Naar het overzicht
van de POST







De POST van JUNI 1824

Dinsdag 1 juni 1824

1 juni 1824, administrateur, zendt in eene naamlijst van vreemde bedelaars in de Ommerschans, met verzoek die in loco te doen verifieren en suppleren, ten einde die bedelaars ofschoon geen jaar in het etablissement geweest, uit hetzelve over de grenzen te doen brengen (Ingekomen post brievenboek invnr 348)

1 juni 1824 Uitgaande post volgens het brievenboek met invnr 926. Brief  aan de subk Amsterdam, diversen w.o. aanneming van het arb gezin, in vervanging van Blije(?) Smit, doch niet van de indeeling van A. Leenders daarbij; voorstel om het 5e huisgezin uit de geregtsban Vreeland, uit hoofde van het zwak personeel, overtenemen met indeeling van gen jongeling A. Leenders

1 juni 1824 Uitgaande post volgens het brievenboek met invnr 926. Brief aan de Staatsraad Dir Gen van de Herv Kerk, bedenkingen over de kerkeraad op de OS  vermelding



Woensdag 2 juni 1824

2 juni 1824, gouverneur van Zeeland, doet aanvrage ter overneming van 60 valide bedelaars uit het werkhuis te Veere optezenden. Vermeent dat voor het transport van deze geene vergoeding van kosten gedaan wordt en dus het tarifieren dier kosten voor Zeeland niet noodig zal zijn --> bewantw 16 juni, geschreven aan den direkteur 17 id en aan den administrateur 19 juni, not 15 id art 3 (Ingekomen post brievenboek invnr 348)


Donderdag 3 juni 1824

3 juni 1824, aan de administrateur, o.a.: inzending eener nota van opnieuw door den minister verschuldigde bestedingsgelden, ad f 30,000:- (Uitgaande post brievenboek invnr 926)



Vrijdag 4 juni 1824

4 juni 1824 Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 348. Staatsraad Direkteur Generaal voor de Hervormde Kerk, zendt in afschrift van ZHEG dispositie op het voorstel van Ds Amshoff omtrent een kerkeraad te Ommerschans; waarbij Z.M. wordt geinviteerd, om zich deswege vooraf te verstaan met de P.K.  vermelding

4 juni 1824 Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 348. Administrateur, verzoekt de inzending maandelijks van eene staat van het nevensgaande model, omtrent het aanwezig getal bedelaars in de Ommerschans, verzeld van eene opgave der toegestande kredieten van plaatsen in dat gesticht

Zaterdag 5 juni 1824

Ingekomen post invnr 69. Brief van de subcommissie Zaandam aan de Burgemeesteren en Wethou≠ders van die stad. transcriptie:




Zondag 6 juni 1824

Ingekomen post invnr 69. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Sommige punten in brieven der Permanente Kommissie gedurende mijn afwezigheid nog onbeantwoord gebleven zijnde, zal dit zoo spoedig mogelijk plaats hebben.



Donderdag 10 juni 1824

Ingekomen post invnr 69. Brief van de subcommissie Middelburg aan de Permanente Commissie:

Zoodra wij ontfangen hadden UWEd missive van den 15 deezer no. 112 hebben wij overwerk gemaakt van de opsporing van het verblijf van Jacobus de Villaers daarbij vermeld, en na dat ons ten gevolge daarvan was gebleken dat de persoon zelve zich te Vlissingen ophield, hebben wij getracht van denzelven de redenen te vernemen waarom hij op eene heimelijke wijze de kolonie had verlaten. Op last van den Heer Burgemeester der stad Vlissin≠gen vůůr onze voorzitter gebragt, heeft hij voor reden van zijn vertrek opgegeven de geringe verdiensten welke hij van den veldarbeid konde trekken; zijne vruchtelooze poging om van metzelaar of steenhouwerswerk - in welk laatste hij in de volmaaktheid ervaren is - te bekomen, en voorname≠lijk de teleurstelling welke hij heeft ondervonden in zijne verplaatsing naar Veenhuizen, uit de kolonie Frederiksoord werwaards, hij (zoo hij zegt) op aanmoediging der kommissie van Gorinchem zich op goed geluk had henen begeven. Thans heeft hij te Vlissingen als steenhouwer overvloedig werk en zegt niets liever te verlangen dan dat zijne kinderen, die nu in de kolonie als weezen behandeld worden, naar hem werden teruggezonden en dat ook zijne vrouw bij welke hij geene kinderen heeft, vermocht terugkeeren zoo zij dit zelve begeert; en verklaart zich overigens bereid om voor zijne schulden in de kolonie borg te stellen, doch weigert volstrekkelijk zich derwaards te begeeven.
Wij hebben gemeend UWEd met bovenstaande bijzonderheden te moeten bekend maken en UWEd daarbij tevens te moeten mededeelen, dat de Heer Burgemeester van Vlissingen door dien van deze stad is verzocht op meergemelden Jacobus de Villaers een wakend oog te doen houden ten einde UWEd in staat zoude zijn om ten zijnen opzichte zoodanige maatrege≠len te nemen of te pouvereren(?) als UWEd geraden zult vinden.



Ingekomen post invnr 69. Brief van P.J. Armand aan Johannes, Visser of Harloff:

Ik gebruik de vrijheid UWEd. inleggend adres aan de Permanente Kommissie van Weldadigheid te doen toekomen, met vriendelijk verzoek hetzelve te willen inleveren en mij goedgunstelijk met UWEd. veelvermogende protectie te willen ondersteunen. Zoude UWEd. verkiezen, alverens met mijne mama de wed. Nic. Armand te spreeken, an UWEd. zich ten haren huize in de Raamstraat naast de stal adresseren, bij aldien zij nog leeft of aldaar nog woonagtig is, waaromtrent ik zedert mijn verblijf alhier, zijnde zes maanden nog niets vernomen heb, anders kan UWEd. bij d'Heer Sprengers koopman op de Vierkaaij wel nadere ellucidatie bekomen. Ik heb ZijnEd. ook minimalen geschreven, doch ben nimmer met eenig antwoord verŽerd geworen, ik ween evenwel niet dat ik dezen Heer ooit iets in den weg heb gelegd.

Ik heb de eer mij met verschuldigde hoogachting te noemen

WelEdele Heer
UWEd. Onderdanige en gehoorzame Dienaar

P.J. Armand

Bijgevoegd:

Aan de Permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid

Bij aldien de zinspreuk Weldadigheid niet slegts eene woordenspeling is, maar wezentlijk ten doel heeft het geluk van arme menschen te bevorderen, en door hun eene gepaste werkzaamheid op te leggen aan den bedelstaf te ontrekken en hun daardoor tot nuttigere leden der zaamenleving te vormen, dan ook is mijne hoop en veronderstelling gegrond, dat mij navolgende bespiegelingen in UL. menschlievend hart eenige overweging zullen mogen verdienen.
In den Haag van fatzoenlijke ouders geboren - zijnde mijn overleden vader rentmeester geweest van 't Westland - genoot ik een naar hun vermo≠gen geŽvenredigde deftige opvoeding, en wierd tot de commercie opgeleid, waarin ik dan ook in Amsterdam zeven jaren op een kantoor ben geplaatst geweest, tot dat bij de nootlottige inlijving dezer landen in het toenmaals fransch keizerrijk den handel geheel den bodem wierd ingeslagen, en ik mij buiten 's lands begaf; alwaar ik eerst in Oostenrijksche dienst, en vervolgens met de algemeene vreede ontslagen zijnde, mij voornamentlijk op de kusten van de Middelandsche Zee, en gedurende de laatste jaren in Spanje, als tolk voor de zeevaart het opgehouden, tot dat ik genoodzaakt wierd, ook dat laatstgenoemde land door de oneenigheiden der constitutionelen te verlaten en kwam ik april des voorleden jaars in mijn vaderland te rug.
Een bijzonder geluk trof mij door oude connectien dadelijk te Amster≠dam ten kantoren van den Heer Jacob de Jong, Direkteur der Brandwaarborg Maatschappij geplaatst te worden, doch het was van korten duur, daar ik door ziekte verhinderd zijnde een paar dagen van 't kantoor te blijven, mijne plaats intusschen door een ander bezet wierdt, 't geen bij de menigvuldige kantoor bediendens die er thans door de stagnatie  der commercie voor half loon, ja zelfs voor de kost te bekomen zijn, niet zoo zeer te verwonderen is, doch kan d'Heer de Jong mij in alle geval geene reproches omtrent mijn gehouden gedrag doen.
In deze netelige omstandigheden begaf ik mij in december a.p. naar mijne famielje wonende in de Raamstraat ŗ 's Hage, welke ik echter wel wist, dat door den verkoop op Koninklijk gezag, van al ons grootvaderlijk en vaderlijk erfdeel in vaste goederen, veel gearriŽreerd te zijn; had eenige onaangenaamheden met mijne zuster Van der Hoop, en wierd een paar dagen daarna, als quasi gebedeld hebbende, naar de Ommerschans opge≠zonden, alwaar ik zedert niets meer van niemand vernomen heb, doch vermeen ik dat den Heer Springers op de Veerkaaij, die al de lotgevallen mijner famielje bekend zijn, ook hieromtrent wel iets naders mag weeten.
In deze situatie heb ik mij niet kunnen onthouden over mij zelve eens rijpelijk na te denken, en bevonden dat er een hoofdzakelijk ongeluk over 't geheele menschdom verspreid is, dat den mensch namentlijk zoo weinig in staat is om de omstandigheden naar zijne behoeften in te rigten, en dikwils genoodzaakt woerdt met begaafdheden voorzien, zijnen besten levenstijd nutteloos en zonder vooruitzigt te verbeuzelen.
Dit is dan ook de reden, waarom ik onderdanig de vrijheid gebruik te verzoeken mij eenige opheldering te willen mededeelen, dit ben ik aan mijn zelfsbehoude en bestaan voor 't vervolg verschuldigd, welke de intentie mag zijn der geŽerde Maatschappij van Weldadigheid, met mij hier gevangen te houden en kommerlijk te voeden, want het zij met verlof gezegd, voor zes stuijvers in de week kan men niet veel middageeten bekomen, en nog weiniger ontbijt en avondmaal en verder behoeftens voor twaalf stuijvers gedurende eene geheele week: wel is waar dat ik het genot mijner vrijheid mogelijk kan te gemoet zien, als ik volgens de bepalingen een jaar ben hier geweest en vijfentwintig gulden te goed heb gemaakt, doch dan ben ik nog niet veel verder gevorderd als nu, en ben ťťn of twee jaar ouder; of zoude het mij alsdan geoorloofd zijn mij op de weldadigheid dezer Maatschappij, met grond te kunnen verlaten omtrent een volgend honorabelder bestaan, waartoe zich dan welligt vůůr dien tijd bij de oprigting van zoo veele nieuwe koloniŽn, de gelegenheid mogt voordoen, waaromtrent ik mij van de welwil≠lendheid der geŽerde Kommissie durve overtuijgd houden, bij het voorbeeld hier aanwezeig, alhoewel in een ander vak, van den onlangs aangekomen en thans als doctor fungerenden Heer van Steenwijk.
Ik heb de eer mij met de meest verschuldigde eerbied te noemen

UWWEd: Zeer onderdanige en gehoorzamen Dienaar

P.J. Armand
Ommerschans den 10 junij 1824 69)

Uit het boek Veenhuizen/Ommerschans: Petrus Johannes Armand (22-1-1788 Den Haag) is een zoon van Nicolaas Armand en Dorothea Cornelia Wisselij. Hij is op 19-12-1823 door de stedelijke regering van Den Haag naar de Ommerschans gezonden. Hij is 5 voet en 3 duim hoog, heeft een lang aangezicht, hoog voorhoofd, grauwe ogen, ordinaire neus, kleine mond, ronde kin en zwart haar. Als bijzonder kenmerk wordt "pokdalig" genoteerd. Bij zijn inschrijving staat vermeld dat hij op grond van inschrijving bij een bijzonder contract een ander nummer krijgt. Bij het nieuwe inschrijvingsnum≠mer staan dezelfde gegevens plus: den 10 juny 1825 gereclameerd als deserteur der 17e afdeeling infanterie door de Provinciale Commandant van Overijssel. Als zodanig afgestaan.

Ingekomen post invnr 69 scan 745. Brief van de subcommissie Amsterdam met ook opmerking over de weduwe Haarman.vermelding


Zaterdag 12 juni 1824

Ingekomen post invnr 69 scans 759-en-verder. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie, met ondermeer:

- stukje over claim om terugbetaling door Fenner. transcriptie .:

- over het indelen van Cornelis Schrijver bij de weduwe Alblas.transcriptie

Omtrendt de klagten der besteedelingen IJsbrand Rens en Johanna Here≠mans van Purmerend, is diendende dat den eerstgemelde wel gedefigureerd wordt door een te hogen rug (of bogchel), doch het zeer te ontkennen is, zulks aan zwaren arbeid in de kolonien is toeteschrijven. Het spitten toch als de zwaarste kolonialen arbeid te beschouwen, kan nimmer iemand defigure≠ren. Bovendien zegt hij, zich eenmaal nog te Purmerend zijnde, met het opwerpen van turf te hebben bezeerd en toen reeds onderhanden van een doctor of chirurgijn te zijn geweest, zonder hersteld te worden en heeft dus meer dan waarschijnlijkheid de oorzaak van zijnen kwaal van Purmerend mede gebragt. Wat betreft de mishandeling van de laatste door hare huis≠moeder, deze klagten is niet geheel ongegrond, die vrouw is daar over meermalen ernstig onderhouden en het kind zelve voor eenige tijd bij Faber gehuisvest, blijvende het intusschen als tot het huisgezin van C. Vries te behoren beschouwd en dat wel om dezelve reden die de Permanente Kommissie aanhaaldt; als in het voorbij moet ik bij deze gelegenheid opmer≠ken dat men kinderen, welke ten gevolge van een diergelijk kontrakt bij huisgezinnen zijn ingedeelt, inzonderheid die van Rotterdam, reden van klagen hebben, terwijl dat boven ons vermogen is, daar in genoegzaam te kunnen voorzien.
Wat verder betreft de klagten der kolonisten Breek + de Vries dat dezelve geen zuivel of boter zouden hebben, zijn van alle gronden ontbloot, wijl ieder hunner eene zeer goede melkgevende koei heeft, zoo zelf dat de vrouw van Breeks driemaal in de week heeft gekarnd, hoe weinig boter dit dan ook moge opleveren zal het toch voor een koloniaal huisgezin wel voldoende wezen.

Stukje over kolonist Dirk van der Waal.transcriptie

Rode Kloosterhuis: IJsbrand Rens of Rins (7-6-1809) wagenmaker van beroep. Op 20-7-23 gekomen, op 13-8-28 gedeserteerd. Er was ook een Willem Rens of Rins (25-11-1810), eveneens ingedeeld bij Cornelis Breek, eveneens gedeserteerd en wel op 24-7-27.
Johanna Heremans of Houmans (26-9-15). Op 20-7-23 gekomen, bij veel gezinnen ingedeeld geweest. Op 3-8-36 niet van verlof terug, op 7-9-36 weer wel en op 21-7-38 definitief niet van verlof terug.
Cornelis Breek (13-10-1778 - 6-4-1840) en Geertje Potgieter (24-4-1783) uit Purmerend hebben 4 kinderen. Ze komen op 27-3-23 in Willemsoord. Hij is een gewezen commies van de Rijksmiddelen.
Cornelis de Vries (7-8-1781 - 1-5-1846) en Elisabeth Scheffer (11-2-1790 - 7-3-1859) komen eveneens uit Purmerend en hebben 5 of 6 kinderen. Op 20-7-23 komen ze in Willemsoord.
Dirk van der Waal (6-7-1771) en Anna Catherina Baldť (7-5-1782) uit Rotterdam hebben 5 kinderen van wie er 2 in Rotterdam blijven. Dirk was koorn- en rummolenaar van beroep. Op 5-2-24 komen ze in Veenhuizen, maar worden later verplaatst naar Willemsoord. Op 13-8-28 wordt het gezin ontslagen.



Zondag 13 juni 1824

Ingekomen post invnr 69. Visser denkt de komende tijd É10.000,- nodig te hebben.



Woensdag 16 juni 1824

Ingekomen post invnr 69. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

- over conflict Vogelsang-Van Waardenburg. transcriptie

- over de boekhouder Heystek op de Ommerschans. transcriptie

Eindelijk dat de kolonist Verhagen, kol. N3 de kolonie heimelijk heeft verlaten, agterlatende zijne vrouw en kinderen. Ik heb gemeend afschrift des briefs van den onder-Direkteur Bersma waar in hij mij van het voorgevallene berigt, hier bij te moeten voegen, ten einde het vreemde van zoodanige handelswijze bij een man wie in de beste harmonie met zijne vrouw leefde te doen opmerken. Hier bijkomt nog dat hij ook tot een der welvarendste kolonisten van N3 behoord.

Bijgevoegd:

Lambertus Verhagen, kol. in kol. N3 hoeve N67 is onder voorgeven doordien hij een paard hield, maandag ochtend 8 dagen naar Schooter markt gegaan, echter tot heden niet terug, heeft zijne vrouw en kinderen verlaten en is dus gedeserteerdt. Iets hetgeen mij zeer bevreemd door dien hij en zijne vrouw zeer te vreeden leefden, zoo als de vrouw mij nog getuigdt en toont nog de grootste achting voor haar man te hebben, ofschoon hij haar nu bedrogen heeft.
Hij werd beschuldigd meer dan gewone vriendschap te hebben met de vrouw van de kol. van der Pol in kol. N6 N2. Vrouw van der Pol kwam veel aan het huis van Verhagen te wasschen en te naayen en schenen goeden vrienden te zijn. Van iets onbetamelijks met elkander heb ik geens≠zins vernomen dan bij gissing, waaraan ik te meer minder geloof slaa door dien de vrouw van Verhagen deze laatste winter ziek zijnde, hij de grootste zorg voor haar droeg, zoo veel mogelijk haar zelfs oppaste en voor haar verkwikking en versterking met veel ijver zorgde, hetgeen mij vastelijk deed veronderstellen dat de beschuldiging met vrouw van der Pol valsch moest zijn en niet meer dan gewone vriendschap was. Evenwel hadt ik aan vrouw van der Pol permissie verleend om voor 14 dagen naar Harlingen te vertrekken en is ook maandag morgen vertrokken, heeft hare twee kinderen mede genomen en misschien is zij met Verhagen weggegaan mt oogmerk om niet weder terug te komen. Doch hier mede zullen wij den tijd van 14 dagen moeten afwachten.


Ingekomen post invnr 69. Visser stuurt enkele stukken.


16 juni 1824, aan de gouverneur van Zeeland, disponibelstelling van de verlangde 60 plaatsen in het Beds etablissement aan de Ommerschans, tegen 1e July 1824, voor een gelijk getal uit het werkhuis te Veere optezenden bedelaars (...) (Uitgaande post brievenboek invnr 926)

16 juni 1824, aan de subkommissie Amsterdam, Autorisatie tot opzending gewoon koloniaal gezin der weduwe Scholbroek, thans sterk 6 hoofden, (...) (Uitgaande post brievenboek invnr 926)


Zaterdag 19 juni 1824

Ingekomen post invnr 69. Brief van Fenner aan de Permanente Commissie. transcriptie



Ingekomen post invnr 69. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Bij deze gelegenheid neem ik de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken mij te willen inligten hoedanig te handelen met bedelaars die na drie maanden desertie, uit de contrŰle zijn geroyeert, weder worden opge≠bragt en indien tijd het contingent der provincie waar toe zij behoren door het vroeger opzenden van anderen is voltallig geworden? Ik neem al verder de vrijheid hier bij te voegen dat ik van opinie was dezelve niet te moeten aanneemen ten einde het contingent niet te surpasseren, het geen ik daar om ook aan den Heer Harloff heb geschreeven; uit zijne gisteren aan mij gemaakte aanmerkingen, dat het terug wijzen of niet aannemen van een gearresteerde deserteur, de nadeeligste gevolgen voor de verdere desertie zoude hebben, kwam mij zoo gegrond voor, dat ik vermeende, die mede aan de attentie der Permanente Kommissie te moeten adresseren.
Gisteren zijn mij door den Heer Ontvanger der Direkte Belastingen gezonden een aantal aangifte-billetten weges het patentregt voor het jaar 1824, met verzoek die aan den Heeren Adj.Direkteurs, ond. Direkteurs enz. uit te reiken, en doen invullen waarna Zijn WelEdG. dezelve wederom zoude afhalen. ZijnWelEdG. berigt mij tevens dat dit geschiede ten gevolge van en besluit de Heer Gouverneurs van Drenthe, naar aanleiding eener missive van den Heere Staatsraad Administrateur der Direkte Belasting te Assen. Hoewel ik geloof dat wij geemployeerden bij de Maatschappij van Weldadig≠heid voor het tegenwoordige verpligt zijn daar aan te houde, heb ik intusschen gemeend de Permanente Kommissie hiervan te moeten informeren, en neem ik het belang van alle geemployeerden zoo wel als van mij bij deze de vrijheid haar te verzoeken al dat gene te willen doen wat zij zoude vermenen te kunnen strekken om van deze last nu of in het vervolg te mogen worden verschoond. 69)



Maandag 21 juni 1824

Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer de Permanente Kommissie te doen toekomen den algemene staat der koloniŽn over de maand juny - benevens eenige brieven en naam≠lijsten van de nieuwe aangenomen kolonisten tot ledematen bij de hervormde godsdienst, mij door de WelEerwaarde Heeren Jentinck, Heerspink, predikan≠ten te Steenwijkerwold en Vledder, toegezonden.

Bijgevoegd is een brief van Heerspink. Hij schrijft getroffen te zijn door de vele dankbetuigingen van de kolonisten, waarvan hij er enkele meestuurt:. :

Brief van kolonistendochter Gerhardina Molewijk dd 28 april 1824. transcriptie



Frederiksoord den 2 mei 1824

Eerwaarde domine

Wij kunnen niet na laaten uw hartelijk te bedanken voor al uw moeite, en voor al uw onderwijs an ons gegeven. Wij bedanken uw lieve domine, dat gij ons als letmaaten hebt aangenomen, en ons met die godsdienst beken heb gemaak, die wij te voren naauwelijks bij naam kennen, en
lieve domine weet verzekert dat wij uw nooit vergeten, en nog minder uwe lessen, dezelve te leeren, en alle dagen nog nog maar te leeven. Wij bedanken uw hartelijk here domine en verzoeken uw dat gij voor ons ook den Permanente Kommissie wil bedanken. Wij zijn en hoopen door gedrag te kunnen blijven uw liefhebbende leerlingen
Gijsje Smaling, Harm Smit, Johanna Uhle, Maria Vulling, Elizabeth Rove, Grietje Rove, Hendrike de Peypers, Catherina Vermesage(?) 69)


Conceptbrief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armenwezen:

Wij hebben de eer gehad, met UWHEdG. missive van 18 mei ll. N28 te ontvangen, de missive van den Gouv. van Noord-Holland van den 30 bevo≠ren, met de daarbij behoorende bijlagen ten fine van berigt, konsideratien en advys.
Als berigt op dezelve moeten wij UWHEdG. mededeelen, dat wij meenen dat er zoo wel voor het school als voor het godsdienstig onderwijs te Veenhuizen, waarin de Komm. van Weld., die de eer heeft gepresideerd te worden door ZKH niet minder belang stelt, dan Reg. van het Aalmoez. huis en Burgem. en Weth. van Amsterdam, alle die zorg is aangewend en alle die maatregelen genomen zijn, die naar ons inzien menschelijk en uitvoerbaar waren; gelijktijdig toch met het gereedmaken van het gesticht hebben wij van ZM het verleenen van eenen predikant en van eenen R.K. geestelijken, uitsluitend voor dat etablis. bestemd, verzocht, en omgezien naar eenen schoolonderwijzer; terwijl tevens in het gesticht een geschikt locaal is inge≠richt, bestemd om voortdurend tot school- en voorts zoo lang tot dat bij de volbouwing van het 2= en 3= gesticht ook de kerken gebouwd zouden zijn, tot godsdienstbeoefening te dienen.
Toen eenige kinderen in het laatst van febr. zijn aangekomen, was de schoolmeester reeds benoemd, doch ZM had nog niet op ons verzoek gedisponeerd. Om nu ook, hangende ZM deliberatien, in het godsdienstig onderwijs en de godsdienstoefening te voorzien hebben wij den predikant van Vledder en den kapellaan in kol. 4 gevestigd, aangezocht om zich ťťnmaals 's weeks, ten koste der M., te dien einde naar Veenhuizen te begeven, en beide dit volijverig aangenomen hebbende, heeft zulks werkelijk plaats gehad, terwijl de schoolonderwijzer aangekomen zijnde, reeds in de eerste dagen van maart het schoolonderwijs aanvang genomen heeft. Daarna heeft ZM bij besluit van 6 april ll. N167 ons verzoek toestaande; den Heer Heerspink, thans predikant te Vledder, tot predikant te Veenhuizen benoemd, en deze, de even als de pastoor voortdurend wekelijks derwaards gaat, zal, zoo dra de kerkelijke formaliteiten vervuld zijn, te Veenhuizen bevestigd worden. De R.K. geestelijke, zoo even gemeld, vervult zijne betrekkingen te Veenhuizen met de meeste ijver, en de voorschriften van den R.K. godsdienst worden aldaar onder zijn toezigt met de meeste naauwgezetheid waargenomen.
Als eene konsideratie die ons belangrijk voorkomt, moeten wij hierbij voegen, dat de 5 jongelingen, die uit Veenhuizen naar Amsterdam zijn gegaan om zich bij Militie Raad te susteren, en waarvan sommige deze berigten zouden hebben gegeven, den 12 maart van Veenhuizen zijn vertrok≠ken; terwijl een hunner den 19e en de overige eerst den 28 febr. te Veenhui≠zen zijn aangekomen. Het zal toch geen betoog behoeven, dat een verblijf van 14 dagen weinig geschikt was, om vertrouwen te doen stellen in het verhaal der jongelingen, dat zij niet in de mogelijkheid waren om in dezen eenig juist oordeel te vellen, en dat het onderwijs natuurlijk in de eerste dagen na de aankomst van het 1e gedeelte der bevolking, het welk voor alles gekleed en met de inrigtingen en den arbeid bekend moest worden gemaakt, niet geregeld konde zijn. 355


Conceptbrief van de Permanente Commissie aan de subcommissie Zaan≠dam:

Wij hebben met leedwezen ontvangen de mededeling van UWEd. missives van den 5e dezer maand aan Heeren Burgemeester en Wethouderen van Zaandam gerigt. Wij hadden gehoopt dat UWEd. zouden hebben afgewacht de mededeelingen, welke wij ter beantwoording van UWEd. beide missives van november 1823 en april 1824 aan UWEd. meenden te doen en welke wij ons voorstelden te gelijk met het ......... van den uitslag van de opneming van de bij laatstgem. brief ingezondene verantwoording aan UWEd. te doen geworden.
Het zoude ons gevoelig treffen indien tusschen ons en eene subkom≠missie welker ijverige poging tot behartiging van de belangen der Maatschap≠pij wij steeds van derzelver oprigting af erkend hebben, door toevallige omstandigheden een misverstand konde oprijzen 't welk tot deszelfs ontbin≠ding aanleiding konde geven.
Wij stellen er dus veel belang in om UWEd. in de eerste plaats bekend te maken met hetgeen aanleiding heeft gegeven om de beantwoor≠ding van UWEd. missive te doen uitstellen en om in de tweede plaats de punten dier missives zelve te beantwoorden.
Toen wij UWEd. missive van den 16 september 1823 ontvingen, namen wij de informatiŽn in de koloniŽn welke ter beantwoording nodig schenen, en deze beantwoording had dan ook op den 29e october plaats. Uwe volgende van den 21 november deed ons tegen onze verwachting zien dat onze beantwoording door UWEd. als geheel onvoldoende wierd be≠schouwd en UWEd. inlichting en beantwoording op verschillende daarbij opgegeven punten verlangden. Dit maakte op nieuw het inwinnen van berigten noodig. De bijzondere warmte waarmede de brief van de subk. geschreeven was deed ons bovendien wenschen eenigen tijd te laten verlopen, ten einde eene bezadigde beoordeeling te doen plaats hebben. Eindelijk meenden wij met eene beantwoording welke blijkens het slot der missive aan de subk. zulke ernstige gevolgen konde hebben, ten moeten wachten, tot de terugkomst van onzen doorluchtigen voorzitter, welke terugkomst het UWEd. bekend is, dat eerst nu deze maand plaats gehad heeft. Deze zijn de redenen geweest aan het niet vroeger beantwoorden van UWEd. meergen. brief.
Ten einde nu tot die beantwoording overtegaan moeten wij alvorens de bepaalde vragen door UWEd. gedaan, te behandelen met een enkel woord herinneren aan de algemeene regelen welke bij de overneming van huisgezinnen uit de kontributiŽn in acht genomen worden.
De subkommissien worden in rekening gekrediteerd voor al het geen zij wegens kontributiŽn en giften in de Maatschappelijke kas storten; voor ieder huisgezin dat van de subk. overgenomen en in de koloniŽn gevestigd wordt, wordt eene subk. daarentegen gedebiteerd voor de som van É1700.-
Van deze som is, die van É350 bestemd volgens de reglementen voor kleeding, huisraad, gereedschappen en voorschotten. Hetgeen daarop aan den kolonist verstrekt word, wordt hem als schuld opgeschreven, en moet bij vervolg in de Maatschappelijke kas en in het kredit aan de subk. terug komen. De kleeding, huisraad en gereedschappen is eene schuld, welke in 16 jaren moet worden gekweten; de voorschotten moeten, indien de geheele hoeve na het derde jaar in cultuur is, bij gedeelten uit den oogst worden terug betaald.
Wanneer dus de gestelde tijd tot die afdoening verlopen is, komen de kosten van kleeding zoo even gemeld, terug, en het kredit van de subk. wordt vermeerderd met hetgeen alzoo terug ontfangen is.
Wanneer nu echter een zoodanig huisgezin de kolonien verlaat, alvorens die tijdstippen verlopen en vooral, voordat dezelve aangevangen zijn dan kunnen de voorschotten niet meer van hetzelve worden terugbekomen, de kleeding enz. wordt gedeeltelijk medegenomen, gedeeltelijk in zeer verminderde waarde achtergelaten en blijft almede onvoldoende.
Het staat in zoodanig geval aan de keuze van de subk. of zij het gedeserteerde huisgezin al dan niet door een ander wil vervangen.
Ziet zij van de vervanging af dan blijft van de som van É1700, welke in haar debet gebragt was niet meer daarop staan, dan hetgeen op kleeding en voorschotten ongerembourseerd is gebleven, na aftrek van de waarde van het achtergelatene en de te veld staande produkten.
Alles wat van de É1700 bestemd is voor grond, huis, ontginning, koeijen etc. wordt uit haar debet weggenomen. Haar kredit groeit dus weder≠om aan, en blijft voor volgende onderneming bestemd.
Verlangt zij de vervanging, dan geschiedt dit natuurlijk door een nieuw huisgezin. Dit huisgezin kan natuurlijk niet lijden ter zake van het gedrag van het vorige, maar heeft aanspraak op nieuwe kleeding, huisraad en gereedschappen, alsmede op het genieten van die voorschotten, welke de reglementen voorschrijven, zonder dat daarbij in aanmerking komt, hetgeen het overige genoten heeft, tenzij zoodanig vervangend huisgezin zelve verkiest het gebruikte huisraad enz overtenemen.
De volle É1700 moeten dus voor dit huisgezin disponibel blijven en dien tengevolge moet, hetgeen de eerste na aftrek van de waarde van het achtergelatene enz. schuldig is gebleven, voor de genoemde objecten boven de É1700, en het debet van de rekening der subk. gesteld worden. Met andere woorden, wanneer een huisgezin deserteert, alvorens de termijnen waarop hetgeen op schuld verstrekt is, gerembourseerd moet worden, verschenen zijn, worden de meerdere kosten welke daardoor noodwendig veroorzaakt worden,in het debet van de subk. gebragt.
Na deze ontwikkeling wordt de beantwoording van verschillende gedane vragen, zeer eenvoudig.
Op de eerste vraag dan om tot bijzonderheden overtegaan, antwoor≠den wij: de schuld, door Thesink nagelaten, wordt gekweten door daarmede de rekening van de subk. te debiteeren; wordt hij niet geremplaceerd, dan wordt daarentegen de É1700 waarvoor zij wegens de plaatsing van Thesink gedebiteerd was, gevoijeerd; wordt hij niet vervangen dan blijft die É1700 in het debet staan.
Op de tweede, het vervangende huisgezin ontfangt nieuwe kleeding, huisraad en gereedschappen tenzij het vervangende huisgezin de overne≠ming van het gebruikte verkiest, in welk geval de subk. ook voor zoo veel minder wordt gedebiteerd.
Op de derde. De Permanente Kommissie heeft nimmer kennis gedragen, dat er door de ouders van Thesink toelagen aan hem zijn gezon≠den. Had zij dit geweten zoude zij het afgeraden hebben, als beschouwende zoodanige toelagen als geschikt, om de kolonisten tot luiheid te doen overhel≠len, en zij zou in alle gevallen het oog hebben doen houden op het gebruik 't welk hij van deze toelagen maakte, waartoe zij nu buiten de mogelijkheid geweest is. De informatiŽn, welke wij ten dien aanzien nader genomen hebben, hebben niet geleid tot de ontdekken, op welke wijze hij het medege≠bragt en ontvangene doorgebragt heeft. De paarden die hij gehad heeft, heeft hij mede genomen.
Op de vierde vraag, De kolonisten hebben geenszins de vrijheid om naar welgevallen te leven en al of niet te arbeiden. De lekture van de regle≠menten kan van het tegendeel overtuigen, en zelfs wanneer zij door luiheid hun onderhoud niet verdienen, worden zij naar de straf kolonie verplaatst. Intusschen is de een ijveriger dan de ander en verdient dus boven zijn levens onderhoud meer dan deze. In den aanvang en vooral in het eerste jaar zijn steeds eenige voorschotten nodig en daarom is juist daarvoor eene som onder de É1700 begrepen. Wij herhalen, dat Thesink gedurende zijn verblijf de voeding voor zijn gezin verdiend heeft, en de voorschotten te dien aanzien aan zijn door zijne desertie achtergelaten huisgezin gedaan zijn.
Op de vijfde vraag. De subk. behoort niet te boeten voor de luiheid van kolonisten, maar dat is ook het geval niet. De verstrekkingen in voor≠schotten, die de schuld uitmaken, geschieden aan alle kolonisten, en juist omdat men voorzag, dat zij in het algemeen de teruggave niet spoediger konde doen, is dezelve in termijnen bepaald. Wanneer nu een huisgezin na de afbetaling vertrekt wordt de subk. voor de geheele É1700, waarvoor zij bij de plaatsing gedebiteerd is, gecrediteerd of de vervanging geschiedt geheel zonder de subk. voor iets te debiteeren. Vertrekt het huisgezin vůůr de afbetaling dan moet de subk. natuurlijk voor zooveel minder worden gecredi≠teerd, als van de É1700 verloren is gegaan, of bij vervanging voor dat verlorene gedebiteerd worden. Het beginsel dat iedere subk. voor hetgeen zij stort gekrediteerd wordt, en voor niets mag gedebiteerd worden, wat voor eene andere subkommissie zoude besteed zijn, maakt het volstrekt onmoge≠lijk anders te handelen.
Op de 6e vraag: een vervangend huisgezin staat volkomen gelijk met een nieuw, en alle dezelfde bepalingen zijn daarop toepasselijk.
Op de 7e vraag dat het te veldstaande niet hooger is gewaardeerd is aan drie redenen toeteschrijven
a) het huisgezin had reeds van de vroege vruchten geconsumeerd.
b) de aardappelen zijn buiten zijn schuld niet goed geslaagd.
c) weinige dagen voor zijn vertrek heeft hij zijne paarden in de boekweit en rogge laten loopen, waardoor een en ander afgereten is. Hierdoor is hij zeer ernstig gecorrigeerd.
Ten aanzien van het schuldboekje moeten wij er bijvoegen dat niet alleen de kolonisten kennis daar van dragen, maar dezelve telkens wanneer daarvan iets geboekt wordt, terug ontvangen en dit ook het geval met Thesink geweest is, de Direkteur geeft het boekje af, den boekhouder vult het in. De kolonisten hebben ten gevolge van de reglementen die hun alleen herhaaldelijk worden medegedeeld de bevoegdheid om elk oogenblik zich bij den Direkteur te beklagen, indien zij meenen ten onregte voor iets gedebi≠teerd te zijn, en elk jaar stelt een van de leden der P.K. die opzettelijk de boekjes met de rekening boeken in loco gaat vergelijken, hen in de gelegen≠heid om hunne aanmerkingen te maken. Hun stilzwijgen waarborgt dus de juistheid van dit boekje.
Wij wenschen opregtelijk dat deze beantwoording aan UEd. verlangen zal voldoen, en UEd. zal doen toestemmen in onzen wensch, om aan UEd. missive van den 5 junij aan Burgemeester en Wethouderen, geen eerder gevolg gevende, de werkzaamheden van de subk. bij voortduring te blijven waarnemen. 355


Uit de begeleidende brief aan B & W van Zaandam:

Wij voegen hierbij, onze verwondering, dat de subkomm. te Zaandam, bij derzelver klagten over het weinig voordeel van plaatsing van behoeftigen, geen gebruik gemaakt heeft van de aan haar in do 10 nov. ll. toegekende plaatsing gratis van een huisgezin in het etablissement te Veenhuizen; waaromtrent wij van de subk. nimmer eenig antwoord hebben ontvangen. 355



Dinsdag 22 juni 1824

Besluit der Permanente Commissie van 22 juni 1824 houdende het ontslag van den boekhouder Heystek in de Ommerschans, invnr 960
Zie http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Besluiten/1824_06_22Heystek.html


Besluit der Permanente Commissie van 22 juni 1824 houdende het ontslag van den onderdirekteur Leendert Vogelenzang, invnr 960
Zie http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Besluiten/1824_06_22Vogelenzang.html


22 juni 1824, subk Hoorn, Meldt, met erkentelijkheid voor de ontheffing van derzelver leden van het bewust restant, tot de hervatting harer werkzaamheden gezind te zijn (Ingekomen post brievenboek invnr 348)

22 juni 1824, aan de Hoofdbestuurderen van het bedelaarsgesticht te Hoorn, toezending van het mandaat No 133(?) ŗ 60 (?) tot rembours van transportkosten van de opgezondene bedelaars, met verzoek om kwitantie en ?? (= reactie op brief Hoorn, behandeld in not 22 juny art 27) (Uitgaande post brievenboek invnr 926)



Woensdag 23 juni 1824

23 juni 1824, gouverneur van Groningen, meldt de afwijzing aan de Ommerschans van ťťn invalide bedelaar (Ingekomen post brievenboek invnr 348)

24 juni 1824, aan directeur W Visser, (...) autorisatie tot overplaatsing van Van de Waal uit Veenhuizen in de vrije koln (is dit het EERSTE arbhuisgezin dat wordt gepromoveerd?) (diezelfde dag wordt de subk Rotterdam hierover geinformeerd) (Uitgaande post brievenboek invnr 926)


Donderdag 24 juni 1824

Uit een brief van de Permanente Commissie aan de Administrateur van het Armenwezen:

De reclame tegen de voldoening van het best. penn. voor Jacoba Margaretha Boon van Ostade door de HH Ged. Staten van Zuidholland voor vervallen wordende gehouden, hebben wij naar deze geen nader onderzoek doen plaats hebben; alleen willen wij, omtrend de aanmerking van de Ged. Staten van Zuidholland omtrent deze persoon er bij voegen, dat die vrouw benevens hare 2 kinderen, Jan Daniel Doderlin de Win en Willem Jacob Boon van Ostade, alle in de Ommerschans opgenomen en aldaar aanwezig zijnde, dezelve mitsdien ook op de ingezonden tweede halfjarigen staat; onder N1096, 1097 en 1098 voorkomen, de moeder als geboren te Gouda, het oudste kind te Dordrecht en het 2e te Utrecht.

Zoo mede dat van de opvatting der 3 volgende in den brief vermelde, met name Jacob Torenvliet, Hendrika Kwast en Cornelis van Straten geene aanschrijving of signalement bij het bestuur te Gouda ontvangen is, meenen wij niet tot ons onderzoek te behooren. Wat echter het personeel dezer 3 werkelijk overgenomene bedelaars aangaat, nemen wij de vrijheid ons omtrent de eerste te refereren aan onze missive dd. 7 mei N86 en 2 juny N166. 355


24 juni 1824, aan directeur W Visser, (...) autorisatie tot overplaatsing van Van de Waal uit Veenhuizen in de vrije koln (is dit het EERSTE arbhuisgezin dat wordt gepromoveerd?) (diezelfde dag wordt de subk Rotterdam hierover geinformeerd) (Uitgaande post brievenboek invnr 926)


Vrijdag 25 juni 1824


25 juni 1824, de zuster van de weduwe Van Thiel, verzoekt om eenige onderstand voor hare behoeftig geworden zuster die thans weduwe is --> notificatie (Ingekomen post brievenboek invnr 348) vermelding


Zaterdag 26 juni 1824

26 juni 1824, aan directeur Visser, (...) herinnering van het aanstellen van Swart op de 10 mei ll tot zaalopziener, volgens missive aan den direkt in d 12 Mei No 97, met toezending van den ontvangen brief van Swart, waaruit blijkt dat daaraan geen gehoor gegeven is (verwijst naar 'den partikulieren brief van Swart door den Hr van R ontvangen) (Uitgaande post brievenboek invnr 926)


Dinsdag 29 juni 1824

29 juni 1824, D. Sonne te Delft, verzoekt voor deszelfs zoon D. Sonne uit de Ommerschans, als zich aldaar wel gedragende, ingevolge bijgevoegd certificaat (Brievenboek post Ingekomen post invnr 348)