Naar het overzicht
van de POST







De POST van JUNI 1823

Maandag 2 juni 1823


2 juni 1823, Missive aan den Gouvn van Noord-Holland, voorloopig beantwoordende zijne missive van 23 mei ll, omtrent de daarbij medegedeelde bedenkingen van Burgem van Amsterdam, op uit deze stad overgenomen en ongeschikt bevondene bedelaars. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354 – zie ook 12 juni)

2 juni 1823, besluit pc, om aan den Hr Kommissaris van Policie C Sepp, op de door hem overhandigde nota s van een projekt tarief van transportkosten van uit Amst opgezonden bedelaars, en van de door hem gearresteerde deserteurs, te melden tot zoodanig tarief alleen met den gouverneur voor de geheele provincie kan worden geregeld, en dat voor de overbrenging van bedelaars f 3 premie boven de transportkosten worden betaald (brievenboek invnr 20).


Dinsdag 3 juni 1823

Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie over de Ommerschans. transcriptie:



Woensdag 4 juni 1823

Ingekomen post invnr 65. Brief van C. Sepp aan de Permanente Commissie over de tarieven van transport: transcriptie



4 juni 1823, Hoofdbestuur van het bedelaarsgesticht te Hoorn, zenden in eene nota van nog ontbrekende kleedingstukken, die de van hen geplaatste bedelaars waren medegegeven, met verzoek om ook deze te willen terugzenden.
Kopielijk den direkteur medegedeeld om berigt 11 juny. Not 9 id art 21. Rescr 22 july Not 18 id art 14 (uit brievenboek invnr 20)

Ingekomen post invnr 65. Het bedelaarsgesticht te Hoorn bericht dat zij 115 kledingstukken terug hebben ontvangen, terwijl er in het begeleidend schrijven sprake is van 66. Desondanks is dit ver beneden het aantal dat zij gezonden hadden en ze sturen derhalve een staat van kledingstukken door hun aan de bedelaars meegegeven. Bijgevoegd is een brief van von Hoff over deze kwestie. Hieruit:

Bij de aankomst der bedelaars aan de Ommerschans was men genoodzaakt om het grootste gedeelte van derzelver kleeding in de gierbakken te werpen, bij die men om derzelver slegte kwaliteit het uitkooken en reinigen van het ongedierte waarvan het weemelde voor onmogelijk hield. Veele van de kleedingstukken, dewelke uitgekookt wierden verduurten die proef niet en het restant wier op den zolder bewaard, tot dat er in gevolge het aanschrijven der Directie eene gelegenheid zich op deed, om dezelve in eene groote mand gepakt na Hoorn op te zenden.
De afzichtelijkheid van die vodden is waarschijnlijk de oorzaak geweest dat de geemployeerden aan het magazijn eene zoo gebrekkige opgaaf van den inhoud aan mij gedaan hebben en dat er te Hoorn 49 stuks meer uitgeteld zijn geworden, dan ik opgegeven had. 65)


Visser stuurt de verantwoording over maart en andere stukken. 65)



Donderdag 5 juni 1823

Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser met ondermeer:

Over de Ommerschans, met bijlagen van adjunct-directeur Hoff. transcriptie:

De intentie der Permanente Kommissie aangaande het gebouw te Veenhui­zen heb ik de eer gehad gister in loco aan den Heer van Lemel en den aannemer Wind bekend te maken, en zal zorgen dat zonder haar voorkennis geen der minste afwijking van het bestek worde geduld.

Bij deze gelegenheid neem ik de vrijheid ter kennisse van de Permanente Kommissie te brengen de bijzondere bekwaamheid in zijn vak van den spinbaas ten Broeke in kolonie no.4 en ten gevolge daar van te verzoeken zijn salaris met een gulden per week te mogen vermeerderen, terwijl het zonder deze verhoging van inkoomen te vreezen is, dat dien man zijn ontslag vraagt, en hij volgens getuigenis van den Heer Brouwer zoo wel als mijn eigen gevoelen niet gemakkelijk zoude zijn te remplaceren.

Over jongeren die met ontslag willen, maar bij wie de verdenking rijst dat sommige zwanger zijn.transcriptie

Stuk over de bedrijvigheid in Veenhuizen en het verzoek van de directeur een steen met zijn naam te plaatsen.transcriptie




Verder bijgevoegd is een staatje van kolonistenkinderen die vertrekken willen. Genoemd worden onder andere Jacoba van Nieuwenhuizen (nog niet in kolfile) Dirk Willem Meijer, 23 jaar, ingedeelde bij Rikmond, Cornelia Strik of Richmond, 20 jaar, dochter van de weduwe Rikmond. Foto bij Archief -- Post.

Ook 5 juni zendt Visser (oa) in: Een nominative staat der aan de Ommerschans aangekomen bedelaars.


Vrijdag 6 juni 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan W.A. Ockerse over bedelaar Jan Teuns. transcriptie

 
Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan W.A. Ockerse:

Frederiksoord den 6 juny 1823

- over een werk van Robert Owen. transcriptie

Zijt zo goed aan de Kommissie voortestellen de generaal Howe te antwoorden dat Brand te Dinant zal kunnen worden geplaatst in dit najaar in een der kolonien als zaalopziender. De voorwaarden daarvoor zijn u bekent. Seyler is moeijelijker daar de man te veel jaren heeft. Zulke menschen vervallen te vroeg ten laste van de Maatschappij.
Het onderwerp mij en u betreffende laat ik geheel aan uwe regeling over, schikke dit na convenientie.
De getekende mandaten hier nevens terug. Na vriendelijke groeten, ook aan de Dames

TT
VdBosch 65)



Brief van de gouverneur OV aan burgemeester van Ommen

Zwolle, den 6e juny 1823

De 5 invalide bedelaars welke uit de provincie West-Vlaanderen opgezonden, zich alnog aan de Ommerschans bevinden, verzoek ik UWEd met overleg van den Heer Kapitein Adjunct Directeur aan de Ommerschans over Dalfsen te doen opzenden, aan Heeren Burgemeesteren van Zwolle, om aldaar aantekomen op Maandag den 23e juny aanstaande, ten einde de volgende dag van daar over Hattem getransporteerd te worden.
Ik zal de opgave van de hierdoor noodzakelijk te impenderen kosten daarna tegemoet zien, zullende dit transport moeten geschieden, naar aanleiding van Z.M. besluit van 1 April 1818, vermeld in eene circulaire missive van Zijne Excellentie de Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat van 14e april 1818, zodanig dat de voormelde persoonen, op de route zullen kunnen worden verzorgd en verpleegd in de gewone gevangenissen, doch de overbrenging door de plaatselijke politie bedienden van post tot post zal moeten geschieden.

De gouverneur van de provincie Overijssel (uit gemeentearchief Ommen, zie toelichting in die map)

6 juni 1823, burgemeesters van Utrecht, verzoeken de terugvoering naar Hoorn ten hunne kosten van 2 door hen opgezonden bedelaars, domicilie hebbende te Gouda en Koeverden(?), voorts de kosten daarvan alsmede de tijd hunner afreizen op te geven... enz (brievenboek invnr 20)


Zaterdag 7 juni 1823

Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts aangaande de bewuste schadevergoeding voor de boekweitveenen bij de Ommerschans te berigten dat het mij na inzage van het voorlopig contract subno.9, speciaal van art: 1 of 3 van het zelve voorkomt, dat HH Burgemees­teren van Ommen alle gronden om de Schans of 600 morgens aan de Maatschappij moeten leveren, en de schade vergoeding geven aan de geërfden welke eenig regt op die gronden mogten hebben en dat wel te betalen uit de ƒ9000,- welke de Maatschappij aan gemelde Burgemeesteren voor de 600 morgens zal voldoen, waar onder dus ook zijn begrepen de pagters van boekweitveenen, zoo wel in de markte van Huisinge als Ommen gelegen. Hier uit zoude dan volgen dat de voldoening dezer pretensie, hoe wel van gronden onder Huisinge gelegen voorkomende mochten, door Burgemeesteren van Ommen moet geschieden, mits de Permanente Kom­missie de gelden daar toe benodigd ter goede rekening op de ƒ9000,- voor­schiete; teneinde nu de zaak te termineren, geef ik de Permanente Kommis­sie in consideratie dat zij HH Burgemeesteren voorstellen of ZijL. dat geld, namentlijk ƒ406-76 5/16, te willen ontvangen, om die reclamanten te voldoen, of verkiezen deeze sommen in eens voor hare rekening aan de eigenaren van Huisinge te betalen, welke alsdan aan hunne respective pagters, het aan deeze competerende kunnen restitueren, daar ander de Permanente Kom­missie tot het laatste zoude mogen besluiten.
Wat betreft het verschil in de beide nota's van reclames, diens nog tot elucidatie dat volgens zeggen van Zijn HEd Gest. den Heer 2e Adsessor in den beginne sommige der pagters, zoo als bijv: Kruisinga, geene afstand van zijn pachtrecht verkozen te doen, en dus ook geen schadevergoeding vorderde, terwijl zij naderhand, ziende dat hunne landen door ons werden geoccupeerd, met hunne pretensie zijn opgekomen;

Ingevolge de laatste bepaling der Permanente Kommissie omtrend het verstrekken van kleeding aan de kolonisten is, in november A.P. en 1o maij ll. aan ieder huisgezin ter waarde van p.m. ƒ25,- verstrekt, zoo aan nieuwe stukken als reparatie van oude; een groot gedeelte der huisgezinnen is daarmede thans behoorlijk gekleed, anderen waar onder veele van weezen, zijn dit niet; en hoewel ik lang van gevoelen was deeze bepaling niet te moeten overschrijden, zijnde het naar mijn inzien reeds veel wanneer in een arbeiders famille voor vijftien guldens nieuwe kleeding per jaar wordt gekogt, zoo vind ik mij toch door den drang der omstandigheden verpligt te vragen authorisatie tot het verstrekken van nog tien guldens, enkelde ƒ15. aan kleeding, het geen benodigd zijn zal, om sommige huisgezinnen van het volstrekt benodigde te voorzien.

Over het personeelslid Travers. transcriptie

7 juni 1823, besluit der PK, om de directeur een aantal dingen te schrijven, w.o. Te melden de besluiten: - van het doen bouwen der Werklootsen te Ommerschans door kolonisten, van den bouw eener smederij aldaar, en van de aanstelling tot wijkmeester van ??? te Ommerschans (brievenboek invnr 20)


Maandag 9 juni 1823

9 juni 1823, R. de Geer predikant uit Vreeland schrijft over mogelijke plaatsing gezin sterk 5 hoofden (uit brievenboek invnr 20)

9 juni 1823, besluit der PK, om de leden der Komm van Weld ter vergadering te konvoceren tegen 15 july aanstaande, 's morgens ten 10 uur (brievenboek invnr 20)


Dinsdag 10 juni 1823

Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Kort na de aankomst van eenige huisgezinnen en wezen van Texel, hadt ik reeds de eer ter kennis van de Perm. Komm. te brengen, de ongeschiktheid van eenige personen onder hen, met verzoek dat deze mogten worden teruggezonden of dat daar voor eene extra toelage door HH besteders tot onderstand der huisgezinnen, waarin de personen zich bevinden, wierdt gegeven; tot dus verre, voor zoo ver ik mij herinnere geen auth. tot het een noch ander ontvangen hebbende en de ongeschiktheid der bedoelde perso­nen, welke meer erger dan beter wordt, zoo zelfs, dat Kornelis Koger, zich somtijds uit de kolonien verwijdert, en als eene onwijze in de omliggende dorpen rond loopt en bedelt, terwijl hij zelfs onder het strengste toezigt en beste onderwijs, tot geen goed werk is te brengen; zoo heb ik vermeend dit nog maals ter kennis van de Permanente Kommissie te moeten brengen, met verzoek het daarheen te willen dirigeren dat hierin eene verandering plaats hebbe. De bedoelde personen zijn, behalve de reeds gen. Kornelis Koger, Marijtje de Jong, krankzinnig en Simon Ram, aan beide beenen beeneters en groene wonden.

Bijgevoegd is een brief van adjunct-directeur Van Lemel die een drietal kleine wijzigingen in het bestek voor Veenhuizen voorstelt, deuren en kozijnen betreffende. Visser steunt de wijzigingen. Bijgevoegd is een teke­ning met een andere manier om kozijnen te bevestigen. 65)


Woensdag 11 juni 1823

11 juni 1823, min BZ, verzoekt om de ongebruikte bedelaarsplaatsen van de gouverneurs der zuid prov. onder die der noord prov te verdeelen, stuurt circulaire waarin gouverneurs worden aangespoord hun contingenten vol te maken, wil dat de MvW geen particuliere contracten meer sluit (uit brievenboek invnr 20)

11 juni 1823, gouverneur van zuid-brabant, verzoekt berigt wegens de geschiktste en min kostbaarste wijze van terugzending van onbekwaam bevonden bedelaars uit zuid brabant naar het gesticht van Ferkameren (brievenboek invnr 20)


Donderdag 12 juni 1823

Uit een brief van de Permanente Commissie aan de minister van Binnen­landse Zaken (samenvatting: 12 juni 1823, Missive aan Z: Exc: den minister van Binnenl: Zaken, houdende rapport op den ingezonden brief van Z: Exc: in dato 16 mei ll, omtrent de 7 Groningsche invalide bedelaars – de minister had een brief uit Groningen doorgestuurd):

Voorts moeten wij Uwe Exc. aanmerken, dat in de opzending van deze 7, en overige 28 van hetzelve transport uit Groningen merkelijk een erreur van de zijde des afzenders schijnt te hebben plaats gehad, daar de zelve naar hunne eigene verklaring vóór hun vertrek, niet tot de klasse van bedelaars hebben behoord, en zich als zoodanig ter opzending nimmer hebben aangeboden; hetgeen ook uit hun gunstig gedrag in het etablissement afteleiden is.
Wij zouden derhalve van advys zijn, dat ten ware Uwe Exc. mogt goedvinden om in dit speciaal geval, eenige andere en bijzondere maatrege­len aangaande de bedoelde personen te nemen, dan de vermelde zeven onbekwaam tot de arbeid bevonden personen uit het bedelaars-etablisse­ment, vrijheid zoude kunnen gelaten worden, om terug te keren in de gewone maatschappij. 354


Regelmatig (WIL: ??) komen brieven voor aan de gouverneurs van de provincies met bedelaars die niet geschikt worden geacht om hun kost te verdienen. Deze worden dan ook teruggestuurd. Als voorbeeld uit een brief aan de gouver­neur van Noord-Holland (samenvatting: 12 juni 1823, Missive aan den Heer Gouvern van Noord-Holland, in nader antwoord op de zijne van den 23 mei ll, omtrent de werkelijk onbekwaam bevondene personen uit het 1e transport bedelaars uit Amsterdam (zie ook 2 juni):

Anna Isabella Kels merkelijk door zwakheid onbekwaam is bevonden tot de gewone arbeid in het etablissement, hoezeer echter de Direkteur eene bijzondere geleegenheid heeft mogen vinden, om dezelve eenig ligt werk op te dragen, waartoe zij niet ongeschikt is, en dat aan haar een genoegzaam inkomen tot onderhoud aan de hand geeft.
Jacob Gabriel Manché is uithoofde van dubbeld zwaar gebroken te zijn, geheel tot den arbeid onbekwaam.
Even min is Johannes Frederik Sterrers door verminkte en misvormde armen en handen in staat om zijn kost te verdienen en ofschoon hem echter, overeenkomstig het gezegde van de Heer Sepp, eenig werk is gegeven en gedurende zijn aanwezen aldaar moet gegeven worden, zoo geschiedt zulks niettemin ten koste en nadeele van het etablissement, als kunnende hij daarmede niet genoegzaam voor zijn onderhoud verdienen.
De persoon van Joh. Hendrik Kellerman is door zwakheid des ouderdoms en zijn rheumatiek gestel mede voor den arbeid onbekwaam.
Eindelijk is Pieter Vermeylen door ongeneeslijke ligchaamsgebreken, geheel buiten staat om door arbeiden zijn bestaan in ons etablissement te vinden.

De Permanente Commissie verzoekt dat deze personen door de gouverneur naar Hoorn verzonden worden, behalve Anna Isabella Kels, die men voorlo­pig nog wel wil houden.

Ten aanzien van de vrouw en het kind van Kellerman kunnen wij niet ontvein­zen, dat, hoezeer er van de zijde der Direktie geene zwarigheden tegen de behouding dezer 2 personen in het gesticht bestaan, wij daarin eene hardig­heid, uithoofde van de betrekking waarin zij met J.H. Kellerman staan, meenen te vinden: waarom wij zouden voorstellen dat aan dezelver vrijgela­ten wierd, om den laatstgem. uit het etablissement te vergezellen. 354




Vrijdag 13 juni 1823


De subcommissie Amsterdam meldt een ledenwinst van 109, bijna geheel aan de ijver van commissaris Sepp te danken. 65)



Zaterdag 14 juni 1823


Visser denkt de komende week ƒ10.500,- nodig te hebben. 65)


Visser stuurt enkele stukken. 65)



Zondag 15 juni 1823


15 juni 1823, directeur Visser, geeft op de aanbestedingssom van de 6 boerenwoningen te Ommerschans, (…) zal de terugzending van de invalide bedelaars uit de zuidelijke provincien zoo veel mogelijk bespoedigen, geeft nader berigt omtrent de in orde bevinding van het bed etablissement te Ommerschans (brievenboek invnr 20)

Visser meldt dat er aan de Ommerschans zes hoeven zullen worden ge­bouwd voor ƒ1220,- per hoeve.

Terwijl ik de eer heb de Permanente Kommissie tot inligting voor de ingezon­den inventaris  te berigten, dat alle ossen, welke in kolonies no. 1, 2 & 3 tot de landbouw gebruikt, thans in eene wijde zijn, ten einde zelve op authorisa­tie der Permanente Kommissie aan het bedelaars gesticht tot slagten te verkopen; dat ook in kolonie 1 & 2 geen paarden van de Maatschappij meer voorhanden zijn, zijnde dezelve gestorven of naar de Ommerschans getrans­porteerd; reden er bij kol. no. 5 geen koeijen noch schapen als voorhanden voorkomen is, dat de koeijen en vooral de schapen vroeger aan de Maat­schappij behoord hebbende, als aan de kolonie zijn verkogt; zijnde de ontvangst en uitgaaf daar voor in de boeken te vinden - en derhalve onzes oordeels niet op de inventaris behoren; ik vermeen dat bij ander kolonien zelve ook slegts voor memorie voorkomen. Er zijn geen andere schapen dan ik kol. no. 6 & 7 aanwezig, ook is te Doldersum niets voorhanden dat niet tot eenige kolonie behoord, en dus op de inventaris gebragt.

Over het overlijden van zaalopziener Van Kooten in de Ommerschans, met bijgevoegd briefje van adjunct Hoff. transcriptie



ħDonderdag 19 juni 1823

Sollicitatie van Dirk Schuurman uit Leiden:

Dat hij ten gevolge van zijn zwak gestel en daar uit voortgevloeide herhaalde ziekte niet veel den activen dienst konde waarnemen, en hierom door den chef van het corps bij het Departement van Oorlog zijn ontslag en paspoort is gevraagd, en op den 15 dezer bij hem is ontvangen geworden.
Dat hij met zijn huisgezin, bestaande in vrouw en twee kinderen hoegenaamd geen middel van bestaan, nog bij iemand enige toevlugt hebbende met het ontvangen van zijn ontslag aan de grootste armoede is blootgesteld, indien zijn bestaan niet verzekert worden. Dat hij echter kennis­dragende van het heilzame daargestelde inrigtingen, met de oprigting en uitbreiding van onderscheidene kolonien van Weldadigheid en van de andere kant sedert zijne vroege jeugd en verschillende administrative bureau werk­zaamheden geweest zijnde, vertrouwd tot het bekleeden van een of ander post bij voorzeide colonien de nodige geschiktheid te bezitten en uit al het voorenstaande vrijheid neemt deze Kommissie nedrig te smeken dat het de Kommissie gunstig behagen moge door het verlenen aan requestrant van een post bij een der opgemelde kolonien van Weldadigheid, in de dringendste behoeften van zijn huisgezin te voorzien. 65)

Afgewezen na advies te hebben ingewonnen.

19 juni 1823, besluit PK, om aan de Direkteur van het Instituut ter wering der bedelarij te Amersfoort te bedelen de leverancie van 1000 ellen grijs plst, met verzoek van dadelijk toezending van 200 ellen en het overige successief naar dat het gereed zal zijn (brievenboek invnr 20)


Zaterdag 21 juni 1823

Visser denkt de komende week ƒ9000,- nodig te hebben. 65)


Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Eindelijk heb ik de eer te berigten dat zoo ver mij bekend is geen reden bestaan om het gevraagde ontslag aan E.M. Liefmans niet te geven. 65)

21 juni 1823, R. de Geer predikant uit Vreeland, vraagt andermaal naar de gelegenheid... (uit brievenboek invnr 20) (zie ook 9 juni)



Zondag 22 juni 1823

Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie met het bestek voor het Instituut te Wateren. transcriptie




Maandag 23 juni 1823

23 juni 1823, subcie Purmerend, meldt met de inkassering der kontr. over 1822 nog te moeten wachten tot na de plaatsing der kinderen en huisgezinnen waarvoor gekontrakteerd is (...) (brievenboek invnr 20)


Dinsdag 24 juni 1823

24 juni 1823, directeur Visser, meldt de expeditie naar Hoorn van 2 invalide bedelaars van Utrecht en 's Hage, met opgave der transportkosten  (brievenboek invnr 20), rest brief in transcriptie


Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Over de (mogelijke) zwangerschap van Cornelia Strik en Jacoba van Nieuwenhoven.transcriptie

Over de Ommerschans, met bouw werkloods en hospitaal, transcriptie

en een schuldige voor de achterlopende administratie.transcriptie


24 juni 1823, Missive aan Z: Exc: den minister van Binnenl Zaken in antwoord op die van Z: Exc: in 11 dezer, omtrent de door de Gestichten in de Zuid Provincien ongebruikte bedelaarsplaatsen en het niet meer sluiten van partikulieren kontrakten voor bedelaars. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)

24 juni 1823, Missive aan den Heer Gouverneur van Gelderland, beantwoordende die van ZHEG dato 13 juny ll, omtrent de opneming in de Etablissementen der Maatschappij van 4 zich daartoe aangegeven hebbende personen. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)


Woensdag 25 juni 1823

De subcommissie Rotterdam benoemt twee nieuwe bestuursleden. Een van hen is Willem Messchert die zich meermalen volijverig voor de Maatschappe­lijke belangen getoond heeft. 65)


25 juni 1823, Missive aan den Heer Gouvern der Provincie Vriesland, in antwoord op de zijne van den 16 dezer, voorstellende om het bepaalde tarief van transportkosten voor bedelaars desnoods te verhoogen. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)


Donderdag 26 juni 1823

(brief 152/6) Minister binn zaken, zendt in om berigt, konsideratie en advys een brief van den Gouverneur van Zuid-Brabant, omtrent de klagten van 2 aldaar gearresteerde Bed over het onderhoud in de Ommerschans
Kopie hiervan aan den Directeur gezonden, om informatie en berigt, 2 july, Zie N 159/6, not 30 juni art 27, rescr 22 juli met retour van de brief van den gouverneur en toezending van ??, not 18 juli art 26 (uit brievenboek invnr 20)


Vrijdag 27 juni 1823

Uit een brief van de subcommissie Dordrecht aan de Permanente Commis­sie:

Wij nemen deze gelegenheid waar ons bij UEd te informeren wegens ver­schillende klagten en bezwaren, die ons in den loop van dit jaar van onder­scheidene kanten zijn toegekomen, wegens de behandeling en het onder­houd der besteede wees en armkinderen van dezer stad in de kolonien, vooral met betrekking tot de zelver voeding en kleeding, als zullende het voedsel grootendeels bestaan in paardeboonen en haverbrood, terwijl de kleeding allerslordigst en armoedig zijn zou.
Schoon wij gaarne toegeven dat het allergewaagst is, klagten van diergelijke aard alte gaaf aantenemen, zijn ons dezelve al te menigvuldig en van te veel verschillende kanten ontvangen, voorgekomen, dan dat dezelve niet eenig onderzoek verdienen zouden, terwijl wat de kleeding betreft, eenige voorwerpen die zich dezer dagen bij hunne famielje alhier bevonden, ons de gegrondheid der klagten omtrent dit punt meer dan te veel schenen te bevestigen.
Wij hopen dat een en ander aan eenige bijzondere oorzaak zal zijn toeteschrijven geweest welke weggenomen is of hersteld kan worden, doch het spijt ons UEd te moeten berichten, dat deze zaak in deze stad, welke door haar belangrijk contract getoond heeft zeer voor onze Maatschappij ingenomen geweest te zijn, zulk een kwade indruk gemaakt heeft, zoodat verschillende te voren voor de zaak der Maatschappij zeer wel gezinde menschen, zich hierdoor in hunne verwachting te leurgesteld zien, en niet meer met zoo veel vertrouwen de belangen der Maatschappij durven te behartigen. 65)


Uit het brievenboek:

Besluit der P.K. Om den Heer Direkteur terug te zenden de teekeningen en plans van het te bouwen hospitaal en de werkloots te Ommerschans. Te zenden 12 stuks figuratieve kaartjes der kolonien. (...)
Eindelijk te verzoeken informatie omtrent het gerucht dat er in de kol: be­smettelijke koorten zouden heerschen.

Minister van binnenlandsche zaken, zendt in om berigt een brief van de gouverneur van Utrecht, opheldering verzoekende omtrent zekeren gedeserteerde bedelaar
Rescr 7 juli, not 30 juni art 29. 20)



ħVrijdag 27 juni 1823

De vereniging van honoraire en corresponderende leden te Sneek geeft bericht van haar oprichting en stuurt een 'volksboekje' door haar uitgegeven met als titel De Kolonie Frederiks-oord. 65)



Zaterdag 28 juni 1823

Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

De Heer P: Oosterloo heeft mij verzogt een nieuw attest, aangaande de in het voorgaande jaar vervaardigde gebouwen, waar van de rekening den 9. februarij dezes jaars ten bedrage van ƒ28295.- opgemaakte en door mij voor accoord bevinding immers het getal der gebouwen is geteekend. Ik heb aan dit verzoek niet ten volle kunnen voldoen, om reden de gebouwen nog niet door een deskundige waren geinspecteert; intusschen heb ik de kolonisten woningen voor eenigen tijd in persoon, zoo veel mij dit mogelijk is, naauw­keurig nagezien, en eenige defecten den aanneemer aangewezen, deeze defecten zijn behoorlijk hersteld. 65)


Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 28 juny

WelEdele Heeren!

Ik heb de eer UWelEd hier nevens aantebieden een plan en bestek voor een koloniale woning.
Volgens dit plan zullen de woningen veel sterker zijn als bestaande, de voor en achter gevel uit een een steenen muur. Dezelve zullen tevens ook langer dienen daar het bekleedzel der schuur in plaats van uit planken mede van een half steenen muur gemaakt zullen worden. Ook is de inwendige ruimte iets groter, zo dat dezelve in alle opzichten beter aan het oogmerk zullen beantwoorden.
Bij publieke aanbesteding intusschen kunnen dezelve met geen mogelijkheid voor ƒ500- worden aanbesteed om dat zo de Maatschappij zeker de onderdelen levert tot die prijs waar op die haar te Veenhuyzen komen te staan en slechts ƒ23- per woning overschiet, als winst voor den aannemer en tot die prijs wel geen aannemer de moeite op zich nemen om 20 a 24 woningen op het Doldersumsche veld te zetten.
De kolonist Bodestaf echter met Smit willen dezelve tot dien prijs aannemen mits de Maatschappij de materialen leverd en zij kunnen dit doen om dat zij in de eerste plaats mede arbeidende, hun eigen daggeld verdienen en dus woning voor woning met behulp van andere kolonisten aftimmerende geachten(?) op toe in de week ieder een goed daggeld verdienen zullen. Ik proponeer derhalve

1o Van vierentwintig koloniale woniningen te doen bouwen op Doldersum volgens bijgaande tekening en bestek.

2= De aanneming daar van te gunnen aan de kolonisten Bodestaf en Smit.

3= De materialen voor rekening van de Maatschappij te doen leveren.

4= Het arbeidsloon zullen betalen voor ieder woning die voltooid is.

Een spoedige decisie hier omtrent is nodig om dat het water meer en meer vermindert en het transport moeijelijker word. Door zodanig eene proeve tevens met 24 woningen te nemen zal de Kommissie het best kunnen oordelen wat in het vervolg het meest met haar belangens strookt. Ik houde mij verzekert dat het meer dan ƒ50 op ieder woning schelen zal. Hier bij verschaffen wij op deze wijze meerder en geregelde arbeid aan een goed getal kolonisten.
Met betuiging van hoogachting heb k de eer te zijn

UWelEd DWDienaar
J. van den Bosch 65)


Directeur Visser meldt dat er door Noord-Braband 12 personen meer zijn gestuurd dan het contingent toeliet, maar dat door de afwezigheid van von Hoff niemand op de hoogte was van dit feit en de bedelaars allen zijn ingeschreven. Ook is er een bedelaarster onaangekondigd uit Gent geko­men. 65)

Uit het brievenboek:

28 juni 1823, directeur der koln, Meldt de aankomst van 12 Bed: uit Noord-Brabant, boven het aan die Prov: toegestaan kontingent, verzoekende informatie hoe hier omtrent te handelen, zoo ook wegens een uit Oost-Vlaanderen aangekomen bedelaar (…) → rescr 8 july, not id art 9 (brievenboek invnr 20)

Minister van Binnenlandsche Zaken, geeft kennis van Z Ed aanschrijving aan den gouverneur van Groningen omtrent de terugvoering naar Groningen van 7 in de Ommerschans invalide bevonden personen (uit brievenboek invnr 20)

Minister van Binnenlansche Zaken, zendt in een nominatieve staat van een uit Overijssel opgezonden bedelaar. (uit brievenboek invnr 20)


Zondag 29 juni 1823

Uit een brief van de subcommissie Zaandam aan de Permanente Commis­sie:

Met bevreemding, wij kunnen dit niet ontveinzen, hebben wij vernomen, dat aan eene dochter van de weduwe Weender ontslag verleend is, dat dit dus uit een huisgezin, hetgeen wij meenden, dat voor onze rekening was op eene hoeve, die wij als ons eigendom konden aanmerken, als zijnde de volle ƒ700 daarvoor gestort, aan personen gegeven wordt zonder eenige de minste kennisgeving aan ons, en meer nog, dat, zoo als wij uit den mond der dochter van die weduwe vernamen, twee ons geheel vreemde jongelingen, een van de Koog en een van Leeuwarden bij haar ingedeeld zijn. Wij verzoe­ken dus dat Adriaan de Boer op eene onzer eigene hoeven geplaatst worde. 65)



Maandag 30 juni 1823

Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ter beandwoording der missive van de Permanente Kommissie dd. 25 junij no.67/6 aangaande de ongeschikte personen van Texel, heb ik de eer te berigten, dat de wede Renantje Bakker met hare kinderen, ingedeeld bij de wede Trijntje Tjebbes, waar over bij de mijne dd. 12 julij 1822 als ongeschikt was geklaagd, zich daar na zoo zeer van hunne pligt hebben gekweten, als men met billijkheid van haar kon verlangen, en door het verrigten van zoo veel fabriekmatigen arbeid, als maar eenigzints overeenkomstig de inrichting aan haar kon worden gegeven, bijna de gewoone verstrekking hebben verdient, terwijl het niettegenstaande dit nog altoos een zwak huisgezin blijft; wat nu aangaat de 3 personen bij de mijne dd. 10 ll. als ongeschikt opgege­ven deeze menschen zijn oogenschijnlijk niet zoo ongeschikt, als zulks door de ondervinding wordt bevestigd, zoo dat kort na hunne aankomst of wel op den 12 julij 1822 ik daarvan nog was onbewust, reden waarom zij destijds niet als zodanig zijn opgegeven. 66)






Besluit der Permanente Kommissie van de Maats. van Weldadigheid van den 30 juny 1823, over boekhouder Greeven, invnr 960.
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Personen/Greven.html