoon van Ten Broeke van den 4 Maart 1825, http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Besluiten/1825_03_04TenBroekeVH1.html



Zaterdag 5 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

De missive der Permanente Kommissie dd. 22 febr. jl. N1013 met de twee daarbij gevoegde staten; kopielijk den Heer Harloff tot informatie en executie medegedeeld hebbende, maakt ZEd. de aanmerking dat op de eene dier staten, niet alle bij particulier kontrakt, in de Ommerschans gevestigde bedelaars worden gevonden, en wel bepaaldelijk die van Delft, wier namen op nevensgaand staatje voorkomen; daar ik ook in het denkbeeld verkeer dat deeze bij partikulier kontrakt overgenomen zijn, en dus van de kontrôle der bedelaars van het Gouvernement behoren te worden gerooijeerd en gebragt op de lijst der bedelaars op partikulier kontrakt gevestigt; neem ik de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken mij daaromtrent nader te informeren, en indien ons gevoelen gegrond is op tegeven welke numm. dezen behoren te worden gegeven, kunnende dit gevoegelijk zijn N36 en vervolgens.

- over de prijs van bedorven erwten. transcriptie

- over de kinderen Alles. transcriptie

Certificaat der tegenwoordige lengte van Johannes Homberg kol. N3, zijnde een diergelijk stuk van den persoon van Cornelis Blom N649 in de Ommer­schans, nog niet bij mij ingekomen, hoewel volgens schrijven van den Heer Harloff dd. 3 dezer deze persoon reeds den 27 februarij jl. te Ommen gemeten is

Bijgevoegd is een staat van 8 bedelaars uit Delft, die allen op 8 september 1822 zijn aangekomen en een nota van bijbels, boeken etc. door Van Wolda in ontvangst genomen:

100 bijbels met psalmen
6 schoolboekjes van vaderlandsche deugden
6 levenschetsen van vaderlandsche mannen & vrouwen
6 schoolgezangen van de Maatschappij, 1e stuk
6 voorbeelden van deugdzame bedrijven
6 zedekunde in voorbeelden en verhalen
6 volksliedjes
6 Eelhart of de menschenvriend
6 een 's Christen's reize naar de eeuwigheid
6 de Heer Roze en zijne vrienden, gesprekken enz.
6 korte uittreksels uit merkwaardige land en zeereizen
6 handboek voor of gids des gedrag's voor jonge lieden
6 zamenspraken over het onweder
6 Wilhelmina, handboek voor het vrouwelijk geslacht
6 kort begrip der bijbelsche geschiedenis
6 verhandeling over de vriendschap met God
74 traktaten No 68
74 idem No 69
74 idem No 70 72)



Maandag 7 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Stuk over de mishandeling van arbeiderskolonist Meindert Vos door schippersknechten van de Lemmerse beurtschipper. transcriptie


Voorts heb ik de eer in voldoening aan de missive der Perm. Kom­missie dd. 3 dezer N1052 te berigten dat, ten gevolge eene in der tijd bij mij ontvangene brief van den 2e luit. Marcus te Nieuwpoort, aangaande de door ZEdGest. aan den zaalopziener Kramer voorgeschoten penningen, ik dien geemployeerde den 12e der vorige maand heb geschreeven; uit het ongeda­teerde antwoord gisteren ontvangen en hier bij gevoegd, blijkt dat de zaalop­ziener dien luit. Marcus nu heeft geantwoord, en de nodige papieren tot het ontvangen van zijn pensioen en dus voldoening van het verschuldige heeft overgezonden.

Bijgevoegd de brief van Kraemer:

UWelEdele Gest. missive dato 12te februarij heb ik wel ontvangen, waardoor ik mi aangespoord gevoelende om het door mij verschuldigde aan den WelEdelGest. Heer Marcus, 2te leutenant menagie meester te Nieuwpoort te voldoen. Zoo heb ik de eer UWelEdelGest. daaromtrent te berigten, dat ik mijne acte de vita met behulp van het bewijs van kennisgeving van pensioen heb verkregen, en onmiddellijk naar den Heer Marcus, 2te leutenant menagie meester versonden, waardoor ik hoop aan UWelEdelGest. intentie en mijne verplichting te hebben voldoen. 72)



Dinsdag 8 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Om antwoord op UWED missive van den 26 february 1825 No. 1027, verzoek ik UWED den daarbij vermelden colonist Rhode te begrijpen in derzelver eerlang te doene voordragt tot het verleenen van ontslag eeniger der in de Ommerschans opgenomene personen.



Woensdag 9 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van kolonist Koeleman in Den Haag aan de Permanente Commissie. .transcriptie:



Donderdag 10 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ik haast mij de Permanente Kommissie te doen toekomen, het bij hare missive van den 19e feb. jl. N1008 onder anderen gevraagde certificaat van lengte van den kolonist Cornelis Blom, aan de Ommerschans.

Geen certificaat gevonden.



Vrijdag 11 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van Durée uit Tholen aan W.A. Ockerse:

De verplaatsing der weeskinderen van hier naar de kolonien der Maatschap­pij van Weldadigheid, in den jare 1823, met zoo veele onaangename omstan­digheden gepaard geweest zijnde; kan het de achtbare regering en regenten van den weeshuizen dezer stad, niet dan aangenaam zijn, steeds de beste berichten te mogen ontvangen.
Het onaangename verpreide zich ver, misschien wel vergroot en bezwarender; het zoude derhalven de achtbare regering dezer stad ook welgevallig zijn, dat den goeden uitslag dier operatie verder mogt worden gehoord dan binnen derzelver wallen, waartoe het tijdschrift de Star zulk eene goede gelegenheid aanbied; aangenaam zoude het dan het bestuur zijn, wanneer in het eerst uitkomend nommer konde worden geplaatst, de nevens­gaande brief van N. Hofman aan zijnen voormalen baas en vrouw - bij afschrift - de brief van J. Hoffman - in originali - de brief van L. Boergonje en Fr. M. Foster - in originali.
Welligt zoude de plaatsing van dezelve ook kunnen medewerken om regenten of bestuurders van armen inrigtingen in ons vaderland, welke als nog vooringenomen zijn tegen het koloniseren hunner geadministreerden, van gedachten te doen veranderen.

Bijgevoegd:

Op de omslag: Weledele Heer den Heer F. du Ree aan de Botermarkt te Tholen

Frederiksoord, den 1 january 1825

WelEdele Heeren!

Daar wij wederom door Gods goedheid eene nieuwen tijdkring beleve mogen zoo achten wij ons verpligt UWelEdel met den aanvang van hetzelve geluk te wenschen. Veel geluk en zegen WelEdel worde u in dit nieuwjaar geschon­ken van hem die geve alles goed is. Hij schenkt UWelEdele eene volmaakte gezondheid en tevens eenen gezegenden ouderdom. Dank zij UWelEdele Heeren voor de beschikking van ons lot in de kolonie van weldadigheid daar wij alleen veel goeds genieten en niets te wenschen hebbe. Wij wenschen dat de goede God UWelEdele Heeren zal verwaardige met het zalige voor­regt in daad belooning te ontvangen voor de weldaden op aarde aan ons gedaan. Dit is de wensch van ons hart hoopende dat de Schepper dezelve zal vergelden. Wij blijven met achting

UWelEd. Onderdanige Dienaressen

Louwerina Borgoenje
Frederika Margrieta Voster

Aan de Weledele Heeren Wagtho Duvee

Verder bijgevoegd: N2

Wateren den 12 december 1824

Zeer Geachte Heer!

Met een gevoel van dankbaarheid vinden wij ons ten hoogsten verpligt, om UEd onzen verschuldig eerbiet te betoonen(.) de vurigste dankbaarheid doorstraalt onze harte, om dat wij vernemen dat UEd niet op houdt van ons weltedoen, wij habben gaarne aan UEd verzoek voldaan met het brieven schrijven; de tijd en gelegenheid heeft het ons niet togelaten, maar nu wij de gelegenheid hebben, zullen wij zoo vrij wezen, en schrijven elk op zijn beurt, voor de oudste tot de jongste toe eengen letteren, op dat UEd dan zien kan, of wij ook vordering en in het leeven en in het betrachten voor onze pligt maken. Tot dus verre zijn wij, God zij dank, alle gezond geweest, bealve F. de Kort, heeft eenige tijd ziek geweest, maar is nu weder gezond ersteld. Het is mogelijk bekend, dat wij met ons in het Instuut van opvoeding zijn ver­plaast. Hier hebben wij het zeer goed. Wij krijgen goed eten en drinken, en hebben goede kleederen, bijzonder des zondags, dan hebben wij een lakens pak. Wij zullen opgeleid worden tot dezen opzieners en wijkmeesters, en als wij dan verder goed op passen, komen wij nog hooger. Daags werken wij alle op het land, en avons en 's morgens krijgen wij onderwijs, dat zeer goed is. In het voorjaar krijgt ieder een tuinje grond tot een tuinje, daar wij in pooten en planten kunnen wat wij willen, en dan krijgen wij ieder een paar appel­boomen, en de vruten, die wij daar uit trekken voor voor de zelven. Wat zijn wij blijde, dat wij UEd. zin gedaan hebben, en wij naar de koloni gegaan; anders hadden wij dit geluk niet gehad. Geen een van ons spijt het meer dat wij uit Tholen zijn gegaan. Maar wij hebben ons geluk niet God, die alles bestuurt, aan UEd te danken, en wij danken UEd alle hartelijk. Mij broeder verzoekt vriendelijk of UEd den brief, dien hij onlans in UEd brief gedaan heeft, bezorgt heeft. Ik verzoek UEd zeer vriendelijk of mij mijn doozeegel over wil stuuren. Hiervoor niet twijffelende, noem ik mij

UEd gehoorzamen dankbaare

Johannis Hofman

Bijgeschreven: kopie. Geadresseerd aan den Heer F. Durée te Middelburg

Op dezelfde brief bijgeschreven: N3 (afschrift)

Wateren den  october 1824

Zeer geächte Baas en Vrouw!

Om UEd: eens tijding te laten weten hoe het met mijn broeder en mij gaat, daar ik eerst geene gelegenheid heb gehad, maar nu ik de gelegenheid gekregen heb, zoo neem ik ootmoedig de vrijheid UL eens van mijnen toestand mede te deelen. Wij zijn uit de kolonie Frederiks Oord vertrokken en wij zijn opgenomen als kwekelingen in het instituut van opvoeding te Wate­ren. Daar worden wij opgeleid tot de landbouw en verders als geëmploijeer­den, zoo als wijkmeesters of onderdirecteurs om goed en nuttige menschen in de Maatschappij te worden. Zoo heeft het de Wijze en Almachtige Godt bestuurd dat wij tot zulk een geluk gekomen zijn.
Ik hoop van UL ook eens tijding te ontvangen hoe te UL gaat of GijL: nog dezelfde zijt als toen ik bij UL was, ik wenschte wel UL eens tezien, maar dat kan nu niet het geen mij spijt; laat het mijn waarde vrienden uwe kinderen van mij hooren.
Verders weet ik voor eerst niet meer te schrijven als dat wij het zeer goed hebben. Doet de groetenis aan alle bekenden. Ik blijf U waarde vriend

Nicolaas Hofman

(ingesloten geweest in N2)

11 maart 1825, PC aan directeur, autorisatie tot het doen vertrekken der 10 bedelaarskolonisten, reeds vóór den winter ontslagen, verzoek om opgave of de nu voorgedragene werkelijk verlangen ontslagen te worden, en om van dat verlangen voortaan in de paspoorten melding te maken, (...) dat de kinderen van Alles naar Veenhuizen kunnen verplaatst worden (brievenboek UIT invnr 926)



Zaterdag 12 maart 1825


Ingekomen post invnr 72. Brief van directeur Visser over Veenhuizen.transcriptie


Ingekomen post invnr 72. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

De jongeling Jan de Hedder in het 1e etablissement te Veenhuizen en loteling van deezen jaren, genegen zijnde zijn lotingsnummer tegen een ander van en inwoner uit de gemeente Norch te verwisselen, onder voorwaarde van dadelijk ƒ50- en later ƒ100- te ontvangen; neem ik de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken mij wel te willen informeeren, of zulks door ons kan worden toegestaan, en zoo ja, of hij dan als ontslagen moet worden be­schouwd, of wel dat bij in onze contrôle, als tot het etablissement behorende blijft, en dus bij voorkomend verlof weder als kolonist kan worden aangeno­men.

12 maart 1825, PC aan bestuurderen bedelaars gesticht te Hoorn, berigt dat de geannonceerde transporten bedelaars van 17 & 24 aanstaande zullen worden aangenomen, en dat tegelijkertijd de 10 invalide bedelaars zullen worden afgeleverd (brievenboek UIT invnr 926)


Zondag 13 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Visser vraagt ƒ7000,- voor komende uitgaven.


Maandag 14 maart 1825

Brief PC aan administrateur, houdende konsideratien omtrent het verzoek van de bedelaars-koloniste Maria van Waasbergen om ontslag met hare 4 kinderen, invnr 356. Niet getranscribeerd, niet in kolfile.

Brief PC aan administrateur, houdende deklinatoir advys op het verzoek om ontslag uit de Ommerschans van J.M.Roos en hare 2 kinderen, invnr 356. Niet getranscribeerd, niet in kolfile, FOTO in map Post.


Dinsdag 15 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de subcommissie Leiden, gedateerd 15 maart 1825, aan de Permanente Commissie met voordrachten voor arbeidersgezinnen. transcriptie:verhaal


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de kapitein-commandant van het korps mariniers aan de Permanente Commissie:

Terwijl opzichtelijk het bij opgemelde UWelEdGestrenge missive aan mij voorgedragene, of ik zoude wenschen de ongebruikte plaatsingen van huisgezinnen, uit de kontributie van het Korps Mariniers, steeds disponibel worde gehouden om bij voorkomende gelegenheid daarvan gebruik te maken voor huisgezinnen van bejaarde zeelieden; ik de eer heb UWelEdG. te informeeren, dat aangezien er op dit ogenblik bij mijn onderhebbend korps geen zoodanig geval bestaat en onzeker of zal komen te bestaan waardoor in het vervolg met goed gevolg gebruik zoude kunnen worden gemaakt van het ten dezen door UWEdG. vriendelijk gedaan aanbod, de beschikking over de zodanige plaatsingen door mij, aan de Permanente Commissie geheel wordt overgelaten, terwijl het mij daarentegen hoogst aangenaam zoude zijn gebruik te mogen kunnen maken van het ten slotte Uwer WEGestr. welge­melde missive vriendelijk aangebodene om een of andere Onderofficier of geschikt gewezen militair met eenig emploi in de kolonien der Maatschappij begunstigt te zien, in welk geval ik tot dat einde de eer heb aan UWEdGestr. voortedragen, den ongelukkig bij mijn onderhebbend korps zich bevindende sergeant majoor Machielsen denwelke gerustelijk aan de Permanente Kommissie als een zeer ordentlijk sujet kan aanbeveelen, schrijvende een zeer goede hand, en bezit tot de militaire administratie bijzonder veel ge­schikt­heid.
Dit gunst bewijs Mijne Heeren houde ik mij overtuigd, da niet alleen het grootste gevoel van erkentelijkheid, bij het gantsche korps waarover ik eer heb het bevel te voeren, te wege zoude brengen, maar ook bijzonder tot eene vernieuwde aanmoediging zoude strekken, tot het meer en meer bijdragen tot instandhouding en den bloei, eener voor het welzijn onder natuurgenoten zoo heilzame strekking, waarvan de inrigting der Maatschappij van Weldadigheid boven al, als het doel moge worden beschouwd. 72)


Ingekomen post invnr 72. Brief van Sepp aan W.A. Ockerse, invnr 72

Eerst een stuk over de mishandeling van arbeiderskolonist Meindert Vos door schippersknechten.transcriptie:

Dan:
Ik heb vernomen dat er gisteren een getal van ruim veertig personen naar de Ommerschans is getransporteerd geworden, alles is buiten mij geschied, die te voren met de zaak geheel belast was. Wat dunkt u van dien zet? Men knikkert mij zoo stilletje uit, om mij voor de Maatschappij nutteloos te maken, het laatst medegedeelde stuk, heeft voorzeker daaraan veel toegebragt. Maar hoe dit zij, men zal bij mij de gloed nimmer uitblusschen, die voor de goede zaak in mijn binnenste ontstoken, altijd blaken zal, om te verlichten en te verwarmen waar het dienstig zijn kan en mij mogelijk is, tot heil der loffelijke Maatschappij en hare belangen.

P.S. Ik ben zeer gevoelig en dankbaar, voor de vereerende noot, onder mijn stuk bijgevoegt.



Woensdag 16 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Visser stuurt enkele stukken, waaronder Een staat der bedelaars van het gouvernement overgenomen, welke nummers boven de 1200 hadden, en nu andere nummers ontvangen hebben, overeenkomstig de missive der Permanente Kommissie van den 22 febr N1013.
En
Staat van bij partikuler kontrakt overgenomenen die nu de nrs van 1 tot 44 hebben bekomen.
En
Een rekening van geleverde steenen te Veenhuizen.
Eene nota van nog onbetaalde rekeningen van direct geleverde materialen te Veenhuizen. 72)


Donderdag 17 maart 1825

Uit de notulen van de permanente commissie, invnr 39
Artikel 29 Besloten op den brief van Hr Direkteurs van den 8 Oct N776 (inkomend N284), extract van het daarbij overgelegd rapport, omtrent de daarbij overgelegde nieuwe afrekening met den Heer von Hoff, wegens deszelfs voormalige administratie van Adjunkt-Direkteur en chef van de Ommerschans, benevens afschrift van die afrekening en bijlagen zelve optezenden aan den Heer von Hoff, in antwoord op ZE missive van den 31 July ll, en de daarbij gevoegde memorie van reklame, met uitnoodiging om de likwidatie dier afrekening als nu te willen bewerkstelligen.


Vrijdag 18 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Authoriseert de Commissie evengemeld, om dezelve Francina Carton onvoor­waardelijk te ontslaan. Afschrift dezes zal worden gezonden aan meergemel­de Commissie, ter fine van executie, en aan den Gouverneur van Zeeland, tot deszelfs narigt. 72)

In een andere brief autoriseert hij het ontslag van Virginie Spallaard, en in weer een andere brief wijst hij de verzoeken van H. Rasink en Hendrika de Jong af. 72)


Uitgaande post invnr 356. Uit een brief van de Permanente Commissie aan von Hoff

De Permanente Commissie neemt grotendeels de compromis-voorstellen van von Hoff over betreffende art. 1 t/m 10.

Ten aanzien van de zoo belang­rijke post van te veel ingekomen blikgeld boven het geen op de werkstaten is verantwoord, acht zij het onmogelijk iets in het voordeel van den Heer v. Hoff in uitgaaf toetestaan: het blikken geld werd aan den Adj. Direkteur even als kontant geld toevertrouwd; hij werd met de uitgifte en met het terugontvangen belast; hij was bovendien de geen, die zorgen moest dat zoo wel door hem als door anderen de voorschriften van het Regl. wierden nagekomen. Art. 6, 16 & 20 hadden daar toe eene bijzondere betrekking en daaruit volgde van zelve dat hij aan de in art. 6 bedoelde geëmployeerden niet meer blikjes moest uitgeven als noodig waren om te suppleren diegenen waarvan zij tot de betaling overeenkomstig de betaalstaten gebruik gemaakt hadden;

Dat ten aanzien van de magazijnen, ofschoon de Onder direkteur belast is met het houden van boek, de chef van het etablissement, aan wien alles wordt toegezonden, natuurlijk voor de regtige verantwoording van die maga­zijnen aansprakelijk is; dat hij als chef van het etabl. had moeten zorgen dat zijne onderhavingen den Onderdirekteur bij zijn vertrek het magazijn behoor­lijk overgaf, en hij dat magazijn toen had moeten opnemen, zonder dat er daartoe een besluit van de P.K. nodig was; dat even zoo het zijn belang was om te zorgen voor behoorlijke overgifte bij zijn vertrek, en hij door zijn vertrek, zonder de direktie af te wachten, oorzaak is van het niet der opne­ming. 356

18 maart 1825, brief aan Von hoff is reactie op missive van Von Hoff No 536 en van den Direkteur der kolonien No 776, behandeld in notulen 17 maart art 29 (brievenboek UIT invnr 926)



Ingekomen post invnr 72. Brief van de subcommissie Middelburg over naar Veenhuizen gezonden weeskinderen, met bijgevoegd een staat met namen en kledingstukken
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/WezenVH/1825_03_18KledingMiddelburg.html

.

Zaterdag 19 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van Sepp aan W.A. Ockerse over de mishandeling van arbeiderskolonist Meindert Vos door schippersknechten, invnr 72.transcriptie




Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts heb ik de eer de Permanente Kommissie te berigten dat in den nagt tusschen den 16 en 17 deezer bij de Ommerschans onder geleide van politie dienaren uit Amsterdam zijn aangekomen 40 bedelaars; de Heer Harloff weigerende dezelve in het gestigt op te neemen, gaf mij daar van dadelijk per expresse kennis met verzoek om hoedanig verder te moeten handelen, als zijnde van de aanstaande komst van bedelaars uit Amsterdam niet geinfor­meerd; bij mijne missive van den 17 dezer N109 gaf ik ZE in antwoord dat den bedelaars, als niet uit Hoorn maar Amsterdam komende, en wij derhalve de geannonceerde uit Hoorn nog moesten verwagten, niet konden nog mogten worden aangenomen: intusschen ging ik bij ZHEdGest. den Heer 2e Ads. van het verrigte kennis geeven en deszelfs opinie vragen; ZHEdGest. was van gevoelen dat, uit aanmerking van sommige omstandigheden, tot de overname van bedelaars betrekkelijk, men thans geen bedelaars uit Amster­dam, die reeds tot bij het etablissement waren getransporteerd behoorde aftewijzen, en verzogt mij daar de Heer Harloff ten spoedigsten dan van kennis te geeven, ten einde de terugrijs der bewuste bedelaars intijds te voorkomen; en tevens de Permanente Kommissie van een en ander te berigten; het eerste geschiedde bij den mijne van den 17 N110, terwijl ik de eer heb bij deeze aan het andere te voldoen.
Verder zendt hij diverse staten, waaronder Staat van geempl te Veenh: 72)


Nominative Staat der Hoevenaars bij het 1e Etablissement te Veenhuizen invnr 1370)

Nummer Hoeve, Namen
1. H. Gerrits met vrouw en 5 kinderen
2. J. Dirksen met vrouw en 3 kinderen
3. F. Broekhuizen met vrouw en 5 kinderen
4. J. de Vries met vrouw en 8 kinderen
5. K.P. Dijkstra met vrouw en 6 kinderen
6. H. Zevenberg met vrouw en 4 kinderen

Veenhuizen, 19 maart 1825




Zondag 20 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van kapitein-commandant Ziervogel van het korps mariniers aan de Permanente Commissie:

Dezen Onderofficier, welken om geene andere reden dan deszelfs bij opgemelde staat beschreven physiq gestel, tot den activen militairen dienst niet meer geschikt kan worden geoordeeld, en niet lange genoeg gediend hebbende, om eenige aanspraak te kunnen maken op eenig pensioen of gagement, door het bekomen van zijn ontslag uit den dienst buiten eenige middelen van bestaan gesteld zijnde, welligt tot den bedelstaf zoude kunnen geraken, neeme ik de vrijheid op nieuw aan UWEG. als een zeer ordentlijk persoon en van een goed moraal aan te beveelen.
Terwijl ter informatie van UWEG. de eer heb te doen dienden dat, wanneer door UWEG. zal mogen zijn verzekerd dat de voornoemde sergeant majoor Machielse met eene plaatsing te Frederiksoord, alwaar volgens het gevoelen van den chirurgijn majoor van dit korps, zijn verblijf, uit hoofde der luchtgesteldheid welligt een middel zoude kunnen zijn tot herstel van dezelfs rheumatischen pijnen, zal worden begunstigd, ik als dan aan denzelve het paspoort zal doen uitreiken en vervolgens de eer zal hebben hem ter disposi­tie van UWEG. te stellen.

Bijgevoegd is een door Machielse zelf geschreven staat van dienst:

De ondergetekende Johannes Machielse geboren te Vroonhove (bij Maas­tricht) den 25 september 1792 thans diendende bij het korps mariniers als sergeant majoor, verklarende ongehuwd en voor zijn indiensttreden zonder beroep te zijn,-

In fransche dienst
Dienst genomen bij het 2e regiment dragonders den 8 januarij    1810
Hij is op zijn zeventiende in dienst gegaan
geincorporeerd bij het 25 regiment van dat zelfde wapens 8 july    1810
bij de omwenteling als vreemdeling gepasporteerd in     1814
de veldtogten in Spanje bijgewoond in de jaren    1812 en 1813

In Nederlandsche dienst
Dienst genomen als soldaat bij het voormalige 16 bataillon
infanterie van Ligne den 16 april    1814
bevordert tot korporaal den 29 juny    1814
overgegaan bij het 35 bataillon infanterie nationale militie
behorende tot de 16 afdeeling infanterie 29 juny    1815
bevordert tot sergeant den 1 juny    1816
gepasporteerd den 31 maart    1819
dienst genomen als sergeant bij het korps mariniers den 21 mei    1819
bevordert tot sergeant-majoor den 25 october    1819

Physique gestel
Uit hoofde van rumatique pijnen in de beenen en voeten en hier door ontsta­ne optrekking der spiren in de armen niet in staat om groote fatigues te kunnen ondergaan, doch van verdere lichaams gesteldheid gezond en hier door in staat om administrative werkzaamheden waar te nemen

Rotterdam den 20 maart 1825
Machiels 72)


Ingekomen post invnr 72. Brief van de subcommissie Leiden gedateerd 20 maart 1825 aan de Permanente Commissie over nieuwe arbeidersgezinnen Garts en vd Berg.transcriptie


Bijgevoegd zijn de gezinsstaten.


Ingekomen post invnr 72. Brief van H. Strijman aan de Permanente Commissie:

In de needrigste termen, en met gepaste Hoog Agting, neemd de onderge­teekende, Hendrik Strijman, zig voor het tegenwoordige bevindende in de kolonie de Ommerschans; op het aller onderdanigst de vrijheid, omme ter kennisse van UWHoogEdelen te brengen dat hij zig met zijne huisvrouw en twee kinderen, nu alreeds ruim zes en twintig maanden hebbende bevonden in deese kolonie, zoo als naar beste weeten van de ondergeteekende, zoo wel van weegen hem zelve als zijne huisvrouw niets anders kan getuigd worden, dan dat zij zig altoos volijverig tot het vervullen van alle hunne verpligtingen hebben betoond, en zig onbesprooken hebben gedraagen, gebruikende hier bij wel expresselijk de vrijheid aan de serieuse overweeging van UWHoogEdelen te onderwerpen, dat hij nog zijn huisvrouw, bevorens hun verblijf in de Ommerschans, zig nimmer aan eenige de minste bedelarije of iets diergelijks hebben schuldig gemaakt, maar in teegendeel door een drom van omstandigheeden, vrijwillig - ten gevolge eener uitnoodiging door de regeering van Groningen te dier tijd gepubliceerd aan allen de zodanigen welke zig naar de kolonien wilden begeeven gedaan - naar hier hebben begeeven.
Dog, HoogEdelen Heeren, daar de ondergetekende tot uiterste leedweezen, zo wel van hem als zijne huisvrouw, dewelke zig in hoogswan­geren staat is bevindende, heeft moeten ondervinden, dat men hun benee­vens hunne kinderen, op den 18e januarij ll. op het onvoorziens met een klein aantal naar het gesticht voor bedelaars te Hoorn heeft afgezonden, dog wederom zijn geretourneerd, en als nu zederd dien tijd wederom alle kragten inspannende om eenmaal wat overwonnen hebbende, hun ontslag te erlan­gen, ten dien einde alreede wederom zeeven guldens en twee en zeeventig cents over verdiensten op hunne boekjes hebben te goed gemaakt.
En naar de ondergeteekende onwaard men alhier voornemens te zijn, hun wederom naar Hoorn van hier aftezenden en zij abuis op eenmaal, al hunne hoop wederom verdweenen en alle hunne pogingen den bodem zien ingeslaagen.
Zoo is het in vertrouwen op de edele vaderlijke goedheid en welwil­lendheid van UWHoogEdelens, dat hij ondergeteekende, zoo voor hem als zijne bedroefde huisvrouw en onnozele kinderen is smeekende, omme in de kolonie de Ommerschans te worden gelaten, en alzoo in staat te worden gesteld, als een ongelukkig gezin van gezamentlijk hun bestaan en onder­houd te moogen erlangen, daar in teegendeel andersints verdriet en hartzeer hun zal doen vergaan; te meer daar zij al hier hunne voeding en op den duur veel meer kunnen verdienen.
In den hoope aller onderdanigst dat deese vrijpostigheid door UW­HoogEdelen ten beste zal moogen geduid worden, zoo noeme zig allerned­rigst met de hoogste agting

HoogEdele Heeren
UWHoogEdelen onderdanigen en gehoorzamen dienaar

H. Strijman

P.S. Op het oogenblik wordende gewaar dat ik met mijn ongelukkige vrouw en kinderen momentelijk moeten vertrekken naar het gesticht van Hoorn; zoo gebruik nog met de grootste nedrigheid de vrijpostigheid UWHoogEdelen hier van te informeeren, met ootmoedig verzoek om nog naar hier te rug te moogen keeren. 72)

Veenhuizen/Ommerschans: Hendrik Strijman A 420, Anthony Strijman A 423


Ingekomen post invnr 72. Visser denkt de komende week ƒ11.500,- nodig te hebben, waaronder ƒ4000,- voor Windt.


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de subcommissie Leiden aan de Permanente Commissie:

Omtrent het huisgezin Bodrij zijn wij de consideratien der Perm. Komm. inwachtende. Intusschen zijn ons weder de volgende verzoeken van ontslag geworden, welke wij met hetzelfde doel als de vorige der Perm. Komm. mededeelen.
1o van Albertus van der Waag, Leijdenaar, ingedeelde jongen bij een Haagsch huisgezin, dat, volgens zeggen zijner familie, in den aanvang der volg. maand voor goed van Frederiksoord naar 'S Hage terugkeert. Men zegt dat hij hier zijne kost verdienen kan: wij intusschen zien dit ongaarne en stellen, tegen zijn verzoek om te retourneren, de vrage over of hij niet bij een ander huisgezin ingedeeld of wel onder de weezen te Veenhuizen kan geplaatst worden?
2o en 3o van Maarten Walle en Jakobus Stephanus, die eerste in 1821 bij kontrakt der Regenten van 't weeshuis alhier, en de tweede ter aanvulling van het huisgezin van Joh. van der Heiden reeds vroeger naar de kolonien vertrokken; beiden schijnen volgens nevensg. missiven, welke wij ter visie zenden, in staat te zijn, voor de toekomst zich zelve te kunnen verzor­gen.
Wij solliciteren UEd daarnaar onderzoek te willen doen, en zoo deze redenen gegrond zijn, dezelve personen te willen ontslaan, daar het juist de ongegrondheid en onzekerheid is voor het toekomstig onderhoud van no. 1, welke ons verzoek betreffende dien persoon anders wijzigt. 72)

Geen bijlage gevonden.



Maandag 21 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van de subcommissie Rotterdam aan de Permanente Commissie:

UEd. missives van 11 en 12 dezer No 1078 en 79 ontvangen hebbende, dien dat Johannes Homberg, blijkens het certificaat, de vereischte lengtemaat als nu heeft, en gevolgelijk zal worden gedesigneerd tot den dienst; ik verzoeke UEd. dus te vernemen, of gen. J. Homberg eenige redenen mogt hebben, die hem van den dienst zouden kunnen vrijstellen; zullende hij in contraire geval worden gedesigneerd. - Cornelis Blom nog beneden de maat zijnde, en in zijn laatste jaar van onderzoek, is finaal vrijgesteld. 72)


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer UWEd: hierbij te zenden eene missive van den Gouverneur van Noordholland ten geleide van eenen staat, vermeldende 41 bedelaars die het gemeente bestuur van Amsterdam in de Ommerschans verlangt opgenomen te zien, ter vervulling van vacatures, door ontslag en overlijden ontstaan. 72)

Geen bijlage gevonden.



Dinsdag 22 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van de subcommissie Amsterdam aan de Permanente Commissie over bedorven erwten. transcriptie





Woensdag 23 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van het bedelaarsgesticht Hoorn aan de Permanente Commissie:

In rescriptie op UWEgestr. missive de dato 22st dezer No 1104, hebben wij de eer te berigten; dat de door ons geadviseerde opzending van 40 mannen op den 17 dezer, eerst op den 19 heeft kunnen geschieden; dat op morgen wanneer daartoe geschikte gelegenheid is, de 22 vrouwen en de drie kinde­ren die daarbij behoren vertrekken; dat het door de stad Amsterdam opge­zonde­ne transport naar het etablissement de Ommerschans aan ons geheel vreemd is, en wij tot het zelve in geene de minste bekendschap staan. 72)



Donderdag 24 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Visser stuurt enkele stukken.



Vrijdag 25 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Der Permanente Kommissie heb ik de eer te berigten den goeden ontvangst hare missive van den 23 dezer N1106 met de daar in vermelde brieven, in antwoord op dezelve is dienende dat, naar ingekomen informatien van den Heer Harloff het op den 12 dezer geannonceerde transport van 40 mannen bedelaars uit Hoorn mede te Ommerschans is aangekomen, en dat er tien bewuste invalides met de geleiders van gen. transport zijn mede gegeven, waaronder zich dan ook zal bevinden de schrijvers des briefs waarvan ik afschrift heb ontvangen; immers als de onderteekening H. Strijman en de naam Hendrik Stegman in de opgave der Permanente Kommissie van den 12 dezer voorkomende dezelfde persoon aanduiden; wat nu aangaat het aangevoerde omtrent zijn vertrek en retour op den 18 jan. jl., hiertoe diene tot inligting het volgende, het was destijds dat ik de Direkt. te Ommerschans berigte dat de bedelaars door de zorg des Heeren Gouverneurs van Noord-Holland naar Hoorn zouden worden overgebragt, de Heer Harloff scheen mijnen brief niet begreepen of anders met geene genoegzame attentie gelezen te hebben, gaf die menschen van hun vertrek op morgen kennis en informeerde mij daarvan; mijnen brief waarbij ik ZEd. van deszelfs dwaling informeerde kwam nog tijdig genoeg aan om de reeds vertrokken bedelaars, op eenen klijnen afstand van de Ommerschans te agterhalen en dien eigen dag in het gestigt te rug te voeren; het welke zeker door die schrijver bedoel­de word. Omtrent den brief van Bodrie hoop ik de Permanente Kommissie bij eene volgende te informeren. De kolonist Joh. Homberg heeft geenen reclames tot vrijstelling van de Nat. Mil. en zal zijnen designatie afwagten, terwijl C. Blom van zijnen finale vrijstelling kennis zal worden gegeven.
Voorts heb ik de eer de Permanente Kommissie te informeren dat hier geene schoppe(?) dekens voorhanden zijn, terwijl het getal van die konden worden aangemaakt, niet beduidend is, in vergelijking van de behoef­te.
Al verder ontvangt de Permanente Kommissie hierbij de beantwoorde nota van gevraagde renseignementen, omtrent de geboorten act. van sommige bedelaars te Ommerschans.
Ten slotte heb ik de eer te berigten dat door ons provisioneel is aangenomen de persoon van (ruimte opengelaten) Bertrand, gepasporteerd opperwagter, om op het Algemeen Bureau proeven zijner bekwaamheid in het vak van administratie te geven, terwijl ik in geval hij aan de verwagting beantwoord de vrijheid zal nemen hem als geemploijeerde de Perm. Komm. voor te dragen. 72)

Geen bijlagen gevonden.


Ingekomen post invnr 72. Visser stuurt enkele administratieve stukken waaronder de veranderde verantwoordingen van juli, augustus en september 1824.


Ingekomen post invnr 72. Brief van J. Stockel, ingedeelde uit Koog aan de Zaan, aan Faber van Riemsdijk:transcriptie





Zaterdag 26 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

In antwoord op UWED missive van den 22 february 1825 N1014 heb ik de eer UWED te informeren, dat ik den Gouverneur der provincie Antwerpen verzocht heb de noodige maatregelen te nemen tot het doen overbrengen van Charlotte Colot, uit de gevangenis van St. Bernard, naar de Ommer­schans. 72)



Zondag 27 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Visser denkt de komende week ƒ7000,- nodig te hebben.



Dinsdag 29 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van Sepp aan de W.A. Ockerse, invnr 72:

Stuk over de mishandeling van arbeiderskolonist Meindert Vos door schippersknechten.transcriptie

Heden heb ik den Heer Direkteur der Policie te Leiden deszelfs aan mij geschreevene missive beantwoord, ten aanzien van het vervoeren van kinderen naar Veenhuizen, en ZijnWelEd. Gestr. daaromtrent de nodige inlichting gegeven, en mijne dienstofferte en verder teregtwijzing, waar mij zulks mogelijk zijn zou, in het belang der Maatschappij aangeboden. 72)


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de subcommissie Dokkum aan de Permanente Commissie:

De persoon van Doeke Schouman, aan ons, bij UWEder missive van den 18 september 1822 No 33/9 opgegeven zijnde, als in het geheim de colonien hebbende verlaten, en voor wien door ons in der tijd een ander persoon is opgezonden, had zich voor eenigen tijd weder in deze stad vertoond; dezelve is echter dadelijk, als zich niet voor de Nat: Mil: waarin hij dezen jare moeste deelen, alhier hebbende doen inschrijven, door de politie dezer stad gearres­teerd, naar de hoofdplaats der provincie opgezonden en door de bevoegde autoriteit voor 5 jaren in dienst gesteld. 73)



Donderdag 31 maart 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van B&W Rotterdam aan de Permanente Commissie:

Wij hebben de eer, UwelEd: kennis te geven, dat wij, op gisteren naar de colonie van Weldadigheid te Veenhuizen met twee schepen, onder behoorlijk geleide hebben opgezonden 43 kinderen, zoo van deze als van andere gemeenten. 73)


Ingekomen post invnr 72. Brief van de subcommissie Kampen aan de Permanente Commissie:

In veronderstelling dat UWE onze missive van den 23 febr. ll. met de daarbij­gaande stukken ontvangen hebben, hebben wij de eer UWE te berigten, dat wij vergeefs alle moeite aangewend hebben, om een geschikt huisgezin te vinden, welk wij UWE ter plaatsing in de kolonie Veenhuyzen zouden kunnen voordragen, waarom wij ons verpligt vinden voor dit maal UWE van het gunstige aanbod in dezen te moeten bedanken. 73)

De Permanente Commissie had de subcommissie aangeboden een gratis gezin te plaatsen.

PC zendt de voordragt tot ontslag (100 personen met 17 vrouwen en kinderen) aan de administrateur, foto van begeleidende brief uit invnr 356 in map Post, foto van voordracht zelf in map Ontslagvoordrachten bedelaars.

Lijst van tot ultimo december 1824 opgenomen arbeidershuisgezinnen, invnr 356,