Naar het overzicht
van de POST







De POST van JANUARI 1825

uitgaande post invnr 356. Staat der kolonien der MvW op 1 januari 1825. Met ook 'voorbereidende werkzaamheden tot het nieuwe etablissement voor bedelaars te Diever'


- januari 1825 Besluit van de Permanente Kommissie van Weldadigheid, houdende uitnoodiging van de Honoraire en Korresponderende Leden, tot het aanwinnen van nieuwe leden, van .... (niet ingevuld, alleen met potlood de datum erbijgeschreven) invnr 988)


Zondag 2 januari 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van de subcommissie Amsterdam aan de Permanente Commissie over bedorven erwten. transcriptie:


Ingekomen post invnr 72. Visser denkt de komende tijd ƒ5500,- nodig te hebben.


Maandag 3 januari 1825

Conceptbrief van de Permanente Commissie aan directeur Visser over bedorven erwten. transcriptie:

(abusievelijk in uitgaande post 1824, invnr 355)


Woensdag 5 januari 1825

Uitgaande post invnr 356. Uit een brief van de Permanente Commissie aan Prins Frederik (met een stukje persoonlijk door Johannes van den Bosch). transcriptie


Uitgaande post invnr 356. Brief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armen­wezen: over de bedelares Mietje Mozes. transcriptie


Uitgaande post invnr 356. Brief PC aan administrateur, over het vervroegen der jaarlijksche voordragt tot ontslag van bedelaars.


Ingekomen post invnr 72. Brief administrateur met verlof om bedelaresse Carolina Ponlot te onslaan. vermelding


Donderdag 6 januari 1825

Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Verder geeft de Heer adjunkt Harloff mij kennis, dat hij van den officier komandeerdende het detachement militairen te Ommerschans heeft ontvan­gen, eene somme van ƒ52,32½ voor kaserneerings gelden voor het 4o kwartaal A.P. en zulks gereekend voor 2392 dagen, voor ond. officieren en soldaten ad. ƒ"2-13 1/5 per hoofd, per dag; welke gelden door mij zullen worden in ontvangst genomen; ik neem de vrijheid aan de attentie der Permanente Kommissie te adresseren dat dit zoo ver ons bekend, de eerste maal is dat die gelden voor de Maatsch. zijn ontvangen, en daarom van vroegere tijden welligt nog aan haar verschuldigt.

- over zijn bezoek aan Veenhuizen. transcriptie

Ten slotte vind ik mij verpligt de Permanente Kommissie te berigten dat op den 4 dezer des morgens bij 10 uren, brand ontstond in het huis N87 kol. N3, bewoond door den huisverzorger C. Smit, welke brand in haast zodanig toenam, dat het huis in korte tijd geheel is asch lag; hoe het aange­komen is, heeft men tot dus verre niet kunnen ontdekken; terwijl de onder direkteur Bersma de bewoners van geene onvoorzigtigheid durft verdenken. 72)



Zaterdag 8 januari 1825


Koninklijk besluit 8 januari 1825 N104: Autorisatie uitbetaling voorgeschoten transportkosten transcriptie



Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ter voldoening aan de missive der Permanente Kommissie dd 31 Dec. ll N364 heb ik de eer te berigten, dat de huisverzorger in kol N4 hoeve N22 door mij abusijvelijk genoemd was, Franken, dewijl het is Franssen, als op het stamregister vermeld; de kinderen bij hem ingedeeld zijn van ZBoemel, uitgezonder L. Dortman(?) van s Hage.
(...)

Als mede terug te zenden het rekwest van G.D. Wijk met berigt dat ik aangaande zijn gedrag niet dan gunstige getuigenissen heb ingewonnen; ik vermeen hier echter te moeten bijvoegen dat eene vrouw en 4 kleine kinde­ren, welke getal nog voor vermeerdering vatbaar is, een waarlijk bezwaar is voor een goede zaalopziener, en daarom de Permanente Kommissie te advijseren den rekwestrant, niet dan bij gebrek aan geschikte sujekten te emploijeren.

Eindelijk omtrent den brief van den kolonist Corba met terugzending van denzelve te berigten, dat zoo als de Permanente Kommissie bewust is, de kolonisten in kol. N4 slegts eene koe hebben om reden de grond geen genoegzaam voeder voor eene tweede opleevert; dat er sommige kolonisten zijn, welke door een of andere gunstige omstandigheid - het zij de goede zamenstelling der leden van het huisgezin, derzelver ijver en vlijt hun genoeg­zame verdiensten verschaft, het zij zij van elders penningen bekomen tot het aankopen van hooij voor eene tweede koe in staat zijn, en aan de zodanige op hun verzoek een tweede koe verstrekt is; dat dit laatste echter altijd buiten de direktie blijft, en geen onder direkteur immer enig geld van subkomm. tot dat einde heeft ontvangen, veel minder aangevraagt; dat de onder direkteur Bosma intusschen wel eens aan Corba heeft gezegt, bij gelegenheid dat hij om eene tweede koe verzogt, "als gij geld kunt krijgen, om hooij te koopen zal ik uw eene koe bezorgen", dat eindelijk de verdiensten van Corba wel niet toereiken om hooij tot onderhoud eener tweede koe aan tekopen, maar overigens zeer voldoende zijn zich het nodige te verschaffen; als zijnde die na aftrek van kleding adm. enz. van 70 tot 90 cents somwijlen ƒ1- per week, ongereekend dat het hem vergund is, een of twee dagen per week als kleermaker buiten de kolonien te gaan arbeiden.

Voorts heb ik de eer te accuseren de ontvangst der missiven van de Permanente Kommissie dd. 6 dezer N831 met de mandaten ten bedrage van ƒ5500=, het besluit der Perm. Kommissie van den 31 dec. ll.; zijnde het paket den 24 december, zoo min als dat van den 4. tevoren verzonden, ontvangen; de beide schippers van Steenwijk op Amsterdam verklaren het laatstgenoem­de nimmer te hebben aan boord genomen; wij hebben daar over aan den kommissaris te Amsterdam geschreeven en wagten het antwoord.

Ik heb ontvangen den nevensgaanden brief van den Heer J. Smit, heelmeester te Leek, wiens verzoek om als zodanig in een der etablissemen­ten te Veenhuizen te worden geplaatst ik in der tijd de eer had der Perma­nente Kommissie te adresseeren; aangenaam zal het mij zijn met retour des briefs tot het beantwoorden van denzelve te worden in staat gesteld. 72)

Geen bijlagen gevonden.


Uitgaande post invnr 356. Brief PC aan administrateur houdende informatien omtrent het domicilie van onderstand van eenige bedelaarskolonisten. Betreft Hendrik Strijman, Pieter Beijer, Catharina Bakker, Frederik Willem Koeleman, Hermanus Veltman, Klaas Backer, Jan Knippel, Trijntje de Bruijn, Jan Cornelis Wilpman(?)

Uitgaande post invnr 356. PC aan administrateur over domicilie van Agij van der Linde, invnr 356, niet getranscribeerd wel vermeld in kolfile.

Voorbeeld van een 'Attest voor iemand wiens broeder bij de staande armee is in dienst getreden' ten behoeve van de Nationale Militie (batch 084)


Zondag 9 januari 1825


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanent Commissie:

Ik haast mij de Permanente Kommissie te informeren dat heden na post-tijd, bij mij is ontvangen het bewuste paket, den 4 december ll. door haar aan mijn adres verzonden; het zelve was van Amsterdam met de beurtman op Meppel gezonden, deeze had het overgegeven aan den schipper van Meppel op Steenwijk, welke laatste het al dien tijd onder zich heeft gehouden, en misschien nog langer zou gehouden hebben zoo niet een kolonist, om naar een pakje voor zich te informeeren, aan zijn huis waren gekomen. 72)


Dinsdag 11 januari 1825

Koninklijk besluit 11 januari 1825 N129: Autorisatie betaling bestedingspenningen,
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Archief/KoninklijkeBesluiten.html



Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van Prins Frederik aan de PC (invnr 72)

– Intusschen kan ik de Permanente Commissie confidentieel mededeelen, dat de commissie benoemd bij Koninklijk Besluit van 3 January 1822 No 36, aan Zijne Majesteit een berigt en voorstel gedaan heeft, betrekkelijk het vinden der 2700 kinderen, welke vooreerst in de kolonien der Maatschappij van Weldadigheid geplaatst moeten worden, doch dat ondanks hare zo bepaalde wenschen dat derzelver opzending zoo dra mogelijk konde geschieden, zij zich heeft overtuigen moeten dat, uit hoofde der zoo zeer groote onvoldaandheid der tot dusverre genomen maatregelen en ingewonnen berigten van wege de onderscheiden authoriteiten, de uitvoering derzelve nog eenigen tijd aanloopen zal.
- over de middelen en sluipwegen welke men zich veroorloofd om aan Zijne Majesteit Besluiten te ontduiken en dezelve illusoir te maken, heeft bovengenoemde commissie ook gebruik gemaakt, en heeft dezelve aan des Gouvernements oplettendheid en onderzoek aanbevolen, met aanrading dat het aan Zijne Majesteit behagen moge Hoogstdeszelfs ongenoegen over zoodanige laakbare onttrekking aan deszelfs besluiten te kennen te geven.
– hij heeft de administrateur 'vrij duidelijk en onbewimpeld mijn gevoelen gezegd' (afschrift bijgevoegd)
– hij adviseert de koning een adres te sturen
– hij schrijft de administrateur: 'Ik mag niet verbergen dat bij mij het denkbeeld bestaat, en zeer bevestigd is, dat aan de besluiten en den welbekenden ?? wil des Konings, niet die uitvoering is gegeven, welke daaraan had behooren gegeven te worden, en er niet die zorg, ijver, ernst en kracht, is bij aan de dag gelegd, welke men met regt had kunnen verwachten. Het doet mij in meer dan betrekking en opzigt leed, en ook tevens leed voor den Koning zelve, dat Zijne Majesteit moet ontwaren, hoedanig zijne besluiten en intenties verkeerdelijk of bijkans geheel niet ten uitvoer worden gebragt, Zijne Majesteit is reeds oppervlakkig met den staat van zaken bekend, en er zeker niet over voldaan.
(…)
Om welke redenen eerst op 5 november aan Ze Maj. de authorisatie tot uitbetaling van f 30,000- aan de Maatsch van Weld gevraagd is, welke in februari, maart, april en mei verschenen waren, en op die tijdstippen hadden moeten voldaan worden, en op 2 juni door de perm komm aangevraagd zijn, en dus vijf maanden later dan men wist en maanden vooruit geweten had dat die volgens geslotene contracten betaald hadden moeten worden, moet ik bekennen niet te kunnen begrijpen.


Woensdag 12 januari 1825


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de subcommissie Rotterdam aan de Permanente Commis­sie:

Ter voldoening wijders aan het verlangen der Perm. Komm. strekkende, om de deelneming in de Maatschappelijke aangelegenheden meer en meer te encourageren, hebben wij tot het voorgestelde doel niet ondienstig geacht, eene annonce en uitnodiging in dezer stads courant van morgen te doen plaatsen, waartoe wij ons bij deze kortheidshalve refereeren. Wij hopen hiervan een gewenscht resultaat, en twijfelen geenszins of wij zullen door deze poging wel eenige aanwinst doen. Indien UWEd. konde bewerken, dat deze advertentie door de Staats Courant overgenomen werdt, dit zou welligt voor de subkommissien ten platten lande onder ons ressort van eenig nut kunnen zijn, vermits dat blad zich algemeen op de dorpen en door de plaatselijke authoriteiten gelezen wordt. Het ware te wenschen, dat de dorpskommissien welke van lieverlede in haren ijver verflaauwen, eenigzins daardoor konden worden aangewakkerd. Van onze zijnde hebben wij steeds alle gelegenheid te baat genomen, om dezelver in het belang der Maatschap­pij te animeeren.

N.B. Onze stadscourant plaatst gratis uit belangstelling voor de zaak. 72)

Uit een brief van de subkommissie Monnikendam aan de PC dd 12 januari 1825:

Ter beantwoording van UwEds aangename missive de dato 28 Dec 1824 hebben wij de eer UwEds te berichten, dat heden voor onze vergadering is verschenen zekere Dirk Klaver, oud 34 jaar van beroep tuinman, getrouwd, hebbende vier kinderen, zijnde geboren burger en inwoonder dezer stad, verzoekende eerbiediglijk geplaatst te mogen worden in de kolonie Veenhuizen – welk verzoek wij volgaarne hem hebben toegestaan. invnr 72)



Donderdag 13 januari 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie

Met terugzending des briefs van den Heer Administrateur voor het Armwe­zen, en drie stuks bijlagen, vermeld in de missive der Permanente Kommissie dd. 3 dec. ll. N732, doch eerst den 9 dezer ontvangen, heb ik de eer in antwoord op gemelde missive de P. Kommissie te berigten dat, de zeven rekwestranten waar van alle die stukken het onderwerp uitmaken in april 1823 met een transport personen uit het werkhuis te Amsterdam in de Ommerschans zijn aangekomen, zonder dat daar bij ten hunnen aanzien eenig onderscheid gemaakt is, of kon worden; ten aanzien van hun gedrag gedurende hun verblijf in dat etablissement en onvlugting uit hetzelve, neem ik de vrijheid mij te refereren aan het mede hier nevensgaande extrakt uit het rekeningboek in het bijzonder en daar opgestelde aanmerkingen; terwijl eindelijk hier bij is gevoegd het originele en eenige stuk bij de inbrenging der bewuste personen in de Ommerschans aan de direktie aldaar afgegeven; uit welks hoofd en slot blijkt dat processen verbaal der overbrengingen gedres­seert en ter stedelijke griffien van Amsterdam gedeponeert zijn. 72)

Geen bijlagen gevonden.


Ingekomen post invnr 72. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie over bedorven erwten. transcriptie:


Bijgevoegd:zijn enkele brieven over eerdere aankopen van voedingsmiddelen. transcriptie

Ingekomen post invnr 72 scan 88. Coevorden draagt het gezin van K.F.E. van den Bosch voor als arbeidershuisgezin in Veenhuizen. vermelding.

Uitgaande post invnr 356. Uit een brief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armenwezen:

Dat verm. A.G. Bode is op den 15 july 1823 uit het werkhuis te Hoorn in het bedelaars-etablissement aan de Ommerschans overgebragt en gevestigd.
Bij missive van UwHEdG. van den 15 nov. 1823 N49 werd ons mededeeling verzocht van ons gevoelen, omtrent het daarbij gevoegd rekwest van A.G. Bode aan Z.Ecx. den Minister van Binn. Z. en Waterstaat, houdende verzoek om zijn ontslag uit de Ommerschans, waarop wij bij missive van 23 dec. 1823 N77/12/11 aan Z.Exc. den Minister zakelijk hebben geantwoord dat de door den kolonist aangevoerde redenen grond konden geven, om hem in de eerst te doene voordragt tot ontslag, na zijn jarig verblijf in het instituut, te begrijpen, ten einde hij alsdan in overeenstemming met art. 17 des kontrakt voor bedelaars, zou kunnen worden in vrijheid gesteld.
De kolonist A.G. Bode heeft echter, zonder zijne voordragt tot ontslag, en de goedkeuring daarvan aftewachten, zelf zoo het schijnt, vóór dat hij van Z.Exc. de Minister dispositie op zijn rekwest heeft verkregen, reeds op den 31 dec. 1823, dezelfde maand waarin ons boven vermeld advys gegeven was, uit het etablissement weten te ontvlugten waarin hij op den 21 aug. 1824, door de zorg van de policie te Amsterdam, weder is teruggebragt.
Ten gevolge van deze zijne desertie heeft hij in de voordragten tot ontslag van bedelaars-kolonisten in de maanden febr. en sept. 1824 niet in aanmerking kunnen komen.
Het rekwest, het welke UwHEdG. ons thans betreffende de kolonist A.G. Bode heeft toegezonden, en hierbij UwHEdG. wordt geretourneerd, is ingevolge de eigene verklaring van den kolonist A.G. Bode, welke wij hierne­vens voegen, niet door zijnen broeder J.P. Bode te Amsterdam, maar door hem zelven geschreven en valschelijk ondertekend.
Om alle deze redenen zijn wij van gevoelen, en vermeenen wij UwHEdG. stellig te moeten advyseren om aan den kolonist A.G. Bode deszelfs verzogt ontslag geenszins toetestaan.



Vrijdag 14 januari 1825


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ter beantwoording der missive van de Permanente Kommissie dd. 3 dezer N838 welke ik de eer had te ontvangen is diendende dat ik bij het voorstellen der prijzen, waarvoor de produkten der kolonisten in de kolonie te Ommer­schans en Veenhuizen konden worden ingenomen, en weder afgelevert bedagt was op het indertijd mij bekend geworden gevoelen der Permanente Kommissie om de prijzen van inslag steeds iets te lager dan die van afleve­ring te moeten stellen, om de bekende redenen.
Dat ik om dezelfde redenen, te Ommerschans de aardappel zoo wel aan de bakkerij als voor zaadkoren afteleeveren, gesteld heb op 40 cents, terwijl de prijs van inneming is 33 1/3 cents, als mede de rogge voor zaadko­ren afteleeveren tegen eene verhoogde prijs van 30 cents per schepel, terwijl integendeel geproponeerd wierd de aardappel aan de menagie af te leeveren met verlies van 3 1/3 cents per schepel, om reden bij een hogere prijs dan 30 cents de menagie niet kan bestaan van het geen daarvoor naar de reglemen­ten wordt gestort; en de bakkerij de rogge niet lager kan aannemen, wijl zij anders het brood niet naar de gewone zetting kan verkoopen.
Indien de Permanente Kommissie mogt oordeelen dat door deeze schikking de Maatschappij verliezen te vreezen heeft; zoude welligt het geschiktste middel om dit voortekoomen zijn, de inkoopprijs der rogge in de onderhavige kolonien te stellen op ƒ1,10 per schepel.
Dat dezelfde reden als hier voren bij de O.S. zijn opgegeven, te Veenhuizen bestaan om de rogge en aardappel aan de bakkerij en menagie voor geen hoger prijs af te leveren, maar het mogelijk verlies door de winst op het zaadkoren te dekken.
Dat de prijs van inkoop en uitslag in de vrije kolonien gelijk gesteld zijn, voor eerst om dat hier weinig rogge en aardappel voor eigentlijke rekening der Maatschappij aan de bakkerij worden afgeleeverd, zijnde het hoofdzakelijk de kolonisten welke hunne produkten aan de bakkerij leveren om daar voor brood te rug te ontvangen; zoo ook word hier van geen zaadkoren gesproken, wijl ieder kolonist zijn eigen zaad zaaid; terwijl eindelijk voor de aardappel welke aan de Maatsch. worden ingeleeverd, en naderhand aan de kolonisten tegen betaling geleeverd, nog geen prijs is voorgedragen, wijl hier omtrent eeniger mate de marktprijs van den tijd zal behoren te worden gevolgd.

- over de gebouwen aan de Ommerschans. transcriptie



Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de subcommissie Woerden aan de Permanente Commissie:

Het slot van bovengemelde circulaire heeft de subcommissie geacht, op haar niet van applicatie te zijn, alzoo zij zich buiten staat bevindt, tot de disponibel­stelling der voorhanden zijnde gelden, zoo lang bij haar, van UWEd. geen antwoord is ingekomen op hare missive van den 23 december ll. No 3, betrekkelijk de gevraagde elucidatiën omtrend de door P. Korba - van hier in de kolonie Frederiksoord geplaatst - verzochte gelden. 72)


Uitgaande post invnr 356. Uit een brief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armenwezen over Antje Molewijk. transcriptie:



Zaterdag 15 januari 1825


Koninklijk Besluit 15 januari 1825, No. 85 (invnr 72, zit bij de post van 27 januari),
http://www.schackmannnl/proefkolonie/WezenVH/1825_01_15KB.html





Zondag 16 januari 1825


Ingekomen post invnr 72. Visser denkt de komende week ƒ6500,- nodig te hebben.



Maandag 17 januari 1825


Uitgaande post invnr 356. Uit een brief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armenwezen:

Wij hebben geene bedenkingen op het door ZM te kennen gegeven gevoe­len, om gevangenen voor derzelver terugkeering in de gewone maatschappij, eenigen tijd in de etablissementen van de Maatschappij van Weld. te plaat­sen, en alzoo het Genootschap ter Zedelijke Verbetering der Gevangenen in verband te brengen met de M. van Weld.; maar kunnen geredelijk deelen in het denkbeeld dat dit oogmerk eene alleszins nuttige strekking zoude kunnen hebben.
Wat de uitvoering van dit oogmerk aangaat, meenen wij aanvankelijk te moeten aanmerken, dat het belang der bestaande etablissementen van de M. onzes inziens, niet gedoogen zoude, dat de overname en vestiging van de bedoelde voorwerpen in dezelve onder een plaats hadden, zoo dat deze personen met eene der soorten van kolonisten vermengd wierden; en wel voor eerst, om dat zoodanige vermenging schaden zoude  aan de zedelijk­heid dier kolonisten, en ten anderen dat de wijze van vestiging, behandeling, verzorging en toezigt van en over gedetineerden eene inrigting en bestuur vereisschen geheel verschillende van die welke tot hiertoe in de onderschei­dene etablissementen van de M. bestaan.
Het beginsel van eene afzonderlijke vestiging der bedoelde voorwer­pen aangenomen zijnde, zou derhalve een apart etablissementen door de M. te dien einde moeten worden daargesteld, en zoude wij, derhalve, alvorens omtrent de kosten van het onderhoud onze gedachten eeniger mate te kunnen bepalen, behooren te weten, of het getal der gevangenen hetwelk men wenschte te plaatsen zoo belangrijk zou zijn, dat daartoe zoodanig etablissement wierd gesticht, en of het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen, over genoegzame penningen te beschikken heeft om zulk een geruim aantal personen bij de Maats. van Weld. te besteden.



Dinsdag 18 januari 1825

Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de provinciale commandant aan de Permanente Commis­sie over de kolonist Braun en de bij hem ingedeelde kinderen Kligge.transcriptie:



Uitgaande post invnr 356. Brief PC aan administrateur, houdende toezending eener nota van op ?? door het gouv. verschuldigde f 18,000.- bestedingspenningen.


Uitgaande post invnr 356. Brief PC aan Kommissaris Generaal van Oorlog, omternt de kazernerings middelen van het detachement aan de Ommerschans.


18 januari 1825, aan administrateur van het armwezen, toezending eene nota van opnieuw door het gouvernement verschuldigde bestedingspenningen ter somma van f 18.000.-; met aandrang op de voldoening van het gehele verschuldigde ad f 95.793:85 (gebaseerd op kontrakt 01-03-1823) brievenboek UIT invnr 926)

 

Woensdag 19 januari 1825

Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie over bedorven erwten. transcriptie:



Ingekomen post invnr 72. De subcommissie Kampen draagt aan de Permanente Commissie een gezin voor van acht zielen en met de kanttekening:

Een bezwaar doet zich omtrent dit huisgezin op; hetzelve is wel voor Fabriek – maar niet voor veldarbeid geschikt. De vader, die vijf jaren in het groote Militaire Hospitaal alhier, toen het nog bestond, als kok geageerd heeft, kan wolle kaarten & schrobben en de oudste zonen ketting en omslag spinnen.
(...)
De reden waarom deze subkomm. zoo vele moeijelijkheid heeft, om een geschikt en gewillig huisgezin ter plaatsing in de colonien te vinden, ligt gedeeltelijk in de ongunstige mare, welke van tijd tot tijd de colonisten, die met verlof komen, hier onder s'hands verspreiden; en gedeeltelijk in het vooruitzigt, dat in het aanstaande voorjaar alhier, overvloedige arbeid zal te vinden zijn, om de schade, welke de overstroomingen aan de dijken en weken veroorzaakt hebben.



Vrijdag 21 januari 1825

Koninklijk besluit 21 januari 1825 N104: Autorisatie diverse uitbetalingen,
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Archief/KoninklijkeBesluiten.html


Ingekomen post invnr 72. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie:

In antwoord op UWelEd. missive van den 13 january 1825 N846, heb ik de eer dezelve te informeren dat ik, naar aanleiding des door UWelEdelen gegeven berigten omtrent A:G: Bode, het door dezen persoon geschreven en met den naam van J:P: Bode onderteekend request buiten verder dispositie zal laten.


Ingekomen post invnr 72. De Administrateur van het Armenwezen stuurt aan de Permanente Commissie 21 januari 1826 een request van Maria Mulder te Amsterdam, houdende verzoek om teruggave van haar in de etablissementen Uwer Maatschappij gevestigd kind,
Volgens de samenvatting gaat het om J. F(?). Mulder uit het kinder Etabl: der Mij invnr


Uitgaande post invnr 356. Uit een brief van de Permanente Commissie aan Prins Frederik:

Wij hebben het geluk gehad wel te ontvangen Uwer KH missive van den 11 dezer maand, met den daarbij gevoegden kopie-brief.
Met erkentelijk gevoel zagen wij daaruit dat Uwe KH instemmende met onze gedachten omtrent de gegrondheid van onze bezwaren en derzel­ver oorzaken, de meeste deelneming in deze voor de Maatschappij nadeelige en hagchelijke zaak betoond, en zich met de meeste kracht heeft verleedigd, om door Hoogstdeszelfs vermogende invloed de billijke bezwaren voor de Maats. te doen wegruimen, en ons gegrond beklag te doen ophouden.
Het is waar, Kon. Vorst en Heer! wij hebben ons door het onvoorzien achterwege blijven der betaling van alle rees lang verschenen bestedingster­mijnen, door het Gouvernement verschuldigd, in den loop dezer twee maan­den werkelijk in eene verlegene omstandigheid bevonden, door die wij onder anderen gehouden waren eene betaling voor aangekochte gronden te doen ter somme van ƒ25,000:-; doch een gelukkig toeval, bestaande in een gebrek in de vorm der akte van verkoop heeft ons eene redelijke gelegenheid aangeboden om die betaling te verschuiven, zoo dat wij alsnu het genoegen hebben, Uwer KH ter wegneming van deszelfs momentele bekommering, medetedeelen dat wij ons door die gunstige omstandigheid in staat zien, de zaken op den vereischten voet gaande te houden tot in de volgende maand, wanneer een tweede fournissement uit de nieuwe negociatie in de Maat­schappelijke kas zal gestord worden.



Zaterdag 22 januari 1825

Ingekomen post invnr 72. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Ik heb aan het Bijbelgenootschap, zonder uwe volmagt ook uit uwen naam verzocht om bijbels, het tijdstip zeiden mij eenige leden was juist gunstig. Het Genootschap gaf mij 400 bijbels, voor elke kolonie 100 reeds door mij verzonden, mij onderhand te kennen gevende, dat zij gaarne een gratuite in eens bijv. van ƒ50 had. Ik heb geöpinieert dat weldadige genootschappen zoo iets niet konden doen, doch zij zeggen dat wij toch ook eene som voor het onderwijs afzonderen.
Ten gevolge van een verzoek van Van Wolda heb ik hetzelfde gedaan aan het nut van het algemeen, en een 6tal der door hem voor elke gevraagde leesboekjes ontvangen, het gustink(?) begroot ik op ħ ƒ50. De begeleidende brief was van den volgenden inhoud, geteekend door den Algem. Sekretaris,
"Ik heb den brief welke UWelEdele mij de eer gedaan heeft te schrijven, namens de Maatsch. van Weldadigheid, ter tafel gebragt van Hoofdbestuurders der Maatsch. t.n.v. 't algem. en ben gelast de daarbij gevraagde afdrukken van de werken der Maatsch. daar bij genoemd UWEG. gratis te zenden, en erbij te voegen dat Hoofdb. voorn. zich gelukkig achten hierdoor in staat te zijn om eenig blijk te geven van hunne zucht tot onder­steuning eener inrigting die zij, als hare zuster Maatschappij, steeds hoogacht en bemind.
Ik verzoek UWEG. deze gevoelens der Maatsch. van Wel. te willen overbrengen, en tevens de verzekering aantenemen, der bijzondere hoogach­ting, waarmede ik de eer heb te teekenen
21 janr. 1825
H. Raveskes"
Het traktaatgenootschap zend mij bij voortduren 300 afdrukken van hare blaadjes.
Ik neem de vrijheid u in bedenking te geven, om 1o de zender legaal te doen bedanken voor de aan mij voor de kolonie gezonden zaken. 2o Omtrent de gratificatie voor het bijbelgenootschap te willen handelen. 3o Te wachten tot dat Heerspink, Jentink, van Wolda, Amshoff u zullen geschreven hebben, waartoe ik hun uitnoodig om hiervan in de Star melding te maken.
De kosten der emballage enz. zal ik UEd. eerstdaags opgeven.
Het zendelinggenootschap moet ook nu ons voorzien, en daartoe zal ik u raden aan niemand anders dan aan burgemeester van Gennep, voorzit­ter van onze subkommissie, Direkteur van het zendelinggenootschap, te schrijven, en aan niemand anders. Hem de keuze der boekjes overlatende - slechts weinige zijn geschikt, sommige te geleerd of te misstiek.
Ik hecht aan dit een ander waarde om dat ik het nuttig acht dat het Amsterd. publiek ziet wat er door ons aan de zedelijke beschaving gedaan wordt. Tegen wil en dank ben ik door eenige vraag lid van het nut van het algemeen geworden.
De Heer Riemsdijk hoop ik zal mij eerstdaags wel over mijne overige brieven eenig antwoord doen toekomen.
Van de voor mij gelukkige bevalling mijner echtgenote van een dochter geve ik aan u Mijne Heeren slechts hier door berigt.

Verzoeke expeditie van inleggende.
Door Bruine heb ik de nieuwe geldleening gratis in de Amsterdam­sche Courant geplaatst gekregen.
Regenten aalm. - de ad interims - heb zich per rekwest ll. woensdag aan den Raad gewend om behoud van de Stenen Klomp - het gebouw - wanneer men hetzelve tot eene barak maakt zal men welligt gehoor geven aan hunne kwestie, doch niet wanneer men het tot een provinciaal geregts hof inrigt. In dat laatste geval wordt het een punt van grooten bezuiniging. Het stuk was fijn opgesteld, doch zwak, want zij zeggen dat aan de dona­teurs wanneer het gebouw vervalt, de gelden terug gegeven moeten worden, en dit is onjuist want de gevers gaven geld aan de inrigting en bedoeling, niet aan de Steenen Klomp. 72)


22 januari 1825, aan Subkomm te Zalt Boemel, Verzoek om aan Reg: der gecombde Weeshuizen aldaar voor te stellen de verplaatsing van de 6 kinderen, welke bij den Huisverzorger Fransjen (volgens mij heet die Franken) ingedeeld geweest zijn, Naar Veenhuizen, uit hoofde van het ontslag van deze Huisverzorger en de moeijelijkheid om geschikte andere te vinden brievenboek UIT invnr 926)
Zie kolfile Franken


Zondag 23 januari 1825

Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

In antwoord op de missive der P.K. dd. 18 dezer N855 en daarbij ontvangen brief van den Heer Sepp, houdende klagten der vrouw van den huisverzorger Berkenkamp, heb ik met terugzending van dien brief, de eer te berigten
Dat het waar is, dat bij Berkenkamp zijn gevestigt zes kinderen en daarboven een kind genaamd Nederlander waarvoor ƒ1- per week aan comptanten zonder eenige korting wordt uitbetaald: het zal wel overbodig zijn hier aantemerken dat dit zevende kind geen bezwaar maar in tegendeel een voordeel voor zodanige huishouding is.
Dat het waar is, er thans niet meer zoo als voor heen, vlas of goed aan de huisverzorgers wordt verstrekt, zoo min als ƒ1,50 per week wanneer de verdiensten dit niet toelaten.
Dat het fabriek werk, gedurende de tijd dat overvloedige en voor de kinderen juist bereekende veldarbeid voorhanden is, zoo als b.v. het aardap­pelrooijen, minder verstrekt wordt, dan bij tijde dat het mingunstige weder als andersints meerder fabriek arbeid vorderen, zoo als dit plaats had in de hier onder gedetailleerd opgegevene weeken.
als    3e week nov. fabriekarbeid aan Berkenkamp - het huisgezin
voor    ƒ 1,05
4e week id.    ƒ 2,24
1e week dec.    ƒ 2,90
2e week id.    ƒ 2,42
3e week id.    ƒ 2,97
4e week id.    ƒ 2,99
1e week jan.    ƒ 3,31
2e week id.    ƒ 2,76

Dat den man geen arbeid noch verdiensten onthouden wordt, maar hij integendeel zegt onbekwaam te zijn tot de arbeid, zoo dat wij genoodzaakt zijn het werk om en bij huis, door een der bij hem ingedeelde wezen te doen verrigten, waardoor natuurlijk de verdiensten  van die jongen en alzoo het huisgezin verminderen; intusschen zorgen wij ook dat Berkenkamp niet geheel zonder eenig werk blijft en doen hem op de fabriek, telkens wanneer daar toe gelegenheid is, twijnen, waar door zijn verdiensten hebben bedragen
1 week december    ƒ 1,50
2e            ƒ 1,85
3e            ƒ 1,60
4e            ƒ 1,60

Dat vrouw Berkenkamp uit alle deeze verdiensten heeft genoten aan comp­tanten boven en behalve de gulden voor Nederlander

3e week nov.        ƒ 0,65
4e            ƒ 1,20
1e week dec.        ƒ 1,69
2e            ƒ 1,65
3e            ƒ 2,01
4e            ƒ 1,77
1e week jan.        ƒ 2,01
2e            ƒ 1,72

Dat de ongenoemde ambtenaar waarschijnlijk is de Heer Drijber als hebben­de die voor eenige tijd zijn grootste ongenoegen aan Berkenkamp en vrouw te kennen gegeven over hun zeer suspect gedrag; zijnde zij beschuldigt, en bijna met volkomen zekerheid, van meest alle avonden iemand uit Steenwijk bij zich aan huis te hebben, dan met de jeneverfles op tafel kaart te spelen, daar bij de kinderen van het vuur te verwijderen enz. zullende vrouw Berken­kamp dit wel als eene onheusche handelswijze beschouwen.
Uit het een en ander, mijns bedunkens, blijkt, dat de bewuste klagten van Berkenkamp zeer ongegrond en zelfs met de waarheid strijdende zijn. 72)



Ingekomen post invnr 72. Brief van gouverneur Hofstede dat buitenlandse bedelaars uit de OS over de grens gezet gaan worden invnr 72)


Maandag 24 januari 1825

Uitgaande post invnr 356. Brief aan de subcomissie Coevorden over het gezin van K.F.E. van den Bosch. vermelding.

Dinsdag 25 januari 1825


Ingekomen post invnr 72. Brief van de Administrateur van het Armenwezen aan de Permanente Commissie over Antje Molewijk. transcriptie:

Brandverzekering, invnrs 1295-1296. Betreft de Ommerschans. transcriptie




Woensdag 26 januari 1825


Ingekomen post invnr 72. Visser stuurt de verantwoording over oktober 1824. 72)


Ingekomen post invnr 72. Brief van de Administrateur van het armenwezen aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer UWE hier nevens te zenden; en request van de wed. L. Rhode, te Amsterdam om ontslag van haren, in de Ommerschans opgenomene zoon, en zulks begeleid van een berigt daarop bij den Gouverneur van Noord Holland ingewonnen; verzoekende ik UWE mij derzelver consideratien omtrend deze zaak te willen mede deelen. 72)


Ingekomen post invnr 72. Brief van de Administrateur van het armenwezen aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer UWE te informeren dat Zijne Majesteit bij besluit van den 11 january 1825 N129, de betaling heeft geautoriseerd der sommen gezamenlijk ten bedrage van f 30,000 – bij UWE missive van den 3 juny 1824 N162 aangevraagd.
Zoodra de mandaten ter uitbetaling van gemelde sommen, welke bij het Departement van financien worden opgemaakt, bij mij ontvangen zullen wezen, zal ik UWE die doen toekomen. (invnr 72)


Uitgaande post invnr 356. De Permanente Commissie stuurt een officieel verzoek aan Koning Willem I om in de kwestie met het gouvernement te willen bemiddelen.


Ingekomen post invnr 72. Brief van de subcommissie te Zaltbommel aan de PC dd 26 januari 1825 ingekomen post)

ZaltBoemel, den 26e January 1825

In antwoord op UwelEd missive d.d. 22 ll N873 hebben wij de eer UwelEd meedetedelen, dat wij het daarbij vermelde voorstel aan Heeren Regenten der gecombineerde Weeshuizen hebben kenbaar gemaakt, als meede, dat dezelve daarmeede volkomen genoegen neemen.
De Subkommissie van Weldadigheid te ZBoemel


26 januari 1825 Subkommissie te Zaltbommel, meldt dat de Regenten der gecombineerde Godshuizen genoegen nemen met het voorstel ter overplaatsing van 6 hunner bestedelingen uit de vrije kolonien naar de Etabln te Veenhuizen, berigt aan den Direkteur 1 februari, not 31 Jan art 41 brievenboek IN invnr 348)



Donderdag 27 januari 1825


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Der Permanente Kommissie heb ik de eer hier nevens te doen toekomen, de bij hare missive dd. 20 dezer N861 gevraagde renseignementen omtrent het gedrag etc. van de in de Ommerschans zich bevindende Virginie Spallard N221
In de gepasseerde week heeft de heer B. van Dedem zich bij den Heer Adjunkt Direkteur Harloff vervoegt, spreekende over het doorgraven van ZWEdGeb. kanaal tot in de rivier de Vegt; de Heer Harloff verklaarde natuur­lijk geene de minste bevoegdheid tot eenige onderhandeling in deeze te hebben, maar advijseerde ZWEdGeb. eene kaart etc. van het terrein, aan hem intezenden welke ZEd. dan aan de Direktie der koloniën wilde overma­ken; waar van het gevolg is geweest dat ik eene zodanige kaart door den Heer Harloff van den Heer Van Dedem heb ontvangen, benevens het afschrift des berigts welke ik de eer heb, hierbij aan de Permanente Kommissie te adresseren.
Daar ik niet geloof dat de Permanente Kommissie thans geneegen is om met den Heer van Dedem over eene zodanige doorgraving, het zij van het kanaal zelve, of van eene sloot tot afleiding van water uit de Vegt in het kanaal, heb ik het onnodig geacht de kaart aan haar overtezenden: ingeval zij die egter wenscht te ontvangen, zal het mij aangenaam zijn daarvan te worden geinformeerd, al wanneer zij dadelijk zal volgen.
Verder heb ik de eer te accuseren de ontvangst der missive van de Permanente Kommissie dd. 25 januarij no. 880, de daarbij verzogte nota omtrent het te goed van Kristiaan Smallenburg hoop ik bij mijne eerstvolgen­de te zenden; terwijl aan den jongeling W. Formans het ontslag zal worden gegeven.
Eindelijk heb ik de eer te vragen authorisatie tot het geven van ontslag aan Wijnand, zoon van Johannes van der Heide, Geertje, dogter van Dirk Klaver en Johanna Gerdina, dogter van Mathijs Koensen; de beide eerste uit kolonie N 1&2, de laatste uit kol N6, hebbende hun respective ouders daar in toegestemd.

Bijgevoegd is het extract uit het rekeningboek van de Ommerschans voor Virginie Spallard, die op 3 november 1822 uit Brussel is gekomen, met de posten: krediet voor de kolonisten / voorgeschoten / blijft tegoed (= de vorige twee van elkaar afgetrokken) / tegoed voor kleeding / verstrekte kleeding / blijft tegoed voor kleeding (= de vorige twee van elkaar afgetrokken)

Ze heeft een krediet van 37 cent en een tegoed op kleding van ƒ2,17½. Erbij ge­schreven door Harloff is: De ondergetekende verklaart dat bovenstaande rekening naar waarheid is opgemaakt, en dat gemelde Lucina ander ge­naamd Virginie Spallard, zints haar verblijf alhier zich stil en braaf heeft gedragen en in het strafregister niet wordt aangetroffen, doch dat haar geringe verdiensten ontstaan aan zwakheid en niet aan haren goeden wil om te arbeiden.

Verder bijgevoegd:

Zwolle den 20 januarij 1825

Hiernevens volgens afspraak een terreinkaart waarop de roij die de vaart zoude moeten hebben uit de Arrierhoofdwijk van ons in de rivier de Vegt, deeze is mij de geschiktste voorgekomen, egter zoude die in een regter lijn korter in de rivier kunnen vallen en wat hoger, doch hiertoe dient dan het terrein onderzogt te worden en met wie der landeigenaren men het best kan handelen, moogelijk is het best de Kommissie eerst meer aandringe op een sloot om water te tappen om hun kanaal in wijken in de colonie van water te voorzien, dan komt het andere van zelve bij een contract over de te makene communicatie met eene vaart in de wijken der colonie kan alles gereguleerd worden, maar zonder middel om water van boven te krijgen kunnen wij die communicatie niet hebben en is ons te nadeelig, UEd. gelieft dit optezenden, binnen eenige dagen ga ik mooglijk na den Haag en spreek de Heer Gene­raal dan zelve, inmiddels ben ik met achting

UWEd. DWDienaar
W.J. van Dedem


Ingekomen post invnr 72. Brief van de administrateur dat Heer Hugowaard het domicilie van onderstand is van de OS-bedelares Maartje Pepertuin


Ingekomen post invnr 72. Brief van de administrateur aan de PC

Ministerie van Binnenlandse Zaken, Onderwijs en Waterstaat
Armwezen en Gevangenissen, no.47
                    ’s-Gravenhage, 27 januari 1825
    De Koning heeft bij Besluit van den 15 januari 1825, no. 85 waarvan een afschrift hiernevens gaat, onderen anderen bepaald het getal der vondelingen, wezen enzovoort welk iedere Provincie zal moeten opzenden naar de Etablissementen Uwer Maatschappij, ter vervulling van het getal voor welke onderneming het Gouvernement met Uw Edelen heeft gecontracteerd.
Het door Zijne Majesteit bepaalde getal bedraagt 2700 kinderen, hetwelk gevoegd bij de pro memorie 900 kinderen die bereids naar de Etablissement voorschreven zijn opgezonden, een getal van 3600 kinderen uitmaakt.
Opzigtelijk het alsdan nog ontbrekend getal van 400 kinderen heeft Zijne Majesteit bij gemeld Besluit, het Departement van Binnenlandse zaken, Onderwijs en Waterstaat gemagtigd met Uw Wel Edelen in onderhandeling te treden wegens eene latere vervulling der voor die kinderen bestemde plaatsen, te dien effecte dat, zulks van de zijde van het Gouvernement eerst dan zal behoeven te geschieden wanneer de aanvulling van de voormelde 2700 openen plaatsen zal zijn tot stand gebragt en waartoe bij gedacht Besluit eene ruimte tot Ultimo Mei aanstaande is gelaten.
Ik verzoek Uw Wel Edelen mij omtrent dit punt met derzelver consideratien te vereeren.
De Staatsraad Administrateur voor het Armwezen en de Gevangenissen, bij afwezigheid van derzelver, de Referendaris, Previnaire. invnr 72)

Bijgevoegde KB ondergebracht op 15 januari.


Vrijdag 28 januari 1825

Ingekomen post invnr 72 scan 283. Coevorden over het gezin van K.F.E. van den Bosch. gedeeltelijke transcriptie.


Zaterdag 29 januari 1825

uitgaande post invnr 356. Brief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armen­wezen over de Amsterdamse deserteurs. transcriptie


uitgaande post invnr 356. Brief van de Permanente Commissie aan de subcommissie Amsterdam over bedorven erwten. transcriptie:


Uitgaande post invnr 356. Uit een brief van de Permanente Commissie aan de subcommissie Woerden.

Het is waar, dat de kolonisten van kol. N4, waartoe Korba behoort, toe hiertoe uithoofde van gebrek aan voeder, over het algemeen nog geene tweede koe hebben kunnen verkrijgen, met uitzondering van eenige weinige, die zich door bijzondere omstandigheden, of om derzelver bijzondere werk­zaamheid, waartoe een groter getal tot de arbeid geschikt in deze dus hun de gelegenheid gaf, of van het verkrijgen van eenige penningen van personen, welke hen geliefden te begunstigen, het benoodigde voeder hebben weten aanteschaffen. Het bekomen van penningen tot zulk einde van elders, blijft echter aan de Direktie geheel onbekend: immers, ofschoon zoo iets de kolonisten steeds aanmoedigt, om door oppassendheid en vlijt, zich het benoodigde tot koevoeder aanteschaffen, wacht zij zich wel van bij de kolonisten tot het verkrijgen van giften daartoe van de subkomm. aanzoek te doen.
Ofschoon derhalve aan de kolonist Korba, wiens verdiensten hoewel zeer voldoende tot onderhouden van zijn huisgezin, echter nog niet toereiken­de zijn tot aankoping van benoodigd voeder voor eene tweede koe, op zijn aanzoek om een tweede koe zal gezegd zijn, dat hij zich daartoe eerst het vereischte voeder moest aanschaffen, zoo heeft men hem echter nimmer aan UWEd. verwezen, om daartoe een geschenk te ontvangen.
Wat nu het verzoek van Korba, door hem uit eigene beweging gedaan, zelf aangaat, moeten wij UWEd. doen opmerken, dat de door UWEd. voor de Maatschappij geinkasseerde gelden, volgens de instellingen der Maatsch. niet anders aangewend kunnen noch mogen worden, dan op de gewone wijze door het bestuur zelve en er derhalve geene penningen daarvan door de subkommissien aan derzelver geplaatste kolonisten op eenigerlei wijze mogen worden uitgereikt, als dat, behalve strijdig met de algemeene bepalingen, niet noodzakelijk en om het voorbeeld zelfs zeer schadelijk zou zijn.
Mogt evenwel een of ander persoon, eene hem bekende kolonist, ter bevordering van zijne tevredenheid, of om andere bijzondere redenen eenig douceur willen geven en gaat men hiermede voorzigtig en wijs te werk, zoo dat men van het nuttige gebruik daarvan zich kan verzekerd houden: hierte­gen hebben wij, voor ons zelven, geene bedenkingen; maar moeten daarom­trent alleen nog aanmerken, dat men bij doen eener gift aan eene kolonist met de meeste omzigtigheid behoort te werk te gaan, ter voorkoming van het misbruik, dat daarvan veelligt zoude kunnen worden gemaakt.



Zondag 30 januari 1825


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts heb ik de eer de Permanente Komm. hier nevens te doen toekomen

4. Bestek, tekening en begroting van kosten betrekkelijk de vergroting van het logement te Frederiksoord. De Heer van Lemel schrijft mij bij het inzenden van die stukken dat de aannemer Wind gepresenteert heeft de in het onder­havige bestek beschreeven werken te maken voor ƒ2600.- terwijl de begroot­ing bedraag ƒ2968,80, met bijvoeging dat ZEd. zich overtuigd houd de gevraagde somme te weinig is, en dus zoude advijseren om aan geen ander die een diergelijk aanbod mogt doen, he werk te gunnen; doch in de eerlijk­heid en ambitie van Wind een genoegzaam vertrouwen te stellen, om te geloven dat hij het werk overeenkomstig bestek en naar eisch zoude afwer­ken, zonder daar toe door andere middelen gebragt te worden, ook dan wanneer hij eene naar evenredigheid aanmerkelijk verlies zoude moeten lijden en geeft ten slotte in consideratie met den gewonen aannemer voor de gevraagde sommen op de gebruikelijke wijzen te contrakteren. Ik heb gemeend dit berigt en advijs des Heeren van Lemel ter kennis van de Permanente Kommissie te moeten brengen, terwijl ik de eer heb als het mijne daarbij te voegen dat ik, wat prijs en uitvoering in geval de Perm. Komm. het werk aan Wind wilde vergunnen, wel in het gevoelen van den Heer adjunkt Direkteur deele, doch des niet tegen staande hier aan eene publieke bestee­ding de voorkeur zoude geven, ten einde alle schijn van partijdigheid te vermijden, en om dat het evenwel mogelijk is dat Wind zijne rekening als naauwkeurig beschouwende, het werk voor de nu gevraagde prijs aanneemt.

Verder heb ik de eer ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen dat ik voor eenigen tijd te Ommerschans mij bijzonder heb geinformeerd omtrent de wijze van bepaling en uitoefening van straffen aan bedelaars welke zich aan eenige misdaad rakende de goede order en discipline in het etablissement en onderhorigheden, hebben schuldig gemaakt; en bevonden dat daar bij zoo als ik reeds vroeger gelegenheid had optemerken, alle willekeurige handelwijzen waren geweerd, hoewel dit een en ander zonder behoorlijk vastgestelde wetten en reglementen plaats hadt: en daar het mij voorkwam dat het nodig is, hier in te voorzien, verzogt ik den Heer Harloff mij bij wijze van reglement te stellen, de wijze waarop deeze zaak gewoonlijk wordt behandelt; dit stuk nu ontvangen hebbende, heb ik nodig geoordeelt het zelve der Perm. Kommissie te notisseren(?) en neem de vrijheid haar te verzoeken het zelve zodanig gecorrigeerd als zij zal vermenen te behooren aan mij te retourneeren, met de bepaling tevens dat het alzo verbeterde, voortaan als de eenige en vaste regel bij het bepalen en uitoeffenen van de straffen in de Ommerschans zal worden gehouden en agtervolgt. Aangaande het boven bedeelde stuk neem ik nog de vrijheid hier bij te voegen dat ik den Heer Harloff heb te kennen gegeven, zwarigheid te vinden in het straffen van dieven, om reden het mij voorkomt wij daar toe niet geregtigt zijn.
Wijders ontvangt de Permanente Kommissie bij deeze een staat van voordragt tot classificatie der bedelaars te Ommerschans met betrekking tot hunne verdiensten en betaling aan onderscheidene zoo algemeene als bijzonder fondsen.
De ondervinding heeft ons geleerd dat het ons niet wel mogelijk is de onderscheidene werkzaamheden en personen op het land en in de fabrieken zodanig te verdeelen dat de sterken naar evenredigheid der kragten door hun aangewend, minder verdienen, dan de zwakken en daar door de zwakken iets te kunnen bevoordeelen; dat is, met kan niet beletten dat de een die 2 roeden land schiet, het dubbelde bv. ƒ"40 verdient, tegelijkertijd dat een minder sterken, met goede wil slegts eene roede verwerkt en dus ƒ"20; intusschen is het naar ons inzien van belang dat in de inrigting te Ommer­schans de sterken iets voor de zwakken over hebben, om zoodoende de gezamentlijke verdiensten eeniger mate gelijk te verdeelen, wijl de gezament­lijke arbeid, de massa van produkten of middelen van bestaan moet voort­brengen; het geen doch de sterke, om meerder verrigte arbeid, meer dan zijn aandeel geniet, heeft natuurlijk de zwakke minder en heeft niet genoeg. Aan de andere zijde heeft ieder individu regt op het geen hij verdient, en mag daarom de sterke met den zwakke, in genot van middelen tot levensonder­houd en genoegen niet worden gelijkgestelt; het is ook om deeze reden dat tot hier toe ieder het volle genot, uitgezonderd een derde der oververdien­sten, de vrugten van zijnen arbeid heeft gehadt, betalend aan de algemeene reserve of fondsen niet meer dan een ander; dit heeft egter ten gevolge dat jaarlijks eene aanzienlijk somme aan oververdiensten wordt betaald, dien in het wezen der zaak, door de Maatschappij geleden, of van de zwakke gekort wordt. Van nu hier in eenen midden weg te vinden, welke misschien door verdere ondervinding voorgelegt, nader zal behoren te worden gewijzigt, is voorgesteld de sterke mannen ƒ"25 per week meer in de onderscheidene fondsen te doen storten, dan het hier toe plaats heeft. Dat de vrouwen die spinnen, of ander fabriekwerk verrigten, minder voor kleding zouden laten staan, heeft zijnen grond in de mindere slijtage en betere gelegenheid tot onderhoud, waardoor zij minder nieuwe kleding en dus minder verdiensten of ondersteuning behoeven, van gelijkelijk tot andere fondsen te kunnen contribuëren; wordende geen meer nieuw kleding verstrekt dan het te goed op de kleding bedraagt.
Eindelijk heb ik de eer de Permanente Kommissie te berigten dat de wed. Goblé kol. N6 van de aan haar verleende permissie tot het aangaan van een huwelijk dd. 19 aug. 1824 N437 geen gebruik heeft gemaakt, en nu met en benevens Arie, zoon van den kolonist Kuiters kol. N3 verlangd te trouwen, waartoe beide de toestemming hebben gevraagd.

Bijgevoegd is het voorstel van de indeling in klasse van de kolonisten van de Ommerschans met hun verdiensten en verplichte bijdragen aan fondsen. De eerste klasse van mannen is onderverdeeld in sterk, ordinair en zwak en de tweede en derde bestaan uit jongens. Bij de vrouwen is de onderverdeling van de eerste klasse sterk, ordinair en spinster, de tweede bestaat uit meisjes en spinsters, evenals de derde. 72)



Maandag 31 januari 1825


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van de subcommissie Leiden aan de Permanente Commissie:

Het is met leedwezen dat wij meer en meer roomsecatholijke leden verliezen, ja zelfs de pastoor, welke lid onzer subcommissie is, van Karvel, difficulteert in het persisteren bij zijn lidmaatschap; alles voortspruitende uit de klagten van genoegzaam geheel gemis aan godsdienstig onderwijs te Veenhuizen; ware het der P.K. mogelijk, bij de tegenwoordige gereedmaking der 2 volgende gebouwen te Veenhuizen aldaar een R. Cath. geestelijken te vestigen, zulks zou alle klagten over ongelijkheid van onderwijs der verschil­lende godsdienstige gezindheden doen ophouden. De R.C. geestelijken zeggen hier openlijk, geene vrijheid te hebben, om hun armbestuur het zenden van huisgezinnen derwaarts aanteraden, ja veeleer zulks te moeten afraden.

Bijgevoegd:

Ondergeteekende bekent ontvangen te hebben van J.T. Bodel Nijenhuis, secretaris der Leijdsche subkommissie van de Maatschappij van Weldadig­heid, voor reiskosten, om op zijne soldij aftedoen, de som van een gulden, vijftig cents. Leiden 20 nov. 1824
A.G. Los gewezen zaalopziener te Veenhuizen 72)


Ingekomen post invnr 72. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Gisteren geomitteerd zijnde omtrent het te goed van Kristiaan Smallenbach te berigten, heb ik bij deze de eer te melden, dat deze jongeling geen andere dan zijne opgelegde spaarpenningen, ten bedrage van ƒ46,75 in de kolonien heeft te pretendeeren.
Verder vind ik mij in de onaangenaame verpligting ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen, het onbetaamlijk gedrag van den wijkmeester Eikelboom kol. 1&2; deeze geemployeerde sedert lang verdagt misbruik van sterken drank te maken, heeft zich in de gepasseerde week in eene herberg, in de nabijheid der koloniën bedronken, en met den kastelijn geslagen, met dat gevolg dat deeze hem bij den Heer schout van Vledder heeft aangeklaagt en waarschijnlijk verder in regten zal vervolgen; daar zulk voorbeeld niet dan eene zeer nadeelige invloed op het gedrag der kolonisten, wiens voorganger in het goede een wijkmr. behoort te wezen, hebben kan; en Eikelboom door zijn onvoorzigtig gedrag zich alzoo voor zijne betrekking ongeschikt gemaakt heeft, hoewel hij anders veele tot de post van wijkmr. nodige hoedanigheden bezit; moet ik de Permanente Kommissie verzoeken hem, zoo niet geheel uit den dienst der Maatschappij te ontslaan, ten minste op gelijke wijze als in der tijd de geemployeerde Van Riemsdijk en Oosting, te corrigeren.
De kolonist Dijkshoorn kol N1, verlangende een huwelijk aan te gaan met zeekeren Aaltje de Wit geboren te Ruinen, oud vijf en veertig jaren, heb ik de eer dit ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen, met verder informatie dat naar ons inzien, geene redenen bestaan dit verzoek te refuseren, en neem de vrijheid de Perm. te solliciteeren mij hare intentie dien aangaande te willen meedeelen. 72)


Ingekomen post invnr 72. Brief van de schout van Koog aan de Zaan over Engeltje Oerhaan.transcriptie