Naar het overzicht
van de POST







De POST van JUNI 1821

Vrijdag 1 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie:

Frederiksoord den 1 juny 1821

WelEdele Heeren!
De noodzakelijkheid door de Permanente Kommissie erkent zijnde voor zo wel te belo­nen als te bestraffen, stel ik voor nevens­gaand concept besluit wegens het uitdeelen der medailles en blijf met hoogachting

UWelEd DWDienaar

J. van den Bosch

Concept besluit

De Permanente Kommissie overwegende de noodzakelijkheid om zodanige kolonisten die door hun gedrag daar op aanspraak gekre­gen hebben, de voor hun bestemde medaille uit te doen deelen, heeft besloten gelijk de­zelve besluit bij deze,
De Heer fungerend Direkteur zal aan de Permanente Kommis­sie met overleg van de 2e assessor voordragen zoodanige kolonisten die aanspraak op het verkrijgen der medailles verkregen hebben met aanwijzing der gron­den voor ieder in het bijzonder.
Het uitdeelen der gouden medaille zal vergezeld gaan van een geschenk van ƒ11-, die der zilveren van een van ƒ5- en die der kope­ren van ƒ2.10-, welk geschenk jarelijks van wegen de Maatschappij op de 1 januarij zal worden herhaald, zoo lang iemand de hem overlegde medaille behoud. Zullende ove­rigens aan het verkrijgen der medaille verbonden zijn de voordeelen bij het regle­ment bepaald.
Iemand die zoo een medaille verkregen en naderhand nog een hogere wordt toege­kend erlangd de voordeelen aan bijde ver­bonden.
De uitdeeling der medailles zal vergezeld gaan van een diplo­ma met het wapen der Maatschappij voorzien en door de drie leden der Kommissie getekend van de volgende inhoud.

De Permanente Kommissie van Weldadigheid zullende belonen het * van (naam), kolonist in de kolonie (   ), verleent hem bij deze de (naam van de medaille) medaille, met alle de voorrechten daar aan verbon­den.

Aldus gedaan te S Hage de ...
.........
Naam der leden van de Per­manente Kom­missie

J. van den Bosch

* ex. 3 plaat open laten om in te vullen het goed gedrag, en nijverheid of spaarzaam­heid.

Voorstel tot benoemingen

Nog heb ik de eer aan de Permanente Kom­missie voor te stellen
1. de benoeming van den Heer funge­rend Direkteur tot Direk­teur effectif met het daar toe staand traktement (1)
2. De benoeming van de Heer D.L. Leenders tot Adjunkt Direkteur van de 2de klasse, om belast te worden met de direktie aan de Ommerschans, (1)
3. te benoemen tot Adjunkt Direkteur van de derde klasse Drijber, thans als Direk­teur fungerend in Willemsoord (1)
4. en in plaats van deze tot onderdirek­teur van Willemsoord Meine Bersma (1)

J. van den Bosch

(1) De Heer Visser is een uitmuntend suject die alle eigenschappen in zich verenigd wel­ke van een goed Direkteur kunnen worden verlangd.

(1) Het request van de Heer Leenders gaat hier nevens. Na ingewon­nen informatien is hij een zeer geschikt suject. Zo de Kommissie echter concludeert zal hij moeten worden aangevraagd. De administratie is hoogst ge­wig­tig geworden aan de Ommerschans daar er thans 50 hoevens voor rekening van de Maat­schappij bezaaid zijn.

(1) Deze benoeming is noodzakelijk om hem de Direktie optedragen voor de nieuw aante­leggene koloniën van dit jaar. Hier toe beho­ren thans de toebereidselen gemaakt te wor­den als het onkostbaarste middel van onze kolonisten onderhoud te verschaffen.

(1) Uitmuntend suject, thans schoolmeester te Steenwijkerwold.

Nog stel ik voor om bij de kolonie Willems­oord die thans uit twee(?) hunsen(?) bestaat te voegen de beide wijken van kolonie N6 zodat hier door de kolonie tot 150 huisjes gebragt worde. Met de tegenwoordige uitrus­ting kan een onderdirekteur gevoegelijk ?5'0 huisgezin­nen admi­nistreren, althans zo de buitenwijken van goede wijkmeesters voor­zien zijn. Uit dien hoofde stel ik voor in iede­re kolonie 2 wijk­meesters van de eerste klas­se te benoemen en deze twee guldens elk toeteleg­gen en 4 gewone wijkmeesters op het gewone trakte­ment. Ook bij de kolonie N2 zal dezelfde wijze kunnen gevoegd wor­den voor de 70 hoevens nieuw aangelegd. Hier door zullen dan vier hoofd gebouwen, althans 3 zeker, een onderdi­rekteur boekhou­der elk uitgewonnen zijn. Alles hangd echter geheel af van de bekwaamheid der wijkmees­ters en daar om moeten wij enige derzelve toch be­ter betalen om dezelve aante­moedi­gen en geschikte sujecten te kunnen beko­men. Die in N3 zijn thans excellent, die van N1 en 2 niets waardig en meestal nog grote­re dronk­aards dan de kolonisten. Nevens­gaand con­cept besluit heb ik de eer hier ne­vens te proponeren.

De Permanente Kommissie overwegende dat er geene toerijkende gronden bestaan om eene kolonie juist bepaaldelijk uit 100 hoe­vens te doen bestaan, terwijl de koloniale(?) omstan­digheden hier in verande­ring kunnen nodig maken, overwegen­de echter dat na mate eene administratie meer uitgestrekt is het voor de onderdirekteurs der kolonien belangrijker word door bekwame wijkmees­ters ondersteund te worden en uit dien hoof­de de evalatie(?) bij deze zo veel mogelijk moet worden opgewekt, heeft besloten gelijk dezelve besluit bij deze,
1. de reeds bestaande kolonien zullen met een getal van hunne huizen worden ver­groot na mate de omstandigheden. De Heer Direk­teur zal daar toe de vereischte voor­dragten doen.
2. Nieuw aanteleggen kolonien zullen uit een getal van hoe­vens bestaan bij een lo­pend besluit te regelen.
3. De wijkmeesters in eene kolonie zul­len bestaan uit wijk­meesters 1e klasse en gewone wijkmeesters. De eerste zijn bestemd om de direktie te voeren in de afgelegene wijken en zullen ƒ2- genieten boven en be­halven het gewoon traktement aan wijkmees­ters toege­legd.
4. Eerlang eene kolonie niet groter is als 100 huisjes zullen daar in geen wijkmeesters van de eerste klasse geplaatst worden.

J. van den Bosch 57)



Zaterdag 2 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie:

Frederiksoord den 2 juny 1821

WelEdele Heeren!
Ik heb bij drie onderscheidene gelegenheden over ƒ7000- bij de kassier gedisponeerd. Vier duizend guldens heb ik reeds vroeger gean­non­cieerd, voor ƒ3000- op gisteren. De eer­ste twee duizend guldens hiervan moeten strekken tot het voorkomen van een totaal geldgebrek. De tweede ter aankoop van schapen en ossen. De derde op gisteren mede uit hoofde van geldgebrek, daar er geen mandaten waren aange­komen. De 5/m vroeger gezonden heb dat (geldgebrek) niet kunnen voorkomen, daar er nu aanzienelijke achterstanden te betalen zijn. Ik ben met de Heer Visser overeengeko­men dat er een wekelijksche begroting van benodigde fond­sen aan de Kommissie zal worden ingezon­den, ten einde men voor uit het benodigde kennen kan. Het krediet en welzijn van de Maatschappij zouden vorderen dat men hier presto aan onze engagementen voldoen kon.
Ten aanzien der uitgaven moet ik aan merken dat hoe zeer het fonds van gedane veldarbeid in alle kolonien overschreden is, niettemin de gezamentlijke uitgaven blijven beneden het geakkordeer­de. De weekstaat der Ommerschans inzonderheid kan doen zien dat met de vereischte zuinigheid eene kolonie voor het beraamde kan aangelegd worden. Daar toch is de grond moeijelijk te bearbeiden ge­weest en het dagloon hoger dan men hier betaald. Veel echter schiet er ook bij alle oplettendheid niet over van de geaccordeerde sommen en zo komt het om dat daar in eene nodige aansporing tot zui­nigheid voor de geem­ployeerden in moet gelegen zijn.
Met de administratie, inzonderheid met die der kleding ziet het er hier nog slecht uit, er zijn niet eens behoorlijke aantekeningen ge­houden van de goederen uit den Haag gezon­den. Enige fakturen worden vermist. Het zal derhalve nodig zijn zo spoedig moge­lijk een exacte opgave naar herwaarts te zenden van al het geene uit den Haag is gezonden. Het onmogelijke word gedaan om alles op een goede voet te brengen, maar dat vordert veel tijd en arbeid. Onder­steund echter, zoals ik het thans ben, hoop ik dat oogmerk te bereiken.
Ook de rekening van ieder man in het bijzonder was niet aangehouden, even min als de livrette, waarin het gebragt was de wekelijke verdiensten en verschoning, waar uit de schuld. Eene admini­stratie altijd te achter maakt moedeloos en leid tot verwar­ring.
Wat het voorstel van de burgemeester van Dort betreft ten aanzien van het fatsoe­nelijk huisgezin, wij hebben op die manier reeds eene de Bas van de Holst om de kost te ge­ven, die het zout dat zij gebruiken niet verdie­nen. Intusschen zal men wel iets moe­ten doen voor die van Dort, Ik geef dan in overweging aan de burgemeester van Dort voor te stellen om de man alleen en zonder famille te zenden op de proef voor 6 weken, dat zo hij wel vol­doet hij als dan als boekhou­der met ƒ7- tracte­ment en twee kamers van 15 met. vierkant met stenen gevloerd tot verblijf erlangen kan. Het zal misschien nodig zijn dat wij doorgaan onderofficieren tot die post te employeren en dat de vervanging(?) altijd bij onderneming van de onderhavige oord(?) noodzakelijk ons verbieden van dienst hoger te belaten als nodig is, en meer door de kolonisten zelf moeten restitueren (die zogenaamde fatsoenlij­ke lieden zijn doorgaans onfatsoenelijk bruik­baar).
Indien de droogte nog eenige dagen aanhoud hoop ik het veen gebrand te krijgen en de boekweit te kunnen zaaijen. Hier onder zal nog enige klaver dienen gezaaid te wor­den. Ik schrijf aan Ameshoff om nog 200 pond. Wij hebben van dit zaad vol gebruik, daar het opkomen­de ons tot twee keren toe bevroren is. Het saizoen is ons gedurende meij zeer ongun­stig geweest.
De orde in de kolonie begint zich makke­lijk te herstellen. Zo lang echter daar in een half dozijn liederlijke huisgezinnen gedaan worden zal de wederinstorting te overzien zijn. Ellendig gaat het met de koloniale kle­ding. De meesten zien er, inzonderheid des zondags, uit als straat slonsen in allerlij bon­ten te dragt. Ook om dit te verbeteren willen wij alle pogingen aan houden. Dan gemakke­lijk gaat dit niet daar wij hier met dames te doen hebben die uit de aard niet gemakkelijk zijn en deze op een punt aanvallen waar op zij het gevoeligst zijn. Ik zal alle middelen van aanziding(?) en kleine straf­fen eerst in het werk stellen. Helpt dit niet dan hoop ik dat de algemene vergadering der Kommissie hier zal zijn om zo niet anders het helpt, een besluit geno­men wordt om alle spullen ineens te verbranden, en dat deze maatre­gel alle jaren zal herhaald worden. Er is slechts een middel om de kolonisten in toom te houden. Te zor­gen namelijk dat zij het zeer goed hebben, maar tevens dat zij strikt doen wat hun wordt voorgeschreven.
Hier nevens een brief van Boy. Deze man word bij het ministe­rie zonderling behan­delt. Zou ik de Kommissie verzoeken mogen van deswege nog eenmaal aan dat departe­ment te schrijven met verzoek de overplaat­sing van dien man te bespoedigen.
Na vriendelijke groeten met hoogachtin­g

UWelEd. DWDienaar J. van den Bosch.

Bijgevoegd is de brief van Boij, waarin deze zijn twijfel uit dat het ministerie de zaak goed geregeld heeft. Alleen een spoedige nieuwe betrekking zou hem van geld verzekeren.



Maandag 4 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van de subcommissie Middel­burg aan de Permanente Commissie:

Wij hebben de eer UWEd: onzen dank te betuigen, voor den mededee­ling van het berigt des Directeurs van de kolonie Frede­riksoord, ten aanzien der klagte van den kolonist Koppe­jan, en terwijl wij opgrond van dat berigt, gaar­ne berusten in het besluit door UWEd: op het verzoek van den kolonist genomen, maken wij hierin te minder zwarig­heid, sedert wij eenen brief van den zelven ontvangen hebben, waar­bij hij niet onduidelijk te kennen geeft, zijn ontslag voornamelijk te hebben gevraagd, op de dringende instan­cien van zijne huisvrouw, en sedert haar vertrek veel minder tegenzin in zijn voortdu­rend verblijf in de kolonie te onder­vinden.




Donderdag 7 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Twee brieven van fungerend directeur Visser aan de Permanente Com­missie:

Toen het mij uit de ontvangene rapporten van de opzigter over het bouwen der huisjes in kolonie no.4, Elsinga & bij eigen onderzoek gebleeken was, dat de muren van eenige dier huizen reeds begonnen te scheuren, heb ik bij herhaling per missive den aannemer Oosterloo, verzogt te zorgen dat zulks bij de nog te begin­nen huizen word voorko­men en hij de afge­maakte herstelde. Dit heeft dan ook ten ge­volgd gehadt, dat ONDERSTREPINGeenEINDEONDERSTREPING voorgevel is afgebroken & nieuw opgemetseld is. Dan dit zal niet vol­doende zijn, om reden de fonda­menten op geen goede grond zijn gelegd; men heeft namentlijk het veen tot op het zand afgegraven & deze opening met los zand gevuld, alvorens het fonda­ment te leg­gen. Dit zand pakt zich door het gewigt der muur te zamen, en dit veroorzaakt de verzak­king en daar na de scheuren in de muren; ik heb het mijnen pligt geacht dit ter kennis van de Permanente Kom­missie te brengen met verzoek dat bewuste huizen, alvorens dezel­ve door kolonisten worden bewoond, door een deskundige in naam der Permanente Kommissie worden geinspecteerd, ten einde de goed of afkeuring daar naar te bepalen.

Visser meldt ook de aankomst van een nieuw huisgezin uit Steenwijk, De Vos. Hierin zijn ook de twee jongste kinderen van oud-kolonist Dirk Dikke­boom, Ernestus en Antje, opgenomen. Beide zijn in 1827 gede­ser­teerd.


Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Der Permanente Kommissie de ontvangst harer zeer vereerende missive van den 2 dezer no. 7/6 accuserende, maak ik van deze gelegend­heid gebruik, haar mijne dank te betuigen, voor het vertrou­wen waar mede zij mij, door de Direktie harer koloniën aan mij opte­dragen, wel heeft gelieven te vereeren: had ik het geluk in mijne voorgaande betrek­kingen, zulke een vertrouwen te verdienen, zal ik in deeze be­noeming tot eene grotere werkkring, slegts een spoorslag vinden om alle mijne zwakke pogin­gen, alleen aan de belangens der Maatschappij en het welzijn harer koloniën dienstbaar te maken. De ge­legde gronden door mijne waar­dige voorgan­ger, en de nabijheid van de Heer 2e Adses­sor, geeven mij den moed om te hopen, dat mijne pogingen, niet tegenstaande de moeije­lijkheden en het gewigt aan den post van Direkteur verbonden, niet geheel vrugte­loos zullen zijn.



Zaterdag 9 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van directeur Visser aan de Permanen­te Commissie:

Bij mijne aankomst te Frederiksoord als fun­gerend Direkteur, ook de administratie inzien­de, wierd ik al spoedig gewaar, dat dezelve zeer achterlijk was; hetgeen ik de eer had den Heer 2e Adsessor te commu­niceren: bij het verder voortgaan al meer en meer ont­dekken­de, dat in de ongeregelde aantekenin­gen, welke voorhanden zijn, zodanige on­naauwkerigheden zijn ingeslopen, dat het bijna onmogelijk is, daar uit een goed geheel te formeren - het geen zelfs slegts langzaam & met moeite kan geschieden - vind ik mij ver­pligt, hoe onaangenaam zulks ook weze mo­gen, de Permanente Kommissie hier van te informe­ren, en dat het mij als nog onmo­gelijk is, met eenige zekerheid de tijd te kun­nen bepalen, wanneer de administratie van vroege­re maanden zal kunnen zijn bijge­werkt. Indien het intusschen waar is, zoo als men mij verze­kerd, dat de verantw. van kolo­nie N 1, 2 & 3 behoorlijk ge­daan is, van de tijd af dat de onderDirekteursboeken zijn aangelegd, dan zal het geheel nog al spoedig kunnen aflopen; het is bijzonder van kolonie N 4 en het magazijn, waar van de order het minst geregeld is gehou­den, en dus het meeste werk verschaft: de grootboeken van kolonien N 5 en 6 en de verantwoording van de Ommerschans zijn gereed om te kunnen worden verzonden; de rekening tusschen de Maatschappij en den Direkteur kan spoedig gemaakt worden, als die van al de kolonien in order zijn.




Zondag 10 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Directeur Visser geeft op ƒ5000,- nodig het hebben voor de uitgaven van de komende week.



Maandag 11 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie:

Frederiksoord den 11 juny 1821

Weledele Heeren!

Onder de misbruiken, sedert enigen tijd in de kolonien ingeslopen, behoort zeker dat van het dragen van vreemde kleeding, 't welk zoo algemeen geworden is, dat men des zondags bijna geene vrouw of meisje meer in kolonia­le kleeding ziet, inzonderheid uit de kolonie N1. Moeijelijk, zeer moeijelijk is dit misbruik uitte­roeijen; men kan twee, zes, tien men­schen straffen, maar de vrouwen te beletten van zich op te schikken, inzonderheid, zoo zij de midde­len daartoe in haar bezit hebben, is zeker de moeijelijkste van alle ondernemin­gen. Intus­schen, zoo als het nu is, kan het niet blijven; de wetten moeten gehoorzaamd, of ingetrok­ken worden. Ik zou zeer opinieren voor het eerste, was het niet, dat ik daarin moeijelijkheid voorzag, of liever nadeelen. Die zelfde geest tot opschik spoort ook aan tot nijverheid en zindelijkheid, en maakt de meisjes meer ge­schikt, om als dienstmeiden te gaan dienen, dat toch meestal in de ste­den zal moeten geschieden; op het land vindt men niet zoo veel gelegenheid als er ver­eischt wordt, om dezelfde als boeren meiden aantebrengen; uit dit oogpunt beschouwd, zou het misschien verkieslijker zijn, dezelve zondags eene ander soort van kleeding dan de koloniale te permit­teren, en tevens te bepalen, dat een meisje van 22 en een jon­gen van 25 jaren, van hunne verdiensten, na één augustus aanstaande slechts 1/5 gedeel­te zullen uitbetaald krijgen, en 4/5 voor hen in de spaarbank zal worden opgelegd, ten einde hierdoor de ouders aante­sporen, om toete­stemmen, dat dezelve gaan dienen, welk oogmerk nog zou kunne worden bevorderd door een of meer besteedsters te Amster­dam, Dordrecht en elders ƒ2:- etc. te betalen voor iederen dienst, aan eene koloniste be­zorgd, en nog ƒ3:- etc. als het meisje langer dan drie maanden blijft in de haar beschikten dienst; deze ƒ5:- zouden betaald kunnen worden uit het geld der kinderen, in de spaar­bank gedeponeerd.
Is men daar en tegen van opinie, dat het dragen der koloniale kleeding volstrekt moet worden gemainteneerd, dan proponeer ik, nevensgaande sermoen te doen drukken, en aan ieder koloniaal huisgezin een exemplaar daarvan uittedeelen, en vervolgens met ge­strengheid den daarin bepaalden maatregel ten uitvoer te doen brengen. Het belang der fabriek etc. pleit zeker voor de zelve, maar over het geheel genomen, weet ik niet, welke der twee maatregelen als de beste be­schouwd moet worden. Misschien zou de middenweg nog de beste zijn, te weten, een proef te nemen of men ook in de fabriek eene kleeding stof vervaardigen kon van katoen; dan deze zullen altijd, vrees ik, te hoog in prijs loopen; die van wol is al zeer warm in de zomer, eene vermin­dering van stof kan echter niet met dien spoed werken, als het belang der zaak vordert, en zou al­leen als een maatre­gel beschouwd moeten worden, geschikt om in het vervolg de ge­strengheid der eerste wet te verzachten.
Zoo nevensgaande stuk door den Prins mede geteekend en gelijk ik reeds gezegd heb, gedrukt en vervolgens rondgedeeld wordt, ben ik wel zeker, de zwarigheid te zullen overwin­nen. De kolonisten zijn nimmer zoo gelukkig geweest als thans, zij hebben kegelbanen, zondagsavonds danspartij etc, alles volgens het reglement; een varken op stal; goede verdiensten en goede vooruitzig­ten; zoo dat zij zeker geen reden hebben tot klagen; nu is de juiste tijd daar, om wat bit­ters onder de suiker te kunnen doen, als men zulk een geneesmid­del volstrekt nodig oor­deelt; ik begrijp ook, dat men de zaken een voor een moet doen en niet van het gaan dienen spreken moet, als men de vrouwtjes hare prullen wil doen afleggen; dit zullen wij nader hun bekend kunnen maken, of verlan­gen zij het zelven, dan is het gemak­ke­lijker uittevoeren.
Met hoogachting heb ik de eer te zijn

UWEds DWDienaar
J. van den Bosch

P.S.
Het zal mij aangenaam zijn spoedig het oog­merk der Kommissie te vernemen om mij daar na te richten.
De Heer Ockerse word verzocht heel een loonlijst te laten afschrijven. Cassier vertrekt woensdag. De cabel­le(?) wagt nog na eene opgave van Nieuwenhuys. Ik verwacht proe­ve in duplo.
In nevensgaand concept kan natuurlijk alles veranderd worden wat geaccordeert word verandering te behoe­ven.

Geen bijlagen gevonden.


Ingekomen post invnr 57. Fagel, ambassadeur in Londen, accepteerd het honorair lidmaatschap der Maatschappij.



Dinsdag 12 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Visser meldt de aankomst van enkele huis­gezinnen en wezen. Voorts dat het magazijn zo goed als leeg is.


Ingekomen post invnr 57 scan 600. Drukker/boekhandelaar Johannes van der Heij doet een opgaaf van de verkoop van het boek van baron Van Keverberg..


Vrijdag 15 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Visser meldt de aankomst van kolonisten en goederen voor het maga­zijn.



Zaterdag 16 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Visser stuurt verantwoordingen van de ver­schillende koloniën.



Zondag 17 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan W.A. Oc­kerse:

Frederiksoord den 17 juny

Amicissime

Ik begrijp niets van het schrijven van van der Heij. Voor vier zondagen zond ik hem de copei gecorrigeerd terug en had alles inge­vuld. Ik zond hem bij die zelfde gelegenheid het ver­volg der copei met de tabel. Daar de laatste bij u ontvangen is, moet hij de eerste ook hebben. En dus weet ik niet wat hij ver­langd. Reeds den 13 of uiterlijk den 14e moet hij alles gehad hebben en zo er dan geen tijd overschiet om de Star bijtedrukken, begrijp ik het niet.
Zijt zo goed aan de kollega's voortestel­len om tot wijkmeesters te benoemen:
Zoggel, gepensioneerd oud ad­jud. bij het koloniaal depot.
Onverzaagt, gepensioneerd sergt. majoor.

N. van Leuven, gewezen ser­geant wonende te S Hage.

H. de Roo, oud militair te Delft tot op­zichter.

De Heer Bichon opgegeven voor een administratieve post door de Heer van Gen­nep te Rotterdam, zou in aanmerking kunnen komen later, onder voorwaarde dat hij zonder famille overkomt en bewijzen van zijne be­kwaamheid geeft, de Maatschappij geeft reeds aan een half dozijn prullen de kost en dat is wel vijf te veel.
De twee eerste zo die worden aange­steld zal ik van hier schrijven. Van Leuven en de Roo zouden van het bureau moeten wor­den aangeschreven.
Met de aanstelling van Drijber heeft een erreur plaats. Deze is benoemd tot adjunct directeur van de derde klasse, het welk maar vijfhonderd gulden tractement geeft. Thans heeft hij ƒ500- boven de ten minste ƒ300- van de winkel. Dat zou dus achteruit marche­ren en dit kan de intentie van de Kommissie niet zijn. Mijn oogmerk is geweest hem voor­tedragen voor de tweede klasse. Wil de Maatschappij wel gedient zijn dan moeten wij een vooruit­zicht aan knappe lieden openen. Deze heeft men zelden te duur, prullen altijd.
Mag ik tevens mijne collega's herinneren aan de afdoening van mijn voorstel betrekke­lijk de medailles en de kleding, er word thans flering(?) in de kolonie gewacht. Van de an­dere kant moet men zorgen voor de aanmoe­diging en het geluk. De kolonisten passen thans zo goed op dat ik geen een dier vlas­vinken welke ik zo gaarne na de Ommer­schans zag vertrek­ken bij de kladden krijgen kan. Ni tant mieux. De administratie komt ook op een goede voet. Binnen een maand zal alles bij gewerkt zijn. Het boeltje zach er derelijk uit bij mijne aan­komst, nu zeggen de boeren zijn het dezelfde mannen niet meer, maar Visser is ook een uitmunt mann(?) en Falck een meester in het stuk van admini­stratie, die alleen meer afdoet als alle ande­ren te zamen.
Doet mij toch spoedig toekomen de op­gaven hoe veel onkosten Ameshoff verleden jaar vooruit in rekening gebragt heeft, benef­fens voor welke specie het afsluit. De boeken en de rekening over sept. wachten nu. Na deze afgesloten zijn zal de Heer van Riems­dijk ver­won­dert zijn in welk een korte tijd de admini­stratie zal zijn bijgewerkt. Adieu mijn vriend, groet de collega's en benevens de dames van ons en geloof mij
T.T. vdBosch

(Ni) tant mieux = des te beter

Ingekomen post invnr 57. Directeur Visser denkt komende week ƒ3000,- nodig te hebben. Voorts stuurt hij het maande­lijks rapport over de toestand der kolonie, dat niet bij de brief te vinden is.


Ingekomen post invnr 57. Verschillende subcommissies schrijven dat zij gehoor gegeven hebben aan de oproep van prins Frederik, verwoord in de circulaire van 12 april. Daarin wordt gesuggereerd een pamflet te laten drukken waarin het doel en de werking van de Maat­schappij uitgelegd wordt en deze van huis tot huis te laten ver­spreiden. In de pamfletten wordt ook vermeld dat er na een poosje iemand op bezoek zal komen. De diverse pam­fletten worden nu aan de Perma­nente Commissie ge­stuurd.



Donderdag 21 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie over een eigen smederij, eigen kalk en eigen brood.:

Frederiksoord den 21 juni 1821

WelEdele Heeren!

Bij de verdere uitbreidingen der kolonien ondervinden wij dagelijks meer en meer de behoefte ener smederij. Het minste dat aan een stuk swaar gereedschap breekt moet het zelve uren ver te repareren gezonden worden, en daartoe niet zeldzaam een span paarden gebruikt worden, zo dat de kosten van transport dikwijls hoger zijn dan het arbeidsloon daar aan verdient.
Zelfs het kleinste stuk gereedschap dat reparatie behoeft brengt een verzuim te weeg dat op de algemene werkzaamheden van invloed is.
Reeds vroeger heeft het oogmerk bestaan om een smederij bij de kolonist Muller aanteleggen, doch hetzelve is dan om deze, dan om een andere reden uitgesteld. Thans echter kan het nodige gereedschap voor ƒ150- gekogt worden, terwijl het opbouwen der smederij en noodstal tot het beslaan der paarden voor ƒ250 besteed kan worden.
Ik stel voor deze sommen tot dat einde te akkorderen, de waarde der gereedschappen te korten op het geen Muller voor de Maatschappij maken zal en hem voor de smederij ƒ25- huur jaarlijks te laten betalen, mede op de objecten die gemaakt zullen worden te korten.

Noch proponeer ik eene proeve te ne­men om ons eigene kalk te branden. Na mij­ne rekening zal dat ons ten minste 30 prct schee­len met die wij thans kopen moeten, het trans­port en laden geschat. Aan ieder woning wordt voor ƒ25- gebruikt, terwijl voor de gronden jaarlijks voor ƒ1200- gebruikt word. De proeve zal voor ƒ300- genomen kunnen worden. Anders moeten wij om te mesten ƒ600 aan kalk ontbieden voor onze gronden.

Noch moet ik voorstellen om de proeve die ik reeds in het klein genomen heb, om van aardappelen brood te bakken, enigzins in het groot te herhalen. Het is van het uiterste be­lang dat wij hier mede gereed zijn eer de Ommerschans bezaait word, dewijl het moei­jelijk is eenmaal aangenomen broodgewas daar op terug te komen. Tot deze proeve zal plus minus ƒ125- gevordert worden.

Een spoedige decisie op ieder deze pun­ten zal mij aangenaam zijn.
Met hoogachting heb ik de eer te zijn

UWEd DW Dienaar

J. van den Bosch

P.S. Verzoek beslissing omtrent de medail­les. Hier omtrent moet eerst gedaan worden.

Bijgevoegd:

Aan de Heer Ockerse

Amicissime
Ik zal mijn best doen om eenige pagina's voor de volgende maand te leveren over de wijze om klaverhon(?) te maken. Tot iets anders heb ik geen tijd. Het door u gepropo­neerd ontwerp kan mijnes inziens door u zeer goed behandelt worden. Wat het calculatieve aangaat, dat zal wik wel nazien.
De brief van van Fricht zie ik met verlan­gen te gemoet. Jam­mer dat die man mij uit hier niet opgezocht heeft.
Van Assen heb ik hier gehad. Ik heb met hem geproken over bijdragen voor onze Heer Professor Tiedeman. Zou misschien niet onge­negen zijn om iets te leveren. Wij kun­nen het zo niet uithouden.
Dat de onderneming ten gronde gaat, zo het gouvernement niet uit den hoek komt, dat heb ik lang voorzien en aan van Assen zo wel als aan de Prins geprofesseerd. Doch veel kan door goede maatre­gelen wel ver­traagd, niet verhinderd worden. Een lam gou­vernement maak alles lam.
Adieu mijn vriend, leef wel. Groet van ons de dames en geloof mij.
T.T.
vdBosch

noodstal = gestel waarbinnen paarden besla­gen worden.

Zaterdag 23 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan W.A. Oc­kerse:

Amicissime

Van der Heij laat mij weer wachten na de proeven die hij mij reeds eergisteren beloof­de.
Ik zal zien dat ik in het begin van julij iets lever voor de Star, is mogelijk het vervolg mijner vroegere verhandeling.
Zijt zo goed en meld mij hoe of het met de kas staat op dat ik in tijds, zo er gebrek is te vrezen, op middelen bedagt kan zijn.
Na de Ommerschans kunnen alle indivi­du's gezonden worden daar voor bestemd. Zoo lang echter heb ik aan de Kommissie voorge­steld informatien in te winnen naar een spin­baas te Leiden woonachtig, door Brouwer opgegeven. Het word volstrekt nodig om in tijds te denken aan een geschikt suject al­daar. Die van Brussel maken veel wind, maar komen niet uit den hoek.
Ten aanzien der particuliere rekeningen heb ik heden aan de Heer van Riemsdijk geschreven.
Bij de koloniale berigten moet alleen gevoegd worden dat het weder gedurende de maand zeer guur en ongunstig geweest is, en het dikwijls gevroren heeft, waar door de thuin groenten in deze ook merkelijk achter uit gezet zijn. Van kolonie N1 kan gezegd worden dat het gewas zo schoon ligt dat hetzelve niets te wenschen overlaat, en dat daar nu alle gele­genheid bestemd om in het nieuwe logement behorelijk te logeren, ieder die hier in enig belang steld wordt uitgeno­digd om zulks plaat­selijk te onderzoeken.
Voor de voortgang met het stuk betrek­kelijk de kleding, dit alleen ontbreekt nog aan de koloniale verordening. Alles is nu volgens de reglementen ingericht tot de zondagspartij toe en alles gaat uitmun­tend. De jonge mei­den die in de bronstijd zijn maken mij nog wel eens spel, maar anders is het vrij gedwee. Ontvang beneffens de dames onze vriend­schappelijke groeten en geloof mij.
T.T.

vdBosch


Ingekomen post invnr 57. Prins Frederik retourneert het concept besluit over het verplichten van het dragen van kolo­niale kleding dat hij met zijn handtekening be­krachtigd heeft. Besluit niet gevonden.

Maandag 25 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Voorts vind ik mij in de onaangename ver­pligting de Permanente Kommissie te moeten rapporteren dat sedert acht dagen in kolonie no. 1 zijn gestorven 6 koeijen; over de ziekte, is in het algemeen rapport aangaande de staat der koloniën, bij mijne missive van den 18 dezer ingezonden, reeds melding ge­maakt: een veearts van wege het gou­verne­ment dezer provintie geregtigt, schijnt teke­nen van besmet­ting daar aan te ontdekken; intusschen maakt zij geen voortgang, als zijnde thans de beesten in no.1 allen gezond en in no.2 slegts een ziek.
Ten gevolge van het afsterven der bo­vengen. koeijen, wensch­te ik tot de aankoop van een gelijk getal te worden geautoriseerd; als zijnde het een volstrekt vereischte dat ieder huisgezin van twee koeijen is voorzien, ten einde de nodige quantiteit mist te beko­men.



Woensdag 27 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van onderdirecteur Fenner aan de Permanente Commis­sie. samenvatting/transcriptie


Ingekomen post invnr 57. Directeur Visser bericht dat de werkzaamhe­den in kolonies 4 en 5 voltooid zijn en heeft enkele financiële vragen.


Ingekomen post invnr 57. W. van Leeuwen meldt dat zijn broer N. van Leeuwen niet in dienst der Maatschappij treden kan, daar deze onlangs naar de Oost vertrok­ken is.



Donderdag 28 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Visser meldt de aankomst van 24 personen uit Zaltbommel, alsmede van een kolonist uit Dordrecht die nog een woning heeft kunnen krijgen.


Uit het brievenboek:

Generaal J. vd Bosch. Deelt nader mede, deszelfs gevoelens omtrent het te nemen besluit wegens de uitreiking van medailles. Meldt den aanvang van het onderzoek der aanmerkingen van den Hr. van Fricht, met voorloopige wederlegging van die aangaande de winkels. Wenscht de spoedige overkomst der aangestelde ambtenaren en onder appro­batie der P.K. de persoon van H. Bunt, tot opziener over den fabriek­mat. arbeid in de Ommerschans te beproeven. Appuyeert het voorstel in de bijgaande missive van S.J. van Royen vervat, tot benoeming van J.A. Willin­ge ter Stellingwerf in Vriesland tot Hon. Lid. Stelt voor de voldoening van de rekening van S.J. van Royen van onthaal kosten van den Erf­prins, door den Direkteur. En de aanstel­ling van zeker reekundig persoon op ƒ3.10:- s weeks, met eenige kleeding. 19)

reekundig = (mogelijk) waterbouwkundig



Vrijdag 29 juni 1821

Ingekomen post invnr 57. Visser stuurt de verantwoording over sep­tember 1820.