Naar het overzicht
van de POST







De POST van APRIL 1823

Dinsdag 1 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Het Ministerie van Oorlog verlengt het verblijf van von Hoff aan de Ommer­schans tot 31 december 1823.

Notulen permanente commissie invnr 39, over het wel of niet wegzenden van de Brusselse invaliden (volgens Hoff waren er 36, waarvan 14 invalide; in het register staan er slechts 23), art.4:
– De PK had liever gezien dat ze geweigerd waren;
– Nu eenmaal aangenomen kunnen ze niet zomaar losgelaten worden;
– De PK zal zich tot de minister wenden;
– Daarom wil de PK een opgaaf van de namen en de gebreken

Uitgaande post invnr 354. Missive aan Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden, in antwoord op die van Z.K.H. van 15 Febr ll, omtrent den daarbij aanbevolen B.C. Travers. (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)



Woensdag 2 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer de Permanente Kommissie bij deze de goede ontvangst te berigten de per beurtschip toegezondene ... kwitancien voor de toegezondene acte van pensioen voor de kolonist A. Gaal, en voor de hem uitbetaalde ƒ20.25.

Nog informeere de Perm. Komm. dat den Heer von Hoff mij berigt heeft gezonden dat de bij ZEdGest: ontvangene groote grijze beddelakens bij de eerste wasch geheel uitel­kander gevallen en dierhalven onbruikbaar zijn geworden; weshalven ZEdG: verzocht denzelven bij proces verbaal in verlies te mogen brengen. Ook de nieuwe hangmatten voldoen volgens von Hoff niet.

Bijgevoegd is een brief van de regenten van het gecombineerde weeshuis te Bommel, waarin staat dat een van hun wezen als rem­plaçant in het leger wil dienen.



Donderdag 3 april 1823


gemeentearchief Ommen, ingekomen post 1823-1824, Brief van de gouverneur OV aan de gemeente Ommen over de bedelaar Matijs Wijne of Mathias Weijnen. transcriptie


3 april 1823, besluit PK, Om aan den Minister van Binnenl Zaken de vermeerdering der kredieten optezenden Bed: optegeven, als van:
Drenthe met 23
Noord-Brabant met 100,
en Noord-Holland met 100 (brievenboek invnr 20)



Vrijdag 4 april 1823


Uit het brievenboek:

Om aan ZKH Prins Fred. ten fine van appro­batie, toetezenden het ontwerp omtrent de inrigting van nieuwe koloniën, ter vestiging van die van het gouvernement overtenemen kinderen en huisgezinnen, in d. 26 maart ll.

Uitgaande post volgens brievenboek invnr 20. Om aan ZKH Prins Fred. toetezenden de gehoudene korrespondentie met de sub­komm. Enkhuizen, aangaande derzelver ge­voeligheid wegens de wijze van beantwoor­ding van de P.K. harer indertijd gemaakte aanmerkingen op de koloniale inrigting; met verzoek om Hoogstdeszelfs gevoelen te we­ten, wat tot behoud dezer subkomm. te doen zij.
vermelding


4 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan Z.K.H. Prins Frederik, verzoekende deszelfs tusschenkomst tot het doen van afrekening door dern Prov Kommandant van Zd-Braband over 1821 en 1822.

4 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan de Prins, ten geleide van een ontwerp voor de inrigting der nieuwe Kolonien ter vestiging van de van het Gouvernement overtenemen 4000 kinderen, bedelaars en huisgezinnen (zie not: 26 maart).

4 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan den Minister van Binnenl Zaken acuserende deszelfs Missive van den 29 maart ll met het geapprobeerd kontrakt voor 4000 vondelingen.

Ingekomen post invnr 65. B.C. Travers uit Assen accepteert de post van boekhouder in de koloniën.
vermelding



Zaterdag 5 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Ameshoff stuurt een brief van G.L. de Ro­chemont waarin hij informatie vraagt over zijn overleden bestedeling. De brief is niet aanwezig.


5 april 1823. Gouverneur van Noord-Holland vraagt of er gelegenheid is uit Amsterdam in de Ommerschans te ontvangen --> 100 geakkordeerd, berigt aan den gouverneur en aan den direkteur 100 april (brievenboek invnr 20)

5 april 1823, schout van Maasland, Verzoekt ontslag voor eene uit Hoorn in de Ommerschans opgenomene bedelaresse, Huigje Koreneef, om bij hare moeder te Pijnacker terugtekeeren --> rescr 10 april, not 7 id art 13 (brievenboek invnr 20)


Zondag 6 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

- Over de ingedeelde Hendrik Meijer uit Monnickendam. transcriptie

Bijgevoegd is een brief van gouverneur Ben­tinck van Overijssel waarin deze bericht dat de zijn collega van Zuid-Braband de 15 afge­wezen bedelaars terug zal nemen, maar dat deze tevens verzoekt om een lijst met voor­waar­den voor de conditie van bedelaars in de Ommerschans om in het vervolg niet gedwongen te worden, de gezondene bede­laars te doen wederkomen. 65)


militairen OS De provinciale commandant van Overijssel beklaagt zich dat in de wijze van huisvesting van het detachement aan de Ommerschans na drie maanden nog geen enkele verbete­ring is te zien: de manschappen slapen nog altijd met tween in een manskribbe en op stroozakken, in het geheele Rijk zijn de sol­daten niet op zulk een wijze gehuisvest. 65)





Maandag 7 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie over de bouw van het gesticht in Veenhuizen. transcriptie:


7 april 1823, gouverneur van Zuid-Holland, Stelt voor het verlangde tarief van te betalen transportkosten voor uit Zuid-Holland optezenden bedelaars --> het tarief gearresteerd, berigt aan den gouverneur en aan den direkteur 14 april, not 10 id art 1 (brievenboek invnr 20)


Dinsdag 8 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van prins Frederik aan de Permanente Commissie:

(… reageert op twee missives van de PC)
Aangaande het in hare bovengenoemde tweede missive No 8/4 aangehaalde, en mij in het daarbij gevoegde ontwerp – van de inrigting der nieuwe kolonien ter vestiging van de van het Gouvernement overtenemen kinderen & huisgezinnen – medegedeelde, moet ik aan de Permanente Kommis­sie mijnen welmeenende dank betuigen voor deze aan mij gedane kennisgeving; en ik heb mij gehaast het in dit ontwerp verhandelde te onderzoeken, ten einde aan haar mijne goedkeuring  of aanmerkingen op dit stuk te kunnen doen geworden.

Ik kan niet anders, dan dit ontwerp in het algemeen als zeer goed en doelmatig, en als eene wezenlijk groote verbetering, in de onderscheidene trappen der gestichten der  Maatschappij van Weldadigheid beschouwen.

Ik geloof enkeld dat het dienlijk zal wezen, om voor de van het gouvernement in de kolonien overtenemen, kinderen, - welke de Permante Commissie vermeent eerst aanvankelijk, ten minste voor een groot gedeelte, te plaatsen in een daartoe interigten gesticht, in hetwelk zij behoorlijk gepleegd en gesurveilleerd, alwaar het eene, met hunne bestemming overeenkomende opvoeding, zal gegeven en zij tevens voor den landbouw, zoo veel mogelijk, opgeleid worden - een maximum aan tijd te bepalen, over welken deze kinderen niet in het algemeen gesticht zullen blijven, maar na welken zij op de hoeven bij de huisverzorgers zullen geplaatst worden.
Voorts, geloof ik, zal het goed wezen, ofschoon de met het Gouvernement geslotene kontrakten niet bepalen op welke wijze de kinderen en huisgezinnen juist in de kolonien geplaatst zullen worden, dat men bij tijds, van deze nieuwe inrigting, welke men daarstellen zal, aan het Gouvernement kennis geve, om hetzelve in staat te stellen de aanmerkingen welke hetzelve daaromtrent zoude kunnen vermeenen te moeten maken, aanstonds aan de Permanente Kommissie mededeelen kan, daar het doch zeker is, dat bij het sluiten dezer kontrakten aan de inrigting van enkelde hoevens en het plaatsen der kinderen bij huiverzorgers gedacht werd.
Deze mededeeling zal dan alle onaangenaamheden voorkomen, welke anders personen die minder gunstig omtrent de Maatschappij van Weldadigheid denken, zouden kunnen willen doen geboren worden, tot voorwendsel nemende dat men eene andere inrigting maakte, als die welke het Gouvernement beoogd had. 65)


Ingekomen post invnr 65. Brief van C. Sepp Jansz. aan de Permanente Commissie:

Ingevolge de geëerde rescriptie, welke ik het genoegen heb gehad te mogen ontvangen, op mijn voormalig schrijven, zoo heb ik deer onder geleide van deze intezenden, het ma­nuscript, waarover wij in onderhandeling zijn, hetzelve bevat de beschrijving mijner reis naar, en eene inspectie van de koloniën. Het spreekt van zelve dat ik daarbij de vrijheid moet cederen, om zoodanige veranderingen daarin te maken, als welke door weglating of toevoegselen, bij inzage blijken mogten nood­zakelijk te wezen.
Betrekkelijk de geographische ligging van Frederiksoord en van Willemsoord, ben ik zoo naauwkeurig te werk gegaan, als mijn kort verblijf aldaar, en het saisoen gedoogde. Ik verzoek echter bij het overzien, daarop bijzondere attentie te hegten, en over de juistheid daarvan, die toch wel niet veel zal kunnen verschillen, te willen oordeelen. Even zoo is het gelegen met de opgave van het getal individu's, welke ik zeg dat aan de Om­merschans kunnen geplaatst worden; alsme­de met de plaatshebbende inrigtingen aldaar, waaromtrent ik ongaarne een misslag zou begaan. Mijn eerbiedig verzoek is dus, zoo iets dergelijks mogt ingeslopen zijn, zulks alsdan wel te willen remedieren.
Uit mijn verhaal in het algemeen zal ondubbelzinnig blijken, hoe zeer ik, met mijn geheele hart, der Maatschappij, uit overtui­ging harer heilzame bedoelingen, die gedeel­telijk reeds zoo schitterend door haar bereikt zijn, ben toegedaan, voor welke leden aan te winnen, en haar in het algemeen nuttig te zijn, eene mijner meest geliefkoosde bezighe­den zal uitmaken.
Indien het mogelijk ware, zou het mij aangenaam wezen, dat het nevensgaande, in het eerstkomende nommer verscheen, daar ik op het punt sta, wederom naar de koloniën te vertrekken, en welligt alsdan nog meer stof opzamel, om andermaal een verslag te leve­ren, zullende ik mij bij die gelegenheid, ook bij Heeren predikanten en pastoren vervoe­gen, om mij bij hen naar de voortgang van het godsdienstig onderwijs te informeren. 65)


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie

Voorts maak ik van deeze gelegenheid ge­bruik der Perm. Komm. te vragen authorisatie

(samenvatting: 1o omtrent een te doene storting door de koln van Kol 1)

2o tot het verplaatsen van den huizen in kol. N1 welke daar volgens de jongste verde­ling der gronden, en om het getal huizen op 32 te brengen, nog niet verplaatst zijn, naar kol. N4, en zulks op den wijze als dit in het voorleden jaar door Bodenstaf is gedaan; zullende egter de kosten van deeze verplaat­sing iets meerder bedragen, uit hoofde van het verder transporteren.

(samenvatting 3o tot het doen plaatsen van een schapehok in kol 7)

4o tot het maken vane en begin met het graven van de Kolonievaart. transcriptie

(samenvatting 5o tot het verkoopen van eenig eiken schol(?) hout te Steggerda en Wateren)

(samenvatting 6o tot het geven van ontslag aan H. Willems – ik weet niet welke Willems dit is - om in militaire dienst te gaan en aan Chrisje dochter van den kolonist Bax om te gaan dienen)

Bijgevoegd is een kaartje van Veenhuizen en omgeving.


Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie over de bouw van een gesticht te Veenhuizen. transcriptie.




8 april 1823, minister van binnenl zaken, Zendt in een weder vernieuwden nom. staat van 36 onlangs uit het gesticht van Zuid-Brabant opgezonden bedelaars, waardoor de vroegere lijsten vervallen; verzoekt berigt van hunne aankomst --> den staat kopielijk aan den direkteur gezonden 13, den aankomst aan den minister gemeld 14 id, not 10 id art 6 (brievenboek invnr 20)


Woensdag 9 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van de subcommissie Harlingen aan de Permanente Commis­sie:

De huisverzorger Cornelis Smith beklaagt zich onder anderen dat hij zedert nieuwe jaar belast is met een weesjongen van Dort dat deze slegts zes stuivers per week kan verdie­nen, en waarvoor hij echter in zijn geheel onderhoud moet voorzien. Wij bevelen deze zaak aan UWEd. bijzondere attentie aan.


Uitgaande post invnr 354. Brief van de Permanente Commissie aan Prins Frederik over Enkhuizen, met bijgevoegd Extrakt uit de notulen van het verhandelde bij de Permanente Kommissie van Weldadigheid den 23 october 1822.
transcriptie:

9 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan Z.Exc den Minister van Binnenl Zakenvragende deszelfs intentien ten aanzien van het weder opnemen in het Bed Etab van daaruit uit in dienst der Nat Mil gevallen en verlof bekomen hebbende jongelingen.

9 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan den Minister van Binnenl Zaken, Z Exc opgevende de nieuw geakkordeerde kredieten Bedlaars aan 3 Heeren Gouverneurs.



Vrijdag 11 april 1823


11 april 1823, besluit der PK, Om aan den Minister van Justitie te melden de aankomst op 1 april van de door den gouv van Drenthe, krachtens het kontrakt met Z. Exc van 1 feb: ll, opgezonden 2 kinderen (gaan nar de vrije kolonien, zie aankomststaat 31 maart 1823) (brievenboek invnr 20)

11 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan de Sub Komm te 's Gravenhage, haar het ongenoegen der PK te kennen gevende, over de opzending zonder voorafgaande kennisgeving der PK van de bedelares Maria van der Heuvel, in antwoord op hare missive van gisteren.
NB: Maria vd Heuvel is 16 april aangekomen, BK10

11 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan de leden van de Kommissie van Weldadigheid, hen ter examinatie toezendende het ontwerp voor de inrigting van nieuwe koloniale etablissementen, bestemd voor de van het Gouvernement overtenemen kinderen, huisgezinnen en bedelaars.


Zaterdag 12 april 1823


Overeenkomst over kanaal naar Veenhuizen, invnr 1173. transcriptie




Zondag 13 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

...dat ik mij wel herinner, omtrent het linnen tot vervaardiging van beddela­kens, en het vervaardigen der zelven te hebben gespro­ken, en mij dus even als der Permanente Kommissie vreemd voorkomt dat die bedde­lakens zo slegt zouden zijn uitgevallen; zo ook ben ik het volkomen met haar eens om­trent de hangmatten; den Heer Adj. Direkt. von Hoff is derhalven verzocht, nader inligting aangaande de mindere kwaliteit van beide en waarin die bestaat, als mede om aan mij overtezenden, een paar beddelakens en een paar hangmatten van de eerste en tweede bezending, waardoor ik hoop te worden, in staat gesteld, meer voldoende over deze zaak te kunnen berigten.
De brief van den Heer de Rochemont, benevens de dood attesten heb ik de eer hiernevens te retourneren. Aangaande het kind in gemelde missive bedoeld strekken tot informatie dat hetzelve aanvankelijk is ge­plaatst geweest bij den gewezen magazijn­meester Vrijhoef, daarna bij den kolonist Ladru, kolonie no.2 no.32. Bij beide heeft het zeer goede opvoeding en behandeling geno­ten en is eindelijk aan de gevolgen eener interende ziekte overleden.

Bijgevoegd is de brief van de Rochemont, waarin deze meldt door de ouders van Wil­helmina Leonora Mond op de hoogte van haar overlijden te zijn gebracht en hij ver­zoekt vriendelijk om twee attesten van haar overlijden. 65)
Webpagina Ladru

Visser verzoekt voor de komende week ƒ7485,-. Daaronder begrepen zijn ƒ2000,- voor buitengewone aankoop van mest voor de Ommerschans, ƒ1000,- voor werkzaam­heden in Veenhuizen zoals leemgraven en het maken van een wijk en ƒ1485,- voor de aankoop van populieren en fruitbomen. Bij­gevoegd is nog een brief van de subcommis­sie Utrecht die het ontslag van een 18-jarige bestedelinge verzoekt. 65)



Maandag 14 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie:

Frederiksoord den 14 april 1823

WelEdele Heeren!

Na mijn inzien zou op de aanmerking van ZKHoogheid kunnen worden geantwoord dat de Permanente Kommissie gemeent had, Hoogstdezelve eene wijziging te moeten voordragen in het gewone plan, om wezen te vestigen uit hoofde dat het meer en meer bleek, dat de kinderen ingedeelt bij liederlijke huisgezinnen, in plaats van beter, slechter wierden. Dat tegenwoor­dig met de geringe prijs van levensmiddelen, en veelvuldige gelegenheid om te arbeiden, het niet te voor­zien was dat een aantal huisgezinnen van 500, nodig om de kinderen bij intedeelen, uit geschikte menschen bestaan zouden, maar dat men integendeel bedacht moet zijn, dat men in de steden daar toe veel al nemen zal, zodanige huisgezinnen die te voren gebedelt hebben, en nu de bedelarij verboden is geen andere uitkomst zullen zien, dan zich vrijwillig aantebieden om naar de kolonien te vertrek­ken. Dat de subkommis­sies en armenverzor­gers geenzins kies zijn in eene keuze van menschen om daar bij kinderen intedeelen, gelijk zulks blijken kan aan de veele kinderen bij slechte huisgezinnen in de kolonie inge­deelt.
    Van daar het eindeloos getal van klag­ten, met welke de directie overstroomd word. Dan eens van de kinderen, dan eens van de personen bij welke zij ingedeelt zijn en dan wederom van de uitbesteders, schoon deze het door hunne ongeschikte keuze het zich zelve te wijten hebben. Op deze wijze word het onmogelijke van ons gevorderd, dat wij de kinderen namenlijk een goede opleiding zullen doen geven door middel van men­schen die zelve geen der minste opleiding gehad hebben. Dat uit dien hoofde de Per­manente Kommissie gemeent had eene ver­andering in de gewone wijze te moeten pro­poneren, en wel zodanig eene, die haar in staat stelde om een beter toezicht over de kinderen te doen houden en de schadelijke invloed zo veel mogelijk aan ongeschikte huisge­zinnen op dezelve aftesnijden. Dat men uit dien hoofde geproponeerd had het verblijf der kinderen van dat der huisgezinnen aftescheiden door middel van een midden­muur en over de kinderen eene bijzondere politie te doen uitoefenen. Dat niets gemak­kelijker geweest zijn zou, dan aan de letter onzer vroegere propositie te voldoen, en de kinderen tot de huisgezinnen te rekenen en zulks nog altijd mogelijk blijft, gelijk uit nef­fens gaande tekening blijken kan. De wonin­gen der kolonisten namentlijk stoten onmid­delijk tegen de zalen. Zo nu de dwars be­schotten, op de tekening met een gestipte lijn aangegeven, wierden doorgetrokken dan zou de zaal in zo veele kamers afgescheiden zijn als er vertrekken waren en een communicatie deur in de muur A-B plaatsende zouden de kinderen bij het huisgezin gebragt of daar mede verenigd zijn. Naar de gestippelde afscheidings muren wegvallen, kan men de kinderen schiften naar hunne jaren, en sexe, en een onderofficier in C geplaatst daar over de directie uitoefenen. Zijne K. Hoogh. kan hier uit zien dat men op deze wijze met ge­ringe onkosten tot het oude plan kan terug keren, als men in het vervolg oordeelen mogt dat zulks meer met de belan­gens strookt. De Permanente Kommissie houd zich echter overtuigd dat men bij een vergelijk tusschen deze inrichting en de voorgaande aan de nu geproponeerde verre de voorkeur geven zal, daar deze inrichting, overigens geen minder land doet cultiveren dan de vroeger geprojec­teerde, de wonin­gen, solider en warmer zijn, dan de kolonisten anders zouden verkregen hebben, en als het ware in een oogenblik tot de voorgaande handelwijze kan terug gekeert worden, met dat onderscheid dat de huizen dan niet midden op de hoevens staan zou­den, dat echter gemerkt de nabijheid van het hoofdge­bouw bij die gronden geen zeer grote objectie uitleverd, en opgewogen word door het voordeel van een betere directie voor dezelve te kunnen uitoefenen. Zo hoopt de Permanente Kommissie dat ZKH zich met het voorstel zal kunnen vereenigen, dat deze maatregel beproefd worde, van elke zij reeds zich veel beloofd, te meer daar zo Zijne Ko­ninkl. Hoogh. of het Gouverne­ment in het vervolg verkiezen mogt dat daar in verande­ring gemaakte wierden, zulks dan ook ligtelijk zal kunnen geschieden. Op deze grond zou het dan ook wellicht niet nodig zijn te bepalen wanneer de kinderen op de hoevens zullen worden overgebragt, daar dit vol afhangen kan, behalve van de jaren, van kragten, phy­sieke en zedelijke geaardheid der voorwer­pen. Dat de Permanente Kommissie wegens het appui van ZKH bij het Gouvernement verzoekt om deze maatregel geappuyeerd te krijgen, niet om dat hier door de kas van de Maatschappij bevoordeelt word, het tegen­deel is waar daar de gebruikelijke wijze zelfs minder kostbaar is, maar omdat de Perma­nente Kommissie overtuigd is, dat op de gewone wijze met de huisgezinnen welke zij te wagten hebben, het doel van Zijne Maje­steit niet kan worden bereikt, namentlijk wat eene goede opvoeding betreft.
Tot zo verre

Na mijn inzien WelEd. Heeren kunnen wij inmiddels gerust voortgaan daar het eerste etablissement gevoegelijk voor bedelaars zal kunnen dienen en wij in alle gevallen huizen genoeg oopen krijgen, om een aantal kinde­ren te kunnen indeelen. Ik voor mij, en de Heer Visser deelt volkomen in mijn gevoelen, ben zo volkomen zeker dat de onderneming geheel mislukken zal en moet zou wij op de gebruikelijke wijze voortgaan, als zeker ben van mijne existentie. De eindeloze moeite die wij hebben om de kinderen bij slechte huis­gezinnen alleen maar uit het ongedierte te houden, gaat alle geloof te boven, en wat zal dit zijn zo dezelfde surveillance eens over eenige duizenden zal moeten worden uitge­oefend. Zo wij onze kinderen vergelijken met de kinderzalen van de Ommerschans, die gemakkelijkheid van het bestier aldaar, de proprieteit, goede voeding etc, dan is het verschil hemelsbreed.
Aan de Minister van Binnenlandsche Zaken konden wij eenvoudig kennisgeven dat wij aanvankelijk de kinderen in een bijzonder instituut zouden indeelen, ten einde alvorens die toetebetrouwen aan de huisgezinnen om ons met dezelver geaardheid bekent te ma­ken en door de ondervinding te leren beoor­deelen in hoeverre de gemeenschap tus­schen de kinderen en de huisgezinnen of huisverzorgers met de kinderen voor of nade­lig geacht moest worden en als dan deswe­gens aan Zijne Excellentie een voordragt zullen doen. Ook hier bij kan men doen op­merken dat wij geen zeer voordeli­ge huisge­zinnen tegemoet zien. Het is wezentlijk waar dat wij altijd met geringe moeite tot het oude plan zullen kunnen terug keren, om dat brave kolonisten op vrije hoeves geplaatst kunnen worden en minder goede onder administratie staan.
De vaart is toegestaan. Men is reeds druk aan het graven. Ik schrijf morgen nader.
Met betuiging van hoogachting heb ik de eer te zijn
UWelEd DWDienaar
J. van den Bosch

P.S. de Kommissie gelieve schrift en stijl te verontschuldigen. Ik ben overla­den met be­zigheden en moet steeds op het veld zijn. 65)

Bijgevoegd is een tekening van een hoeve nieuwe stijl.


14 april 1823, minister van binnenl zaken, Akkoord met de afzending van stukken aan de Heeren Gouverneurs van de Noordelijke Provincien, voorzien van de griffe van deszelfs departement (brievenboek invnr 20)


gemeentearchief Ommen, ingekomen post 1823-1824, Brief van von Hoff aan de burgemeester van Ommen. gedeeltelijke transcriptie

Ommerschans, 14 april 1823

In antwoord op UEd geeerde dd gisteren zend ik de kolonist Mathias Wijnen ten einde gemeeten te worden; teevens de vrijheid neemende om voor 2 andere medegaande kolonisten K. Blom en ??? eene meeting ten overstaan van UWEed en een certificaat deezer meeting door UEd gelegaliseerd te verzoeken ten einde dit certificaat door hunne respect. militieraaden gevraagd, aan deze raaden te kunnenovergeeven.

Te gelijker tijd hebb ik de eer UEd in antwoord op U geeerde dd 11 dezer te kennen te geven dat aan de schapenherder verboden is geworden, om onze schapen nog verder op het hooveld(?) te doen wijden, in de verwagting dat dit ook van zijden der overigen medeeigenaars plaats heeft.

Adj directeur enz Hoff

14 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan den Min BiZa, houdende toezending van de mutatiestaten van het personeel der bedelaars over februari & maart.

14 april 1823 Uitgaande post invnr 354. aan denzelfden de aankomst meldende van het transport bed uit Brussel, waarvan de Nom Staat bij Z.Exc Missive van 8 april is ontvangen.



Dinsdag 15 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van Prins Frederik aan de Per­manente Commissie over Enkhuizen.
transcriptie:




Woensdag 16 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van B.G. Travers aan de Per­manente Commissie:
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Personen/Travers.html   

16 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Missive aan den Minister van Justitie, Z. Exc opgevende den datum van aankomst der eerste opgezonden 2 kinderen op het met hem aangegaan kontrakt.



Donderdag 17 april 1823


militairen OS Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts gaat hiernevens terug de brief van de Provintiale Kommandant van Overijssel aan­gaande de logeering van het detachement militairen te Ommer­schans; die brief zoo wel als het schrijven der Permanente Kommissie bij de haare dd. 12 dezer no.38/4 zelve, heeft mij bijzonder getroffen, te meer daar ik in het denkbeeld verkeerde dat dit alles reeds in orde was; hierbij dient te worden opgemerkt dat sedert eenige tijd met het opnemen der gronden zoo voor de aankoop, als tot het aanleggen der kolonie en vaart te Veenhui­zen mijne tegenwoordigheid aldaar dikwijls vereischt wierdt, ik minder te Ommer­schans heb kunnen zijn, achtende dit te minder noodzakelijk, als zijnde ZijnHoogEdGestr. den Heere 2e Adsessor in persoon gedurende eenige dagen daar geweest. Intusschen heb ik den Heere von Hoff over deze zaak ge­schreven en kan de Permanente Kommissie geen beter inligting geven dan door haar het antwoord van ZWEd. meede te deelen.
"Wat de kaserneering betreft zoo kan ik geen ander reden van de vertraging van het aanmaken van matrassen opgeven dan die er werkelijk bestaan hebben, en die ik ook den Heer Generaal Provintiaal Kommandant van Overijssel heb geschreven, te weten de te leur stelling door alle men­schen te Ommen en Zwolle aan dewelke kommissie tot aan­koop van paarde haar was gegeven, nu er eenige dagen dit gekomen is, word er zoo spoedig mogelijk met de verruiling der oude fournitures tegen nieuwe voortgegaan."

Een hangmat en laken van de eerste en tweede bezending heb ik gisteren van de Ommerschans ontvangen; ook was daarbij gevoegd een door was­schen gescheurd la­ken, waar omtrent de Heer von Hoff mij schreef en ik de eer hadt ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen; dit laken is ja op de helft of liever in en hoek geheel onbruikbaar geworden, terwijl het ander ge­deelte nog nieuw en sterk schijnt. Het is dus mogelijk dat dit scheu­ren door een bijzondere rede in de behandeling is veroorzaakt. Het nieuwe laken zal ik ook op eene zelfs onvoor­zichtige en voor de stoff nadelige wijze doen wasschen en behandelen, en ik geloof niet, dat het daar door in eens of tweemaal on­bruikbaar zal worden; het verschil tusschen de beide hangmatten komt mij voor weinig beduidend te zijn, de eerste is iets zwaarder, maar naar mijn oordeel ook iets grover dan die van de tweede zending.



Zaterdag 19 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie over diverse zaken rond Veenhuizen. transcriptie:



(gedeelte over wijkmeester Vogelsang ook in dat file.

19 april 1823, over Abraham de Haan (brievenboek invnr 20)

19 april 1823, besluit der PK, Om aan den Heer Direkteur de verwondering der PK te kennen te geven wegens het niet uitvoeren harer voorschriften omtrent de te verbeteren logering van het detachement aan de Ommerschans, met verzoek om nader rapport van het daaromtrent verrigte (brievenboek invnr 20)


Zondag 20 april 1823


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Aangaande de huisverzorgers van Harlingen dient, dat ik niet kan begrijpen waarin die ontevredenheid kan bestaan als wordende aan hun niets opgelegd noch onthouden waartoe de reglementen hun niet verpligt of toekend; de wees van Dortrecht heeft men reeds vroeger van Smith willen wegnemen, het was op zijn verzoek dat dit geen gevolg hadt; ik kan niet voorbij van deeze gelegen­heid gebruik te maken, ook mijne klagten tegen den Harlingschen huisverzorger Dijk­stra, of wel H:H: besteders intebrengen, die man is gezon­den in plaats van Leba en is een geruimen tijd voor, en continueel na zijn aankomst in de kolonie ziek geweest, ten minsten buiten staat iets te doen. Zoo ie­mand kan mijns bedunkens in geen geval als een geschikt voorwerp worden beschouwd, maar wel als zeer nadeelig in allen opzigten voor de belangens der Maatschappij en de kinderen.
Wijders heb ik de eer aan de Permanen­te Kommissie te doen geworden den brief van H:H: Burgemeesteren van Brussel, voor eenigen tijd van de Permanente Kommissie ontvangen; de moeite tot het optineeren van het daarbij gevraagde en nu bekomen attest van Burgemeesteren van Ommen en dien naam van den bedoelde kolonist, zijn oorza­ken dat dit niet spoediger is gevolgd; te we­ten de naam van Jan Baptist Taelman was niet bekend, ten minsten niet bij de personen onder die jaren; Jan Baptist Trois moet vol­gens schrijven van den Heer von Hoff de bedoelde persoon zijn, daar hij zich somtijds naar de naam van zijn eigen vader Taelman, en dan weder naar den naam des tweeden mans zijner moeder Trois noemt, onder welk laatste naam hij dan ook overgekomen en bij ons bekend is.


20 april 1823, direkteur, (...) Meldt de afzending per schip van de bestekken der nieuwe gebouwen aan de schans en van dat te Veenhuizen (brievenboek invnr 20)


De brief uit Brussel is niet gevonden, maar volgens bijschrift wilde men weten hoe lang de genoemde persoon was, waarschijnlijk voor de militaire dienst. Wel bijgevoegd is een tekst voor een advertentie:

Ingekomen post invnr 65. PUBLIEKE AANBESTEDING,

De Direkteur der koloniën der Maatschappij van Weldadigheid, als daartoe behoorlijk door de Permanente Kommissie van genoemde Maatschappij geautoriseerd, zal op zaturdag den 10 meij aanstaande in het logement te Frederiksoord aanbesteden het maken van een geheel nieuw

HOOFD-GEBOUW,

tot plaatsing van vijftien honderd personen, te Veenhuizen gemeente Norgh, provintie Dren­the.
De bestekken zullen twaalf dagen te voren ter lezing liggen op het Bureau der Permanente Kommissie te S' Hage, en op dat van den Direkteur, te Frederiksoord. Voorts te Leeuwarden in het Heeren Loge­ment bij Poelman; te Groningen in het Post­huis bij van der Molen; te Zwolle in het Hee­ren Logement bij Harmsen; te Assen bij Don­ker, en te Veenhuizen in de herberg aldaar.
Zullende 4 dagen voor de besteding, aanwijzing in loco geschieden, en nader in­formatie bij den Direkteur voornoemd te be­komen zijn.

Frederiksoord den 19e april 1823
de Direkteur der Kolonien.


Maandag 21 april 1823

Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Visser stuurt het bestek voor de bouw van Veenhuizen (niet gevonden) en meldt een paar kleine wijzigingen. Zo is de afstand van de losplaats tot het hoofdgebouw tot 50 roe­den verkort. Ook stuurt hij de bestekken van de nieuwe gebouwen aan de Ommerschans. Geene der in deze bestekken, respectivelijk omschreven werken, zijn volgens rapport van R. Elsinga, met het opnemen belast geweest, in behoorlijke order; ik heb den aanneemer E. Nuijs zelf reeds aangeschreven, en den Heer Adjunkt Direkteur von Hoff verzogt, hem tot het dadelijk verbeteren en in order bren­gen van het manke­rende aan te sporen.

P.S. zoo even ontvang ik bericht van de O.S. dat reeds de helft der man­schappen van het detachement mil. volgens de reglementen is gelogeerd. 65)

21 april 1823 Uitgaande post invnr 354. Aan minister BiZa hoe de optenemen arbhuisgezinnen over de provincies te verdelen.




Ingekomen post invnr 65. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Hoewel de meeste hulde toebrengende aan de opsteller van het door UWE ingezondene plan, ter beoordeeling van de leden der Kom­missie onderwor­pen, zij het mij echter ver­gunt eenige bedenkingen in het midden te brengen, welke mij voorkomen van belang te zijn, dan ter zake:
1o. De kosten voor de gebouwen komen mij veel te gering voor, tenzij men dunne muren, ligte balken, en slechte metzelsteen­en gebruikt. Het gevolg daarvan is dat de gebouwen ongezonde voorzieningen zouden zijn, en jaarlijks an groote reparatien onder­hevig. Men heeft hier ter stede dikwijls ge­zegd dat de gebouwen van de Ommerschans datzelfde gebrek hadden, en zommigge in de kolonie door wind als andersints dikwijls veel geleden hebben. Indien hiervan iets waar mogt zijn, zoo vereischt zulks de aandacht der Kommissie dubbeld.
2o. Zag ik gaarne de opvoedingshuizen verre van de bedelaarshuizen en zelfs van de vrije kolonie verwijdert.
3o. Zoo is bij de lezing en overdenking op het ingekomen stuk, bij mij de vrees ont­staan, dat men in hetzelfde gebrek van der­gelijke inrigtingen zoude vervallen, namelijk de broodronkenheid en andere ondeugden der suppoosten, en dat in de beginne de daarin gebragte kinderen gezond van lig­chaam zijnde, onder hun binnen weinige jaren zich gebrekkig zouden bevinden, welke door hunnen arbeid niet bestaan kunnende, een last voor de Maatschappij zouden wor­den, waarin bij de berekening der voedings en verplegingskosten niet voorzien is.
4o. Moet ik mijnen stem weigeren aan de goedkeuring van een plan dat ik slechts 24 uuren heb kunnen bezitten om te lezen, en mij weinig tijds tot overdenking is overgela­ten. De zaak is van zoo veel belang dat ik niet gaarne mijn ondervinding wil toetsen, maar ook gelegendheid wenschte te hebben, de ondervinding van anderen die jaren lang aan het hoofd van godshuis het beheer heb­ben uitgeoefend, en met alle die gebreken bekend zijn die geene theorie, ja zelfs het scherpzinnigst brein voorbijziet. - Gebreken die men bij eene nieuwe inrigting kan voorko­men of verminderen.
Ik zoude gaarne mijne denkbeelden breeder willen ontvouwen, doch hoe kan men zulks bij ontbeering van het ontwerp of slechts eene oppervlak­kige inzage.
Vertrouwd M.H. dat geen bedilzucht, maar alleen het belang der zaak mij deze regels heeft ter neder doen zetten en ont­vang de verzekering mijner hoogachting

UWE DWD
P.J. Ameshoff

Bijgevoegd:

Ook in vinde het plan zeer doelmatig, en hebbe daartegen geene bedenking dan al­leen, dat ik vrees dat de vereeniging of buurt­schap van de kinderen met den verkwisten­den kolonisten en bedelaars geene goede indruk op het publiek maken zal.

Den 13 april 1823 J. Nieuwenhuys

Gelezen en geene bedenkingen gevonden J.M.d.L. 65)

Sijpkens, Kemper en Schrant hadden al eer­der hun toestemming aan het plan verleend.



Dinsdag 22 april 1823


Uitgaande post invnr 354. Brief van de Permanente Commissie aan Prins Frederik over Enkhuizen.
transcriptie:


22 april 1823  Uitgaande post invnr 354. Missive aan Z. Exc. den Minister van Binnenlandsche Zaken in antwoord op Z. Exc brief van den 17 ll omtrent de toegezonden kopie brief van den Gouverneur van Gelderland wegens het opzenden van bedelaars.

22 april 1823  Uitgaande post invnr 354. Missive aan Z. Exc. den Minister van Binnenlandsche Zaken in antwoord op de zijne van 17 april omtrent de vergrooting van het kontingent bedelaars voor Noord-Holland en het werkelijk in het Etablissement aangekomen getal bedelaars.aan Z. Exc. den Minister van Binnenlandsche Zaken in antwoord.



Woensdag 23 april 1823


23 april 1823, gouverneur van Vriesland, Doet opgave van een voor Vriesland vast te stellen tarief voor de betaling van transportkosten van overgebragte bedelaars, met ZE's konsideratien. (brievenboek invnr 20)



Donderdag 24 april 1823


Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 20. Directeur herhaalt dat de logering van het detachement in de Ommerschans reeds voor de helft verbeterd is.


Besluit der P.K. volgens het brievenboek met invnr 20. Om aan den Heer Direkteur (...) te berigten de aanstelling van L. Vogel­zang tot Onder Direkteur bij het gebouw te Veenhuizen. vermelding


Besluit der P.K. volgens het brievenboek met invnr 20. Eindelijk daarbij de Hr. Ameshoff terug te zenden het ontwerp van nieuwe etablisse­menten ter nadere examinatie en opgave van bedenkingen.


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

... heb ik de eer te berigten, dat de kosten van het op N7 te bouwen schaap­enhok, aan­gezien deszelfs meerdere grootte zal kosten ƒ400- en de verplaat­sing van 4 huisjes uit No.1 naar No.4 uit hoofde van verder trans­port, en eenig mankeerend houtwerken zal staan komen op ƒ160- per stuk.

Verder is ter voldoening zoo veel mogelijk van art. 2 van het besluit der Permanente Kommissie dd. 7e dezer dienende, dat de wijk of het verlengsel der Norghervaart, de aan­zienlijke capaciteit zal bekomen van 20 Rijnld. voeten wijd op het water, en de diepte van de Smilder den Norghervaart, dat is vijf voet, zal hebben, ten einde altijd met dezelf­de schepen die gemelde vaarten bevaren aan het hoofd gebouwe kunnen komen; dat aan de eene zijde een weg p.m. 25 voet en aan de ander zijde waar dit tot waterkering nodig is, een kade of dijkje van 12 voet over­eenkomstig kontrakt met markt­genoten van Norgh, Westerveld en Zuidvelden gesloten, zal worden aange­legd. Conform nevengaan­de profil teekening, dat al verder op de plaats war de nieuw te graven vaart haar begin neemt, een wipbrug moet worden gemaakt, gelijk aan die welke over de gewone hoofd­wijken naar de veenen gelegen zijn, behalve nog een of twee ander kleine bruggen ter plaatsen waar de vaart, thans bestaande wegen zal doorsnijden, dat alle deze werken om meer door eene reede, minder naar uit­besteding in massa noch grote partijen, in de gegeven omstandigheden vatbaar is; en dus per roede, voor dadelijke rekening der Maat­schappij of kolonie wordt gemaakt en het dus naar ons oordeel niet nodig, ja niet mogelijk is, daarvan verder bestek of conditiën op te maken; de begroting der kosten bedraagd nu ruim ƒ4000-. De reden hiervan zijn ten 1o het leggen der vaart in een ander rigting, waar­door het werk meer convenabel maar kost­baarer wordt, ten tweeden de brugge waarop ik niet had gerekend.

Bijgevoegd is een dwarsdoorsnede van de te graven vaart.


Vrijdag 25 april 1823


25 april 1823, gouverneur van Henegouwen, Verterugzending naar Mons van 7 in de Ommerschans ongeschikt bevondene Bed:, en wel ten koste van het gesticht te Mons en de 5 overige voor rek: van den genen die men meent dat daarmede belast behoort te worden --> rescr 5 mei, not 4 id art 4, geschreven aan den directeur 6 id. (brievenboek invnr 20)


Zaterdag 26 april 1823


Ingekomen post invnr 65. P.O. van der Chijs stelt voor een subcom­missie onder de Leidse studenten op te rich­ten. Hij heeft hiervoor al 80 leden en de goedkeuring der plaatselij­ke subcommissie.


Visser denkt de komende week ƒ12.000,- nodig te hebben. 65)


Visser geeft opheldering over aanmerkingen op de rekeningen van novem­ber, december en januari. 65)


Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van de subcommissie Schiedam aan de Permanente Commis­sie:

De subcommissie van Weldadigheid alhier heeft de eer UL te berigten dat de magis­traatskamer volkomen genoegen neemt met in huust(?) in de ophelde­ringen door de Per­manente Commissie hare gegeven bij UL missive van den 5. dezer, ons toegezonden met betrekking tot de huisgezinnen van de wed. Hille en Kamans.



Maandag 28 april 1823


Brief van de Permanente Commissie aan de subcommissie Harlingen:

UWEd. missive van den 9 dezer maand heb­ben wij wel ontvangen en is, ingevolge de daarbij vermelde begeerte van de HH wees­voogden uwer stad aan het verzoek van den wees J. Norbruis niet voldaan.
Wat het verzoek betreft om, uithoofde van telkens inkomende klagten van de ge­plaatste huisverzorgers dezelven zoo veel mogelijk te vrede te stellen, hebben wij op nieuw derzelver belangen aan de Direktie der kolonien aanbevolen, met uitnoodiging om het bezwaar van den huisverzorger Smith tegen de indeeling van een bestedeling uit Dordrecht te onderzoeken; dan, volgens het hierop ontvangen antwoord des Heeren Di­rekteurs, kunnen wij niet begrijpen waarin de oorzaak van die klagten bestaat, daar die huisverzor­ger steeds met de meeste zorg, overeenkomstig de koloniale reglementen worden behandeld en van het noodige voor­zien, en daar het ten aanzien van den huis­verzorger Smith juist op zijne eigene begeer­te is, dat de Dordtsche bestedeling bij hem nog is ingedeeld en aan het voornemen van de Direktie om denzelven te verplaatsen geen gevolg is gegeven.
Daarentegen zin wij gelijktijdig door den Heer Direkteur geinformeerd van de onge­schiktheid van den huisverzorger Dijkstra, in de plaats van Leba door de besteders ge­plaatst. Deze man is bij voortduring door lichamelijke ongesteldheid, waaraan hij vol­gens zijne opgave reeds vóór zijne aankomst laboreerde, buiten staat om eenig werk te verrigten en strekt alzoo niet slechts ten na­deel der koloniën, maar ook hoofdzakelijk der aan hem toever­trouwde kinderen, tot welker behoorlijke verpleging hij niet geschikt is.
Het ware derhalve zeer wenschelijk dat HH besteders konden goedvinden en in de gelegenheid waren om dezen huisverzorger door een meer geschikt persoon te doen remplaceren; terwijl wij steeds bereid zijn om, wanneer zodanig voorwerp niet mogt kunnen worden gevonden, van de zijde der koloniale Direktie in de inplaatstelling van bekwame huisverzorgers te doen voorzien.
UWEd. gelieven bij de mededeeling van het bovenstaande aan de HH besteders Hu­nEd. de verzekering te geven, dat niets ons steeds aange­namer is dan om voor het be­lang van hunne overgenomene kinderen en gezinnen met alle zorg te waken, en hunnen toestand zoo veel mogelijk te verbeteren. 354



Dinsdag 29 april 1823

Ingekomen post invnr 65. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie met verslag van de Ommerschans. transcriptie







Ingekomen post invnr 65. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Visser meldt dat de omnummeringsoperatie in kolonies 1 en 2 is afgesloten:
Ten gevolge der missive van de Permanente Kommissie de 25 dezer 25/4 heb ik de eer hiervenes aan haar te doen toekomen een staat der koloniale woningen van kol 1 & 2, zoals die nu onder een doorlopende nummering zijn gebracht..

Op de briefomnslag schrijft Ockerse: De directeur der koloniën zendt in een nota van de nieuwe nummering der kolonie 1 & 2.

De wed. de Groot, huisverzorgster in kol. no.3 is gisteren teruggekomen, voorzien van het almede hier nevens gaande stuk van den Heer van der Meulen van Maarsenbroek; ik heb mij verpligt gevonden, alvorens de vrouw te renvoyeren of op eene of ander wijze te corrigeren omtrent haar de finale intentie der Perm. Kommissie aftewagten; en dat wel uit consideratie voor den Heer van der Meulen, waaromtrent, als ik mij niet bedrieg, de Per­manen­te Kommissie niet onverschillig zijn zal.
Verder heb ik de eer te berigten dat de voornaam des Heren Poel­man is Johannes en van den Heren Van Lemel, Jan.
En eindelijk dat Zijn Hoog Ed. Gest. den Heer 2e Adsessor van de Ommerschans retournerende, mij zegt, dat de aldaar gede­tacheerde militai­ren thans overeenkomstig de bestaande reglementen zijn gehuisvest.

Bijgevoegd:

De wed: de Groot als huisverzorgster ge­plaatst in de kolonie heeft zich bij ons ver­toond, maar ons tevens erkent zonder pas zich van de kolonie verwijderd te hebben. Wij hebben haar het strafbare harer daad voor oogen gesteld; maar wij vleijen ons dat haar vorig goed gedrag haar eenigzins tot veront­schuldiging bij hare terug komst zal kunnen strekken.

Utrecht 22 april 1823

van wegens de subkommisie
C:J: van der Meulen van Maarssenbroek 65)

De weduwe De Groot was na herhaalde afgewezen verzoeken om verlof van de kolo­nie vertrokken, met achterlating van de bij haar ingedeelde weeskin­deren. De Perma­nente Commissie had haar daarop ontsla­gen, maar zal dit ontslag ongedaan maken.


Ingekomen post invnr 65. Brief van adjunct-directeur Lemel aan de Permanente Commissie: transcriptie



29 april 1823, gouverneur van Namen, Verzoekt, ingeval van ligchamelijke geschiktheid de terugzending van den onbekwaam bevonden bedelaar J. Bovier, naar en voor rek: van het gesticht te Namen --> Medegedeeld aan den direkteur om berigt 6 mei, not 4 id art 11. (brievenboek invnr 20)

29 april 1823, direkteur der koln, Zendt in een nota van de nieuwe nummering der hoeven van kol 1 & 2, (...), Berigt dat het detachement aan de Ommerschans thans behoorlijk is gelogeerd

29 april (KL): Star + A. Van Schie in dienst, maar volgende dag terug



Woensdag 30 april 1823


Uit het brievenboek:

gouverneur van Zuid-Holland, Verzoekt dat de in het etablissement ongeschikt bevonden bed. H. Leydenroth, met overleg met burgemeesteren te 's Hage, naar Hoorn worden gedirigeerd --> rescr 5 mei, not 4 id. (brievenboek invnr 20)

Besluit der P.K. Om aan de Direkteur te zen­den ... kopie van een extrakt uit een in om­loop zijnde brief van een kol. van kol. 6, be­vattende eenige klach­ten, met verzoek de schrijver daarvan op te sporen en de zaak te onderzoe­ken. 20)

30 april 1823, Missive aan Z.K.H. Prins Frederik, ter wegneming van de geopperde bedenkingen wegens de te geven nieuwe inrigting aan de Etablissementen bestemd ter opneming van de van het Gouvernement overtenemen huisgezinnen en kinderen, bij Hoogstdeszelfs missive van den 8e april.aan Z. Exc. den Minister van Binnenlandsche Zaken in antwoord (opschrift op brief bij uitgaande post invnr 354)


Uit een brief van de Permanente Commissie aan Prins Frederik:

Wat betreft het bepalen van den tijd waarop de aanvankelijk in het kinder etablissement te vestigen kinderen bij de huisgezinnen zullen worden inge­deeld moeten wij aanmerken, dat dit moeijelijk kan geschieden, doordien wij steeds blijven vrees voeden dat de overtene­men huisgezinnen vermoedelijk voor 't groot­ste gedeelge zullen bestaan uit personen welke te voren gebe­deld hebben, en na Z.M. besluit van 6 nov. ll, daartoe belet zijnde, zich vrijwillig voor de kol. hebben aangegeven, eenen zekeren tijd noodig zullen hebben, om hunne vorige liederlijke levenswijze afteleg­gen, zich aan den arbeid en goede orde te gewennen en zich alzoo te vormen en ge­schikt te maken tot de verzorging en oplei­ding van de hun toetevertrouwen kinderen. Daar nu alleen de ondervinding zal doen blijken in hoe verre de Perm. Komm. in hare keuze van de overtenemene huisgezinnen, alsmede in de opleiding van diegenen derzel­ven, welke primitief tot de betrekking van huisverzorgers ongeschikt waren, heeft mo­gen slagen, zoo is de juiiste tijdsbepaling van de indeling der aanvakelijk in het etablisse­ment gevestigde kinderen bij huisgezinnen geheel daarvan afhankelijk en kan - naar ons oordeel - te minder vooraf plaats hebben daar die indeeling successief zal moeten geschieden, naar mate er geschikte huisge­zinnen voorhanden zijn. Wij herhalen hierbij het betoogde in ons ontwerp, dat de onder­vondene moeijelijkheden in het vinden van geschikte huisverzorgers ons de meeste omzichtigheid voorschrijven ten aanzien van het indeelen van kinderen, en in 't bijzonder van een zoo aanzienlijk getal kinderen. 354