Naar het overzicht
van de POST








De POST van SEPTEMBER 1821

Zondag 2 september 1821

Ingekomen post invnr 59. Directeur Visser zegt ƒ4000,- voor komende uitgaven nodig te hebben en dat de ƒ5000,- in de brief van 19 augustus door de 2e as­sessor voldaan zijn.



Maandag 3 september 1821

Ingekomen post invnr 59. Visser meldt de aankomst van een kolonist.



Dinsdag 4 september 1821

Ingekomen post invnr 59. Visser meldt de desertie van een kolonist en een bestedeling, en de aankomst van een gezin.


Ingekomen post invnr 59. Directeur Visser accepteert zeer gevoelig het hem aangeboden Hono­rair Lidmaatschap.



Zaterdag 8 september 1821

Ingekomen post invnr 59. De subcommissie Gouda gaat accoord met het vervangen van het huisgezin van de weduwe Vergeer door een an­der. Ook ver­zoekt de subcommissie gemelde weeduwe Vergeer met haar jongste dogter terugtezen­den (daar het tog van zelve spreekt dat zij zig de persoon van Lohmeyer niet kan aan­trekken waarvoor zijn eigen subkommissie zal dienen te zorgen).

Extract uit de notulen van de Permanente Kommissie van Weldadigheid van den 8 september 1821 art 21:
De Heer Faber van Riemsdijk rapporteert op den brief des burgemeesteren van de stad Ommen 102b dat ZijnEd heeft gehouden met die Heeren eene conferencie waarin bepaald is dat zoodra in het projekt van het kanaal door den landmeter zal zijn gemaakt eene kleine verandering ten aanzien van het punt van vereeniging, de Permanente Kommissie de bepaalde strekking aan Zijne Majesteit zal voordragen. Dat de Heer van Dedem aan de Permanente Kommissie zal inzenden en aan de regering van Ommen zal mededeelen eene petitie omtrent de afvaartgelden, die door de schepen, komende langs het nieuw te graven kanaal in het Dedemsche kanaal betaald zullen moeten worden, en dat de Burgemeesteren van Ommen mede inmiddels aan de Permanente Kommissie zullen inzenden een opgave en afteekening van de gronden, die zij tot complement der gekonditioneerde 600 morgens aan de Maatschappij moeten afstaan. (bevindt zich samen met extract van 28 augustus 1821 bij uitgaande post, invnr 352, zal naar Ommen gestuurd zijn)


Zondag 9 september 1821

Ingekomen post invnr 59. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts heb ik de eer aan de Permanente Kommissie te rapporteren dat op gisteren door de Raad van Politie te Steenwijk, naar de kolonie de Ommerschans is verwezen Tijsje Nieuwenhuis, dogter van den kolonist Nieuwen­huis in kolonie no.2, als hebbende zij in het verleden jaar tot tweemalen de kolonie op eenen clandestinen wijze verlaten, tot eene gevangenis van drie weeken Elisabeth de Haan mede uit kol. no.2 als bevonden te zijn van een onzedelijk gedrag zich te heb­ben schuldig gemaakt om zonder permissie buiten de kolonie te gaan, en eindelijk de kolonist Klaas Visser uit no.1 voor 8 dagen gevangenis, als zijnde hij zoo veel dagen over de bij zijn verlof bepaalden tijd buiten de kolonie geble­ven.
Wijders wordt hier mede ter kennis van de Permanente Kom­missie gebragt dat giste­ren door 2 geregtsdienaren van Zaandam op last van de commiss. van politie de Heer van Everlo Holst in de kolonie zijn terug gebragt, Johannes Machielse en Pieter Pigge, van wiens verwijdering ik de eer had de Perma­nente Kommissie per missive van den 19 ll. no.82 te informeren: dezen waren als misda­digers gebonden en schijnen nog zeer bru­taal; ik heb hun derh. in verzekerde bewaring doen stellen en zal tragten te bewerken dat de Raad van Politie te Steenwijk zoo spoedig mogelijk vergadert ten einde gen. kolonisten naar de Ommerschans worden overgebragt. 59)



Rond 9 september 1821

Directeur Visser stuurt de algemene verant­woording met de bijbeho­rende weekstaten over juli. 59)

Directeur Visser (volgens KL): Hendrik Bruinenberg is uit Steenwijk gehaald (samen met Trijntje Bensonides), had de kolonie clandestien verlaten. Zal naar de OS gerstuurd worden.
Hendrik Bruinenberg (17-05-1809) was met Jekke Bruinenberg (20-11-1814) en Gerrit Bruinenberg (09-09-1819) ingedeeld bij Hendrik Bertels de Vos, die via de subcommissie Steenwijk geplaatst was op 04-06-1821. Bij datzelfde gezin ingeschreven Ernestus Dikkerboom, geboren 22-12-1809 en Antje Dikerboom, geboren 21-03-1812.


Maandag 10 september 1821

Visser zegt 14 diploma's ter uitreiking te heb­ben ontvangen, maar aangezien ze on­derte­kend moeten worden door Johannes van den Bosch te wachten op diens terug­komst. Ook heeft hij niet voldoende medail­les. 59)



Dinsdag 11 september 1821

Uit een brief van de subcommissie Amster­dam aan de Permanente Commissie:

WEBPAGINA
De huisgezinnen welke hier zijn teruggekeerd geven onder tusschen voor dat zij door den Heer Directeur der kolonien, volgens hun zeggen Visser genaamd, met vreselijke vloe­ken, scheldwoorden en verwen­schin­gen zou­den zijn bejegend, dog roemen daar en tegen de vriende­lijkheid en minzaamheid van een onder opziener, die zij menen van den Einde te hebben horen noemen.
Wij hebben gemeent deze bijzonderheid te moeten mededee­len om UWEd., des ver­kie­zende, in de gelegenheid te stellen, door een nader onderzoek te doen blijken dat de be­schuldiging ten laste der Heer Visser, las­tertaal en van alle grond ontbloot is. 59)



Zondag 16 september 1821

Visser vraagt opheldering wat te doen met enkele juist aangekomen personen en meldt dat weer enkele personen naar de Ommer­schans zijn gezonden:
Wijders heb ik de eer de Permanente Kommissie te rapporteren, dat de in mijn boven aangehaalde missive vermelde ?? Johannes Machielse & Pieter Pirre door de Raad van Policie te Steenwijk naar de Ommerschans zijn verweezen en ten gevolge daarvan reeds zijn getransporteerd, en dat de andere daarin genoemden, beide met 3 dagen streng arrest zijn gestraft, als zijnde de eerste, Trijntje Bensonides, niet ten volle bij haar verstand, & de tweede nog zeer jong. 59)


Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Bij deeze heb ik de eer de Permanente Kom­missie te rapporteren dat over eenkomstig de afspraak met de Heer 2 assessor voor des­zelfs vertrek naar Zwitserland, de thans in de kolo­nie gerooid wordende aardappelen, naar Am­sterdam tot verkoop worden gezonden en dat reeds 3000 schepel daarvan zijn geexpe­dieerd, terwijl deze quantiteit zeker tot 14000 zal monteren.

WEBPAGINA
Voorts ontvangt de Permanente Kom­missie hiermede berigt van de aankomst des sergt. van Ootmarsen, geadviseerd bij haar missive van den 1e dezer no.86/9/8 en is door mij geplaatst als wijk­meester in kol. no.4 en bewoond een der tot dat einde gebouwde woningen, voor als nog zonder nummer. De sergeant Ootmarsen zegt mij dat voor hem geen soldij bij zijn korps wordt goedgedaan, zoals dat bij anderen in activiteiten bij de Maatschappij overgeplaatste onderoffi­cieren plaats heeft; het is ten gevolge van dien dat ik de vrijheid neem de Permanente Kommis­sie te verzoeken mij te willen informeren hoeveel en op welke wijze ik hem boven zijn verdiensten als wijkmees­ter kan uitbetalen, bedragende zijn traktement als sergt. 4.50 s weeks.
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Personen/Ootmarsen.html

Het schoolgebouw in kol. no.4, zo wel als de spinzaal aldaar tot het gebruik gereed zijnde, heb ik de eer aan de attentie der Per­ma­nente Kommissie te adresseren de nood­zakelijkheid om in bijde de geschiktste onder­wijzer aan te stellen. 59)


Brief van directeur Visser aan de Permanen­te Commissie:

Nevensgaand stuk mij door ZHEdGestr. de Heer 2e Adsessor ter hand gesteld zijnde ten einde zo mogelijk de nodige informatien aan­gaande den supliant in te winnen; zo heb ik mij bij missive van den 3 dezer no.94 aan den Heer Gezelschap, secretaris der sub­kommissie te Doesborgh ten voornoemde einde geadres­seert en van zijn Zijn WelEd­Gestr. het an­dwoord bekomen, waar van ik de eer heb copie her mede in te sluiten.

Bijgevoegd:

Doesborgh den 12 septemb. 1821

Daar ik niemand in deze stad heb kunnen opsporen die informatie konde geven, opzich­tens de persoon waarover UEd zich in der­zelver missive van den 3 dezer no.94 adres­seerde, zo heb ik heden te Zut­phen zijnde, mijn werk daarvan gemaakte en ben dan ook door een vriend aldaar onder secretessen zo veel te weten gekomen, dat ik mij ontgemoe­de verplicht reken UEd te moeten melden dat het geen zaak voor de Permanente Commis­sie zal wezen zich met den Heer die zo men wel heefd, eenen anderen naam voert, als den opgegevene, in te laten.

De secretaris der subkommissie van Welda­digheid te Doesborgh

Verder bijgevoegd, handschrift Johannes vd Bosch:

De Heer Direkteur opdragen na deze man de vereischte informatien in te winnen en die te bedeelen aan de Kommissie. Zo deze man ge­schikt bevonden word zal het nodig zijn om Prins Frederik te informe­ren dat er op dit ogenblik geen gelegenheid bestaat om een officier te plaatsen, maar dat de Kommissie bij verdere uitbreiding in het vervolg op deze man bedacht zal zijn. Mogt dezelve echter niet alle vereisch­ten bezitten dan zal het nodig zijn de Prins daar van te informeren met kennis geving dat zijne plaatsing verhin­dert. 59)

Uit het bijschrift blijkt dat het gaat om ene G.C. Holl uit Hengelo, die bij Prins Frederik een sollicitatie had ingezonden.



Maandag 17 september 1821

Uit het brievenboek:

Direkteur W. Visser. Zal omtrent M.L.Rolland en de wede Vergeer, aan het verlangen der P.K. voldoen. Vraagt spoedige informatie omtrent Lomeyer met de mededeeling van zijn gevoelen hieromtrent. Berigt dat met oct. 25 hoeven zullen gereed zijn. Omtrent de Lapland­sche knol­raap, ofschoon aan ZE niet bekend, den Heer Siccema te zullen antwoor­den. En de geringe prijs van te Amsterdam verkochte aardap­pelen; voorstellende voor­alsnog geene meer te zenden. 19)


Brief van Johannes vd Bosch aan Stephanus van Royen:

De Heer van Riemsdijk mijn waarde vriend, was van gevoelen dat de ver­bondlen(?) is aan anderen en de boedel van Scheltema ons niet kan helpen om dat niemand zich verbinden kan tot iets strijdig met de wet. Ik ben met u intus­schen van gevoelen dat wij eene orde(?) van de zaak moeten maken. Daar toe schijnt het mij dienstig dat een der erfgenamen de boedel ten spoedigste moet aanvaarden al zou dit ons ook een paar dui­zend guldens kosten. Want kan daar toe de Kommis­sie opgedra­gen wor­den zoo als wij zijn afgesproken. Thans heb ik het zeer druk, maar zondag hoop ik u over een en ander nader te spreken.
Van harte wensche wij het beste aan Mevrouw en blijven na hartelijke groeten

TT
VdBosch 352



Dinsdag 18 september 1821

Uit een brief van de subcommissie Hoorn aan de Permanente Com­missie:

Heeft met verwondering uit dien staat gezien, dat zij als nog bekend staat, als een restant van vorig dienstjaar, ten somma van ƒ1968:80 te hebben erkend, en dat zij dus nog zoude moeten verantwoorden eene tota­le somma van ƒ2377:40.
Met inhaesie van alle de bereids over deze zaak geschrevene missives van hare zijde, vermeend de subkommissie voor­noemd, niets anders te kunnen noch te moe­ten doen, dan de Permanente Kommis­sie te weijzen(?), op de verklaring door deze afge­legd, op den staat der ontvang­sten van het dienstjaar 1819-1820 alwaar voorkomt dat het disponibel ge­stelde saldo over dat jaar op den 23 juny geremitteerd is; en bij dezen, van vernieuwde aanbieding van het saldo over 1820-1821 ter somma van ƒ349:20 (waarover van wege de Permanente Kom­mis­sie nog niet is gedispo­neerd) zich te ver­zetten en te protesteren, tegen alle vermel­dingen op officiele staten of andere wijzen vanwege de Permanente Kom­missie gesteld of gedaan, of in het vervolg gesteld of ge­daan zullende worden; daar het evident con­steerd en vanzelve spreekt dat door de ver­klaring van de Perma­nente Kommissie door komende op den staat van ontvangst dienst 1819-1820, houdende dat als toen (1 april 1820) erkende saldo van ƒ1968:80 op den 23 juny 1820 is geremitteerd, zulks de subkom­missie voornoemd strekt tot decharge en hevi(?)tantie, over dat jaar, zonder voor de meergemelde somma van ƒ1968:80 op een­igshande wijze aansprakelijk te are­lep(?)zijn.
Alleen de wijze waarop de Permanente Kommissie op den staat der ontvangsten, dienst 1820-1821 zich ten opzigte van deze subkommissie heeft uitgelaten, heeft deze tegenwoordige maatregel van de laatste ge­provoceerd, daar dezelve anders, zonder zich verder achttelaten, zeer gerust de maatre­gelen, welke vanwege de Permanen­te Kom­missie tot justificatie van haar verkeerde sus­tenuen in deze, misschien zullen worden in het werk gesteld, zoude hebben afgewagt, en dezelve voor minder gewenst tegemoet ziet.
De subkommissie verklaart dus de sta­ten van ontvangst over het dienstjaar van 1820-1821, voor zoo verre hare aanbelangt, niet te erkennen hoe haar te nemen (alleen dezelve om des vragten en transportkosten wille terug te houden) en ingenendele dezel­ven te zullen verzenden naar, noch kenbaar­maken aan de overige subkom­missies onder haare ressorte­rende. 59)



Woensdag 19 september 1821

Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

... wijders haar te informeeren dat de kolonist Hendrik Jan Suer, welke op den 9 dezer hier is aangekomen, den 16 daar aanvolgende de kolonien op eene clandestiene wijze heeft verlaten; volgens zijn eigen getuigenis is hij een man die een aanzienelijk vermogen, door eene liederlijke levenswijze heeft verteerd; hij verzogt mij bij zijne aankomst bij een boek­houder werkzaam te mogen worden, daarop naar Willem­soord, om ingedeeld te worden bij den huisverzorger Ebert, en bij den boekhou­der te schrijven, dan deze klaagde mij, toen in zelf te Willem­soord kwam, dat Suer tot niets in staat was. dat hem eenige hulp kon aanbren­gen; ik zeide dus aan Suer dat hij op het veld zijn bestaan moest vinden zoo als alle kolonis­ten; van dien tijd af, heeft hij zich onbetaamelij­ke uitdrukkingen veroorloofd; en zich leeren kennen zoo als hij is, namelijk een slegt sujet; ik hoop hem niet weder in de kolonie te zien; als dit egter gebeurd, zal ik hem naar de Ommerschans tragten overte­brengen. 59)



Donderdag 20 september 1821

Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Het is voor mij onverklaarbaar waarom UWE de belofte om bestendig bij elke traitte van den Heer 2. assessor zodadelijk te rembour­seren niet voldoet. Ik vinde mij verpligt UWE te moeten melden, dat ik voort­aan geene zood­anige traittes noch accepteren, noch voldoen zal, zonder rembours in handen te hebben. 59)



Zaterdag 22 september 1821

Visser stuurt de verantwoording over oktober 1820. 59)



Zondag 23 september 1821

Directeur Visser geeft op voor komende uit­gaven ƒ3000,- nodig te hebben. 59)


Brief van directeur Visser aan de Permanen­te Commissie:

In antwoord op de missive der Permanente Kommissie van den 20 dezer no. 56/9 heb ik de eer te rescriberen WEBPAGINA voor eerst-aangaande de sergt. Ootmarsen dat hij van het niet ont­van­gen van tractement bij zijn korps geen ander reden weet te geven dan dat zijn chef hem dit heeft gezegd, welke er bij hadt ge­voegd dat hij sergt. slegts voor memorie bij de afdeling wordt gevoerd. Voorts dat de woning door dezen wijkmees­ter betrokken, niet is genummerd, zijnde dit een daartoe expres ge­bouwd huisje tusschen de anderen, zoo als zulks nog geen plaats heeft bij alle diergelijke woningen welke in de loop van deze zomer zijn gebouwd en nu door wijk­meesters bewoond, welke zo voren in gewo­ne kolonisten huizen waren gevestigd.
Ik neem met onderwerping aan het beter oordeel der Perma­nente Kommissie de vrij­heid haar voor te stellen, de bewuste huizen het no. te geven van het naast aanstaande, met bij­voeging van den letter B of iets derge­lijks.
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Personen/Ootmarsen.html

Verder dat ik van den Heer van Swinde­ren niet s aangaande een ondermeester heb vernomen.
En eindelijk dat de ondermeester Ober­loo een verlof voor 14 dagen van mij hadt bekoom­en, zijnde dit verlof hem volgens zeggen van de meester van Wolda, die ik daar over alvo­rens het te accordee­ren heb geconsulteerd, door zijn HoogEdelGestr. den Heer 2 Adsessor beloofd. 59)



Maandag 24 september 1821

Directeur Visser, invnr 59, meldt dat de bouw van een schapenhok in kolonie 7 ƒ318,- gaat kosten en dat Oosterloo wil weten hoeveel hoeven er dit jaar nog moeten worden gebouwd. Ook stuurt hij een brief van Van Wolda, waarin deze zegt dat in overleg met Johannes vd Bosch al twee ondermeesters waren aange­nomen, Jakob Mulder uit Groningen en Harm Abels Zwarts. Tenslotte een brief van gewe­zen kolonist Simon Muze:

Bijgevoegde brief van Simon Muze aan zijn voormalige huisverzorgers Dirk Wiemes en Elisabeth Smies.transcriptie


Uit een brief van Prins Frederik aan de Per­manente Commissie:

Daar de ingewonnen berigten omtrent de persoon van den Heer C.C. Holl niet gunstig zijn, zal hij ook niet in aanmerking kunnen komen om door de Maatschappij geemploy­eerd te worden; doch daar deze Heer Holl mij door den Minister Falck en wel gedeeltelijk op last van den Koning, aan mij is geadvi­seerd gewor­den en zoo te zeggen aanbevo­len, zou ik gaarne wel iets naders over dien persoon vernemen, en omstandiger met de omtrent hem ingewonnene informatien be­kend worden. 59)



Dinsdag 25 september 1821

Brief van de Permanente Commissie aan de subcommissie Hoorn:

Wij hebben wel ontvangen UWE missive van 18 dezer, waarbij wordt geaccu­seerd de re­ceptie der staten van ontvangst en uitgave over het M. jaar 1821 voor UWelEds de kom­missie onder 2 uw ressort bestemt, doch door u op grond van uwe sustenue nopens het openstaande saldo van dienst 1819-1820 ƒ1968.80, daarin aangeduid, geweigerd de repartitie van gemelde staten over uwe arron­dissements-subkommis­sien te doen. Wij zul­len deze weigering thans in hare echte waar­de niet taxeren, maar UWEd alleen herinne­ren, dat het tot de administratie der arrondis­sements-sub­komissiën wel degelijk behoort de stukken, van wege het Hoofdbestuur toe­gezonden an de onderhorige subkommn te verzenden, en daar­aan geene attesint(?) toetebrengen, uit hoofde van een partikulier sustenue, tusschen haar en de P.K. questi­ons(?). Wij verwachten dus alsnog, de prompte verzending der gemelde stukken van UWEd te vernemen, of dat, indien UWEd zulks vol­strekt niet verkiezen mogt te doen, het paket aan ons ONDERSTREPINGper scheepsgelegend­heidEINDEONDERSTREPING zonder verder verwijl zal worden geretour­neerd.
Wat de questie over den post van het dienstjaar 1819-1820 betreft, deze zal door den regter moeten worden gedecideerd; wij zullen dus daar­over niet verder uitweiden.
Reeds vroeger is aan den kassier order gegeven, om over het disponibel gesteld saldo voor dienst 1820-21 ƒ349.20 te dispo­neren. Wij zullen ZijnEd uit nader herinneren, ten einde , ongeprejudicieerd van der suste­nue, deze penn. voor het Maatsch. fonds te nemen. 352
sustenu = punt, bewering

Donderdag 27 september 1821

Brief van de subcommissie Leiden aan de Permanente Commissie:

De vrouw van Cornelis van Nieuwenhoven, dezen zomer, met haren man en kinderen, uit Leyden naar de koloniën der Maatschappij ver­trokken, en in de kolonie N4 geplaatst, plagt alhier, in den slagttijd, gedurende een week of zes, bij een varkensslager het werk van scheel­ster te verrigten. Gaarne had de slager weder­om voor dezen dienst, en zij zelve kwam er niet minder gaarne voor over. Op beider aan­drang, vervoegen wij ons alzoo tot UWEd. met het verzoek, dat, door UWEds. tusschenkomst, indien er geene bedenkingen tegen zijn, aan de vrouw van Cornelis van Nieuwenhoven, in kolonie N4, tegen november een verlof van anderhalve maand moge gegeven worden, om te Leyden als scheelster te gaan dienen gedu­rende de slagttijd. Eenig antwoord hierop zal ons aan­genaam wezen. 59)

schelen = het vet van de darmen afschrapen
In het verzoek was al toegestemd.


Directeur Visser meldt dat er opnieuw twee jongens vertrokken zijn uit de kolonie en dat het gezin van de reeds vertrokken kolonist Been uit Rotterdam zich nog steeds in de kolonie bevind, terwijl de vervanging reeds gezonden is. Bijgevoegd zijn een verlofpas van het gezin Been en een brief van onderdi­recteur Bersma uit Willemsoord:

Maandag 17 dezer zoo als ik UWelEdGestr. gezegd heb, zijn er twee jongens uit deze kolonie weggegaan, de een Klaas van den Berg oud 15 jaar van Steenwijk bij de huis­verzorger Ragius, de ander Evert Koelman oud 11 jaar van Rotterdam bij de huisver­zorgster de wed. Molen. ik heb ze doen na­sporen en berigt ontvangen,dat zij de Kuinre, Blankenham en Blokzijl gepasseerd zijn. Klaas van den Berg heeft voordat hij in de kolonie was, den bedelstaf gedragen en heeft zoo als mij berigt is, dit werk weer opgevat. Hij is in den gan­schen omtrek kundig, en zal alles afloopen en is dus slecht te zoeken. De schout van Kuinre, het bestuur van Blokzijl hebben er kennis van en zullen ze zeker aanhouden wanneer ze daar komen. Den Heer Tuttel te Steen­wijk heb ik er heden nog over gesproken, die dacht als hij liever bedel­de moest men hem maar laten loopen. Zij zouden ons wel een ander in de plaats zen­den; doch hij was het wel met mij eens toen ik sprak, dat de Ommerschans eene goede plaats voor hem zou zijn. Om de jon­gens te zoeken zoude men iemand moeten last ge­ven, om te loopen tot dat hij ze gevonden had. 59)



Vrijdag 28 september 1821

Directeur Visser bericht over de indeling van een gezin, strengen garen en denkt voor de komende tijd ƒ2000,- nodig te hebben. 59)


Uit een brief van de Permanente Commissie aan Prins Frederik:

4. Dat de bezoldigingen der geemployeerden, zoo bij het Bureau alhier, als in de kolonien, zijn geregeld op deze volgenden voet:

Bij het Bureau in 's Hage
Tweede sekretaris [doch waaronder tevens begrepen is deszelfs defrayering als redak­teur van de Star, waarvan het rendement deze som nog altoos heeft te boven gegaan]
ƒ 2000:-
De boekhouder    -  600:-
De eerste kommies    -  600:-
Tweede dito    -  480:-
De boode    -  200:-

In de koloniën
De algemeene Direkteur    ƒ 2500:-
De Onderdirekteurs in iedere kolonie, voort­aan zamengesteld uit 150 woningen, dus ieder over 150 huisgezinnen    -  400:-
De wijkmeester, ieder over
25 huisgezinnen    's weeks ƒ 4:-

N.B. Deze allen hebben een vrije woning

De opperboekhouder    -  500:-
De boekhouder in iedere kolonie, dus over
150 huisgezinnen    's weeks ƒ 7:-
De opperschoolmeester    -  300:-
De ondermeesters, twee voor elke 150 gezin­nen,
waarvan    1    's weeks ƒ 3.50
1    3.00

De Direkteur van den
fabriekmatigen arbeid    - 1000:-
De meesterknechts voor dien arbeid, elk
over 150 gezinnen    's weeks ƒ 7:-
De magazijnmeester    's weeks ƒ 4:-

Nog zijn er twee Adjunkt-Direkteurs, sedert de grootere uitbreiding der koloniën aange­steld, als
1 voor den landbouwkundige arbeid, speciaal belast met het toezigt over de nieuwe grond­ontginningen op    -  800:-
1 belast met de administratie en huishoudel. inrigtingen in de nieuwe koloniën, toezigt over deze objekten in de onder koloniën, op het beheer van 't administratieve gedeelte van de fabrieken en het maga­zijn op    -  900:-

Voorts dient opgemerkt, dat al de traktemen­ten van onderdirekteurs, wijk­meesters, kolo­nie-boekhouders, ondermeesters en meester­knechts, gevon­den worden uit het administra­tie-fonds der kolonie, waartoe zij behooren. 352

defayer (Fr.) = vrijhouden



Zaterdag 29 september 1821

G.S. van der Muelen uit Maarsenbroek heeft de koloniën bezocht en heeft veel lof over de inrichting. Een enkele opmerking is mij bij het bezichtigen der verschillende  kolonien voor de aandacht gekomen, en geen bedilzucht, maar zucht voor de goede zaak doet mij besluiten UEd die mede te deelen.
Met genoegen zag ik, dat men in de volgende kolonien bezig was het houtwerk te teeren, 't geen in Frederiks-Oord scheen ver­zuimd geweest te zijn. Was het soms ook beter, dat dit onder de aanneming bij het bouwen gegrepen was?
In zeer vele woningen bemerkte ik, dat er tusschen de kosijnen en het muurwerk, en vooral tusschen de balken en het metselwerk reten ontstaan waren, kan hierin niet voorzien worden? want dit moet in den winter veel koude voor de bewoners veroorzaken, en is zeer nadeelig voor het houtwerk, daar het ligt inwatert.
Dat de einden der balken aan de buiten­lucht blootgesteld zijn komt mij voor de lang­durige stevigheid der huizen (een zaak van groot belang voor de Maatschappij) niet dien­stig voor, Kan hierin ook door eene verande­ring in het bouwen voorzien worden? Of in­dien er geen steen kan voortgebragt worden, zoude de kosten dan te hoog lopen indien de einden der balkjes met dun zink bekleed werden? 59)





Zondag 30 september 1821

Brief van directeur Visser aan de Permanen­te Commissie 30 september 1821, invnr 59:

WEBPAGINA
Vond ik mij in der tijd verpligt de Permanente Kommissie van het voorgevallen tusschen de wijkm: Koppe en den kolonist Kniesenberg in kolonie no.3 te berigten, thans moet ik het volgende ter harer kennis brengen: voor eerst dat die zaak tusschen den wijkm: Koppe en Knie­senberg nog niet geeindigt zijnde, het­geen voor een civiele regter moest geschie­den, wederom rijst door denzelfden kolonist bij de wijkm: is ontvangen, waar aan het behoorlijk gewigt ontbrak; op bekomen rap­port daarvan, beschouwde ik de wijkm: als zich schuldig aan kneve­larij te maken, en ging naar Willemsoord; dan hier bevond ik dat de rijst welk per pond betaald wordt, niet gewogen  maar gemeten wierdt, en dat wel met een kopje wiens inhoud een gedeelte van een pond moest bevatten; is nu de rijst uit deszelfs aard ligt, dan spreekt het van zelfs dat vijf zulke kopjes geen pond kunnen inhouden; en dit hadt juist plaats; de rijst was in substantie veel ligter dan anders; dit plijt dus zeer voor de zijde des wijkmees­ters. Bij dit onderzoek was de wijkm: niet tegenwoor­dig, maar komt de volgende dag bij mij te Frederiksoord over de zaak spreeken; ik zeg hem dat, terwijl dit nu twee malen was voor­gekomen hij de opinie tegen hadt, waarop hij zich driftig maakt en van onderscheidene onbetamelijke uitdrukkingen bedient: op dit mo­ment komt de Heer adj. Dir. Drijber bij mij, met wien ik over de zaak spreek en zeg, dat ik mij verpligt gevoel dit mede ter kennis van de Perm. Kommissie te brengen, en dat naar mijne gedagten de wijkm: uit de kolonie be­hoort te worden verwijdert; hier op vermeer­dert 's wijkm: drift en vergeet zich geheel aan de adj. dir., hem ingewikkelde beschul­digin­gen en verwijten doende, waarop ik hem van zijn post suspen­deerde, tot dat daarop door de Perma­nente Kommissie zoude zijn beslist; en zond de adj. Direkteur naar kol. no.3 ten einde den ond. Dir. hier van te verwittegen en order in de wijk te stellen: nauwelijks was de Heer Drijber te Willemsoord aangekomen, of de vrouw van de wijkm: komt bitter schrij­ende bij hem, en hijzelf verzocht de adj. Dir. te spre­ken, het geen de Heer Drijber uit vrees voor minder ongeregeldheid niet toe­stond; ook is den vrouw bij mij gekomen en schrijende om vergeving voor haar man ge­vraagt, terwijl zij in dezes met hare kinde­ren zal moeten bedelen: neem ik hierbij in aan­merking, dat hij anders een niet ongeschikt wijkm: is, voel ik mij gedrongen te bekennen dat eene gedugte les door de P.K. zelve, of door den Heer 2e adsessor bij Z.H.Ed.Gest. retour aan hem gegeven, aan mij reeds vol­doening zoude verschaffen. Zoo wel egter ik mij verplicht vond dit ter kennis van de Per­manente Kommissie te brengen, onderwerp ik de geheel zaak ook aan haar beter oor­deel. Ik heb intusschen last gegeven, om die kopjes dadelijk door behoorlijke schalen en gewigten te doen vervangen.
Een geval niet minder onaangenaam heeft plaats in kol. no.2 met den wijkm: Kop­pens. Deze word door mij lang verdagt ge­houden als zich schuldig te maken aan het misbruiken van sterken drank, daar bij kwam men mij berigten dat de wijkm: op deze te vrijer wet zoude leven, met de vrouw van den kolonist Olij. Ik gaf daar op last aan den ond. Dir. Bosma, deeze fout zoo die tegen alle verwagting mogt be­staan, nader te ontdek­ken; en wat gebeurd is? Eenige dagen daar na wordt de wijkm: en de verdagte vrouw te zamen met een flesje waarin jenever en een glaasje tusschen bijde, door de onder dir. zelve in het huis van den kolonist gevonden. Ook dien wijkmeester heb ik buiten dienst gesteld, tot dat ik de intentie der P.K. dien­aangaande zal heb­ben vernomen. Tot verde­re informatie is in deeze nog dienen­de, dat ik de vrouw, zeer bedaard, in tegen­woordigheid haars mans; over het gebeurde heb gespro­ken, en ik moet bekennen, dat ik nog veel moeite heb te geloven, dat zij op een meer schandelijke wijze met de wijkm: zoude heb­ben omgegaan dat te permitteren dat hij in haar huis jenever dronk; en dit te weigeren, is een sterkte niet wel bij de vrouw van eene kolonist te veronderstellen. De wijkmeester heeft niet dan zeer onvol­doende ontschuldi­gingen voor zich zelf; onder andere dat hij een militair is, nimmer dronken voor zijn troep stond, en in de kolonie nooit buiten staat zijn werk behoorlijk te verrigten enz. Hij bezigt ook nog de uitdrukking, als hij van de kolonie moet, de onderDir. Bosma, niet daar zoude blijven: ik veronderstel dat hij hier mede eene oneerlijk­heid aan de zijde van Bosma bedoelt; welke suspicie reeds lang op de laatste ligt; ik heb dit egter nog niet nader onderzogt, en zal het tot de terug­komst van den Heer 2e adsessor uitstellen: het zal mij intusschen aangenaam zijn verder te mogen worden geinformeerd, hoedanig mij in deeze beide gevallen te gedra­gen. 59)

Rode Kloosterhuis: Olij, op 12-6-1820 ge­plaatst in Frederiksoord II. Zijn vrouw heet Aagje Schramma (1783-1856). Het gezin was afkom­stig uit Alkmaar en had 8 kinderen, waarvan een aantal in de kolonie bleef.

Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Kommissie:

Verder is dienende tot opheldering aangaan­de het verlof des onder­meesters Auberlee dat, de onderwijzer Wolda dit verlof voor hem gevraagt en verkregen heeft, dat hij niet voor 's morgens 8 of 9 uren zoude vertrekken, niet wetende of het verlof al of niet zoude worden gegeven; terwijl Auberlee, vreezende dat het hem mogt worden gewei­gert, reeds ten twee uren is vertrokken: zoo dat de onderm: zon­der verlof bekomen te hebben is vertrokken, hoewel het zelven door mij was toegestaan. De tijd van dit verlof nu egter verstreken zijnde, zonder dat de onderm: in de kolonie is terug gekeerd, wenschte ik gaarne te worden geinformeerd hoedanig mij bij zijn retour te gedra­gen.
Eindelijk breng ik door dezen ter kennis van de Permanente Kommissie, dat door de sints 14 dagen, bijna onophoudelijke regen, de noodzakelijke veldwerkzaamheden in kolonien no.1 en 2, als het roijen van aardap­pelen, ploegen en bemesten der gronden voor en het zaaijen van winterkoren, niet zodanige voort­gang kunnen hebben, als den aard der dingen zouden vorderen; als mede dat een groot gedeelte der gemaaid staande haver en boek­weit in kol. no.1 en 4 gevaarlo­pen van schade te lijden. Zullende evenwel geen middel onbe­proefd blijven om wezentlij­ke nadelen voorteko­men.

Bijgevoegd, brief aan Faber van Riemsdijk:

WelEdele Heer!
Daar de jonge Auberlé van zijn onbehoorlijk gedrag, waaraan hij zich door het vertrek van Frederiksoord zonder verlof heeft schuldig ge­maakt, schoon door ouderliefde en zucht naar het ouderlijk huis ont­staan, billijk berouw heeft, en blijkens den brief, door hem van de onder­wijzer van Wolda ontvangen, door den­zelven schijnt terug ver­langd te worden, neem ik de vrijheid zijne voorspraak bij UH­WE te zijn ter verkrijgen van gunstige ver­schoning en van vernieuwd verlof om zich - onder belofte van zich nimmer weder aan de begane verkeerd­heid te zullen schuldig ma­ken - weder naar de door hem verlaten post te begeven.
UHWE menschlievende toegevendheid zal, vertrouw ik, voor hem willen doen, wat mogelijk is, terwijl ik, in hoop op een gunstig berigt, de eer heb met hoogachting te zijn
WelEdele Heer!
UHWelEd. bereidw. dienr
J. Schultz
V.H. 26 sept. 1821 59)