Naar het overzicht
van de POST







De POST van MEI 1823

Donderdag 1 mei 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan het Bureau der Permanente Commissie:

Hier neffens nota's van de gekogte goederen, copieen der overeenkomsten zend ik nader. De hoofdvoorwaarde is betaling 6 weken na de leverantie.

1 mey 1823 J. van den Bosch

Uit het bijschrift blijkt dat het gaat om steen, ijzer en hout voor Veenhuizen.


1 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief P.O. van der Chijs, Verzoekt antwoord op zijnen brief van den 26 april ll --> Notificatie.

1 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief gouverneur van Utrecht, Verzoekt, alvorens de terugvoering van 2 uit Utrecht opgezonden, doch in de Ommerschans ongeschikt bevonden bedelaars te doen plaats hebben, het gevoelen der PK te vernemen, omtrent het dragen van de kosten van dit transport --> rescr 12 mei, not 9 id art 11.

Brandverzekering, invnrs 1295-1296 Akte van aandeel LG No 596  in dato 1 mei 1823, zie algemene informatie op deze pagina.
En voor wat betreft de Ommerschans. transcriptie






Vrijdag 2 mei 1823


Aangebragt,
door den veldwachter der stad Ommen, genaamd Jan Hendrik Arends, den tot de Nationale Militie voor een jaar uitgestelde jongeling genaamd A. van Schie, strekkende dit voor zijne geregelde overbrengst ten bewijze,
Ommerschans, den 2 May 1823
den onderdirekteur in de schans,
Harloff (gemeentearchief Ommen, ingekomen stukken 1823-1824

2 mei 1823, Missive aan den Gouvern van Overijssel, in antwoord op zijne van 24 april, omtrent het daarbij voorgestelde tarief van transportkosten van bedelaars. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)



Zaterdag 3 mei 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Dank voor de heusche vlijende wijze waarop UWE mij het ontwerp van de inrigtingen der nieuwe kolonie terug zond.
Ik heb dit stuk bedaard, met ernst gelezen, en de grondbeginselen van vestiging enz. van wezen, vondelingen enz. getoetst, met die van in dit vak deskundige schrijvers als: Vollenhoven, Nieuwenhuijs en anderen. Kortelijk zal ik UWE mijne bedenkingen mede-deelen.
A. De klassificatie van behoeftigen, zijn voor een oneindig aantal onderdeelingen vatbaar. Elk mensch is een afzonderlijke wereld, ik vinde het te gewaagd om slechts vier klasse te bepalen.
B. De bepalingen van de straf-kolonie vinde ik uitmuntend.
C. De daarstelling van een vierde soort (b) arbeidzame, maar verkwistende zal niet alleen moeijelijk, maar zal eene onmogelijkheid blijven. Wat men doe, het beheer over een stuiver loon is aan diezelfde evenmin toevertrouwd dan over É50-.
E. Daarstelling arbeiders etablissement.
Men erkend hier dat zulks noodzakelijk wordt, en dat de denkbeelden om de behoeftigen te verbeteren, slechts droombeelden waren. De magt over de kolonisten moet meer op een punt vereenigd worden. De opzieners zijn toch alle menschen, die uit noodzaak, en niet uit willekeur die posten op zich genomen hebben. Hieruit volgt van zelve, dat men hun zeer weinig magt toevertrouwen kan. Vraagt elk ondeelig opzichter of liever of hij met aanbod van een burgerlijk bestaan in de groote maatschappij wil terug keeren, en zijn antwoord zal niet dubbelzinnig zijn.
In een etablissement kan men de huishoudens nagaan, in de kolonie niet. Men erkent het gebrekkige van de tegenwoordige wijze van koloniseren. Bij grootere uitbreiding zal het kwaad nog erger worden. Het grootste gedeelte van armen behoort onder de 2e rubriek; ik vreze deze soort bij elkander te brengen, het worden massa's ondeugende die door hunne samenleving elkander meer en meer zullen bederven en nog slechter de inrigtingen zullen verlaten. Even als de gevangenen onderling zich de ondeugden leeren, zal hier ook geene betere zeden geleerd worden. Het gevolge zal zijn, dat alles naar de O.S. of de etablissementen in ommerschansen zullen verandert worden.
De menschen liever immers zoo mogelijk te isoleeren blijft nog steeds het gelieftkoosde beginsel. De arme zedenverbasterde menschen te vereenigen, is hun nog slechter te willen maken.
En bij deze arbeiders inrigtingen weeshuizen te plaatsen omdat de huisverzorging niet deugd, dit kan niet. En juist dit vereischt een naauwkeurig onderzoek. De wijze van huisverzorging is te onbekookt ingevoerd, en bij lang onderzoek hadt men de gebreken voor de invoering ontdekt. Thans zien wij de dwaling in, en moeten erkennen dat wij menschen van gelijke bewegingen als anderen zijn. Deze bekenning moet ons echter voorzichtigheid leeren, en vooral moeten geene kinderen het slachtoffer van onberadenheid worden.
De aard en geschiktheid van kinderen te leeren kennen, wanneer zij in massa vereenigd zijn, is onmogelijk. Dit kan men in geen godshuis. Het etablissement is toch niets anders.
Het is gemakkelijk om de kinderen aldus bijeen te plaatzen; daarom hebben onze voorouders weeshuizen gebouwd, en men had van die gestigten niet zoo veel kwaads moeten zeggen. Want nu moeten wij zelve weeshuizen bouwen. Jongens van 8 a 9 jaar, geloof ik niet, dat men kinderen in een gestigt kan plaatsen. Men wil een weeshuis bouwen, men moet suppoosten hebben, en juist deze directie is het bederf van alle weeshuizen. Verpleging in zalen van verschillende kunne en jaren - kinderen van 8 tot 12, en van 12 tot 16 jaren, vereischen eene volstrekte verschillende behandeling -. Jongens vooral volmaakt van meisjes aftezonderen.
De berekening van het onderhoud, had ik liever weggelaten, dit is toch onzeker.
Jonge kinderen gewennen zich gemakkelijker pleegouders dan ouderen. De oudere worden niet ligt boerenwerklieden.
Arbeiders zijn verkwistende kolonisten, hier bij kinderen in te deelen, hoe kan dit? De inrigting van het gebouw deugd niet. Een weeshuis dient van rondom (de zalen) lucht te hebben, de lucht van de binnenplaats is onvoldoende. Dit is juist het gebrek van de huizen in de steden. Honderden door elkander op zulke zalen, in de nabijheid van bedorven huishoudens, onder een dak, worden ligchamelijk en zedelijk bedorven.
De mindere kosten van zoodanig gebouw, moet ten nadeelen van het lot der kinderen komen.
tegen elkander woning, - belemmering van versche lucht van de buitenzijde, - geen ruimte van water, er wordt niet van gesproken. Het gevolg hiervan zal allerlei soort van ziekten zijn, vooral huidziekten, dat groote kwaad der zamenwoning.
De toezienders in de godshuizen voldoen niet aan hunne bestemming. Geschikten zal men nooit vinden, uit den aard der zaak omdat het beroep te slaapachtig is. De te vorderen toezienders moeten landbouwers en admin. enz. zijn. Men diende wel een opvoedings instituut voor toezienders te maken.
Suppoosten spannen samen en zoeken gelegenheid om de misdrijven te bedekken. Oneindig zijn de misbruiken die zij om hun zelfs wille bedekken, en zelfs overal pogen te doen ontstaan.
De afzonderlijke reglementen voor de honderden zullen onvermijdelijk moeten gevolgd worden, naar de thans bestaande inrigtingen in voorname godshuizen binnen de steden.
Het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam kan men als het voornaamste weeshuis in ons land aanmerken. De inrigting en het gebouw is steeds geroemd. Dit huis is bijna eene maatschappij op haarzelve en bevat dus alle de gebreken van de groote maatschappij. Men ziet hier al het goede en kwade van eene weeshuis inrigting. Het gebrekkige aldaar zal in eene nieuwe inrigting niet vermijd worden.
430 voet lengte rondom de binnen plaats. Hoe komt de opzigter onverhoeds van de eene punt tot het anderen, gaat hij de plaats over dan wordt hij bemerkt, binnengangen kunnen van 32 voet breedte niet afgenomen worden, - 16 voet diepte voor de arbeiderswoningen is te gering, het worden hokjes -. Voor zalen en scholen enz. is een al te langwerpig lokaal ongunstig, omdat men de kinderen niet overzien kan.
Het allernoodzakelijkst toezigt wordt bij deze zeer groote uitbreiding onmogelijk. Zal men de weeshuizen die op vele plaatsen niet die gebreken hebben, die ik aan het ontworpen gebouw toeschrijve, slopen, om andere huizen te bouwen in afgelegene landschappen.
Ik zie bezwaar in het overnemen van wezen. Van zelfs zoude deze stedelijke inrigtingen vervallen wanneer wij de armen en het kanalje met alle de onderdeelen overnamen. Het getal wezen zouden kleiner worden en voor het kleine getal ware wel goede huisverzorgers te vinden. Ook kan ik in 's Konings besluiten nog niet duidelijk de last inzien, om de wezen naar ons toetezenden zoo als zulks met de bedelaars plaats heeft. Is dit om dat men maar zoo niet over kinderen kan beschikken, die de maatschappij tot eene geldelijke, maar niet onzedelijke last zijn, zoo als de bedelaars.
Daarom is het voorstel om bedelaars in een gebouw te plaatsen binnen het vierkant alwaar de arbeiderswoningen, aan de buitenzijde zijn, veel aannemelijker, hoe wel de gebreken van lucht enz. blijven bestaan.
Wij moeten geene kinderen in massa overnemen.
Wij hebben de ondervinding hoe gevaarlijk het zij, met kinderen proeven te nemen. Het denkbeeld van proeven met kinderen, stuit mij tegen de borst.
De arbeiders en bedelaars kolonie dezen moeten wij oprigten, en hier mede volhouden. Het overige vereischt te veel zorg en opzicht. Laten wij onze inrigting omkeeren en de brave, door de verkeer met anderen niet bederven arbeiders in de vrije kolonie plaatsen, dit getal zal toch niet groot zijn. Daarvoor zullen wij geene nieuwe woningen behoeven te bouwen, de tegenwoordige bewoners van de vrije kolonien willen allenige arbeiders worden, en die onder hun door vlijt eene som bespaard hebben, zullen zich ontslaan van alle onze reglementen, en dan verliezen wij die weinige die tot voorbeelden strekken.
Gij ziet M.H. dat de zaak van onzer Maatschappij mij naauw ter harte gaat, dat ik mij niet vergenoeg met in eenen regel mijne gevoelens te uiten, dat ik niet uit gemak of slaafachtigheid volg, zonder allereerst de zaak aan mijne begrippen van doelmatigheid, ja van menschlijkheid getoetst te hebben. Aan dwalingen ben ik wel als elk mensch onderworpen. Doch tegen mijn gevoel wil ik niet handelen.
Een ontwerp kan men niet gedeeltelijk goedkeuren, daarom blijve ik bij mijn gevoelen en keure het zelve af. Terwijl ik hartelijk verlange dat men met de arbeiders en bedelaars kolonie voortga, en daar voor op te rigtenen lokalen niet die gebreken bezitten zullen, die ik in de ontworpene tegemoet zie.
Hoe ook de meerderheid beslisse, hoe ook van deze aanmerkingen gebruik gemaakt worden. Dit blijft zeker dat zulks geen invloed kan hebben op mijnen ijver voor de belangens onzer Maatschappij, noch op de achting die ik U Mijne Heeren! toedrage

Lid der Kommissie Maatschappij van Weldadigheid
P.J. Ameshoff


Bijlage bij een brief van Ameshoff (no. 39/5) een mandaat voor hemzelf van de Maatschappij, enigzins gehavend.


3 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief gouverneur van W-Vlaanderen, Meldt aan den Minister van Binn: Zaken en den gouverneur van Overijssel te hebben verzocht om de ongeschikt bevonden Bed: door de Marechaussee te doen terugzenden, verzoekende dus de Bed: ter dispositie van gen. ambtenaren te stellen --> Medegedeeld aan den direkteur, ter fine van executie 9 mei, not 8 art 6.
3 mei 1823, minister van binn zaken, Vraagt of er gelegenheid is, om de 185 zich vrijwillig aangegeven hebbende bedelaars, dadelijk aantenemen, zullende alsdan de nom lijsten daarvan worden ingezonden --> rescr 13 mei, not 9 id art 10.

3 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief Regenten van het weeshuis te Tholen, Melden de verhindering in de expeditie der 24 gekontrakteerde kinderen naar de kolonie --> Notifikatie.


Zondag 4 mei 1823


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts heb ik de eer in antwoord op de missive van de Perm. Kommissie van den 2e april N102/5 te berigten dat ik aangaande F.J. Stokebrand, en den schrijver van de in 'S Hage in omloop zijnde brief de nodige informatie zal tragten te bekomen en haar zo spoedig mogelijk rapporteren.

Ik mag deze gelegenheid niet laten voorbijgaan zonder de Perm. Kommissie te verzoeken, hare aandagt te vestigen op het personeel van het huisgezin der wed. Willems; de Heer Hoogkamer heeft zeer waarschijnlijk de loflijkste bedoelingen met Z.Ed. gift aan de Maatschappij gehadt; maar wanneer ik het gezegde van zijne vigt(?) voorn. weduwe, voor een groot gedeelte als waarheid aanneme, bedriegt Z.Ed. zich, ingeval hij later geluk bedoelde. Ik vond mij zoo veel te meer verpligt dit te melden als er meer en meer voor de kolonien ongeschikte huisgezinnen worden gezonden: dat van Kok die voor twee jaren nog eigenaar van een azijnfabrijk was, mag onder deze zeker worden gereekent.


Besluiten der Permanente Kommissie van Weldadigheid, houdende vermeerdering van de aan de Bedelaars te verstrekken voeding, en eenige maatregelen tegen de desertie der Bedelaars, van den 4 mei 1823, invnr 988.
transcriptie


4 mei 1823, besluit PK, Om aan de direkteur te verzoeken, (...) de terugzending van invalide bedelaars naar Mons; het verzoek van den gouverneur van Namen, zie N10/5, hem medetedeelen, om berigt; het gegeven ontslag aan de dochter van de kolonist Bosch en den zoon van de kolonist Klaver; en voorts van de aanstelling van A.J. Wijkstra; de besluiten van die dag mbt de OS, over bedelaar-veldwachters; Te autoriseren tot de uitbetaling aan den korpl Seyl van É34:67Ĺ voor hem kompeterende gelden in de massa bij zijn korps. Idem tot de vergrooting van zijne woning in het Logement (brievenboek invnr 20)




Maandag 5 mei 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 5 mey

WelEdele Heeren!

- Over employť Theodorus Lindeman (en andere onderofficieren). transcriptie


Van de drie door mij afgegeven wissels zijn er noch twee achterhaald, zo dat er slechts een gepresenteerd zal worden.
De genomen maatregelen schijnen aan de Schans aan het oogmerk te voldoen, althans er is niemand uit gedeserteerd.
De Generaal Meyer heeft een brief aan Hoff geschreven waar in hij de zaak zodanig voorsteld als of de officier in alle pressante gevallen verplicht zij zich eene schrifdelijke order te respecteren. Intusschen ben ik erbij geweest dat dien officier zelfs weijgerde de orders die hij deswegens ontvangen had te laten zien. Meyer gevoelt wel dat zijn ongelijkheid en geeft thans een ander aanzien aan de zaak. Ik twijfel dus niet of de voorgestelde brief zal de vereischte uitwerking doen.
De Heer Matthisse, dezelve die ons de zwengel(?) aangegeven heeft, zend ons thans 17 mopen(?) verzoel(?), 20 pond elictor avenna. Ik verzoek dien man die ons werkelijk een grote dienst bewezen heeft en nog meer andere bewijzen kan, tot honorair lid voortedragen. Zijn voornaam zal ik eerlang opgeven. Ik heb de Heer Bagman verzocht het graszaad in ontvangst te namen en deze voor 19 mark ban(?)is te betalen, welke verzoeke bij gelegenheid te reembourseren.
Met betuiging van hoogachting heb ik de eer te zijn

UWelEd DWDienaar
J. van den Bosch
in grote haast.

P.S. Alles groeit voortreffelijk met het schone weder. 65)


5 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief Burgemeesteren van 's Hage, Verzoeken de expeditie van den ongeschikt bevonden bedelaar H. Leydenroth naar Hoorn, bij eerste geschikte gelegenheid te doen geschieden.

5 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief minister BZ, Zendt in kopie der aan de gouverneurs der noordelijke provincien afgezondene cirkulaire wegens het opvatten en opzenden van in hunne eigene gemeenten bedelend gevonden personen.

5 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief 2e Assessor te Frederiksoord, (...) Meldt dat de bepaling omtrent de orders van den Adj: Direkt: von Hoff voor het detachement, eenigszins gewijzigd is

5 mei 1823, Missive aan Z Exc den Heere minister van Binnenl Zaken kennisgevende van de gereed gemaakt wordende Etablissementen ter overvane van ongeveer een vierde deel van het bij kontrakt van 1 maart ll bepaalde personeel, in der loop dezes jaars. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)



Dinsdag 6 mei 1823


6 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief subk Leijden, Meldt zeer voor de oprigting eener Studenten Subkommissie te zijn, met hare konsideratien.



Donderdag 8 mei 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ter voldoening aan het verlangen der Permanente Kommissie dd. 2 meij no. 105/5 heb ik de eer te berigten, aangaande het geven van ontslag aan den bestedeling Teunis Jans Stokebrand van Enkhuizen, dat, daar zijn broeders voortaan voor zijn onderhoud willen zorgen en er in de kolonie geen reden bestaan waarom dit ontslag niet zoude behoren te worden verleend, het zelve mijns inziens wel kan worden geakkordeerd.

- over een brief van Jacob van Luijpen. transcriptie

- plus verslag van zijn bezoek aan de Ommerschans. transcriptie

 
8 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Besluit der PK, Om aan den Heer Direkteur (...), te verzoeken de invalide bedelaars van Brugge, ter dispositie van den gouverneur van Overijssel te stellen, te verzoeken de terugvoering van den bedelaar H. Leydenroth naar Hoorn voor rek: van burgem: van 's Hage

8 mei 1823, Missive aan den Heer Gouvern van Overijssel verzoekende herhaalde aanschrijving aan de gemeente besturen betrekkelijk het terug brengen van gedeserteerde bedelaars. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)

8 mei 1823, Missive aan den Provincialen Kommandant van Overijssel, houdende kennisgave van het brengen op den behoorlijken voet der kasenering van het detachement aan de Ommerschans, met verzoek om opheffing der bepaling dat hetzelve geene dan schriftelijke bevelen van den Kap: von Hoff zoude mogen opvolgen. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)



Vrijdag 9 mei 1823


Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief minister BZ, verzoekt informatie of zeker bedelaar M. Mercier bewust is dat zijn broeder voor hem ontslag verlangt, en of hij dat zelf zoude verlangen --> opgezonden aan de direkteur om berigt 24 Mei Zie N55/5, not 13 id art 15, rescr 31 mei, not 23 id art 44. vermelding


Zaterdag 10 mei 1823


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van de subcommissie Amsterdam:

Aangaande den persoon van Johannes Leonardus van de Burg, hebben wij ons dadelijk op den ontvangst van UWEds missieve van den 9 dezer no. 20/5 bij zijne familie alhier tot het bekomen van eenige renseignementen vervoegt en van dezelve vernomen dat de gešufingeerde(?) in het begin deezer maand hier gekomen zijnde, door zijne naastbestaanden wederom bij den eerstvarenden beurtschipper aan boord gebracht, en aan denzelven nadrukkelijk is aanbevolen om hem in de kolonie terug te brengen en dat zulks ook door den schipper was aangenomen en beloofd, en dat men dus niet twijfelde, of hij zoude zich thans wederom in de kolonie bevinden. 65)




Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer UWEG hiernevens afschrift te zenden eener missive van den Gouverneur van Noord Holland, betrekkelijk het overbrengen van 380 weezen, vondelingen en verlatene kinderen uit Amsterdam naar de colonien uwer Maatschappij.
Hoe zeer een weinig vooruitloopend in deze van wege die stad wordt te werk gegaan, moet ik UWelEdelen in dezen oogenblik, om bijzonder mij daartoe bewegende redenen, met allen aandrang uitnoodigen, om zoo het slechts eenigermate doenlijk zij, de geprojecteerde overzending der voormelde kinderen, zonder eenige vertraging te laten geschieden.

Bijgevoegd is een brief van de Gouverneur van Noord-Holland gedateeerd 5 mei aan het ministerie:

De Gouverneur maakt melding van de verzending van 60 bedelaars naar de Ommerschans, maar merkt op dat namelijk deze opzendingen van wege Amsterdam alleen gedaan werden op den voet bij de art. 9, 10 & 19 van Zijner Majesteit voormeld besluit, voorgeschreven ten einde alzoo die bedelaren in verhouding zouden gebragt worden tot een proportioneel aantal vondelingen of wezen uit de godshuizen genomen, daar de ontlasting dier gestichten juist dat gene is wat in 's Konings besluit voor de hoofdstad de weldadigste strekking heeft, en waaraan oneindig meer prijs moet gehecht worden, dan aan de opzending van enkel bedelaren, voor welker plaatsing aldaar reeds eene inrigting in stand is, terwijl zonder die verhouding in acht te nemen alle financieel belang zoo voor de stad als voor de godshuizen zou worden uit het oog verloren.
Ik twijfel niet of Uwe Excellentie zal daarmede volkomen instemmen en het is in die veronderstelling dat ik op het verlangen der regering van Amsterdam de eer heb Uwe Excellentie mits deze te melden dat drie honderd vier en tachtig weezen, vondelingen, of verlatene kinderen, zijnde het vereischte aantal om met de reeds opgezondene en voor den colonialen arbeid finaal goedgekeurde bedelaren, overeenkomstig de geprojecteerde artikelen en bijliggende staat in verhouding te worden gebragt, werkelijk gereed, en ter beschikking der Maatschappij van Weldadigheid gesteld is om onmiddellijk afgezonden te worden, de vrijheid nemende Uwe Exc. te verzoeken, om mij wel zoo spoedig doenlijk de verzekering te willen geven, dat de opzending van dat aantal kinderen in de colonie aldaar bij het aankomen, door geene verwarring zal achtervolgd worden.

Het antwoord van het ministerie, gedateerd 10 mei:

Voorts refereer ik mij aan mijne circulaire van den 3 mei 1823, N51, de kennisgeving inhoudende van een aangegaan contract wegens 4000 vondelingen, verlatene kinderen of weezen, 500 huisgezinnen, en van 1500 bedelaars; en volgens welke circulaire ik eene opgave inwachtende ben van het getal der vondelingen enz. voor welke de gemeenten van Noord Holland gedurende 1824, gebruik zouden willen maken, van de voordeelen, welke haar, door het bewuste contract, worden aangeboden.
Er volgt hier uit dat immers voor als nog, geene opzendingen naar de colonien der Maatschappij van personen bij gemeld contract aangewezen kunnen plaats hebben. Desalniettemin heb ik UHEdG. missive van den 5 mei voorn. aan de Permanente Kommissie der Maatschappij, te 's Gravenhage, doen toekomen, met uitnoodiging, om, zoo het slechts eenigermate mogelijk ware de 384 kinderen, welke men uit Amsterdam, wil wegzenden, op te nemen. Geenszins twijfel ik aan de bereidwilligheid, noch aan de medewerking der Permanente Kommissie hiertoe. 65)

10 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief minister BZ, Verzoekt instantelijk om, zoo mogelijk, dadelijke overneming van 380 weezen, ?? uit Amst., tengevolge den bijgevoegde kopie aanvrage des gouverneurs van Noord-Holland met het antwoord van Z. Exc. op dezelve; voorts om konsideratien en advys op het door dien gouvern voorgestelde wegens de kombinatie van beds en kind. --> Verzonden 15 mei aan den Heer 2e Assessor om advys, not 17 mei art 5, voorloopig beantwoord den 21e Mei, nader gerescribeerd 31 mei, not 28 id art 19  (zie brief Johannes 21-05)

10 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief minister BZ, Zendt in om berigt, konsideratien en advys een brief en bijlage van den gouverneur van Zuid-Braband, berigt gevende van een opgevatte deserteur uit het Beds etablissement en van deszelfs klagten over de behandeling in het etabl., met verzoek om berigt wegens zijne terugzending --> Den brief aan den direkteur om berigt 15 mei, not 17 id art 17 of 19, rescr 22 aug, not 28 id art 7


Ingekomen post invnr 65. Brief van de subcommissie Enkhuizen aan Prins Frederik:
transcriptie


Zondag 11 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Eindelijk met bijvoeging der inschrijvingsbilletten der Permanente Kommissie te informeren dat bij de publieke uitbesteding op gisteren, het hoofdgebouw te Veenhuizen werd aangenomen voor É58850. door den Heer Oosterloo. Deeze somme verre boven de begroting zijnde, zijn wij dadelijk met een ander aannemer in onderhandeling getreden. ZHEdGest. den Heer 2e Adsessor zal den uitslag, welke ik geloof voldoende te zullen zijn, op heden of morgen de Permanente Kommissie mededeelen.

Bijgevoegd zijn 11 inschrijvingen van aannemers voor Veenhuizen. De laagste bieder is Oosterloo met É63.000,- en de hoogste Nuis met É76.000,-


Brief van de provinciaal commandant van Overijssel. Samenvatting: Geeft redenen van de bepalingen omtrent de schriftelijke orders en consignes voor het Det. aan de Ommerschans, met berigt van de daarin gemaakte wijziging. Meldt dat de kaserneringsmiddelen aldaar in orde zijn. → rescr 21 mei, not 20 id art 15

Rescriberende op de missive van UwEd van den 8 dezer N 5/5 zoo heb ik de eer te melden dat ik ten hoogsten verwonderd ben dat den Kapitein von Hoff adjunct directeur der kolonien zig heeft bezwaard over den last door mij aan den kommandant & officieren van 't detachement te Ommerschans gegeven, om schriftelijke orders en consignes van voorn: kapitein te vragen.
Zijn WelEdGestrenge een oud officier zijnde kan niet onbewust zijn dat in alle garnisoenen en op alle posten de consignes schriftelijk worden gegeven, en wat de orders betreft, dit is geschied, eendeels den dienst hier door geregelden door den eenen officier aan den andere maandelijks kan overgegeven worden, en ten andere dat naar mijn inziens, de verantwoordelijkheid van den officier en den soldaat moet gedekt zijn, wanneer het uitoeffenen hunner functien met gevaar van leven en dood voor anderen gepaard gaat; zoo als reeds orders door den kapitein von Hoff gegeven zijn om met geladen geweer op schildwagt te staan en des avonds meer dan 3 menschen passeerende welke op den eersten aanroep niet blijven staan daar onder te schieten.
intusschen is deeze order door mij zoodanig veranderd dat ziju niet alleen bij oproer maar zelfs onder gewonen dienst geen de minste oponthoud kan veroorzaken dewijl het in zulke gevallen van zelve spreekt dat alle mondelingsche orders van den kapitein von Hoff zullen opgevolgd worden en de schriftelijke orders alleen den kommanderenden officier van 't detachement tot rigtsnoer zullen verstrekken bij onvoorziene afwezigheid van den kapitein von Hoff.
Overigens heb ik de eer UwEdGestr te informeren dat den kommanderenden officier  mij gerapporteerd heeft, dat thans de kaserneringsmiddelen in behoorlijke order zijn.



Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Eerste deel over grondaankopen waarbij baron van Dedem de boel probeert te flessen, met als bijlagen de daarover gevoerde correspondentie. transcriptie

Veenhuizen De publieke aanbesteding heeft gisteren plaats gehad en is uitgevallen gelijk verwagt had, dat is veel te hoog gemeend(?), namentlijk op ruim 58 duizend guldens door Oosterlo. Er waren veele aannemers die tot 75 duizend guldens gevraagd hebben. Ik stel voor de aanbesteding niet te gunnen. Ik ben reeds in onderhandeling met een bekwaam man die de vereischte cantie(?) stellen kan. Deze heeft reeds den aanbouw op 54 duizend guldens aangeboden, met eenige wijzigingen echter in de conditie, of liever in de wijze van betaling. Wij winnen voor É2500- op de materialen en nog É500 gis ik dat op de overschietende zal kunnen worden geprofiteerd, zo dat dan in effectie het gebouw maar op É51,000- zou komen te staan. Ik heb aangewezen zo hij het voor 53/m zal aannemen ik daar van een voorstel aan de Kommissie doen zal. Ik ben overtuijgd dat het daar voor gebouwd kan worden, de materialen na het tarif berekent en daar de materialen dagelijks met kragt worden aangevoert bestaan er geen reden om zich te overhaasten.
Met betuiging van hoogachting heb ik de eer te zijn

UWelEd DWDienaar
J. van den Bosch




Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 11 mey 1823

WelEdele Heeren

Mijne bezigheden groeien zodanig aan en mijne bureau onkosten worden zo aanzienelijk dat ik UWelEd voorstellen moet aan mijn secretaris de Heer van Riemsdijk É6- wekelijks toeteleggen, Ik heb nu reeds twee jaren É7- wekelijks aan dezelve betaald. Het zou niet billijk zijn op den duur deze opoffering van mij te vorderen en dat wel te minder daar aan de Heer Ameshoff reeds lang bureau onkosten betaald worden die zeker geen 1/10 gedeelte van het werk te verrichten heeft als ik. Ik zal dan voor eerst aan de Heer van Riemsdijk nog É2- uit mijn zak toeleggen.
Met betuiging van hoogachting heb ik de eer te zijn
UWelEd DWDienaar J. van den Bosch

Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie met daarbij ontwerp voor het instituut te Wateren.
transcriptie

Maandag 12 mei 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 12 mey 1823

WelEdele Heeren!

Met Herman Wint onder borgtogt van de Heer Stephanus van Royen overeengekomen zijnde, wegens het opbouwen van het instituut te Veenhuyzen voor een som van É53,000-, heb ik de eer het kontrakt deswegens aangegaan hier neffens aan de bekragtiging der Permanente Kommissie te onderwerpen.
De posten met een kruisje op neffens gaande staat voorkomende zijn reeds gekogt met de kosten van het transport daar onder gerekent voor de sommen daar bij opgegeven. De niet geschiede moeten nog gekogt worden en zijn op den staat gebragt voor de zelfde som als op de begroting. Daar op echter denken wij bij koop nog circa É500- te kunnen uitwinnen, en als dan zullen de gezamentlijke materialen É38,000- kosten. Op de begroting is daar voor opgebragt É40788- en dus zal daar op geprofiteerd worden É2788- en derhalve het gebouw slechts É50212- kosten. Inderdaad een zeer gering artikel(?) boven het gecalculeerde. De oorzaak waar van de gevolgde handelwijze zo veel voordeeliger is dan eene publieke uitbesteding is voornamentlijk hier in gelegen dat de leveranciers aan een aannemer leverende, geene betaling erlangen dan na voltooide arbeid en dus 3, 4 tot 5 prct. rekenen voor rente en een gelijke som voor niseld(?), dewijl de aannemer ongelukkig slagende niet zelden bankkosten te wagten heeft. In de tweede plaats rekende den aannemer ook 5 prct. van alle uitschotten die hij te doen heeft. Ook deze vervallen door de termijnen van betaling te verkorten, en eindelijk ten derde daar een kleine aannemer zich met minder winst vergenoegd als een grote en de calculatien groter worden naar mate de uitschotten minder groot zijn. Zo is dit ook een grond waar om men op de thans gevestigde wijze goedkoper arbeid als met eene uitbreiding op een groot plan. Men is daartegen tevens beter gedient om dat een kleine aannemer altijd zelf op het werk zijnde, het zeker beter surveilleerd, en dus minder bedrogen word daar hij het gevaar van t bedriegen zelve draagd. Met een solide borg is de risico voor ons althans niet groter als wij met eene grotere onderneming zouden gelopen hebben. Ik proponeer derhalve het voorgestelde kontrakt te approberen en blijf met betuiging van hoogachting

UWelEd DWDienaar
J. van den Bosch

12 mei 1823 Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief gouverneur van Zuid-Holland, Vraagt of de in zijne provincie opgevatte beds die binnen de gemeenten bedelende zijn gevonden niet dadelijk door de Mij kunnen worden overgenomen; en hoedanig het transport der Beds het best kan geschieden --> rescr 14 mei, not 13 id art 17

12 mei 1823, Missive aan den Heer Gouvern van Utrecht, in antwoord op de zijne van den 1e dezer No 4, wegens het dragen der kosten van terugzending van 2 ongeschikt bevonden personen in het Bed Etabl. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)
NB: Op de lijst van 18-03 staan er twee uit Utrecht. Nr. 437, Michiel van Eck, 57 jaar, gebrekkelijk, den 14 july 1823 naar Veere(?) opgezonden, en nr 512, Betrand Dubois, dubbel gebroken, den 17 mei 1823 vermist(?)



Dinsdag 13 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ter voldoening van art.5 van het besluit der Permanente Kommissie dd. 17 april heb ik de eer hiernevens aan hun te adresseren, een voordragt tot het akkorderen der sommen op onderscheiden respecten van het aanteleggen grootboek voor de kolonien te Doldersum & Veenhuizen; de gronden nagenoeg met die te Ommerschans overeenkomende, zijn de voor die kolonie toegeschreven kredieten, tot grondslag der bereekening gelegd.
Ten aanzien van het respect Algemeene voorschotten, waarvoor bij kolonie N5 É9.60 per morgen is geakkordeerd, en hier É12 gevraagd, en waardoor dus het gezamentlijk krediet van grondbereiding op É150 word gebragt; merk ik aan, dat de ondervinding op den duur doet zien dat de uitgaven op Algemeene Voorschotten de geakkordeerde sommen overschrijden.
Volgens het slot van art.2 van het besluit der Permanente Kommissie dd. 7 april behoren de kosten van het graven der wijk, tot de daarstelling eener communicatie tusschen de Norghervaart en de gronden der Maatschappij, te worden gebragt op Algemeene Voorschotten, behoudens die kosten bij vervolg door de etablissementen, welke door de wijk zouden worden gefavoriseerd te doen dragen, hoe juist deze bepaling ook zijn moge, neem ik evenwel de vrijheid bij deeze der Permanente Kommissie voortestellen om - aangezien de bewuste uitgaven reeds meer dan het gevraagde voor Algemeene Voorschotten op 7 maal 40 morgen, dat is 3360 bedragen, aangezien het 2, 3 of 4 jaren kan duren alvorens de laatste gronden die in betrekking met de bewuste wijk koomen, zijn of worden aangelegd, aangezien eindelijk en hoofdzakelijk, de wijk zelve nu reeds gaat tot aan of in de Hoge Veenen in het stuk grond genaamd Florisland en aan de Maatschappij behorende gelegen, en alzoo deeze wijk bij vervolg tot afvaart van eene zeer aanzienlijke partij turf - zijnde daar zeeker niet minder dan 600 morgens geschikt om indertijd turf te graven - zal kunnen dienen - de meergemelde kosten te brengen op eene afzonderlijke rekening; en dan succesif met eene zeker som te ontlasten, naarmate er morgens worden aangemaakt, zoo men die rekening zelfs niet geheel ten lasten der bedoelde veenen zoude verkiezen te brengen.
Ik heb last gegeeven den aard dier veenen nader te onderzoeken, alsmede hoeveel tijd vereischt word, alvorens deeze of een gedeelte derzelven tot turfgraven bekwaam zijn - moetende dit altijd bij den aanleg eener graverij, door greppen geschieden - en hoeveel die nu, zoo als zij daar leggen approximatief waardig zijn; indien ik niet vreesde de Permanente Kommissie een te gunstig denkbeeld hier van inteboezemen, zoude ik deeze waarde op niet minder dan É100 per morgen, dat is É60,000 durven bereekenen, ik hoop eerlang het genoegen te hebben den uitslag van dat onderzoek mede te deelen.
Een gedeelte der gronden grenzende aan de aangevangen 70 hoeven voor kol. N7 door ZHEdGestr. den Heer 2 Assessor bij nader opneeming bevonden zijnde, zeer geschikt om tot het voorgesteld instituut voor kweekelingen te behoren, terwijl de overige in de nabijheid der genoemde 70 hoeven gelegen velden, tot verdere uitbreiding b.v. tot 100 gewoone koloniale wooningen zeer convenabel zijn; zoo ben ik in overeenstemming met den Heer 2 Assessor van gevoelen nog geene veranderingen in het bestaande grootboek van kol. N7 en diens geakkordeerde sommen te maken, hetwelk ik de eer heb bij deeze aan het oordeel der Permanente Kommissie te onderwerpen.
Toen in de afgeloopen winter de veldarbeid stil stond, heeft men tot voorkoming van meerder schulden op de voeding te maken, de fabrieksarbeid zoo veel mogelijk vermeerdert, met intentie die in het tegenwoordig saisoen naar dezelfde evenredigheid te verminderen. Nu echter der kolonisten eerste behoeften van levensmiddelen als brood en aardappelen aanmerkelijk in prijs zijn gesteegen, zijn de verdiensten door veldarbeid, gevoegd bij die door weinig fabrieksarbeid verkreegen, bij veele huisgezinnen onvoldoende tot goedmaking der nodige verstrekking, waardoor men ook nu nog aan sommige hunner eene aanzienlijke hoeveelheid fabrieksarbeid, als door vrouwen en kinderen wordende verrigt, te geeven; het is om deeze reeden dat ik de eer heb de Permanente Kommissie te solliciteeren, of een partij vlas uit S Hage te zenden, of authorisatie tot aankoop daarvan te verleenen als mede van 2000 pond wol.

Het afschrift eener memorie of staat van schadevergoeding aan de pachters van boekweit, veenen etc. welke ik de eer heb hierbij der Permanente Kommissie te adresseren, is hetzelfde wat reeds vroeger aan haar was gezonden, en aan mijn geretourneerd, ten einde hetzelve, alvorens daarop voorkoomende gelden te voldoen, aan de goedkeuring van HH Burgemeesteren van Ommen te onderwerpen, als zijnde de Permanente Kommissie met mij van gevoelen dat dit naderhand op de koop penningen voor de gronden rondom de Schans zoude behoren te worden gedeconteerd; ik had tengevolge daarvan in der tijd de eer dit stuk aan genoemde HH Burgemeesteren, tot voorn. einde te zenden, dan tot mijn verwondering vond ik hetzelve zonder eenige schrijven van Ommen, door een der belanghebbende aan den Heer Adj. Directeur Von Hoff terug gebragt; bij eenig onderzoek naar de reden deezer handelwijs schijnt het, dat de bewuste boekweiten veenen gelegen zijn of waren, buiten het kielspit of geregtigheid der Schans, en in de gronden behoord hebbende aan de eigenaren van Huisingen of der Huizen, in welk geval die gelden misschien door de Maatschappij behoren te worden voldaan; met geen genoegzame zekerheid, kennende het kontrakt aangegaan tussschen de Maatschappij en gemelde eigenaren, om over de wettigheid dier schulden eenigsints grondig te kunnen oordeelen, neem ik de vrijheid de Permanente Kommissie te solliciteeren kopy van het contract, waarbij die gronden in koop of ruiling aan de Maatschappij zijn afgestaan, aan mij te willen doen toekoomen, waarnaar ik de eer zal kunnen hebben der Permanente Kommissie tot afdoening dier zaak en de wijze waarop, te adviseeren; ten ware de Permanente Kommissie hieromtrent andere maatregelen zoude gelieven te neemen.
Eindelijk heb ik de eer hierbij te voegen een staat van voordragt tot aanstelling enz. van geemployeerden bij de kolonien.

Geen stukken bijgevoegd behalve:

Staat van eenige personen, welken tot bevordering, definitieve aanstelling, of ontslag worden voorgedragen.

kolonie/namen/betr./salaris door hun thans genoten wordende

voordragt

Alg. Bureau/A.M. Heysteck/geemployeerde/É4-

Sedert eenigen tijd geemployeerd, zoo bij den Direkteur der fabriek, als op het Algemeen Bureau, heeft hij de duidelijkste blijken van bekwaamheid in het administratieve vak aan de dag gelegd, de ondergetekende steld voor, om hem tot boekhouder van het gesticht te Veenhuizen te benoemen, op een wekelijks salaris van É7-

id./F.H. Perizones van Marle

Een zeer fatsoenlijk jongeling, aanverwant van den Heer Doktor Schuurman, en door deze laatste aan den ondergetekende zeer aanbevolen, hij schijnt veel aanleg tot administratie en een goed oordeel te bezitten, weshalven de ondergetekende voorstelt gen. Van Marle, tot adsistent op het Algemeen Bureau te benoemen, op een wekelijks salaris van É5,-

kol. no 3/L.J. Hofman/    wijkmeester

Heeft verzogt om uit den dienst der Maatschappij te worden ontslagen.

/J. Jurgens

Deze persoon door de Permanente Kommissie onlangs benoemd als provisioneel adsistent op het Algemeen Bureau, stelt den ondergetekende bij deze voor, om hem tot wijkmeester in kolonie no.3 te benoemen, en zulks tot remplacering van de door voorengemelde verzoek om ontslag, openkomende vacature.

Frederiksoord den 12 mey 1823
De Direkteur der kolonien


Ingekomen post invnr 65. Een brief van Gouverneur Bentinck van Overijssel over de opsporing van deserteurs uit de Ommerschans. transcriptie


13 mei 1823, Missive aan den Minister van Binnenl Zaken en Waterstaat, beantwoordende de vraag van Z: Exc: bij missive van 3 mei ter dadelijke overneming van 185 bed welke in hunne eigene gemeente bedelende zijn gevonden. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)




Woensdag 14 mei 1823


Brief van gouverneur Overijssel aan gemeentebestuur Ommen over bedelaar Jacobus Snijder, gemeentearchief Ommen, ingekomen stukken 1823-1824. transcriptie


14 mei 1823, Missive aan den Heer Gouverneur van Zuid-Holland beantwoordende deszelfs missive van den 12 mei, aangaande de opzending van binnen hunne gemeente opgevatte bedelaars. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)

14 mei 1823, Missive aan den Minister van Binnenl Zaken, dienende van berigt, konsideratie en advijs op de daartoe ingezonden brief van den Gouverneur van Zuid-Holland in dato 26 aprilll; omtrent het transporteren van bedelaars. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)



15 mei 1823


15 mei 1823, Missive aan den Koning ten geleide, en tot appui van 't rekwest van den sergeant Lindeman, tot reĒengagement in weerwil van zijn tijdelijke dienst in de kolonien der M. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)

15 mei 1823, Missive aan den Prins met verzoek om appui op ons verzoek aangaande den sergeant Lindeman bij den koning. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)



Vrijdag 16 mei 1823


16 mei 1823, Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief schout van Koudekerke, Zendt in een kontrakt in triplo met Arm? der Roomsch Kath Gem aldaar, ter overname van eene bedelaresse

16 mei 1823, Ingekomen post volgens brievenboek invnr 20  Brief direkteur der koln, Meldt de terugzending van ongeschikt bevonden bedelaars naar Mons, Namen en Brugge; (...); meldt de terugkomst van L. vd Burg en zijne ontvangene korrektie + divers uiterst interessant VK!

16 mei 1823, Missive aan de Subkommissie te Heerenveen kennisgevende van een arrangement met eenige vrouwelijke kontribuerende leden te Wolvega. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)


Zaterdag 17 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. P.O. van der Chijs uit Leiden meldt met de plaatselijke subcommissie te zijn overeengekomen dat er twee studenten in het bestuur van die subcommissie plaats zullen nemen, en dat er dus geen aparte subcommissie zal worden opgericht.


Ingekomen post invnr 65. Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Permanente Commissie over stuk Robert Owen. transcriptie:



De provinciale commandant van Henegouwen stuurt stamlijsten van de families van Gabriel Wibier en Jozeph Mailly die in de vrije kolonie worden geplaatst. 65)


Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts op die van den 12 no.39/5 betreffende dan aankoop van grondstoffen en het fabriceren van eenige artikels enz.
1. Dat de aanvrage om grondstoffen in de kolonien benodigd, welke de Permanente Kommissie over het algemeen even als de voorgaande te hoog voorkomt, mijns inziens niet wel laager kan worden gesteld, als blijken aan de eene zijnde uit de nevensgaande staat van het gedurende de voorgaande zes maanden aangekogt, dat over het geheel genomen vooral niet minder is aangekogt dan het gevraagde en het toegestaane bedroeg; en aan de andere zijde uit de staate der verdienste van de kolonisten dat geen minder fabriekarbeid kan worden gegeven zonder het te kort op de voeding te vermeerderen.
2. Dat hoewel agter sommige artikels de prijsen anders dan in de voorgaande aanvraag zijn gestelt, altijd dezelfde staalen tot monsters zouden dienen.
3. Het object voering kousen linnen - voeringen kousen linnen of kousen voering linnen waarvan het staal hiernevens gaat wordt gebruikt om behalve de meeste kleedingstukken te voeren, ook de kousen van binnen aan de voeten te beleggen, waardoor dat art: veel sterker en deugdzamer wordt; ten aanzien van het gebruik en aankoop van dat linnen dienen de Permanente Kommissie tot nadere elusidatie, dat hiermede een aanvang is gemaakt, tijdens en ten gevolge der korrespondentie van de Heeren Leden der Kommissie onderling, over het verstrekken der kleedingstukken aan de kolonisten en het doen repareren of overtrekken der oude broeken, buisen, rokken en jakken, met grijs of blauw linnen, om welke reden destijds ook geene nadere autorisatie tot het aankoopen dier stoffen is gedaan.
4. De aanvraag om linnen voor de voorgaande zes maanden slegts voor de helft of een derde geaccordeerd zijnde heeft de Directeur van de fabriekmatige arbeid, zoo min mogelijk hemden en zwarte linne broeken doen aanmaaken en blijkens de staat der aangekogte grondstoffen, betrekkelijk slegts weinig linnen aangekogt, waartoe door de Permanente Kommissie geene autorisatie was verleend; terwijl op mijn gedaane herinnering aan ZE de fabriekarbeid zich zoo veel immer mogelijk tot wolle stoffen bepaalde; gedurende de strenge winter was het egter niet mogelijk om de nodige hoeveelheid pey en voerlaken te vullen en te verwen, en dit gaf aanleiding om tot voorziening in de groote behoefte eenig linnen aantekoopen.
5. Het blaauw linnen is hetzelfde als het grijs linnen, waarvan hierboven melding is gemaakt; het is eigentlijk grijs, maar word in de verwerey door eene ligt blauwe verw gehaalt, hetgeen eene niets beduidende kosten veroorzaakt, en aan het linnen eene kleur geeft bijna gelijk aan die der borstrokken, enz: enz: alzoo tot overtrekken van vrouwenjakken en rokken zeer geschikt; de aanleidende oorzaak van het niet vraagen van autorisatie tot de aankoop van dat linnen is hier boven reeds gemeld; aangaande de in het magazijn voorhanden kousen met zoolen, en afzonderlijke rokken merk ik aan dat de eerste worden vervaardigt en in het magazijn opgeslagen, sedert de hier boven bedoelde korrespondentie, en dat de tweede reeds bij mijne komst in het magazijn voorhanden waren.
Eindelijk vind ik mij verpligt de Permanente Kommissie te verzoeken mij well te willen ten goeden houden, wanneer ik ter verontschuldiging van den Heer Directeur des fabriekmatigen arbeids hier bijvoege dat ZE bijna noit eenige aankoop van grondstoffen doet, of zich eenig willekeurige handelwijse in de fabrikage veroorlooft zonder voorkennis van Zijne HEdGestr, den Heer 2de Assessor of van den ondergeteekende; en in geval dus in deze met de intentie der Permanente Kommissie strijdig mogt zijn gehandelt, zulks aan mij zoude behoren te worden geattribueerd, terwijl wel verre, dat mij dit onaangenaame gevoelens zoude veroorzaken, namentlijk gevoelens als die, welke door scherpe of kritische aanmerkingen zouden kunnen ontstaan, dezelve altijd wellkom zullen zijn, wanneer zij in de daat de Permanente Kommissie ten mijne opzigte gebruikelijke en verpligtende wijze worden voorgedragen; en niets agterlatende dan het leed weezen van niet vollkomen, overeenkomstig haar verlangen te hebben gehandeld.

Gedeelte over de ontslagaanvraag van Albert Leyenaar en Engeltje Oerhaan uit Koog aan de Zaan. transcriptie


- over de Raad van Politie. transcriptie


De onderopziener Reichard is voor eenige tijd door Zijn Hoog E. Gest. Heer den 2e Assessor de kolonie ontzegt, uit hoofde van verregaande onachtzaamheid in het uitvoeren zijner pligten.

Terwijl omtrent de Haagsche bestedeling Johannes Bayle op den 3 dezer uit kolonie no.3 gedeserteerd is dienende, dat deze jongeling zich altijd behoorlijk van zijnen pligt als kolonist in het algemeen, en als schrijver bij den boekhouder in het bijzonder heeft gekweten; dat hij mij meermalen om verlof vroeg; dog nimmer wierd toegestaan om reden ik een bewijs van hem vorderde, dat dit met voorkennis van HH besteders kon geschieden, waaraan hij nimmer kon of wilde voldoen.

Veenhuizen Alverder heb ik het genoegen te kunnen melden dat ik in de afgeloopene week tweemalen te Veenhuizen zijnde, bij die gelegenheid nog eenige renseignementen omtrent de aard en waarde der veenen aldaar, heb bekomen; dezelve zijn zoo zeer voldoende dat ik met meerder vrijmoedigheid de waarde derzelve zoo als zij daar nu liggen op É60,000 of meerder durf bereekenen, terwijl die gronden op 600 morgen schattende slegts É15000 inkoop kosten; hartgrondig feliciteer ik de Permanente Kommissie en de Maatschappij met zulk een acquisitie.
Er is veel vreemd werkvolk te Veenhuizen voorhanden. Ik heb gemeend daarvan gebruik te moeten maken, en ben dus met het aanleggen der kolonie begonnen, eene schets van het plan tot dien aanleg is hier bijgevoegd. Ik hoop dat het de goedkeuring zal wegdragen. 65)

Geen schets gevonden.


17 mei 1823 meldt Visser de terugzending van ongeschikte bedelaars naar de Zuidelijke Nederlanden, Mons, Namen en Brugge (ingek post invnr 65)


Briefje van adjunct-directeur von Hoff aan burgemeester Ommen over de bedelaar Jacobus Snijder, gemeentearchief Ommen ingekomen stukken 1823-1824. transcriptie





Dinsdag 20 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Visser stuurt de kolonieberichten voor de Star.



Woensdag 21 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie:

380 kinderen Frederiksoord den 21 mey 1823

WelEdele Heeren!

Na mijn gevoelen zou men aan de Minister op A7812 N54 dienen te antwoorden dat de kontrakten wegens het overnemen van bedelaars en vondelingen, ook eerst op de geapprobeerd zijnde, het niet mogelijk geweest is in zulk een kort tijdsbestek als zedert verlopen is, gereed te maken een etablissement zo danig als vereischt word om 3 a 400 kinderen te plaatsen. Ook de Kommissie alleen met welwillendheid goedzondeerd(?) heeft de bedelaars reeds voorlopig op dat kontrakt gevonden, en dat heeft kunnen doen gemerkt de voorhanden zijnde ruimte in de Ommerschans, maar bij gebrek van de nodige bergplaats zulk voor eerst moet weigeren voor de kinderen. Dat niettemin alles in het werk gesteld zal worden om de vereischte etablissementen zo spoedig slechts doenlijk gereed te maken.
Met betuiging van hoogachting heb ik de eer te zijn

UWelEd DWDienaar
J. van den Bosch

21 mei 1823, minister justitie, zendt kontrakt overneming kinderen gedetineerde buitenlanders beneden 6 doch boven 2 jaar en doet voordracht (brievenboek invnr 20)

380 kinderen 21 mei 1823, Missive aan Z: Exc: den Minister van Binnenl Zaken, voorloopig beantwoordende Z: Exc: missive van den 10 ll omtrent de dadelijke overneming van 380 kinderen van Amsterdam, op het gesloten kontrakt in dato 1 maart 1823. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)



Donderdag 22 mei 1823

22 mei 1823, minister BZ, Meldt dat de 185 personen, waarvoor Z. Exc. dadelijke overneming gevraagd heeft, geene beds zijn, maar als vrijwilligers op het kontrakt van 1 maart zouden behoren overgenomen te worden. Vraagt naar het getal aangekomen bedelaars. --> rescr 31 mei met toezending eener opgave van geadvyseerde en aangekomen beds, not 28 mei art 31 (brievenboek invnr 20)



Vrijdag 23 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Brief van de gouverneur van Noord-Holland:

Naar aanleiding van een bij mij, van ZExc. den Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat, ontvangen extract, uit ene door UEd. aan ZHEG. ingezonden lijst van bedelaars, die naar de colonie de Ommerschans zijn opgezonden, en om de daarbij aangevoerde redenen tot den arbeid ongeschikt bevonden zijn, het berigt van Heeren Burgemeesteren der stad Amsterdam, gevraagd hebbende, ontvang ik de missive, welke ik de eer heb, in originali hierbij te voegen, met verzoek de daarbij aangevoerde consideratien wel in overweging te willen nemen; en mij met terugzending derzelver UEd. bevinding dienaangaande wel te willen mededelen.

Bij samenvatting vermeld: rec 26 mei, voorloopig gerescribeerd 2 juny Ė geschreven aan den Direct met toezending van den brief van Burgemeesteren 31 mei, not 28 id art 40, nader beantwoord 12 juny, not 9 id art 30.

Brief burgemeesteren niet gevonden, zal zoals gevraagd teruggestuurd zijn.


Zaterdag 24 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

De Permanente Kommissie heb ik de eer hier nevens te retourneren, de in hare handen gestelde brief des Heeren Gouverneurs van Zuid Braband, met de bijlage, mij bij missive van den 15e dezer no.55/5 geworden; ik heb gemeend daarop niet beter te kunnen berigten, dan door het hier nevens gaande kopie des brief van den Heer Adjunkt Direkteur von Hoff.

- over bedelaar Mercier. transcriptie


Geen brieven gevonden. Volgens bijschrift zou de eerste alinea gaan om klachten van de bedelaar Felix Poels, de tweede over M. Mercier. Zie FOTO bij Post.





Ingekomen post invnr 65. Bijlage bij een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Waarde Neef!

Op den 28e aug. 1821 (bijgeschreven: op 6e oct. no. 66) heeft de Koning goedgekeurd een plan van de Commissie van Weldadigheid (de Permanente) om bedelaars of armenkinderen in de colonie over te nemen bij contract met besturen of bijzondere personen. Deze hielden in dat men É40 zoude betalen gedurende 16 jaren (die misschien nog door het werk van den besteede weder ingewonnen worden) en daar voor het regt hebben een persoon te plaatsen ook daarna, mits telkens betalende É15 voor kleeding bij verwisseling van personen. Dit beviel mij bijzonder en ik meende een jongen van de diaconie, die mij de boekhouder had aan de hand gedaan, derwaarts te zenden. Het was zoo mijn oogmerk diaconie en Maatschappij van Weldadigheid te bevorderen. Het droeg ook zich weg de goedkeuring van vd Meulen, president van de subcommissie; daar de diaconie met vooroordeelen bezet was, en die zoo konden worden weggenomen - de secretaris zoude schrijven - zegt dit gedaan te hebben, maar men wist hem bij de Permanente Commissie niet te regt te helpen. Sedert verliep ťťn jaar zonder vrucht. Weet UEd mij deswegens ook te regt te helpen, dan ben ik nog bereid daar voor mijn beurs te openen. Zoo wachten mij de uwen, die ik verzoeken wilde deze bij gelegenheid aan u te verzenden.
Met heilwenschen en hartelijke groeten, ook aan nicht blijve ik

TT
W.J. Both Hendriksen


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van de subcommissie Zaandam aan de Permanente Commissie:

De subkommissie ontvangen hebbende eene missive van Heeren Regenten van het Wees en Armenhuis dezer stad, houdende een verzoek, dat wij wilden bewerkstelligen, dat Neeltje Dral, behoorende onder de kinderen, die van wege dat gesticht in de kolonien der Maatschappij van Weldadigheid besteed zijn, en die thans wegens onderlinge schikking met Heeren Diakenen der Hervormden moet overgaan naar het Diaconie Weeshuis, worde terug gezonden, wijl Heeren Diakenen haar terug verlangen.



Zondag 25 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Visser stuurt de nota's van de aangekochte materialen voor Veenhuizen.

25 mei 1823, pc aan de directeur: toezending Amsterdamse brief, vraag om doodakte van Daniel Donker, overleden bedelaar (brievenboek invnr 20)




Maandag 26 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan W.A. Ockerse:

Frederiksoord den 26 mey 1823

Hier nevens mijn waarde vriend de tekeningen voor de gebouwen aan de Ommerschans (de school alleen ontbreekt nog), beneffens de begroting van dezelve. Ik zie met verlangen de beslissing op het gebouw van Veenhuyzen te gemoet. Het werkvolk verloopt, de beste tijd gaat voorbij en wel ras zullen wij ons in de onmogelijkheid bevinden om het gebouw voltooid te krijgen. Hier bij liggen de materialen voor rekening van de Maatschappij aan het kanaal. De moeite die dit alle veroorzaakt is hoogst onaangenaam, de schade is wel niet minder.
Hier nevens de rekeningen van Nuijs. Het zal mij aangenaam zijn, zo ook deze zaak spoedig kan worden afgedaan, want die menschen maken mij de kop gek en begrijpen niet dat hun eigen non valence de oorzaak is der vertraagde betaling.
De Koning was heden hier met Prins Frederik en zeer te vreden vertrokken. De laatste komt zondag aan de Ommerschans.
Adieu mijn waarde vriend, ontvang beneffens Minna(?) onze vriendschappelijke groeten en geloof mij

TT
VdBosch
in haast 65)

Bijgevoegd is de nota van Nuis.

26 mei 1823, Johannes zendt in de teekeningen en begrootingen van kosten van een te bouwen Hospitaal en werkloots in de Ommerschans, zendt in eenige rekeningen van E. Nuijs en generale opgave zijner pretensie (brievenboek invnr 20)


Woensdag 28 mei 1823


Uit het brievenboek:

Besluit der P.K. Te melden de benoeming van A. van Riemsdijk tot adsistent op het Bureau der P.K., op É7- 's weeks.
De approbatie van het kontrakt van aanbesteding van het gebouw te Veenhuizen, met toezending van hetzelve en der daarbij behoorende nota, en aanbeveling van de surveillance over het werk. 20)


Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 28 mey 1823

WelEdele Heeren!

De Permanente Kommissie differeert aan mijn opinie ten aanzien van het gebouw te Veenhuyzen. Ik had echter gewenscht dat zij mijn gronden in overweging genomen en zelf bepaald had wat in deze geschieden moest. Het is op die wijze voor mij een zeer ongaangename zaak. Van Royen die onlangs uit het niet approberen van het engagement en uit eenige aan mij ontsnapte uitdrukkingen opmaakte dat de Kommissie niet gaarne zijn deelhebbenschap in de aanneming vernomen had, was niet dan met de uiterste moeite te bewegen om daar bij te blijven persisteren en zo ik thans daar van slechts een woord rep, zal hij zich inderdaad wel zeer slecht beloond rekenen voor het geen hij voor de Maatschappij ten mijnen gevoelen in deze gedaan heeft. Intusschen verklaar ik plegtig geen ander middel te kennen, om het gebouw zo goed als dit in Drenthe geschieden kan en tot die prijs die het belang der Maatschappij vordert, gebouwd te krijgen, dan het gebezigde.
Wil nu echter de Kommissie dat dit gebouw gebouwd worden zal zo als men in Holland instrueert, dan vordert men het onmogelijke en dan moet het gebouw in Holland aanbesteed door Hollandsche werklieden gemaakt, en ten minsten É100,000 kosten. Het logement bij voorbeeld is voor 3/m gezet, dit had in Holland zeker 6 a 7/m gevordert. Dan hoe zeer voor een Drenthsch gebouw tamelijk goed, zou echter een Hollands architect daar in eenen reeks van gebreken weten aan te wijzen, die men in Holland niet over het hoofd zou hebben gezien. Met het huis dat ik bewoon is dit niet anders. Als men een slepers paard koopt en daar na betaald, moet men te vreden zijn een goed slepers paard te ontvangen en niet verlangen dat dit een koetspaard is, en dit ook is met onze gebouwen het geval, en veel wat geen betrekking heeft tot de duurzaamheid van het gebouw moet wel in zulke gevallen gepasseerd worden. Dat de Kommissie een voltooid gebouw doet opnemen en wel door een persoon niet te voren daar toe gedesigneerd en op wiens eerlijkheid zij zich verlaten kan, is niet alleen in dit geval noodzakelijk, maar moet altijd een vaste regel blijven, om het eeven wie er aannemer of opzichter is of geweest is, en van Royen of iemand anders te ontzien als er eene opzettelijke misleiding had plaats gehad valt zo weinig in mijn smaak dat ik mij wel overtuigd houde dat niemand hier op rekent en van Royen het doen moet. Hij heeft dit tamelijk duidelijk gezien in de wijze waar op ik de zaak met van Dedem behandelt heb.
Intusschen mijne Heeren zie ik in het beloop van geheel der missive aan mij geschreven duidelijk den geest doorstralen dat ge aan mijn opinie uit personelijke egards gedeforceert word, maar geenzins uit overtuiging dat niet UL: opinie de beste was. Dat is meer dan ik heb verlangd en ik onveins geenszins dat indien de tijd niet zo zeer presseerde dat, zo ik niet de meine(?) convictie had dat een weder publieke uitbesteding zo veel tijd zou vorderen dat de voltooijing van het gebouw dit jaar geen plaats meer zou kunnen hebben, ik ronduit weigeren zou van UL: welwillendheid gebruik te maken, en eene stellige bepaling van UL: verlangd zoude hebben hoedanig in deze te handelen. Thans echter moet ik ook dit gevoel aan het gewigt der zaak ten offer brengen, dan ik bid u in aanmerking te nemen hoe moeijelijk mijn positie reeds in zich zelve is. Met het aanbreken van ieder morgen verreis ik om de moeijelijke taak mij opgelegd te vervolgen. Ieder avond keer ik afgemat en niet zeldzaam in mijne verwachting te leur gesteld te nest, en voor wie? Voor menschen die veelal geloven dat mijne bemoeienissen geen ander grond heeft dan zelf belang, wiens bekrompen verstand en hart onbekwaam is om de weldaden hun te beurt gevallen naar waarde te schatten, voor landgenoten waar van het gros mij bedillen, dikwerf haten, voor een Gouvernement dat ja mijne pogingen prijst maar die met ondank vergeld en mij in de verplichting steld om mijn welzijn en dat mijner kinderen daar aan op te offeren. Moet bij dit alles nu nog gevoegd worden eene geest van afkeuring van mijne medeleden, moet ik het daar voor houden dat men, geheel onkundig van alle lokale omstandigheden, de zaak beter in Den Haag dan ik hier meent te kunnen beoordeelen, dan moet ik het ook daar voor houden dat veele mijner opofferingen nutteloos en overbodig zijn, en deszelfs voldoening (het eenigste dat mij rest) daar uit geboren, dat zij ten minste die mij in mijne werkzaamheden kennen en daar om alleen ook bevoegde rechters zijn, mij regt doen, moet dan plaats maken voor het gevoel dat de Maatschappij ja mijne goede wil erkent, maar tevens mijne pogingen niet zodanig schat als ik meende naar billijkheid te mogen hopen.

Ik kan het niet ontveinsen, er straalt uit wederom in deze mij gezondene brief en geest van wantrouwen door, die mij te meer treft, om dat ik gevoel mij aan de zaak van het gebouw niet te kunnen onttrekken, en dus UL: te doen zien dat het mij volkomen onverschillig is wie het bouwd, en tevens te doen ondervinden dat het onmogelijk is in deze anders en beter te handelen dan ik gehandelt heb, terwijl nu nog wellicht een hoop praatjes en bedillingen van elders die ik geenzins ontveins dat te wachten zij, daar bij gevoegd zullen moeten worden. Warelijk dit is te veel, dit is meer dan ik op den duur berekenen kan, te zullen kunnen dragen.

Ik zal Wind het gebouw wel opdragen. Ik zal alles doen wat ik kan om te zorgen dat het goed gebouwd word. Verder moet ik het overgeven.

Prins Frederik gaat maandag naar de Ommerschans, ik zal er zondag zijn. Gisteren ben ik van Veenhuizen terug gekomen. Eenige inderaarloze(?) zullen hebben moeijelijkheden met het kanaal voorrecht(?). De arbeid is er goed gevordert, maar meer als een punt is niet zonder bewaar. Een aantal pannen van Woerden(?) gezonden zijn afgekeurt. Ook dit zal grote moeite veroorzaken. Namentlijk om tijdig andere te krijgen. Met de steenen was ook alles niet pluis, het is een ongelukkige zaak als men geen tijd voorhanden heeft. Het houtwerk is excellent.
De Kommissie gelieve stijl en schrift te verontschuldigen en de betuiging mijner hoogachting aantenemen en mij te geloven

HaarWelEd DWDienaar

J. van den Bosch

P.S.  over het conflict met baron van Dedem. transcriptie


Ingekomen post invnr 65. Johannes van den Bosch zendt 28 mei 1823 in een (volgens samenvatting op de achterkant) 'begroting van kosten van aan te bouwen hospitaal en werkloods in de Ommerschans'.(staat eerder al)

Ingekomen post invnr 65. Vermoedelijk als bijlage bij een brief van Johannes van den Bosch een overzicht welke bedragen aannemer Nuis nog tegoed heeft. transcriptie

Donderdag 29 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ter beantwoording van de missive der Permanente Kommissie dato 20e dezer no. 61/5 heb ik de eer te berigten aangaande het verlangde ontslag door den kolonist Jan Vermey dat, hij is aangekomen in remplacement van de wede Vergeer op haar verzoek ontslagen, nalatende eene aanzienlijke schuld waarover in die tijd is korrespondeert, maar niet is overgebragt op de rekening van Vermey; of deeze schuld met de sub-kommissie Gouda is gelikwideert is mij onbewust; intusschen is de laatst aangekomen op nieuw van kleeding en huisraad voorzien en voor het bedrage daarvan er somma van É215.475 gedebiteert; deeze goederen zijn natuurlijk zoo als ik meerma≠len bij zoortgelijke kwestien de eer hadt aantemerken, voor een ander van weinig waarde, zoo dat aan den opvolger van Vermey ingeval deeze ontsla≠gen wierdt, wederom eene verstrekking ter waarde É200- zoude behoren te geschieden; om alle welke reden ik de eer heb te advyseren van aan J: Vermey geen ontslag te accordeeren dan op voorwaarde dat door hem alle zijne schulden worden voldaan, hetgeen zeer bezwaarlijk zal kunnen geschie≠den, of dat de schuld ten laste van de sub-kommissie worde gebragt.

Voorts is ter beantwoording van de missive van de Permanente Kommissie dd. 24 dezer no. 76/5 dienende dat de door haar gemaakte aanmerkingen op de registers van het personeel der koloniŽn, met de meeste zorg zullen worden gecorrigeerd, en zoo ik hoop die registers eens in behoorlijke order gebragt; het zal niet nodig zijn te melden hoe onaangenaam het voor mij is telkens diergelijke teregt gemaakte aanmerkingen te ontvangen; maar ik verzoek de Permanente Kommissie wel de goedheid te willen hebben van te considereren, dat ik in deeze zoo zeer van de onachtzaamheid van OnderDi≠rekteuren, boekhouder en wijkmeester afhankelijk ben; en bij zoo veele veranderingen van geŽmployeerden op het Bureau en in kolonie no.1 en de onophoudelijke verplaatsing van kinderen van het een in het ander huisgezin, moeijlijk wordt, de insluiping van abuizen voortekomen.
Aangaande de gedeserteerde kolonist Baylle die weder in de kolonie is teruggekomen, hadt ik de eer in de mijne van den 17e no. 298 te berigten, dat hij zich als kolonist in het algemeen en als schrijver bij den boekhouder in het bijzonder behoorlijk van zijne pligt heeft gekweten. 65)

29 mei 1823, subk Dordrecht, draagt voor J. Giesse in enigerlei functie (brievenboek invnr 20)



Vrijdag 30 mei 1823


30 mei 1823, schout Naaldwijk, zendt in lijst van 3 naar OS gezonden bedelaars (brievenboek invnr 20)


Zaterdag 31 mei 1823

Ingekomen post invnr 65. Brief van de schout van Koog a/d Zaan aan de Permanente Commissie:transcriptie


Ingekomen post invnr 65. Visser vraagt meer als É9000,- voor de komende week, waaronder:
betaling van houtwaren ten behoeve van het gebouw te Veenhuizen, waarvan kopie des nota hier nevens gaat, en een afzonderlijk mandaat wordt gevraagd...f 659-13-12
Bijgevoegd is de aan Poelman gerichte factuur voor dat hout.

31 mei 1823, directeur Visser, zendt in rapport akkoordbevinding 6 boerenwoningen buiten de OSchans (brievenboek invnr 20)

31 mei 1823, Missive aan Z: Exc: den Heer Minister van Binnenl Zaken en Waterstaat, in antwoord op de zijne van 9 mei No 7640, omtrent het ontslag van den bedelaar Marten Mercr??. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)

31 mei 1823, Missive aan Z: Exc: den minister van binnenl zaken, houdende toezending, in antwoord op zijne van 22 mei ll, van eener gedetailleerden staat der geannonceerde en aangekomen bedelaars. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)

31 mei 1823, Missive aan Z: Exc: den Minister van Binnenl Zaken houdende
primo, ten geleide van de mutatiestaat van de overgenomen bedelaars over april ll
secundo, houdende finaal antwoord op deszelfs verzoek ter dadelijke overneming van 380 kinderen uit Amsterdam. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)