Naar het overzicht
van de POST







De POST van JULI 1823

Dinsdag 1 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Uit een brief van de subcommissie Schiedam aan de Permanente Commis­sie:

Nog hebben wij namens de kamer een ver­zoek omtrend het huisgezin van de wed. Hille, welke met hare kinderen in de colonie woonachtig is. De moeder dezer weduwe zijnde zekere Anna van der Hout, wed: van J.A. Daens, nu wonende te Rotterdam ver­langt haar kinderen en kindskinderen bij zich, om haar in tewoonen en te zamen de kost te verdienen. Daar nu de wed: Hille een mensch is weinig berekend om in de colonie voort te komen, brengt de kamer dit verzoek tot de Commissie, met verlangen dat aan de be­geerte der moeder zoo mogelijk mag voldaan worden. 65)


Donderdag 3 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Betreffende de aanstekende koorts welke in de kolonie zoude heerschen; daar aan heb­ben wij hier nimmer mindeerden(?) tegen­woordig gedagt, en zijn zoo ver mij bekend is ook om de koloniën geene spooren dezer ziekte.
Voorts heb ik de eer de Perm. Komm. te informeren dat de wede Ver­kooten den 27. der vorige maand met den zaal opziener Emmelot, die zijne familie te 's Hage wilde bezoeken, derwaards is vertrokken; als me­de, dat onder geleide van de onderofficieren Fanner en Kast op den 30 july uit het bede­laars instituut de te rugreis hebben aangeno­men, 35 invalide bedelaars uit Brussel & 7 uit Mons.

Het zal vleije ik mij de Permanente Kommis­sie niet onaangenaam zijn, te vernemen, dat ik gisteren te O.S. zijnde niet alleen de te veld staande rogge & aardappelen zodanig heb gevonden dat, mijns inziens de rogge gerust op 60 schepel per morgen of om de geheele kolonieen op 6000 schepels, de aardappelen hier wel nog met minder zeker­heid te berekenen, op 400 schepel per mor­gen of 4000 schepels om de massa kan wor­den aangesla­gen; maar vooral dat ik vlas heb gevonden, en eenige planten voor den Heer Generaal mede gebragt, van bijna 4 voet lang en nog niet geheel in bloei; dit is eene bijzonderheid op beste kleigronden; het spreekt van zelf dat de geheele 10 morgen welke daar, met vlas zijn bezaaid, niet even sterk dragen; het is intusschen ook waar, dat 5 morgen kunnen worden gezegt te staan uitmun­tend, 5 morgen goed en 2 morgen redelijk, alles gerekend als op gekultiveer­de gronden, dezelfde porportie bestaat ook na­genoeg bij het vlasland te Frederiksoord. 66)

Ingekomen post invnr 66. Brief van Abraham Capadose aan Petrus van Hemert:

WelEdelgeboren Heer!

Ik heb de eer UWelEdGeb. te berichten dat redenen voor mij van belang mij noodzaken voor mijne lidmaatschap van de Maatschappij van Weldadigheid te bedanken en mij aldus volgens art. 7 van 't reglement van de op mij genomen verplichting als lid en ook als cor­responderend lid van genoemde Maatschap­pij te ontslaan, 't geen ik gaarne ter kennisse des Geëerbiedigde President, Zijne doorluch­tige Hoogheid der Prins der Nederlanden en de overige Heeren Leden wenschte gebracht te zien.
Ik zal intusschen niet ophouden den Weldadigen God, van wien alleen 't goede komt, te smeken, dat 't Hem behage, zodani­ge pogingen, welke ter Zijner Eere en tot de waarachtige verbetering der menschelijke maatschappij mogten worden in 't werk ge­steld, met Zijne Vruchtbaarmaken­de Zegen te bekronen.
Ik heb inmiddels de eer mij met hoog­achting te noemen

UWelEdelGeboren Heer!

UWelEdGeb. DWDienaar

A. Capadose 66)

Bijschrift: De 10e july opgezonden aan den Hr. M.A.G. van Meurs om opheldering. Not. 8 id. art. 33.

Uit de notulen van de permanente commissie invnr 39: Deze brief aan den Heer van Meurs opzenden, met verzoek om de P.K. tw willen berigten, of ZE ook in staat zij het raadselachtige van dezen brief optelossen.

3 juli 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan den Gouvn van Z-Braband op deszelfs brief van den 11 juny ll, berigt gevende van de terugzending van ongeschikt bevonden bedelaars naar het gesticht van Z-Brabant.

3 juli 1823  Ingekomen post invnr 66. minister van BZ, zendt in 1 exemplaar van het door Z.M. op den 16 juny geapprobeerd kontrakt met de Armmeesteren der R. K. gemeente te Koudekerk, ter overname van eene bedelares → autorisatie tot opzending gegeven aan den schout van Koudekerk 10 july


Vrijdag 4 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Brief van de Gouverneur van Overijssel aan de Permanente Commissie over 'geneesheer' G. Lipholt, met bijgevoegd verslag van de provinciale geneeskundige commissie.  Samenvatting op de brief in invnr 20: In advys, not 8 july art 35, rescr 22 july dat de zaak in overweging genomen wordt, not 18 id art 43, nader antwoord 6 sept, not 5 id art 4 transcriptie:



4 juli 1823 Besluit PK volgens brievenboek invnr 20. Minister van justitie vragen om de monsterschuit op 7 juli in Zwartsluis ter overvaring Johannes (minister zal antwoorden dat hij pas op de 9de een boot beschikbaar heeft.

4 juli 1823  Ingekomen post invnr 66. Burgem: van Utrecht, Melden de uitgeschoten transportkosten voor het doen overbrengen van M. van Eck naar Hoorn, eerstdaags aan de koloniale directie zelve te zullen doen teruggeven (Wil: zie ook 7 juli, dus blijkbaar zijn er TWEE naar Hoorn gegaan?).


Zaterdag 5 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Visser denkt de komende week ƒ9700,- no­dig te hebben. 66)

5 juli 1823 Uitgaande post invnr 354. Aan gouverneur Zeeland over toestanden rond niet-afrekenen door subcie Axel.


Zondag 6 juli 1823

Van Lennep en van Hogendorp bezoeken Vledder (zie boek)


Maandag 7 juli 1823

Van Lennep meldt dat de generaal naar Den Haag moet.

Ingekomen post invnr 66. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ter gedeeltelijke beantwoording van de mis­sive der Perm. Komm. dd. 2 dezer N30/7-6 en wel hoofdzakelijk aangaande de klagten der subkomm. van Dordrecht heb ik de eer te berichten dat de voeding der kolonisten se­dert eenigen tijd, bestaat uit paarde bonen, groene erwten, witte bonen en gort, bij afwis­seling; alle welke produkten door ons in grote partijen voor rekening der ond. Dir. te Gronin­gen zijn aangekogt en tengevolge waar van wij zelve de verkoop prijs met juistheid heb­ben kunnen bepalen; dat diezelfde produkten alle erkend zijn te wezen van de beste soort, en dat veele der kolonisten, om de lage prijs en deugdzaamheid der paarde bonen, deeze bij voorkeur hebben genoten, terwijl wederom anderen gort of witte bonen prefereerden. Omtrent het haver brood, behoeft als geheel buiten de waarheid zijnde niets gezegd te worden. Het aardappelbrood dat gedurende de voorraad van aardappelen was gebakken wierdt, heeft bij verre de meeste kolonisten de voorkeur boven het roggenbrood verdient, namelijk het roggenbrood, dat door bakkers buiten de kolonien wierdt gelevert, zijnde dat met veele zeemelen vermengt; thans nu in de bakkerij der Maatschappij zuiver roggen brood wordt gebakken, roemt men dit het aller meest.
De klagten omtrent de kleding zijn mis­schien niet zo geheel zonder grond, als zijn­de sommige kinderen, bij huisgezinnen inge­deelt, wel eens slordig en niet volkomen ge­kleed; de grootste fout ligt hier in bij de huis­moe­ders, en is bij alle mogelijke oplettend­heid en verplaatsingen niet altijd voor te ko­men of te redresseren; intusschen houde ik mij in gemoede overtuigt dat men dit kwaad veel erger heeft doen voorkomen dan zulks inderdaad bestaat; en dit heeft naar mijne gedagten in het volgende zijn grond: nadat de Perm. Komm. bepaalde dat er geen wees­kinderen verlof zoude worden gegeven dan op vertoon van een consent van hunne be­steeders, heeft het grootste gedeelte der Dordrechtse wezen, om zulk een consent gevraagd en bekomen. Zoodanig dat het niet mogelijk was dan allen tegelijk verlof te gee­ven, daarop hebben zich eenig zonder verlof uit de kolonien verwijdert - die zeker terug komen - in hunne daagsche kleding die na­tuurlijk niet nieuw, ook niet altijd behoorlijk gerepareert is; hier uit kan men, dunkt mij, ook nog gerust veronderstellen dat zulke knapen niet willende weten, dat zij zonder persmissie te Dordt kwamen, ook niet hebben gezegt dat de kleding die zij hadden niet de eenige was; intusschen zal aan het verlangen der sub en Permanente Komm. worden vol­daan en nog weder eenige kleding aan de wezen worden verstrekt.

7 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Direkteur der koln, (...) zendt in eene ophelderende nota van de hoofdnummers der bedelaars in het gesticht met betrekkelijke lijsten

7 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Burgem van 's Hage, Stellen disponibel de f 12 uitgeschoten transportkosten voor het doen overbrengen naar Hoorn van den bedelaar Leijdenrath.

7 juli 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan den Minister van Binnenl: Zaken in antwoord op de zijne van den 27 juny, opheldering gevende omtrent den gedeserteerden bedelaar J.D. Entive(??).

7 juli 1823 Uitgaande post invnr 354. Aan den Minister van Binnenl: Zaken in antwoord op zijne missive van 8 juli, met den brief des Gouverneurs van Groningen, in dato 19 juni 1823.

Dinsdag 8 juli 1823

8 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Prins Frederik, zendt in een ontvangen brief van de subk te Hoorn, verzoekende de terminatie van de procedures met de PK omtrent het onverantwoorde saldo, ten fine van onderzoek en advijs aan ZKH → de zaak van Hoorn aan de Komm van W onderworpen.


Woensdag 9 juli 1823

9 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. De weduwe G. van Kooten te 's Hage, verzoekt eenigen onderstand, uit hoofde van het emploi haars mans in de koln vóór zijn overlijden → gedeklineerd haar daarvan berigt 22 july, not 18 id art 7

9 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Gouvern van Utrecht, Verzoekt vermeerdering van het bijna aangevuld kontingent bedelaarsplaatsen in de Ommerschans voor zijne provincie → 30 plaatsen opengesteld, 22 juli, berigt aan den minister is, en aan den direkteur 21 id not 18 id art 12.


Donderdag 10 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Missive der subkommissie te Hoorn. Verzoekt aan de Algemene Kommissie van Weladig­heid de procedure tegen haar, omtrent het onverantwoorde saldo van 1819 te doen termineren, en haar deswege onverantwoor­delijk te stellen. De brief zelf gevoegd bij al de stukken over deze zaak.


10 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Subk te Hoorn, Verzoekt dat de Komm van Weldadigheid de procedure tegen haar omtrent het onverantwoorde saldo van 1819 doet termineren en haar buiten verantwoording stelle → Behandeld in de algem vergad der Komm van W 15 july, zie de not der PK van 18 id art 10.

Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Direkteur der koloniën.
- Zendt in 2 kwit. en 3 rekeningen van geleverde steen­en, met ver­zoek om betaling.
- Meldt de herhaalde verkla­ring van den Adj. Direkt. von Hoff, omtrent de kleedingstukken der Hoornsche bedelaars.
- Zendt in opgaven van te Dordrecht achterge­blevene bestedelingen, met een ingekomen verzoek van Burgem. tot hunne verschoning, ten fine van besluit.
- Verzoekt authorisatie tot het ontslaan van Pieter Wolvendijk van Enk­huizen.
- Meldt de desertie van het huisgezin van Thesink van Zaandam.


Ingekomen post invnr 66. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts aangaande de bewuste zaak met de Hoornsche oude klederen te berigten dat, de Heer von Hoff blijft persisteren bij zijne ver­klaring dienaan­gaande, namentlijk, dat ZE­Gest. geen opgaaf dier klederen bij zijn ver­trek van Hoorn, van de Direktie van het ge­sticht aldaar heeft ontvangen, dat de klede­ren zoo slegt en onzuiver waren, dat men dezelve onwaardig achten naauwkeurig daar­op toe te zien en dat zij dus spoedig geheel zouden zijn verdwenen geweest, indien ZEG: geen order gekregen had de rest terug te zenden, dat het om deze reden het ook mo­gelijk is er meer of minder zijn ingepakt dan op de lijst, of opgave is vermelde, in alle geval alles is terug gezonden; wat men der moeite waardig keurde te reinigen, en onder het koken niet geheel aan flarden viel, en in de mestput wierp.

De subkommissie Enkhuizen, of leden derzel­ve hebben drie kinderen in de kolonie ge­bragt, ter vervanging van drie anderen te voren ontslagen; bij die gelegenheid hebben gem: Heeren met ZHEdGestr. gesproken over zekere Pieter Wolvendijk, een hunner bestedelingen; deze jongeling is sedert hij in de kolonie is, lijdende aan een been, zodanig dat hij bijna ongeneeslijk schijnt; ik meende dat alleen de kwestie was, om hem voor eene onbepaalde tijd met verlof te zenden, dan gisteren bragt mij de huisverzorger Re­dijk een ontslag ter tekening voor gemelde jongeling; hiervan onbewust is alleen een verlofpas afgegeven.

Eindelijk ontvangt de Permanente Kommissie berigt dat de kolonist Thesink van Zaandam, met zijne twee kinderen de kolonie heimelijk heeft verlaten, agterlatende zijne vrouw en overige kinderen.



Zaterdag 12 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Visser bericht dat de bedelaresse uit Gent op verzoek van de Permanente Commissie niet is toegelaten, maar dat er ook geen gelegen­heid is om haar direct terug te zenden. Bijge­voegd is het begeleiden schrijven van de politie van Gent waarmee ze aan de Ommer­schans was verschenen. Daaruit blijkt dat zij Carolina Maertens heet, de weduwe van ene Reynaerds is en op grond van een besluit van het stedelijk bestuur naar de Maatschap­pij is gezonden.


Ingekomen post invnr 66 scan 152. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ten einde omtrend de ongegrondheid der klagten van eenige deserteurs uit het gestigt te Ommerschans de meest mogelijke en ontegensprekelijke bewijzen te geeven, en de Permanente Kommissie in staat te stellen Z:E: den Minister van Binnenlandsche Zaken des verkiezende met alle details der verdien­sten en voeding der bedelaars bekend te maken, heb ik ten gevolge haare missive dd. 2 july N90/7-16 den Heer von Hoff verzogt mij alle die stukken te zenden, welke ik de eer heb hierbij overteleggen.

Bijgevoegd is een brief van von Hoff. Hieruit:

Alle avonden worden door ieder zaalopziener de door de kolonisten verdien­denden en aan hen, het zij in het veld door de wijkmeesters, het zij in de fabriek door den Onder Direkteur van dezelve, het zij bij den Onder Direkteur der Schans uitbetaalden marken ingenomen en het bedragen in de werksta­ten bij hunne namen genoteerd. Zaturdag ochtend worden die werkstaten geverifieerd en de som der verdiensten van een ieder besteed als volgt.

Van ƒ 1-27 wordt ingehouden voor

{het administratief fonds    ƒ 12
{vuur en licht    - 02
{kleeding    - 25
╶────╴
ƒ 39

Wordt besteed aan

{wasch    ƒ 10
{voeding    - 31
{fonds van reserve    - 10
╶────╴
ƒ 52
╶────╴
ƒ 91

Wordt uitbetaald in kaartjes gangbaar bij de winkelier    - 36
╶──╴
ƒ1-27

Die minder dan 91 cents verdiend heeft, wordt, zoo luiheid of onwilligheid oorzaak van die mindere verdiensten zijn, na den discipli­nezaal verweezen, of zoo er ongesteldheid of gebrek aan arbeid schuld waren, worden uit het fonds van reserve zoo veel centen bijge­voegd, als nodig waren om voor de volle voeding genoteerd te worden.
Al het meer dan ƒ 1-27 verdiende word op de werkstaten in de kolomme overdien­sten genoteerd, in drieën gesplitst zijnde, wordt het eene 1/3 in het midden dier week aan den kolonist in winkelkaartjes uitbetaald, 1/3 in zijn te goed geschreeven en het laatste 1/3 vervalt aan de Maatschappij.
De 31 cents voor voeding berekend dienen om de kosten van het weeklijksch middag eeten goed te maken, dit wordt vol­gens het bijleggend tarief toebereid. Het is goed, smaaklijk en toereikende voor de voe­ding van eenen mensch die eenen gematig­den arbeid verrigt. Het mag niet hoger in prijs zijn dan 4½ cent per portie, ten einde ook de het minst verdienende dagelijksch mogt kun­nen rekenen, op eene volle portie eeten, Het voor den meer arbeidende tot zijn genoegen ontbreekende wordt vergoed door het geen hij naar eigen keuze aan brood, boter, kaas, spek, melk, enz. voor deszelfs winkelkaart kan koopen. Hoe vlijtiger arbeider, hoe rijkelij­ker de middelen van bestaan over dewelke hij beschikt. Er wordt van zijden der Direktie gezorgd dat de winkelwaren goed zijn en dat hun prijs nimmer de marktprijs der naburigen gemeentens te boven gaat. Het brood is meestal 3, 4, 5, 6 en 7 cents beter koop ver­strekt geworden dan de zetting van Ommen.
Om nu eindelijk te beoordeelen, hoe naauwkeurig de verdiensten na den arbeid afgemeeten worden en tot welke verschillen­de hoogte dezelve door eigen vlijt vermogen te rijzen, zoo wordt er hier een extrakt uit de reekening in het bijzonder van alle de met F. Poels, J. Passoir, C. Thibaut en Reyme­nants in dezelve zaalen wonende kolonisten over 8 weeken medege­deeld. Het blijkt daaruit, dat Reimenants een onverbeterlijke faineant, uit de reserve, zoo te zeggen, heeft moeten worden onderhouden, dat Poels, meestal aanzienlijke verdiensten gehad hebbende, in de gelegenheid is geweest, om ten overvloe­de voor zijne eetlust te zorgen. J. Passoir is meestal een traage arbeider geweest, maar ook gedurig met het meest gemakkelijke werk begunstigd geworden, om dat men veel goedwilligheid in hem bespeurde. Catherien Thibaut was te korte tijd hier, dan dat zij zich ten rechten over haar aangedane behande­ling durfde te beklagen; daar dezelve gedu­rende 4 weeken toereikende verdiensten heeft gehad.

fainéant = luilak


Ingekomen post invnr 66. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Aangaande het ontslag van Andries de Jong dat, aangezien 's mans ziekelij­ke toestand - die mij egter uit verveling of ontevredenheid schijnt voorteko­men - hem voor de koloniale werkzaamheden weinig geschikt maakt; en de s.k. te Rotterdam zijn ontslag schijnt te verlangen, zulks mijn bedunkens wel kan worden geakkordeert;

Betrekkelijk de huisgezinnen van Texel aan­gekomen, deezen zijn bij hunne arrivement op de best mogelijke wijze, met overeen­komst van HH besteders verdeelt en ge­plaatst zoo als die op de indeling staat bij den mijne van 9 dezer N109 der Permanente Kommissie gezonden voorkomen; mijns in­ziens bestaat het huisgezin van weezen, onder de huisverzorgster Hendrikje Douwes uit een genoegzaam getal werkzame leden; zoo ook dat van den kolonist Slot, terwijl het huisgezin zamengestelt onder Trijntje Tjeb­bes, als zeer ongeschikt is te beschouwen, als zijnde hier twee weduwen met hunne kleine kinderen, blijken alle behalve het hoofd des gezins voor de arbeid onbekwaam: hier behoord dus in plaats der wede Remmertje Bakkers oud 33 jaren met hare twee kinde­ren, te zijn een of twee voor den veldarbeid bekwame jongens; of de subkommissie te Texel zoude zich kunnen verbin­den, om, even als zulks met Trijntje de Vries, bij den huisverzorger Smit op kol. N1 geschiedt, p.m. twee gulden extra toelage te betalen, tot aan(?) ter tijd den kinderen genoegzame kragten zouden hebben bekomen.

Nog heb ik de eer de Permanente Kommissie bij deezen te berigten, dat de huisverzorger Hubert in kol. N4, gisteren door Johan Hen­drik Horst van Leeuwarden is vervangen, en dat voor den huisverzorger Nieuwervaart van Dordrecht in kol. N3 een ander is aangeno­men.



Maandag 14 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Brief van directeur Visser aan de Permanen­te Commissie over de aanbesteding van het gebouw te Wateren. transcriptie


14 juli 1823 Uitgaande post volgens brievenboek invnr 20. Verzoek om een vaartuig om Johannes van den Bosch de 18e van Amsterdam naar Blokzijl te brengen; wordt later veranderd in de 22e.


Ingekomen post invnr 66. Brief van R.H. Pielebout aan de Permanente Commissie, transcriptie


Ingekomen post invnr 66. Visser stuurt enkele stukken, waaronder een voordracht van ontslag van een ambtenaar die niet verder genoemd wordt.



Donderdag 17 juli 1823

Besluit der P.K. volgens brievenboek invnr 20. Om naar aanleiding eener kommunicatie van den Hr 2 Adsessor van bestaande bedenkingen bij den Raad van Policie, omtrent het regt van onderzoek van klagten over geëmpl. in de kol. hun die opte­hel­deren, en te melden, dat zoodanig regt altijd aan de P.K. is toegekend, en de raad die klagten slechts aan haar behoort overte­brengen.



Vrijdag 18 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Uit een brief van Van Meurs aan de Perma­nente Commissie:

Hoe zeer de wijze van bedanken door den Heer A. Capadose med: doctor alhier, voor deszelfs lidmaatschap, bij den hiernevens­gaande brief, mij even raadzelachtig als UWelEdGeb. en de laatste zinsnede inzon­derheid, ook nog, zo wel voor eene vereeren­de, als voor eene min gunstige voorstelling en opvatting vatbaar te zijn, is voorgekomen, was ik echter in de eerste ogenbik­ken huive­rig, eene kommissie, tot het vragen van expli­catie op mij te nemen, waarvan ik nog zo weinig voordeel voor de belangen der Maat­schappij konde beleven, wanneer men of de beantwoording daar van zoude willen ontwij­ken, of blijken toonde van bij opgevatte rede­nen van bezwaar te blijven.
Na rijp overleg verzogt ik eindelijk de Heer Capadose mij met een bezoek te veree­ren; en hier aan werd door ZEd even gerede­lijk voldaan, als aan het te kennen gegeven verlangen om eenige ophelderingen te mo­gen ontvangen nopens de uitdrukkingen door ZEd in de opgemelde brief gebe­zigd.
Hoofdzakelijk waren het de volgende bezwaren die tot het bedanken aanleiding hadden gegeven.
De Heer Capadose twijfelde onder ande­re of de pogingen en de bedoe­lingen der Maatschappij om op de wijze door haar gebe­zigd de armoe­de paal en perk te stellen om zulks met vereenigde kragten te doen, om eene gelijkheid onder de menschen te bevor­deren, of wel eene éénige klasse van men­schen te vormen, om weldaden in het open­baar uit te reiken, om door uiterlijke tekenen vn belooning neid en afgunst op te wekken, en meer dergelijke, wel met het plan van de Wijze Schepper, en de voorschriften van deh Christendom strookte; meende ook in sommi­ge stukken van het maand­werk de Star eene aanprijzing van grondbegeinzelen, en eene verdediging van gevoelens gevonden te heb­ben waarmede ZEd behoudens alle eerbied voor ieder der leden van de Maatschappij zich niet vereenige, en daarom vrijheid ge­vonden te hebben, voor zijn lidmaatschap en voor zijne betrekking als corresponderend lid te bedanken. Over het een en ander is breedvoerig vervolgens gesproken, maar zonder aan de Heer Capadose met een enkel woord zijne vrijheid van denken te betwisten of pogingen, die ook schenen vrugteloos te zijn, aantewenden om ZEd van gedagten en besluit te doen veranderen.

18 juli 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan den minister van Marine, om 't gebruik van eenig Rijks vaartuig op den 22 july van Amsterdam naar Zwartsluit en op 2 augustus terug.

Notulen permanente commissie 18 juli art 14:
Aan de direktie van het Hoornsche Gesticht te schrijven, dat de PK, die herhalen moet dat aan geen één Gesticht eene teruggave van kleeding gedaan is, en dat zij nimmer de Hr Von Hoff heeft geautoriseerd tot eene belofte, die door ZE ook ontkend wordt, – echter aan die Heer informatie heeft gevraagd, waarop het nevens gaande antwoord door de PK is ontvangen (invnr 39; brief zelf zit niet bij de uitgaande post)


Zaterdag 19 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Visser denkt de komende week ƒ10.000,- nodig te hebben.

19 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Schout van Koudekerk, Verzoekt vanwege het Roomsch Kath Armbestuur aldaar, uit hoofde van het voortvlugten van de bedelares, waarvoor gekontrakteerd is, het kontrakt provisioneel buiten effekt te houden → Geakkordeerd, rescr 7 aug, not 6 id art 21.

19 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Minister BZ, Zendt in eene nominative lijst van 30 valide bedelaars uit het werkhuis te Middelburg die naar de Ommerschans zullen worden opgezonden, met verzoek deze eene betere behandeling te doen ondergaan.

Dinsdag 22 juli 1823

Uitgaande post invnr 354. Brief van de Permanente Commissie aan de Raad van Politie. transcriptie bij Luijpen, maar moet ook nog naar tucht.

Van ons medelid den Heer J. van den Bosch vernomen hebbende, dat bij UWEd. eenige bedenkingen zijn opgerezen omtrent de we­zenlijke bedoeling en strekking van UL werk­zaamheden, en bepaaldelijk met betrekking tot de bij UWEd. ingekomene klagten van de kolonist van Luijpen tegen zekeren wijkmees­ter, zoo achten wij het niet ondienstig en hebben de eer UWEd. hieromtrent, zoo voor dit geval als voor alle toekomende van dien aard, de noodige opheldering te geven.
Bij de werkzaamheden, welke ten gevol­ge van Z.M. besluit van 16 dec. 1820, en dat van de P.K. in do 28 daarna, benevens hare nadere bepalingen van den 29 mei 1821, aan UWEd. zorgen zijn opgedragen, als het onzij­dig onderzoek der tegen kolonisten ingebrag­te klagten, wegens overtree­ding der bestaan­de reglementen, en het opleggen van de daarbij bepaalde straffen, is het nimmer de bedoeling geweest, noch heeft het die naar den aard der zaak ooit kunnen zijn, om de klagten van kolonisten tegen geëmployeer­den van de Direktie der koloniën door UWEd. te doen onderzoe­ken; hiervan toch wordt niets in de gem. besluiten en bepalingen gevonden, en dit zoude ook strijdig zijn met de Hoofddirektie van de Maatschappij, die hare geëmployeerden in funktie stelt, hen daarin schorst, hun ontslag geeft of andere straffen oplegt, als naar mate zij vermeent, dat bij het niet voldoen aan hunne betrekking, noodig en noodzakelijk is, zijnde zij daarom ook aan de geëmployeerden verantwoorde­lijk. De strekking ook van de bepaling dat, de kolonisten klagten meenende te hebben over geemployeerden, dezelve bij UWEd. niette­re(?) kruinen(?) voorbrengen, is geene ande­re dan dat, indien zodanige klagen bij UWEd. mogten inkomen, dezelve alsdan regtstreeks en zonder tusschen­komst van de koloniale Direktie door UWEd. aan ons mogen worden mede­gedeeld, ten einde wij daarnaar het noodige onderzoek zouden kunnen doen; terwijl die anders, door ambtenaren van de kolonien ons ter kennisse gebragt wordende, in sommige gevallen welligt zouden kunnen worden verminkt, of wel geheel verzwegen; en op zoodanige wijze meenden wij van UWEd. zamenstelling, ook in dit opzigt, die adsistentie te zullen erlangen, als waartoe Z.M. heilzaam besluit voor het welzijn der koln de gelegenheid aanbiedt. Het zal ons alzoo aangenaam zijn, de klagten van N. Luipe van UWEd. te vernemen, waarop wij niet zullen nalaten, daarnaar het noodige te onderzoek te doen.




Uitgaande post invnr 354. Brief van de Permanente Commissie aan de subcommissie Dordrecht:

Ingevolge van den bij UWEd. missive van den 27 juny medegedeelde ingekomen klag­ten over de voeding en kleeding van de Dordtsche bestedelin­gen in de kolonien, ons, met den meesten ernst geinformeerd heb­bende, naar de meer of mindere gegrondheid van dezelven, hebben wij thans het genoe­gen UWEd. als den uitslag daarvan medete­deelen dat, zoo derzelve en in sommige op­zigten niet geheel ongegrond waren en voor zoo verre noodza­kelijk voorziening behoeften, die niet te min voor het grootste gedeelte ongegrond en zeer overdreven zijn en veelligt met eenige opzet zullen zijn verspreid.
Ten aanzien van de voeding moeten wij UWEd. mededelen dat de bijzondere schaar­ste van aardappelen, nadat de oude, waar­van een gedeel­te door de buitengewoone strenge winter bevroren was, verbruikt waren en de nieuwe nog niet in voldoende hoeveel­heid gewassen waren, vernoodzaakt heeft dat de Dir. der kolonien met onze voorkennis voor den kolonisten verkrijgbaar gesteld heeft door haar zelve aangekochte witte boonen, groene erwten, gort en ook paardenboonen, welke echter van de beste kwaliteit zijn er­kend, en ten minsten prijze, naar gelang de inkomsten van de kolonisten en hunne ver­kiezing, bij afwisseling is verstrekt geworden; sommige verkozen om de lage prijs en deugdzaamheid het laatstgem. produkt, ter­wijl daarente­gen anderen de eerste prefe­reerden.
Haverbrood is hun nimmer verstrekt, waarover de klagten dus geheel en al buiten de waarheid zijn, maar aardappel-brood, het welk proefondervin­delijk bevonden is te zijn van geene minder kwaliteit dan het gewone roggen­brood is voor hun des verkiezende verkrijgbaar gesteld; hetzelve wordt door bijna alle kolonisten boven het laatste verko­zen, wij het door eene bakkerij van wege de M. zelve van zuivere rogge met aardappelen gebakken wordt.
Thans, nu de vroege aardappelen reeds meer en meer aankomen, en de tuingroenten van tijd tot tijd vermenigvuldigen, wordt de comsumptie van voorgem. produkten merke­lijk minder en zal weldra geheel ophouden, wanneer alzoo de voeding weder in de gewo­ne koloniale vruchten zal bestaan.
Omtrent de klagen over de kleeding der kinderen, is het waar, dat dezelve niet altijd zoodanig is als wij hetzelve wel verlangen; dan dit is veelal toeteschrijven aan de on­achtzaamheid en slordigheid der huisverzor­gers, welke geene genoegzame zorg voor het behoud en de duurzaamheid en eene be­hoorlijke reparatie van dezelve dragen, waar­tegen het strenge toezigt van de Direkteur niet altijd in staat is voldoende te waken.
Intusschen hebben wij ons verzekerd, en kunnen UWEd. zich mede in gemoede over­tuigd houden, dat de klagten hierover zeer vergroote en met eenig opzet verspreid zijn; volgens de noodzakelijk geworden bepalin­gen dat aan geene bestedelingen verlof kan worden gegeven, anders dan op eene schrif­telijke toestemming van de besteders, heb­ben vele van die van Dor­drecht zoodanig konsent verkregen, in minder getal dan waar­aan wel op ééns verlof kon worden gegeven; en verscheidene jonge lieden hebben zich derhalve heimelijk buiten toestemming der koloniale Direktie, nu en dan naar Dordrecht begeven, waardoor het hun belang wordt bij derzelver verschijning aldaar, ten einde hun­ne desertie niet te doen vermoeden, te ver­zwijgen dat zij in hunne daagsche kleding waren weggelopen, en eene betere kleeding in de kol. hadden moeten achterlaten en vandaar dat UWEd. sommige derzelve in enige gebrekkige kleding hebben aangetrof­fen.
UWEd. zullen zich, zoo wij vertrouwen, na dit getrouw verslag van den waren aard der klagten overtuigd houden van het geen wij bij den aanvang zeiden, dat dezelve wel voor een klein gedeelte waar, doch daaren­tegen voor het meest ongegrond zijn, daar de voeding van dezelve zoude zijn verbeterd en op den ouden voet gebragt, en de kleeding niet zoo onvolmaakt is als de schijn daarvan mocht doen vooronderstellen; terwijl wij van onze zijde de Direkteur ten sterkste hebben aangemaand om daar waar wezenlijke gebre­ken bestonden, die met de meeste zorg te herstellen.
Wij eindigen dezen met den hoop van UWEd. in staat te hebben gesteld om onge­gronde klagten en onbillijke beoordelingen onzer inrigtingen, op geen nauwkeurig onder­zoek gegrond, te wederleggen, en alzoo het welzijn der M. te blijven bevorderen, waarvan zij door de subk. te Dordrecht steeds geene geringe invloed heeft mogen ondervinden.

22 juli 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan Z: Exc: den Minister van Binnenl Zaken ten geleide van den mutatie-staat over mei ll.

22 juli 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan Z: Exc: den Minister van Binnenl Zaken, in antwoord op de bij deszelfs missive van 26 juny ll, om berigt, konsideratien en advys toegezonden brief van den Heer Gouverneur van Z-Braband, houdende wederlegging der klagten over de voeding in het beds Etabl.

Vrijdag 25 juli 1823

25 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Minister BZ, Zendt in 2 lijsten van 3 bed: uit de gemeenten Vianen en Lexmond (prov: Z-Holland) naar Hoorn gezonden en vandaar naar de Ommerschans te expedieeren. Meldt dat de intentie is de valide bed: dadelijk naar de Ommers te transporteren.


Zaterdag 26 juli 1823

Ingekomen post invnr 66. Visser denkt de komende week ƒ95000,- nodig te hebben. 66)

http://www.hardenberg.nl/smartsite13479.htm
26-07-1823
uitnodiging om met verdubbelde ijver te waken dat voortvluchtigen en gedeserteerden uit de kolonie de Ommerschans zich onder het ressort van Gramsbergen vertonen en aldaar worden gearresteerd en naar de kolonie teruggebracht



Woensdag 30 juli 1823


Ingekomen post invnr 66. Brief van de subcommissie Den Bosch aan de Permanente Commis­sie over A.B. Rees. transcriptie:


30 juli 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20. Gouverneur van Zuid-braband, berigt de terugzending naar de Ommerschans van de daar uit gedeserteerde en in zijne provincie gearresteerde bedelaar Elisabeth van Hamme.


Donderdag 31 juli 1823


31 juli 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan Z: Exc: den Minister van Binnenlandsche Zaken met terugzending van den in handen gestelden brief van den Heer Gouverneur van Groningen, omtrent de daarbij gemaakte bedenkingen en voorstellen wegens de voldoening der bestedingspenningen van bedelaars.