Naar het overzicht
van de POST







De POST van MEI 1821

Woensdag 2 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Het mijn bureau verhuist zijnde gelieve UWE voortaan op de mandaten te stellen, adres Heerengracht no. 331.



Donderdag 3 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van de subcommissie Dordrecht aan de Permanente Commissie:

Bij deze gelegenheid moeten wij UWEdG: nog informeren dat de WelEerw: Heer Her­kes, predikant bij de Waalsche Gemeente dezer stad, zich bij ons vervoegd heeft, met verzoek, dat wij het huisgezin van Ebbe Schotman - t welk in het voorleden jaar al spoedig uit Frede­riksoord weder naar deze stad was terug gezonden, uit hoofde dat de man voor den arbeid niet heel geschikt en de vrouw toen niet zeer welgezind scheen - nu weder naar de kolonie zouden opzenden; wij hebben hierop aan den Heer te kennen gege­ven, dat wij des tijds van UWEdG: een brief gehad hebben, houdende, kennisgeving van het gebeurde met Schotman, en dat wij een ander huisgezin in de plaats konden zenden, 't geen wij dan ook voornemens waren. Doch hierop heeft zijn WelEerw: ons gedelaxeerd, dat gemelde Schotman en zijne huisvrouw thans veel beter gezind waren, en nu wel op zouden pas­sen, dat Zijn Wel Eerw. hier over ook geconfereerd had met Z.Ex. de Generaal van den Bosch, die hem toegezegd had, dat gemelde huisge­zin wel weder zoude worden toegelaten.



Vrijdag 4 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

WelEdele Heeren!

Ik heb de eer UWE hier nevens kopij te ge­ven van eene brief van dom. Jentink ontvan­gen. Overtuigd van 's mans ijver durft ik het wagen u voorteslaan eene verandering in uw besluit betrekkelijk nopen het uitbetalen der 30 stui­vers, voorteslaan, hetgeen ik gelove bij UWE geen bezwaar zal vinden.

Afschrift

Steenwijker wold 2 mei 1821

Daar Z.M. de nieuwe kerkorde ook in Overijs­sel heeft ingevoerd, ten minste deswegens aanschrijving aan de gemeenten gedaan, met oogmerk om het lot der predikanten bijzonder van hun, die veel kinde­ren hebben te verbe­teren, en den onderDirekteur mij heeft ver­haalt dat bij een besluit van de Perm. Komm. de predik. 30 st. voor elke hoeve wordt toe­ge­zegd, door den Direkteur aan den kerken­raad te betalen; zoo is mijne vraage of de kerken­raad daar niet buiten zoude kunne gehouden worden en door den onderdirek­teur de betaling regelregt aan mij konde ge­schieden; alzoo de gemeente daar aanstonds van gebruik maakt en mij, gelijk hier overal zal gebeuren, geene vermeerdering van haar te wachten staat. De vermeerderden werk­zaamheden der kolonie (die ik van harte waarneme), zoude mij dus geene vermeerde­ring aanbrengen.
Een boer is een wonderlijk wezen, re­kent altoos naar zich toe, en wil niet gaarne afschui­ven.
In haast
A. Jentink

Bijlage brief van Oosterhoff:

Ik wenschte gaarne dat UWEdelen met deze zaak den meest mogelij­ken spoed maaktet, om daar door in staat te worden gesteld om deze zaak ten einde te brengen, voor mijne reise, welke ik verpligt ben over 10 a 12 da­gen te ondernemen; als wanneer ik UWEde­len na mij zoude moeten laten wagten; welk laatste tot mijn leedwezen nu reeds eenige dagen het geval is geweest; de persoon van Jan Hend. Suer behoort tot de gereformeerde kerk; dog zijnen juisten geboortedag kan ik UWelEdelen voor als nog niet opgeven, dog hope dat bij mijn retour zeker te kunnen doen.



Zaterdag 5 mei 1821


Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Wijders heb ik de eer de Kommissie te rap­porteren dat de huisverzor­gers Harmen An­tonie Bos en Albertje de Vries, ten gevolge harer missive van den 27 april ll. no. 61 op den 2e dezer de kolonie no.3 hebben verla­ten; zijnde dezelve per schip van Steenwijk op Zwolle vertrokken.


Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan W.A. Oc­kerse:

Frederiksoord den 5 mei 1821

Amicissime

Mag ik u wel verzoeken aan de Kommissie te herinneren aan het slaan van een mandaat voor de heer Visser voor drie maanden toe­gelegd dedomagement, welke reeds zedert een maand verschenen(?) zijn. Door zijne verplaat­sing is hij tot enige buitengewone uitgaven verpligt. Hij is een uitmuntend sujet over wien ik zeer te vreden ben. Alles gaat hier goed. Gelieft mede qualificaten te bezor­gen tot het doen schilde­ren en behangen van enige ka­mers in het logement. De wind is thans west en de lucht dik. Dat geeft hoop op regen, het enigste dat ons ontbreekt.
Met de gezondheid wil het noch niet recht en van tijd tot tijd krijg ik onaangename herin­neringen die mij overtuigen van de broos­heid van onze aardsche tabernakel. Het betert echter en dit doet mij hopen dat einde­lijk alles wel op zijn poten terecht komen zal. Ontvang beneffens de dames onze vriendelij­ke groeten en geloof mij.
T.T.
vdBosch

P.S.
Mag ik verzoeken inleggende te doen bezor­gen.

Bijgeschreven in ander handschrift:

Amice! Laat L.P. het mandaat maar opma­ken. Over het schilderen en behangen kan dunkt mij niet recht een besluit genomen worden voor dat de Generaal opgeeft het geld damers(?) een(?) of hij van mening dat dit bij aanneming of daggeld moetende wor­den gerestitueerd.


Uit de notulen van de vergadering der Per­manente Commissie:

Missive van den Generaal, 26 april ...
Te melden, dat de P.K. volkomen met den Generaal instemt, dat het bakken van steen zoo veel mogelijk moet bespoedigd worden, ten einde het ontbre­kende aantevullen, dat de P.K. meende, dat 't getal niet per stleid(?) opge­maakt was, om dat de geheele bereke­ning van de prijs van ieder 1000 op dat opge­geven getal was gebaseerd.

Missive der Kapitein B. van den Bosch, 26 april: nader berigt gevend van het bedanken voor zijne post, met bijvoeging dat hij welligt, hoe zeer tegen zijn voornemen, verpligt zal zijn de post van Direkteur over de eerste kolonie in de Zuidelijke Provincien te moeten aannemen.
Gracieus beantw. Q.f.

J. Oosterhoff te Amst., 30 april. Zendt in ge­teekend kontrakt wegens de overneming van Jan Hendrik Suer.
Besloten het kontra-kontrakt te teekenen, terugtezenden, de aankomst in de kolonie te bepalen op 15 mei, en den Direkteur daarvan te informeren. 38)

Jan Hendrik Suer van Hardenberg komt aan op 9-9-1821. Een week later is hij echter al gedeserteerd. Direc­teur Visser op 19 sep­tember: "Hij is een man die een aanzienlijk vermogen door een liederlijke levenswijze heeft ver­teerd. Hij verzocht mij bij aankomst om bij een boekhouder werk­zaam te mogen zijn, daarbij voegende dat hij goed en vlug schreef. Ik zond hem naar Willemsoord om ingedeeld te worden bij huiverz. Ebert en daar bij den boekhouder te schrijven doch deze klaagde bij mij toen ik zelf in Willem­soord was dat Suer tot niets in staat was dat hem eenige hulp zou aanbrengen. Ik zeide aan Suer dat hij op het veld zijn bestaan moest vinden zoals alle kolonisten. Van dien tijd af heeft hij zich onbetamelijke uitdrukkin­gen veroorloofd en zich leren kennen zoals hij is, nl. een slecht sujet. Ik hoop hem niet weer in de kol. te zien. Als dit echter gebeurt zal ik hem naar Ommer­schans trachten over te bren­gen." (Rode Kloosterhuis)



Maandag 7 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie:

Frederiksoord den 7 mei

Uit het voorlig. van de Heer Visser zal het mijne medeleden blijken dat de werkzaamhe­den met ijver en goed gevolg worden voort­gezet. De oude kolonien en ook grotendeels de nieuwe zullen in de loop dezer maand beaard zijn, en met 10 a 12 junij een groot aantal famil­lien kunnen worden geplaatst.
Zints drie weken hebben wij hier een onafgebroken droogte, zonder dat er een druppel regen gevallen is. Dit is van zeer nadeelige uitwerking op het winterkoorn ge­weest. Gelukkig dat wij de tijd en de midde­len bezitten om dit koorn onder te ploegen en door zomerkoorn te doen vervangen.
Ik heb de Heer Ameshoff verzocht ƒ1500 klaverzaad en 300 pond ray gras naar de nieuwe kolonie te zenden. 6 paar paarden en zes wagens beneffens het nodige gereed­schap zijn voor dezelve noodzakelijk. Gelieft zo spoedig doenlijk gratificatie aan de Heer Visser te verlenen tot aankoop dezelver. Twee man­daten buiten gewoon zullen daar toe noodzake­lijk zijn, als mede om de gronde te betalen in Willemsoord bij autorisatie der Kommissie in den loop van deze winter ge­kogt en nog niet betaald. Wij worden drin­gend om de betaling gekweld.
Gisteren ben ik van het Heerenveen terug gekomen. Ik heb aldaar getracht het verkopen van de Steggerder Compagnie landen te be­spoedigen. Ik geloof hier in te zullen slagen.
De schoolmeester van Steenwijker wolde die bij een landbou­wer is groot gebragt en alle goede verwachtens volgens het getuige­nis van veel die hem kennen en daar onder ook Drijber die met hem is opgevoed bezit, zou niet onge­negen zijn om zich als onderdi­rekteur te enga­geren. Ik beschouw dit ware­lijk als een acquisi­tie voor ons, daar wij voor de kolonie volstrekt knappe onderdirekteurs hebben moeten. Ik schrijf deswege u nader. Het zal ook nodig zijn te denken om wijk­meesters voor de nieuwe kolonie. Dan dezel­ve moeten puik zijn, mogt ik een lijst en in­lichting wegens de solliciterende verzoeken. Ik zou dan trachten een viertal goede te be­komen, alles hangd hier van af.
Na vriendelijke groeten blijf ik hoogachtend,
UWEds. DWDienaar

J. van den Bosch



Woensdag 9 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Geeft een overzicht van het werk op de vel­den, alsmede twee lijsten van kolonisten die geloofsbelijdenis hebben afgelegd. Dominee Jentink stuurt een lijst met 26 namen, waar­onder Sikke Drijber en Jan Snoek. Pastoor Muller meldt dat zich nog niemand bij hem heeft gemeld



Donderdag 10 mei 1821


Brief van de Permanente Commissie aan de Koning:

'S H, 10 mei 1821

Sire!

De P.K. heeft met de levendigste erkentenis ontvangen uwe Majestu­eus besluit van 1 mei ll. n. 79, waar bij het aan Uwe K.M. gunstig­lijk behaagd heeft op haar eerbiedig verzoek, den 2den luit. G. Falck van de 6e afd. natio­nale infanterie, ter harer dispositie te stellen, ten einde deze officier zich voor eenen onbe­paal­den tijd aan den dienst der Maatschappij van Weldadig­heid kunne verbinden, zullende dezel­ve gedurende zijne afwezigheid worden be­schouwd als met verlof te zijn, en dien volgens half traktement blijven genieten.
Hare eerbiedige dankbetuiging wegens dit vernieuwd bewijs der vaderlijke gezindheid van Uwe K.M. jegens onze Maatschappij aan Hoogst­denzelver opdragende; neemt de P.K. deze gelegenheid tevens waar, om tot de kennis van Uwe M. tebrengen, dat de kapi­tein J. van den Bosch, na gedurende ruim 2½ jaren in betrekking als Direkteur der koloniën Frede­rik­soord en Willemsoord de gewigtigste dien­sten aan de Maatschappij gepres­teerd te hebben, nu onlangs, gebruik makende van zijn voorbehouden regt, tot deszelfs militairen dienst bij zijn regiment, ter plaatse waar dat garnizoen houdt, is teruggekeerd, en in de koloniën door een ander tot dien post ge­schikt persoon is vervangen gewor­den.
De P.K. veroorlooft zich, ook thans we­derom de belangen der Maatschappij van Weldadigheid vol vertrouwen aan de duurza­me bescher­ming Uwer K.M., met dewelke dit staan of vallen moet, opte­dragen, terwijl zij niet ophouden zal, met de gevoelens der diepste veneratie en dankbaarheid steeds te zijn,

Sire!
Van U.K.M.
De Zeer Geh. Onderd.
De P.K. der M.v.W. 352)


Ingekomen post invnr 57. Brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Geeft de namen op van enkele kolonisten die na vertrek van Benjamin en voor zijn eigen aankomst in de kolonie zich gevestigd heb­ben.



Vrijdag 11 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan W.A. Oc­kerse:

Frederiksoord den 11 mei 1821

Amicissime!

Ik adviseer op het voorstel van Dordrecht aanteschrijven dat de huisge­zinnen en kinde­ren gezonden kunnen worden op den 1sten juny aanstaande. Dat wat betreft het huisge­zin van Schotman het zelve niet anders dan in de Ommerschans kan worden geplaatst. (Ik heb aan de Heer Herkes met voorweten van de Kommissie gezegd dat de vrouw van Schotman niet weder kon worden geplaatst, maar dat zo men aan den man een ander geschikte vrouw voor de huishouding kon toevoe­gen destijds dezelve kan aangenomen worden.) Daar wij echter een huisgezin van Dordrecht in plaats van dat van Schotman zullen moeten overne­men, meen ik het met het belang der Maat­schappij te stroken dat van Schotman aantene­men voor de Ommer­schans, maar hetzelve anders volstrekt te zwijgen(?).
Wat betreft het request van Gasignet, invalide ritmeester van 61 jaar, deze lijkt ons niets. Wij moeten knapen hebben van zessen klaar, en die om eens uittemesten(?) een paar kinderen het potteveen gaan wandelen. Zulke als vorige zijn onze lieden. Na mijn gevoelen derhalve informeren de rekwestant dat bij gebrek aan gelegenheid aan zijn ver­zoek niet kan worden voldaan.
Met de Star kan ik u voorlopig niet hel­pen. Dit is onmogelijk. Koloniale berichten zal ik u zenden.
Over de gekogte gronden door de Heer van Royen eerlang nader.
Hier nevens de opgave van oude officie­ren voor wijkmeester. Gelieft aan de Kommis­sie voor te stellen van deze zo spoedig mo­gelijk aan te vragen en mij tevens te zenden den man uit Delft door ons benoemd. Wij hebben deze menschen voor de nieuwe kolo­nie nodig, hoog nodig. Veel hangd van goede wijkmeesters af.
Adieu mijn vriend, ontvang beneffens de dames onze vriende­lijke groeten en geloof mij.
T.T.
vdBosch

WEBPAGINA
P.S. Zend mij zo spoedig mogelijk een lijstje van de onderofficieren die verzocht hebben als wijkmeester geplaatst te worden met de be­sluiten op hen suject gevallen. Wij moeten in tijds zorgen voor goed voorwer­pen en dus moet ik mij bij de officieren naar het karakter der complian­ten informeren, voor al spoedig het met 1 juny zullen als vrij veel kolonisten kunnen moeten worden geplaatst.

Uit het bijschrift blijkt dat de onderofficier uit Delft L. Oller heet en dat Johannes sergeant van Ootmarsen aanbeveelt als wijkmeester.
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Personen/Ootmarsen.html


Zaterdag 12 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Accuseert de aankomst van mandaten.

Maandag 14 mei 1821


Uit het brievenboek:

De fung. Direkt. der Kolonien. Berigt het ver­trek uit de kolonien van den huisverzorger Ravekamp volgens bekomen order. 19)



Woensdag 16 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Verders ter hare kennis in te brengen dat de bij den kolonist Wijl ingedeelde S. van Kades & de dogter van den kolonist Vermeulen, beide uit kolonie no.2 den 15e april ll. met een veertien­daags verlof vertrokken, nog niet zijn geretour­neerd. De eerstgen. is van Am­ster­dam, de tweede van Breda. Ik schrijf heden aan de stedelijke subkom­missien de­zer plaatsen.

Zie ook pagina Vermeulen


Donderdag 17 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

1e Aangaande de klagten der vrouw van den kolonist Koppejan opge­ge­ven in bovengen. missive der stedelijke subkommissie te Mid­delburg.
a. Er heeft gedurende de afgelopen winter niet zoo veel spinarbeid geweest als men had kunnen verlangen; doch dezelve heeft spin­nen geheel ontbroken.
b. Men heeft slechts weinig met koeijen ge­ploegd, en dan zijn daartoe geene kalfdra­gende gebezigd; met uitzondering van enkel­de, waarme­de men zich in dat opzigt heeft bedro­gen gevonden; dien van Koppejan nog­tans hebben niet geploegt.
c. De verdiensten zijn gedurende den winter natuurlijk minder. Evenwel heeft het huisge­zin van den kolonist ook in dit opzigt geen reden tot klagen, blijkens het nevensgaand extract uit het schuldboekje van denzelven.
d. Diegenen der kolonisten welke onder toe­zigt staan ontvangen een gedeelte hunner verdien­sten in kaartjes; doch dit heeft geen plaats gehadt bij het bewuste huisgezin, uit hoofden deszelfs voordeligen toestand.

2e Betreffende dien van den kolonist zelve, vermeld in zijne genoemde missiven.
a. Hij beklaagt zich over zijn koeijen en noemt dit ellendige beesten. Zij zijn klein in vergelij­king met de Noordhollandsche koei­jen, maar met de Drenthsche vergeleken van de beste soort.
b. De kolonist heeft verdiend - blijkens ne­vensgaand extract uit zijn schuldboekje - gedurende de maan jan. ƒ19,31 en voor den maand feb. ƒ13,24. Voor een klein huisgezin kan dit in dit jaargetij geene kleine verdien­sten worden genoemd; gemerkt men daarbij heeft over­vloed van aardappelen.
c. Hij beschuldigt de Permanente Kommissie als van haar geen onder­houd te wagten heb­bende; dit is enkel laster, blijkens zelfs zijn eigen gezegde, dat ieder kolonist - hij uitge­zonderd - getaxeerd was en kaartjes ontving.
d. Verder berispt hij het inhouden van meer­dere verdiensten. Het is natuurlijk dat lopen­de schulden bij den winkelier, bij goede ver­dien­sten met gedeelten worden afbetaald. In de winkel zijn alle noodwendighe­den te ver­krijgen.
e. Belangende de turf. Het is waar dat men door omstandigheden verhinderd is gewor­den, die op de behoorlijke tijd in de kolonie te doen brengen, het geen daarna eenige onge­legend­heden en kosten heeft veroorzaakt. Men heeft nogtans getragt in de kolonisten volstrekte behoeften te voorzien. Koppejan had intus­schen geld in handen om die te kopen volgens zijn eigen verklaring.
f. Al verder voert hij aan dat sommige kolo­nisten ƒ20- tot ƒ30- schuld in de winkel heb­ben; dat is een bewijs dat men bij geringe verdiensten voor hun onderhoud heeft ge­zorgd; de kolonist zegt al weder dat hij niet tot die klasse behoort, als hebbende twee maal 100 schepel aardappelen kunnen verko­pen; ik voeg er bij dat hij toen nog wel zoo veel overig hield.
g. Dat men met ieder kolonist niet in accoord treed, omtrent de prijs van deeze of geene werkzaamheid spreekt vanzelf, terwijl bijna alles volgens tarief wordt betaalt.
h. Aangaande de afrekening over het zaad­koorn en de boekweit uit de Vierde Parten, dat is waar, deze heeft nog geen plaats ge­hadt; ook zullen de voordelen van gen. boek­weit niet zoo groot zijn, als men zich aanvan­kelijk hadt voorgesteld. Hoofdzakelijk omdat zij niet voor­tijdig genoeg van het land is ge­komen.
i. Koppejan, schijnt ook de bebouwing en bemesting des gronds te willen beoordelen of veroordelen. Hij woond niet aan den ingang, maar achter in de vierde zijde der kolonie, en zijn land heeft niet alleen het gepasseerde jaar een der beste oogsten opgeleverd, maar beloofd in dit jaar weder een goed gewas. Hier is dan toch geen enkel koemist of stra­tendrek opgekomen, maar wel heide of plag­ge mest; trouwens wie kent niet het schoon gewas des voorleden jaars, over de geheele kolonie Frederiksoordt.
k. Hij bekent hier, voor zich geen klederen op schuld te hebben geno­men. Hij moet derzel­ver dan kontant hebben betaalt; dat hij goede verdiensten en rijken oogst gehadt heeft, is boven reeds aangemerkt, en hadt dus niet nodig schuld te maken; dat de gemaakte schulden bij minderen verdiensten, of des­noods door den oogst moeten worden vol­daan is mede reeds aangemerkt, of zou hij dat alles om niets willen hebben, en het pro­dukt van den grond geheel overleggen?
l. De kortingen daar hier van gesproken wordt zijn die voor het admini­stratieve fonds, bij de reglem. bepaalt.
m. Hier volgt een lange periode, deels ondui­delijk, deels hiervoren beantwoord; vervol­gens aangaande de kleding. Het is waar dat sommi­ge huisgezinnen, niet behoorlijk van kleding zijn voorzien; doch dit bepaalt zich voorna­mentlijk tot den zulke, waar van de beginne aan eene slegte ordre heerst en alle moeite tot verbetering te vergeefsch wierde aangewendt; het gezegde van den kolonist is egter te zeer overdreven, ten minste mij is zulk een huisge­zin of persoon nog niet be­kend.
n. Hier herhaald hij het vroeger bijgebragte.  Aangaande de kleine hoeveelheid grond en de afbetaling van schulden kan hij tenminste zeker niet te klagen hebben, daar het land hem van alle het nodige voorziet, en tot de geregelde afbetaling zijner schulden in staat stelt, terwijl hij volgens zijne aan mij gedane betuiging, naar zijne stand zeer goed kan bestaan.

Uit al het vorenstaande zal de Perma­nente Kommissie mijns bedunkens ontwaren, dat bijna al de klagten van den kolonist Kop­pejan geheel van grond zijn ontbloot, en dat de schijngronden, dan nog bij zijn medekolo­nisten, maar geen bij hem gevonden worden; trou­wens hij zelf heeft mij voor enige dagen nog verklaart, in de kolonie zeer te vreden te zijn en dat hij voor zijn persoon wel wilde blijven, maar om zijner vrouw wil, dagt te vertrekken, niet tegenstaande hij in een ge­duri­ge twist met haar leeft.

Bijgevoegd:

Kolonie 1
Staat des huisgezin van Abraham Koppejan anno 1821

schulden gemaakt bij de aankomst in de kolo­nie 1 nov. 1818 aan kleding huisraad en ge­reedschappen    de somma ƒ 246"17½

af van het te goed gemaakte in 1820 volgens agterstaande rekening    17.06
────╴
ƒ 229"11½

aan zaai rogge    7"37½
aan gereedschappen spinfabriek    7"65


Verzameling van schulden over de jaren 1819 en 1820

aan landhuur 1819    ƒ 50.-
idem 1820    ƒ 50.-
╶───╴
ƒ 100,-
════╸


Verzameling der te goed gemaakte en afte­betaalde gelden over 1819 & 1820

aan te goed gemaakte gelden    42.06
afslag door Perm. Komm. verleend    25.00
betaald met produkten 1820    50.00
╶───╴
117.06
af    100.00
╶───╴
ƒ 17.06

dit saldo van de zestienjarige schuld afge­trokken.


Verdiensten 1821

maand january    ƒ 19.81
maand february    13.24
maand maart    16.30½
maand april    23.66
╶───╴
totaal    ƒ 73.01½
╶───╴


Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie:

Frederiksoord den 17 mey 1821

Ik heb de eer hier nevens aan de Permanen­te Kommissie te retourne­ren de kontrakten van J.J. Allen welke ik voorstel te approbe­ren, gelijk mede dat van Groenewold, Pol onder voorwaarde dat de termijn van betaling gesteld word op 1o mey 1822, zullende de Maatschap­pij dan deze som voldoen met 4 pr. rente. Deze grond is ons te meer noodza­kelijk daar ik bezig ben eene scheiding en deeling der marke met die van Doldersum onder nadere approba­tie der Kommissie tot stand te brengen.
Wat betreft de grond van Hogeman C.S. gekogt. Deze is aller belangrijkst, makende uit een gedeelte van het Steenwijker woude heide­veld. Ook is deze koop reeds lang ge­appro­beerd met last zelfs om de personen die in de koop niet bewilligd hebben te doen citeren voor het vrede gerecht. De grond van Jan Doedel is een bijzonder stuk tegen het voorgaande aansluitende, waar door de grote weg der kolonie in verband gebragt word met de groote weg naar Vriesland, circa zoals nevensgaand figuur aantreft. (een getekend kaartje. Daar­naast:)
A. gekogte grond van Hogeman.
B. idem van Doedel.
C. weg van Vriesland naar Steenwijk.
dorp Paasloot
Ik stel derhalve voor ook deze kontrakten te approberen.

Wat betreft de paarden onlangs door de on­der direkteur aangeschafd, deze waren voor de Ommerschans geschikt. Aldaar kan men in dit saisoen geen paarden te huur krijgen en het brengen van een hoeveel­heid van 5000 voer mist over de gronden laat zich op geen andere wijze verrichten. Ook daarom zijn de 6 paarden alhier volstrekt noodza­ke­lijk. Een wagen kan niet meer dan 20 voer op een dag door een transporteren. Zodra ech­ter de zaijing en poting in de nieuwe kolonie gereed is moeten wij ons van alle als dan overtollige paarden ontdoen, inzonderheid zo wij deze besluiten te kopen. Ik zal in het ver­volg dergelijke aanvra­gen door den onderdi­rekteur doen inzenden.
De lijst der aspiranten word geexami­neerd. Wij zullen 1 juny menschen nodig hebben voor de 25 huizen te Willemsoord, 3 voor de 70 huizen nieuw gebouwd op No.4 en twee ter vervanging van de Snulle(?) ko­tier(?) en Rei­gand(?). Zoveel zie ik geen kans om de lijst uittezoeken, zo dat ik heden informatien naar geschikte personen doen zal.

J. van den Bosch

P.S. Koloniale berichten zal ik morgen trach­ten te zenden, maar om te arbeiden voor de Star is mij niet mogelijk.


Vrijdag 18 mei 1821


De Permanente Commissie benoemt tot wijk­meester de sergeanten L. Oller uit Delft en J.F. Stokheimer uit Arnhem 19)

Ingekomen post invnr 57. Fungerend directeur Visser stuurt onder ande­re 2 smeekbrieven om betaling van schulden.



Maandag 21 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Fungerend directeur Visser stuurt enkele stukken.



Dinsdag 22 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

De Heer Oosterhoff vraagt mij dagelijks om eene geleide brief om den persoon van (ruimte opengelaten) naar Steenwijk te kun­nen opzen­den, waartoe de noodige volmagt van UWE mij ontbreekt.
In junij en een gedeelte van july in Lui­kerland doorbrengende verzoek ik UWE mij ten spoedigste in staat te stellen, om de drie­maan­delijksche staat van dit jaar aan Z.K.Hoogheid Prins Frederik te kunnen op­zenden.
L. Oller en huisvrouw zal ik heden avond expedieeren.


Uit het brievenboek:

De Gen. J. vd Bosch. Advijseert, het voorge­dragen huisgezin van Leiden, sterk 11 hoof­den aantenemen, met een voorstel omtrent de overneming van te sterke huisgezinnen. Geeft deszelfs gevoelen, omtrent de voor­waarden ter overname van bedelaars. 19)


Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Wijders heb ik de eer ter kennis van de Per­manente Kommissie te brengen, dat alhier is aangekomen, de persoon van Gerrit Aarssen, gezonde door de diaconen der doopsgezinde gemeente te Zaandam, bij zich hebbende eenen missive aan den Heer 2 Adsessor, volgens welke diaconie een contract met de Permanente Kommissie gesloten, om den gen. Gerrit Aarssen in een dezer kolonien te plaat­sen en daar te verzorgen. Hoewel ik hier van door de Permanente Kommissie niet was geinformeerd, heb ik geen zwarigheid gevon­den, hem in de kolonie op te nemen en hem bij den kolonist F. de Kruijff ingedeelt, hopen­de hiermede aan de intentie der Kommissie te hebben voldaan.



Woensdag 23 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Stokheimer kan niet komen, omdat hij in het leger meer kan verdienen


Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

De Permanente Kommissie berigtende dat er in de kolonien no. 1,2&3 dertig koeijen zijn, welke niet, zoo als men bij den aankoop der­zelven vermeende, kalf dragen; en er dus gedurende de geheele zomer geen melk van te wagten is, heb ik de eer te solisiteeren mij tot de verkoop dezer, en aankoop van een gelijk getal andere koeijen te autoriseren; het meerder kostende zal op ƒ7- per beest of ƒ200- in het geheel kunnen worden bere­kend.

Stuk over ontslagen ingedeelden Roemer en Muze.transcriptie


Donderdag 24 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van de Kommissaris Generaal van Oor­log aan de Permanente Commissie:

Meldt dat hij het ontslag van Boij uit het le­ger ongedaan heeft gemaakt en dat Boij als van­ouds zijn soldij ontvangt. Echter vindt hij de positie van Boij in het leger zo belangrijk dat, wanneer er een geschikte post voor hem vrijkomt, hij deze moet vervullen en voor zijn betrekking bij de Maatschappij moet bedanken.


Vrijdag 25 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Fungerend directeur Visser zendt enkele grootboeken.


Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Aankomst van enkele huisverzorgers en inge­deelden.
Verder heb ik de eer de Permanente Kom­missie te rapporteren, dat de provisionele spinbaas Weitzel van de Ommerschans, door den heer Direkteur der fabrieksmatigen ar­beid, onbekwaam geoordeeld zijnde, tot het waarne­men van dien post, uit hoofde hij geen der minste iever of activiteit betoonde, noch eenige rekenkundige of administrative kennis bezat, met voorkennis en advijs van Zijn­HoogEdGestrenge den Heer 2e adsessor uit den dienst der Maatschappij is ontslagen, en aan hem voor zijne gedane dienst is uitbe­taald vijf gulden per week.


Besluit der permanente commissie, wegens het misbruik van sterken drank in de koloniën, invnr 960, zie ook deze muntenpagina

De PERMANENTE KOMMISSIE,

met leedwezen ontwarende, dat vele Kolonisten zich schuldig maken aan het misbruik van sterken drank, en overwegende dat hetzelve volstrekt behoort te worden geweerd,

heeft besloten, gelijk dezelve besluit bij dezen:

1e. Alle Kolonisten, die overtuigd worden van zich schuldig te maken aan het misbruik van sterken drank, zullen, behalve de straffen, hun door den Raad van Policie op te leggen, geene uitbetaling van geld meer erlangen, en alleen betaald worden in kaartjes, welke bij de boekhouder niet tegen geld zullen kunnen worden verwisseld, maar alleen in den winkel der Kolonie zullen worden aangenomen.

2e. Voor zoo verre een Kolonist, in deze termen vallende, wekelijksche kaartjes mogt overhouden, en hij verkiezen mogt, daarvoor eenig geoorloofd objekt buiten de Kolonie te koopen, zal men hem, al waren die ook in den winkel der Kolonie te bekomen, de gelegenheid geven, en zal er te dien einde één dag in de week bepaald worden, dat zoodanige Kolonisten, van hunnen Wijkmeester vergezeld, het noodige zullen mogen gaan koopen buiten de Kolonie; de koop zal door den Kolonist, ten overstaan van den Wijkmeester, geschieden, de betaling door den laatsten, en zal daarvoor eene gelijke waarde in kaartjes worden afgegeven;

wordende de Onder-Direkteurs, Wijk- en Sektie-meesters bij herhaling gelast toe te zien, dat het gebruik van sterken drank volstrekt uit de Koloniën worde geweerd: zullende dit Besluit op het appel aan de Kolonisten worden kennelijk gemaakt.

Aldus gearresteerd in de Vergadering der Permanente Kommissie, den 25stcn Mei 1821.
(Get.) P. VAN HEMERT, Sekretaris.
Voor eensluidend afschrïft.
W. A. OCKERSE, 2de Sekretaris.

Zaterdag 26 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie:

Frederiksoord den 18(!) mei 1821

WelEdele Heeren!

Het geen ik bij een mijner vorige aan de Heer van Riemsdijk opgaf te moeten vrezen, dat namentlijk door de verdeeltheid in de Raad van Policie de belangens der maatschappij zouden worden gekrenkt heeft zich maar al te zeer bevestigd.
De Haan, een der grootste en ongevoe­ligste luijaards wiens huisgezin tevens tot de liederlijkste en zedelooste behoord, word na dat de Heer Visser een paar dagen zich in de kolonie gevestigd had, op de weg door dezel­ve ontmoet stomdronken. Des anderdaags hier over ten ernstlijkst onderhouden beloofd hij beterschap, doch verlaat niet te min twee dagen daar na het werk in kolonie no.4 en was den geheelen dag niet te vinden. Des avonds te huis komende deed de Heer Visser hem bij de onder officier logeren met last om hem ieder dag onder het geleide van een onder officier op het werk te brengen, waarop hij aan den officier die hem geleide verzeker­de dat hij het werk verdomde en werkelijk den anderen dag zich niet hield. Zondag daar aan volgende verzocht hij permissie om ter kerke te mogen gaan, dat hem te Vledder gepermitteerd werd. Dan hij ontsnapt ander­maal, begaf het naar Steenwijk, dronk er zich dronken en liep voor schandaal langs de weg en kwam niet meer voor des nagts terug. Wij nu al het voor­gaande achten gedeeltelijk bij de Kommissie bekent en ieder zal zeker toe­stemmen dat de verzending van zulk een sujet volstrekt nodig is. Aan de Raad van Policie overgegeven, heeft dezelve in weerwil dat alle de opgegeven daadzaken erkent zijn, hem tot een gevangenis van drie dagen ver­oordeelt. De Heer Visser nog ik hebben niets gespaard om de noodzakelijkheid van zijne verwijdering aantetonen. Drie stem­men wa­ren daar voor: de Heer van Royen, doctor Schuurman en burgemeester Tuttel, eijgenlijk de Prince(?) partij, daar en tegen waren bur­gemeester Zomer, de Heer Midden­dorp en de schout Fabius van een ander gevoelen. De stemmen staakten aanvankelijk dan daar de Heer van Royen bij de volgende vergade­ring niet tegenwoordig zijn kon, is het vonnis uitgewezen zo als ik heb opgegeven. Ik voor­zie dat wij met deze Raad nog veel zullen hebben te haspelen en stel derhalve het hier bij gevoegd concept besluit voor. De opsteller beroept zich bij herhaling dat de Kommissie niet bepaalde­lijk hare verzoeken opge­geven hebbende, zij alleen naar eigen oordeel han­delen kan en doet, met ongemerkt voelen dat zij geloofd dat wij hunne poten gebrui­ken willen om de kastanjes uit het vuur te halen. Il ont peur de se bruler. Het zal dus nodig zijn hun meer bepaald met onze oogmerken bekent te maken, waartoe nevensgaand be­sluit mijnes inziens kan dienstbaar zijn.
Nog moet ik de Kommissie berichten dat ik van gevolg te geven aan dezelver besluit wegens de aankoop van koeijen verpligt ge­weest ben over ƒ2000- bij de kassier te be­schikken, welke verzoeke te doen inwisselen.
Met betuiging van hoogachting heb ik de Eer te zijn
UWelEd. DWDienaar

J. van den Bosch

P.S.
Eene spoedige decisie op het onderhavige stuk is voor de Maatschap­pij van 't meeste belang daar eerdaags meer personen voor de Raad zullen gebragt worden.
Ik zal tegen juny een of twee vellen druk voor de Star zenden.



Zondag 27 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Haar tevens informerende dat, de dogter van den kolonist Vermeulen, welke de 15. der vorige maand met een veertien daagsch verlof naar Breda was vertrokken, gister­avond is geretourneerd en aangaande den ingedeelden J. van Kades, op dezelfde da­tum met een gelijk verlof naar Amsterdam vertrokken, heeft aan subkommissie dier stad, mij bij hare missi­ve van den 22. dezer gemeldt, niets te hebben vernomen; zelfs dat het onderzoek door den comm. van policie, daaromtrent vrugteloos is geweest.

Zie ook pagina Vermeulen


Dinsdag 29 mei 1821


Brief van de Permanente Commissie aan de Raad van Policie:

Besluit der Permanente Kommissie van de Maatsch. van Weldadigh. ter nadere inlichting van den Raad van Policie.

De Permanente Kommissie, overwegende, dat het voor de belangen van de Maatschap­pij allezins nodig is, dat schadelijke voorwer­pen uit de koloniën worden geweerd en naar de Ommerschans verplaatst. Overwegende, dat het luy en schadelijke sujet de Haan sints lang der kolonie tot last verstrekt, en inzon­derheid, dat zijne laatste gedragingen zood­anige verwij­dering hadden gevorderd; over­wegende dat hij des niet te min, met eene detentie van slechts weinige dagen is terug gezonden, en zulke daar aan alleen kan wor­den toegeschreven, dat de Raad van Policie niet voldoende met de belangen van de Maatschappij bekend is, en het dien ten ge­volge noodig is, meer bepaalde­lijk de geval­len aantewijzen, welke eene verwij­dering naar de Ommerschans noodig maken; einde­lijk overwegende, dat de Raad van Policie uit zes leden bestaande, en dus een even getal, er vertraging in de afdoening van zaken door het stroken der stemmen geboren kan en hier in voorziening noodig is, heeft besloten, gelijk dezelve besluit bij dezen:
Naar de Ommerschans moeten verzon­den worden:
1.    Alle personen, bij de Raad van Policie aangeklaagd als luy­aarts, zoo het aan den Raad blijkt dat zoodanig een huisgezin, hoe­wel behoorlijk samengesteld, dat is, dat daar­in een toerijkend getal voor den arbeid be­kwa­me personen gevonden wordt, echter niet alleen minder verdient dan een ander, maar zelfs niet genoegzaam verdient om te be­staan, en dat hetzelve dus ten koste van de Maatschappij onderhouden zou moeten wor­den.
2.    Alle verkwisters en liederlijke huisgezin­nen, dat is, de zoodani­ge, die in weerwil van genoegzamen verdiensten, tot armoede ver­val­len en ten koste van de Maatschappij onder­houden moeten worden.
3.    Alle zedeloozen, dat is, de zodanige, die door hunne bedrijven gevaarlijk geworden zijn voor de kolonien. Bij voorbeeld, zwangere meisjes, betrapte huisvrouwen met anderen mans, of zulken tegen wie sterken suspicie in dezen aanzien is, wegens plaats hebbende bedrij­ven, dat redelij­kerwijze daar aan niet kan worden getwijfeld.
4.    Voorts allen, die zich aan brutaliteit of weerspannigheid tegen den direkteur zelven, of tegen de leden der Kommissie verzetten.
5.    Allen die zich schuldig maken aan her­haalde dronkenschappen.
6.    Allen die klandestien de kolonie verlaten.
7.    Allen die waarover dan ook worden aan­geklaagd, door den Raad van Policie als ge­vaarlijk voor de koloniën zullen worden be­schouwd; kunnende de overigen disciplinair worden teregt gesteld.
8.    Allen die de hun aanvertrouwde goede­ren bij herhaling verzet­ten of verkopen.
Eindelijk wordt ter voorkoming van alle oponthoud, aan den President van den Raad van Policie eene concludeerende stem toege­kend, zoo meingmaal de stemmen bij het opmaken van een besluit tot vergaderen mogt staken. En zal extract dezes aan den Raad van Policie, en aan de Heer fungerend Direkteur, worden toegezonden, tot derzelver informatie.

Aldus gearresteerd ter veradering der P.K. van W. den 29 mei 1821, binnen S'Graven­hage 352)



Woensdag 30 mei 1821

Ingekomen post invnr 57. Uit een brief van fungerend directeur Visser aan de Permanente Commissie:

En haar tevens te berigten, dat hier zijn aan­gekomen, de Heer Falck als adjunkt Direk­teur der 2. classe, en de bij missive der Perm. Kom­missie do. 19 ll. no.61 aangekon­digde Sergeant Ollar als wijkmeester. Deeze laatste is geplaatst in kolonie no.2, bewoond het huis no.41 en zal de plaats van den sergt. Reichen­bach vervullen, welke als on­ge­schikt voor wijkm., op advijs van ZWEd­Gest den Heer 2e adsessor, provisioneel bij de steenbakkerij is geemploijeerd. Ik zal de eer hebben in der tijd der Permanente Kom­missie een nader voorstel aangaande de vaste bestemming van laatst­gen. te doen.


Brief van Ockerse aan Paulus van Hemert:

Extract uit eenen brief des Hn Generaals J. van den Bosch

Amicissimi!

Bij een brief, met de stukken van Oudenho­ven, en C. Reedijk te Herkinge, heden ont­vangen, die voor 't overige meestal over za­ken van de Star dezouleert(?), en zeer duis­ter geschreven is, meldt de Gene­raal (ik geef dit uittreksel gemakshalve, om in plaats van 't origineel te dienen, en in de serie der brieven te kunnen gelegd worden):
1. De sergeant Oudenhoven kan, mijns inziens, wel als huis­verzorger geplaatst wor­den. Wordt hij als huisverzorger aangesteld, dan kan men hem naderhand tot wijkmeester bevorderen, zoo hij dat verdient. Dus zoude ik daarvóór opinieren.
2. Stokheimer kan zeer wel worden aan­gevraagd, schoon soldaat zijnde, even goed als een onder-officier, en zal daarom zijn traktement niet verliezen. Ik vleije mij, dat dit een geschikt sujet is, en daarom zijn wij zeer verlegen.
3. Met junij aanstaande kunnen wij slechts weinige huisgezin­nen opnemen; het slecht weer vertraagt den bouw zeer, en eenig bouw­werken is zoo slecht, dat, daar de fundamen­ten zakken, Oosterlo dan wederom zal moeten breken. Met 1o junij kunnen de huisgezinnen van Dort komen. Met 15 do nog 25 familiën, en ultimo juny weder 25. De rest zal ik dan nader opgeven. Het weer werkt ons magtig tegen. 'S nachts vriest het; al wat boven de grond staat, is vernield; en overdag regen. De wegen zijn onpasseerbaar. Visser, die anders eene vaste gezondheid bezit, is sedert 3 dagen onpasse­lijk, en houdt zijn kamer. Mij gaat het als 't onkruid, ik kom er boven op.
4. Het schip zie ik te gemoet.
Het gebruik van sterken drank begint te ver­minderen. Ik heb echter zondag avond zelf nog twee kolonisten-vrouwen en vijf jongens uit de kroeg te Vledder gehaald. Het is onge­lofelijk, welk een gust(?) van cicantie in vijf of zes huisgezinnen is doorgebroken, en welke verlei­ding van jonge lieden daaruit voortvloeit.
Draag zorg, dat spoedig het besluit op­gemaakt worde voor den Raad van Policie. Beter nog was het een half dozijn familiën ....... over te plaatsen. Gij kunt niet gelooven, welk een onnodig gehaspel het geeft, met zoo veel menschen te doen te hebben. Vis­ser is een uit­muntend mensch, met hem kan men het ver brengen; maar de handen moe­ten niet gebon­den zijn.
Reedijk van Herkingen is een nuttig su­jet. Hem als huisverzor­ger plaatsende, zou ik daarvan met der tijd een onder-opziener ma­ken.
Ravekamp is een zuiplap, die voor de turf niets (meer?) gekort is, dan hij in den winter heeft gebruikt; en die geen redenen weet bij te brengen, waarom hij wilde vertrek­ken, dan dat hij met de zorg voor eens an­ders kinderen niet wilde belast zijn. Ik moet advijseren, om den man niet terug tenemen; zien anderen, dan men zijn ontslag van de kolonie nemende, andermaal zoo gemakkelijk daarin terug keert, dan zal dat een rolletje worden, waarvan zich meer anderen bedie­nen zullen.

Voor kopie konform
Ockerse, 2e sekret.

P.S.
Zouden wij nu morgen niet maar aan Dort schrijven, dat de resterende kinderen & ge­zinnen direkt kunnen worden opgezonden, met de aan­wijzing van 't intermediair van Ameshoff, en met advijs tevens aan dezen?
Ockerse

Dank voor de notificatie. Voorts adyseer ik op het gevraagde ja.
vHemert


Uit het brievenboek:

De Generaal J. vd Bosch. Stelt voor, aan de kolonisten thans tot werk te verschaffen
1. het turfgraven
2. her bevaarbaar maken der scheepssloot.
3. het aanleggen van wegen in kol. no.4
4. en de voortzetting van den grondontgin­ning aldaar. Met eenige konsideratien en toezending van koncept besluit daaromtrent.
Meldt het slechte gedrag van den school­meester uit S'Hage; voorstel­lende dien in de Ommerschans te plaatsen. 19)