Naar het overzicht
van de POST







De POST van FEBRUARI 1822

1 februari 1822

1 februari 1822, diakenen Haarlem over de Hahn (Brievenboek invnr 19)


Zaterdag 2 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts heb ik de eer de Permanente Kommi­sie te berigten

1e Dat de kolonisten Koppejan uit kol. no.1 en D'Haan uit kol. no.2 mij hebben ge­vraagt, ontslag, de eerste voor zijne dogter Susanna, oud 18 jaar, de andere voor zijne dogter Elisabeth, mede oud 18 jaar, ten ein­de in de gewone maatschappij te gaan die­nen: en daar mij niets is voorgekomen waar­om dit hun verzoek niet zoude worden toege­staan, neem ik de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken mij tot verleenen van het gevraagde te auhoriseren; dienende daaromtrent tot informatien, dat de beide ouders verzuimd hebbende, het bedoelde ontslag intijds te vragen en hunne dogters reeds op heden of morgen te Steenwijk, in eene dienst moeten treden, ik aan ieder een provisioneel verlof voor 14 dagen heb geak­kordeert.

2e Over de bij Nicolaas Verhulst ingediende weesjongen Cornelis de Jong.transcriptie

3e Dat de sergt. Lindeman ... alhier is aangekomen, bij zich hebbende een paket administratiestukken aan mijn adres; dat dezelfde hoofdzakelijk zal zijn belast met de administratie van het algemeen magazijn in de fabriek, en dat hij bewoond het huisje in kol. N1, te voren door Bodestaf geoccupeert, zijnde deeze laatste overgeplaatst op kol. N2 hoeve N1


Dinsdag 5 februari 1822

Uit een brief van de Permanente Commissie aan de subcommissie Harlin­gen (samenvatting: 5 februari 1822, Missive door de P.K. aan de subkommissie te Harlingen, aangaande de huisverzorger R. Leba, en bij hem ingedeeld geweest zijnde kinderen.):

De Permanente Kommissie heeft niet dan met leedwezen uit uwe missive den 26 janua­rij ll. ontvangen, gezien ULieder ongunstige beoordeeling wegens de laatste ci(?)prosure, door haar ten aanzien der huisverzorgers aangenomen. Zij had zich gevleid, dat eene subkommissie, die zoo veel ijver aan den dag gelegd heeft in het bevorderen en uitbreiden van de belangen der Maatschappij, als die van Harlingen, eene zoodanige mate van ijver, wij durven zeggen, belangeloozen ijver en overleg in het algemeen beheer van de zoo moeijelijke taak, waarmede wij ons belast zien, in ons zouden hebben voorondersteld, dat wij ons daardoor alleen tegen de zoo onbellijke verden­king, als of wij onbedachte­lijk gehandeld, en meer nog, als of wij ons daden veroorloofd hadden, tot welke wij gee­ne bevoegdheid bezaten of zouden hebben bewiligd gezien. Een beoordeeling, bij welke wij blijkbaar uit het oogpunt worden be­schouwd van gelijk gesteld met de zoodani­gen die verbin­te­nissen aangaan ter bevorde­ring van haar bijzonder belang, en van welke men dus verondersteld, dat hunne bedrijven, voor zoo verre die niet letterlijk schijne te strooken met den inhoud van eene aangega­ne verbintenis, alleen gegrond zijn op de bevordering van hunne eigene belangen.

Volgens de jongste weekstaten bedragen thans de voorschotten op schuld voor alle kolonien slechts ƒ25,95; en hieruit zal dan tevens de mogelijkheid en nuttigheid dier voorziening, zoo wij ons vleijen, voldoende blijken, terwijl het ons tevens gebreken is, dat het oogmerk bereikt is geworden, niet door eene noemenswaardige bijdrage van de ver­diensten der huisverzorgers, maar daar door alleen dat thans de kinderen niet meer tot huisselijke dien­sten gebezigd, en hunne ar­beid hun niet meer voor eenige snoeperijen ontroggeld wordt. Het is ons tevens geble­ken, dat thans de verdiensten der huisverzor­gers veel meerder soms dan te voren bedra­gen, omdat dezen als nu de gelegenheid benomen is, om zich de verdiensten der kin­deren toeteëi­genen. Wij vleijen ons derhalve, dat een en ander genoegzaam de noodzake­lijkheid der genomene maatregelen bewijst, en wij hebben dus alleen nog de regtmatig­heid daarvan aantetoonen.

Bij alle onze reglementen hebben wij ons de magt voorbehouden, om de inwoners der koloniën op een zekeren taks van arbeid te stellen, gelijk mede alle kinderen, en wel bepaaldelijk bij het 9e artikel van het Regle­mente en Voorwaarden waaraan de huisver­zorgers en de bij hen ingedeelde kinderen of weezen, en andere personen onderworpen zijn.

Voor dezen winter hebben wij de verdiensten der kinderen bij openweer geregeld, voor de kinderen beneden de 12 jaren op 2 stuivers minder weke­lijks, dan hunne ouderdom be­draagt; 12 tot 14 eene verdienste gelijk aan hunne jaren, en boven de 14, 2 stuivers daarboven. Eene taak die zeker eerder te ligt dan te zwaar beschouwd moet worden, daar bijna alle kinderen meer verdienen, en waar­tegen dus ook geen een huisverzorger buiten Leba iets had in te brengen.

Wat nu de behandeling van Leba zelve be­treft, deze man is de eenige geweest onder alle de huisverzorgers, die geweigerd heeft zich aan de opgegeven bepaling te onder­werpen. Men heeft hem daarom de kinderen afgenomen, en meer dan 14 dagen lang heeft men beproefd, door alle gepaste midde­len, om hem te overreden tot het volgen van aller voorbeeld; zelfs heeft men hem beloofd zich aan Heeren Weesmeesters te zullen adresseren met verzoek om hem van een onwijs kind, met het welk men hem belast had, en dat dus in de kolonie niet voegde, te ontheffen, en hetzelve door een ander te doen vervangen. Dan alle middelen zijn vruchteloos geweest, en na hem eindelijk 14 dagen tijd van bedenking gelaten te hebben, is men verpligt geweest hem te verwijderen.
Wat de berigten betreft, ten aanzien van de behandeling der kinde­ren, er is niemand in de kolonie geweest, dan de zoon van Leba en een jood van Leeuwarden, voor zooverre de Direktie weet dan wie ook Ulieder zegs­man daaromtrent wezen moge, zijt verzekerd dat een misleiding, althans grove overdreven­heid, plaats gehad heeft.

A. Schuurmans is nogthans zeer bekrompen van zielsvermogen. 353



Woensdag 6 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Visser stuurt de wekelijkse verantwoording.


Uit het brievenboek:
Direkteur. Zendt in een bus met plannen en paket met stukken, betreffende de projekt kanalen van Blokzijl en de Ommerschans. 19)

6 februari 1822, Koncept Missive aan Z.Ex den Minister van Binnenle Zaken en Waterstaat, begeleidende de kontrakten ter overneming van bedelaars in de Ommerschans, ter fine van approbatie door den Koning (gezonden wordt kontrakt met Wymbritseradeel) (invnr 353).



Donderdag 7 februari 1822

Uit een brief van de Permanente Commissie aan directeur Visser (samenvatting: 7 februari 1822, Koncept. Missive aan den Heer Direkteur, houdende klachten over de bewerking van het garen, autorisatie tot het corrigeren van H. van der Vliert, en toezending van eene missive van het stads armbestuur te 's Hage, om daaraan te voldoen.):

Dat de klachten over de vogtigheid van het uit de kolonien herwaards gezon­den vlas- en snuitgaren bij de succesivelijk in dec. en jan. ll aangeko­mene partijen merkelijk verminderd zijn; dat bij de aankomst van de laatste partij van 1150 N ll, bij de opening van de eerste baal, hoezeer de emballage droog was, het garen zoodanig vogtig is bevonden, dat de direktie van de Armen-Inrigting ter harer ver­antwoording noodig heeft geacht, de Perm: Komm: te verzoeken bij de opening en exa­minatie van de overige balen tegenwoordig te zijn; dat bij die opening is bevonden dat alle de garens, uitgenomen 4 balen uit kol N3, buitengemeen vogtig, en zelfs inwendig ge­heel nat waren, zoodanig dat de meeste pon­den inwendig beschimmeld waren, en dat het garen hierdoor zoodanig verstikt was, dat vele strengen door de leden der P.K. met de hand zijn doorgeslagen; dat de Direkteur zal gevoelen hoe nadeelig het verzuimen van de orde om niet anders dan droog garen te ver­zenden, voor de M. is, dat hij het ongenoe­gen van de P.K. aan de geconserneerde geëmploijeerden zal gelieven te kennen te geven, en alle middelen aantewenden om te zorgen dat het garen behoorlijk worde uitge­hangen en gedroogd voor de verzending.

Dat de P.K. na gehoudene konferentie met den Minister van Justitie, den Direkteur auto­riseert, om H. van der Vliert, strengelijk te doen corrigeren, en haar alzoo voor dit maal nog niet aan den gewonen regter over te geven. 353



Vrijdag 8 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Visser meldt de aankomst van Frederik Wil­lem Dumoulin, die bij Lindeman in de woning is geplaatst omdat hij ongehuwd is.



Zaterdag 9 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts bekomt de Permanente hier door be­rigt dat de kolonist Gerrit Aarsse van Zaan­dam, door de regering der stad is verwittigd dat voor hem, bij de loting voor de Nationale Militie is getrokken no.1 en dien ten gevolge gelast zich op den 15 aanstaande voor de militaire raad, zitting houdende te Haar­lem te vervoegen. Dan door de Heeren van Roijen en Fabricius bij monde geinformeerd te zijnde dat Z.M. bij een besluit heeft gelieven te bepalen, dat de personen welke door de Maatschappij van Weldadigheid in hare kolo­nien zijn opgenomen, voor de militie zullen worden opgeschreven in de gewesten onder welke de kolonien respektivelijk gelegen zijn; waarmede ook volmaakt overeenstemt de kennisgeving van den grietman van West-Stellingerwerf, waar van extrakt hier nevens gaat; en daar ten gevolge van dit een en ander de genoemde jongeling Gerrit Aarsse in de gemeente van Vledder is inge­schreven; zoo is het mij voorgekomen, denzelven niet te moeten laten vertrekken, alvorens ik inten­tie der Permanente Kommissie dien aan­gaande te hebben vernomen.


Ingekomen post invnr 60. Visser betreurt het dat een lading vlasgarens in slechte staat bij de Perma­nente Commis­sie is aangekomen en zal zorg dragen dat er beter toezicht gehouden wordt op de verzen­ding.


Voorstellen door den Heer Generaal van den Bosch aan de P.K., ter beantwoording van eenige brieven in de vergadering van 9 februari 1822, invnr 960, waaronder

- brief over de Haarlemmer de Haan. transcriptie



Een rapport uitgebracht door de baron van Keverberg voor de vergadering der Algeme­ne Armencommissie in Den Haag, met aan­tekeningen in diverse handschriften. 960



Dinsdag 12 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts te berigten dat de persoon van H. Jalvinck, gefungeerd hebbende als ond. Di­rekteur van kol. N7 uit den dienst der Maat­schappij is ontslagen ... en ten gevolge daar­van aangestelt zekeren Nijenbander van Smilde; namentlijk onder nadere approbatie der Permanente Kommissie, en onder voor­waarde blijken zijner bekwaamheid en goed gedrag te moeten geven; deeze persoon is ons door den Heer van Roijen als zeer ge­schikt opgegeven.


Ingekomen post invnr 60. Gedeputeerde Staten van Friesland sturen een brief met herhaalde klachten dat brood dat in de grietenij Weststellingwerf gebakken wordt clandestien naar de kolonien verdwijnt. Bijgevoegd is een brief van grietman Van Helo­ma:

Alle de bakkers, woonachtig in de overlinster dorpen, voeren dagelijks brood uit naar bui­ten de provintie, den een meer den ander minder, tezamen ongeveer 4300 Nederland­sche ponden wekelijksch. Hetzelve wordt grooten­deels, ja bijna geheel gebragt aan de onder Direkteur in de kolonie no.4 (of voor­maals genoemde plaats Rodute, ook wel gelegen, behorende onder het landschap Drenthe). Het overige wordt gebragt aan twee particulieren even buiten de provincie, op de grensen woonachtig, hun bedrijf ma­kende van brood verkopen. Daar nu te plaat­se zijnde en den uitvoer werkelijk plaats ge­had hebbende, wordt aan de uitvoerders overeenkomstig art: 47 en 48 van de ordo­nantie op het gemaal van den 17 december 1818 restitutie van belasting gegeven van het aldus uitgevoerde.
Naderhand of wel dadelijk wordt dit brood, eerstens, van wege den onder Direc­teur afgeleverden ingevoerd aan ruim veertig huisgezinnen kolonisten, werkelijk op den grond van deze grietenij, en alzoo op Vrie­slands bodem geplaatst. Tweedens wordt hetzelve door denzelven onder Directeur aan elk andere, gelijk ook, door de twee overige broodverkopers op de grenzen gevonden wordende (schoon door deze laatste in het klein) openlijk uit hunne huizen verkocht. Voorts wordt het overige te zeggen dat geen het geen niet aan de kolonisten wordt ver­strekt, thans door arbeidslieden in groote getalle in den dorpe Noordwolde, en ook in de overige overlinsters dorpen woonachtig, op ongelegene tijden langs buitengewone wegen, die menigvuldig zijn, ja zelfs bij groot­e troe­pen bij elkander weder ingevoerd, en strekt zoo wel ter consumtie voor dezen, als ande­ren, aan welke zijlieden zoodanig brood, tegen een gering verdienste, geheimelijk overdoen.

Voor en al er de kolonie op de grietenij was overgebragt, hebben wij nimmer eenige klag­ten omtrent sluikerij aan die kanten gehad. Ieder ingezetenen kocht zijn brood bij de bakkers in deze grietenij en men hoorde geen ontevre­denheid. Thans hebben ons de voornaamste broodbakkers, schoon ook de grootste uitvoerders naar buiten de provincie, verklaard dat zij weinig of niets geen brood meer uit hunne winkels verkochten, dat zij, alhoewel volkomen overtuigd en aan onze zijde erkentelijk te vreden, betuigden, dat wij geene grootere surveillance konden nemen, evenwel zeker wisten, dat al het door hun uitgevoerde brood, merendeels, zonder nade­re betaling van belasting weder in dit district wordt ingevoerd en geconsumeerd. En wij ook bewonder­den zulks niet, want in aanmer­king genomen de grootste massa van arbei­ders, welke aan die kanten woonachtig zijn en in dit winter saisoen weinig of geen ver­dienste hebben, zoeken langs dezen weg en daar door, voor hebben en derzelver huisge­zinnen, eenig voordeel te vinden, en worden in deze hunne handelswijs niet weinig geste­vigd, door dien de kolonisten  even eens als zij lieden, onder Vriesland wonende, en som­mige derzelve beter in staat, dan deze en geene arme arbeiders buiten de kolonie woonagtig, echter zich aan de gehoudenheid tot het verimporteren van brood, gedeeltelijk onttrek­ken.


Woensdag 13 februari 1822

uitgaande post invnr 353. Brief van Johannes van den Bosch aan Zijne Koninkl. Hoogheid prins Frederik der Nerlanden, met toezending ener nadere koncept-voorwaarde, wegens het kontrakteren ter overneming van bedelaars in de ommerschans, en vondelingen en verlatene kinderen in de vrije kolonien, ter goedkeuring van Z.K.H., met bijgevoegd concept-contract. transcriptie






Donderdag 14 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Aangaande de verzending der door de subk. geschonkene uitgeperste haring, zoude de vraag zijn of dezelve op paardenmest mag leggen, in welk geval ik een mestschip ge­deeltelijk mede kan beladen, en de onkosten niet veel meer als 30 st. per last zullen zijn.


Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie.

Stuk over Hermann Jurgens.transcriptie

ook is Dumoulin voor de administratie onge­schikt, ik zal deezen voortaan met een be­kwaam wijkmr. doen omgaan, ten einde te beproeven of hij tot dien betrekking is optelei­den. Daar en tegen strekt het mij tot genoe­gen te kunnen melden dat Lindeman, en eenen genaamde Morriën door mij voor een­ige tijd in dienst genomen, volkomen aan de verwagting beantwoorden.

Aankomststaat van Herman Jurgens en gezin, invnr 60 scan 327.vermelding

Vrijdag 15 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Visser vraagt toestemming om vruchtbomen voor kolonies 4 en 6 te kopen.

15 februari 1822, Missive aan Z.M. den Koning, met verzoek tot disponibelstelling van … Hoff, kapitein bij het depot Batallon der Koloniale Troepen, voor een dienst der Maatschappij van Weldadigheid. (= opschrift op uitgaande brief invnr 353)


Zondag 17 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Reactie op de brief van Simon Muze.transcriptie

Visser meldt verder dat de Maatschappij geen vrijstelling van de belasting op deuren en vensters heeft gekregen en dat Gerrit Aarsse naar Zaandam is gestuurd om zijn dienstplicht te vervullen omdat gebleken is dat het een uitgestelde loting van verleden jaar betrof. Verder geen brieven aangetrof­fen.



Dinsdag 19 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

... als meede eene brief van den onderwijzer van Wolda, aangaande den ondermeester Auberlée; wat daar in van hem wordt gezegt is overeenkom­stig de waarheid: de vrouw is de dogter van den kolonist Taatge in kol. no.3 doch zonder zelve koloniste te zijn, en volgens haar zeggen wede van een zeekapi­tein; voor eenige dagen heb ik haar de inwo­ning in de kol. na 2 of 3 weken ontzegt.

Bijgevoegd is de brief van Van Wolda:

Ik had zoo gaarne gewild, dat de ondermees­ter Auberlé te Willemsoord naar UWEdGestr. regtmatige berisping en vaderlijke teregtwij­zing, betrekkelijk zijne verkeerde conversatie met zeker vrouwenmensch in de kolonie, hadde geluisterd. Dan, daar dit niet gebeurt, en ik vrees dat de jongeling zich nog onge­lukkiger maken zal, ben ik zoo vrij UWEd­Gestr. het volgende te melden.
Laatstleden vrijdag en zaturdag, toen ik in de school te Willemsoord was, heb ik ook alle pogingen in het werk gesteld, om den gebrekkigen Auberlé van zijne verkeerde minnerij af te brengen, doch het eene was zoo wel vruchteloos als het ander. Ten laat­sten zijde hij: "Mijn Heer de Direkteur en Chef heeft gelast, dat het meisje binnen wei­nige dagen de kolonie moet verlaten. Dit kan ik niet uitstaan; ik kan zonder haar niet leven. Ik heb den onderdirekteur gevraagd om voor 8 dagen de kolonie te mogen verlaten. Ik wil dan de Kommissie daarover zelfs spreken, haar verzoeken dat het meisje, ofschoon geene koloniste zijnde, in de kolonie blijve en toestemming tot ons huwelijk te vragen."
Hem dacht, het kon de Kommissie toch niet schelen, hoe hij zijne drie gulden in de week verteerde; en het meisje kon er 's we­kelijks wel een daalder bij verdienen.
Of ik hem al het verkeerde van zijne denk- en handelswijs onder het oog zocht te brengen, alles was te vergeefs. Hij zeide maar ronduit: "Ik zal deze verkeering nooit nalaten, al wordt het mij nog zoo veel verbo­den. In dezen zoekt men de loop der natuur zelve te stremmen."
Daar Auberlé bij deze weduwe (zoo als hij zegt dat zij is) veel tijd doorbrengt, en zijne kennis in het praktisch onderwijs niet zocht te vermeer­deren, ontwaart UWEdGestr. dat der koloniale jeugd van Willemsoord, die gedeeltelijk aan hem wordt toevertrouwd, hierdoor geen voordeel wordt aangebragt, maar dat dezelve, indien dit niet verholpen kan worden daarbij schade lijdt.



Woensdag 20 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Visser stuurt de weekstaten.



Donderdag 21 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts dat, zoo gedurende deeze week geen vlas aankomt, wij zal zijn genoodzaakt hetzel­ve hier aantekopen; waartoe ik, ingeval van nood, en de volstrekte behoefte auth. heb verleend, vertrouwende hier mede overeen­kom­stig de intentie der Permanente Kommis­sie te hebben gehandelt.
En eindelijk dat het spinnen van vlas op alle mogelijke wijze wordt vermindert, zoo door meerder wol te doen spinnen, als het breijen van koussen en onderscheidene naai­werk; zullende hier door de meerder aan­koop van linnen noodzakelijk worden.



Vrijdag 22 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Brief van de subcommissie Oudewa­ter met klachten door hun bestedelingen Arie Roe­steen en Janna Hendriks.transcriptie

 

22 februari 1822, Missive aan de Heeren Vlaer en Kol te Utrecht, wegens het verschil van 20/m in het saldo van de negociatie van 200/m, met verzoek om opheldering hieromtrent etc. (= opschrift op uitgaande brief invnr 353)


23 februari 1822

23 februari 1822, Missive aan den Heer Minister van Binnenlandsche Zaken, verzoekende aan haar te willen mededeelen het Besluit des konings van 5 jan jl N10, betrekkelijk de loting. (= opschrift op uitgaande brief invnr 353)


Zondag 24 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Verder heb ik de eer de Permanente Kom­missie te rapporteren dat, de ondermeester Oberlee, aan den onder Direkteur voor zijne post heeft be­dankt, en de kolonie zonder mijn voorkennis heeft verlaten; en dat wel om reden hij zonder de dogter van den kolonist Taatge, in de mijne van 19 dezes no.36 ver­meld, in de kolonie niet kan leven, volgens zijn gezegde.

P.S. Zoo op het moment arriverend de sergt: Vogelsang. vermelding


Uitgaande post invnr 353. Missive door de Permanente Kommissie aan de Heeren Vlaer en Kol te Utrecht, betrekkelijk eene opnieuw te doene negociatie van één ton, en vervolgens van een tweede dito, met toezending ener kopie van het inliggende Koncept Kontrakt door de P.K. met het Gouvernement ter overneming van bedelaars, vondelingen en verlatene kinderen of weezen, met concept-contract. transcriptie.




Maandag 25 februari 1822

Ingekomen post invnr 60. Uit een brief van wijkmeester Stokheimer aan de Permanente Commissie:

Daar ik eerst met mijn vrouw omstreeks en jaar heb gewacht op de door UHoogEdGestr. beloofde post zo ben ik nochthans in 't laatst van october ll. alhier erkend als wijkmeester, waar voor ik UHoogEdGestr. nogmaals dank verschuldigd ben, maar daar entegen mij met reden moet wenden tot UHoog­EdGestr. wijl mij de Direkteur en Chef de Heer W. Visser met geweld wil dwingen om tegen wil en dwang te doen schrijven - of adsisteren bij de boekhouder, waarmede ik niet alleen zoude verminderen in betaling volgens UWHoogEd­Gestr. beloften, maar daar het altoos zitten mij van de gezond­heid berooft en wij mijn gedrag niet verdiend, vermindering of daar­omtrend verandering te ondergaan.

(bijschrift brief: Stokheimer vervangen door P. Vogelzang).



Woensdag 27 februari 1822


Ingekomen post invnr 60. Brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie, die grotendeels gaat over de kwestie Reedijk-Roesteen-Hendriks-Duiker-Bouwman-Van Puffelen, dat gedeelte staat hier.:

Ingekomen post invnr 60. Visser stuurt weekstaten.