Naar het overzicht
van de POST







De POST van MAART 1821

Vrijdag 2 maart 1821

Uit de notulen van de vergadering der Permanente Commissie, invnr 38.

Direkteur vd Bosch, 27 febr. Meldt de bepaling der P.K. omtrent de verant­woording van maart 1820 te hebben ontvangen; vraagt nog eenige ophelde­ringen dien aangaande; meldt voorts dat de boekhouder Booij verlangt naar zijn bataillon te rug te keeren; dat de korporaal Heijzer solliciteert in zijne plaats te komen, en daar toe wel de bekwaamheden bezit, doch welligt uit hoofde van zijn vroeger minder oppassend gedrag de goedkeuring der P.K. niet zou wegdragen.
Besloten antw. omtrent het eerste de ophelderingen te geven, en omtrent het tweede met den Generaal te aboucheeren.



Zaterdag 3 maart 1821


Brief van Johannes vd Bosch aan Faber van Riemsdijk, de brief bevindt zich abusievelijk bij de uitgaande post invnr 352.:

Steenwijk, den 3 maart 1821

Ik heb mijn waarde vriend den staat der kolonien onderzocht en ben in het algemeen zeer over dezelve te vreden.
Het winterkoorn heeft van de strenge vorst hier zo als elders geleden, maar ik vleije mij dat het beschadigde wel opluiken zal.
Ik heb tevens een overslag gemaakt hoe veel hoevens in het aanstaande voorjaar met half meij gereed zullen moeten zijn en meen dat getal te kunnen stellen op 60 a 70 bij contrakten en 40 a 45 uit de contribu­tien, 10 a 12 voor Dordrecht en anders toegezegde, dus als totaal te kunnen aannemen een getal van 110 a 127 hoevens, ongerekend 50 bij de Ommer­schans.
Het saisoen is ver verlopen in dit jaar, even gelijk voorleden jaar heeft de strenge vorst ons zeer gehindert gelijk uit het weinig verbruik op de geakkordeerde sommen voor deze kolonie bestemd blijken kan.
Zijn deze hoevens niet gereed in het voorjaar dan kunnen de kolonisten niet overgeno­men worden als met meij een jaar, en hierdoor zeker zouden wij de grootste ongelegendheid gebragt worden. Alle pogingen moeten derhalve worden aangewend om aan den zeer moeijelijke taak ons opgelegd te voldoen, en met eene weinige medewerking mijner medeleden, inzonderheid mijn vriend van u, durf ik te geloven te zullen slagen.
De finantien ce parle qu'il faut commencé. Ik heb mij doen geven een staat van hetgeen op de geakkordeerde sommen mag worden uitgegeven, zo wel voor de reeds bestaande, als aan te leggene kolonien.
Ik voeg dit onder N1 hier nevens. Ik acht het van belang aan geemployeerden meer en meer te geven om van zich in de hunne werkzaamheden meer en meer te regelen, na de sommen toegestaan voor iedere soort van arbeid, en hun als het ware een heilzame eerbied in te boezemen om deze niet te over­schrei­den.
Met 3713-23 wekelijks en dit wel gedurende den tijd van 10 weken, het getal der nieuwe hoevens egter die aangelegd zullen worden is door de Kommissie slechts op 95 (behalve die der Ommerschans) bepaalt.
Ik stel voor dit getal met 14 of 15 te vermeerderen en dan de som wekelijks aan de order van den Direkteur te remeteren op ƒ 4000- te bepalen en die bepaaldelijk zondags te creëren om dat met vreemd werkvolk de kas niet ledig zijn kan, als hoezeer ik mij vleije door het bouwen van eenige oude(?) arbeidswoningen voor de zulke die thans hoevens bouwen het vereischte getal te zullen krijgen.
Ik durf mij vleijen dat deze som zal toerijken zelfs een voordeelig saldo zal overla­ten.
Zeker ontslipt het niet aan uwe opmerking dat wij volgens onze oude inrinchtingen alleen voor de 160 a 170 hoevens in de zelfde tijd ƒ 64 of 68 duizend guldens minder hebben moeten worden uitgeschoten.
De eenige zwarigheid die hier in overblijft betrekt voornamelijk hoedanig te handelen met het zaadkoorn dat de kolonisten in N3 en N2 behoeven.
De uitgave daar voor behoren gebragt te worden op het respect van schult in het bijzonder.
De geakkordeerde sommen daar op echter zijn grotendeels geabsorbeerd door de grote vertering der huisverzorgers, gelijk uit staat N2 hier bij gevoegd blijken kan. Zonder deze zou dit respect toerij­ken om in alle behoefte te voorzien.
Nu echter zoude het onbillijk zijn andere kolonisten te bezwaren om dat de huisverzorgers duur te staan komen.
Ik stel derhalve voor om te besluiten dat op de rekening van de voorschotten in het bijzonder gebragt zal worden, de uitgaven ter aankoop van zaadkoorn voor ieder huisgezin, en dat wel uit consideratie dat de oogst van aardapppelen op de kolonie N2 en N3 minder gunstig geweest is als men dat jaar mogt verwagten, en dat de Kommissie aan zich reserveert voor dat buitengewoon voorschot door eene buitengewone korting op de aanstaande oogst.
Ik durf geloven dat dat buitengewoon voorschot van zaadkoorn zal besteed kunnen worden met de ƒ 4000- wekelijks en dat geene nieuwe uitgaven zal nodig maken.
De aankoop van wagens en paarden zal voor eerst denk ik uitgesteld kunnen blijven, dan daar wij de mist op de plaats hebben.
Ik heb een dam in de scheepsloot doen werpen en denk die per vaartuig van de stapel plaats na de meeste hoevens te kunnen transporteren.
Aan de Ommerschans zal dat welligt moeijelijk zijn. Zij hebben daaromtrent het hulpmiddel der koeijen niet, mogt de omstandigheid hier in eenige verandering bieden dan zal ik die tijdig opgeven.
Anders is het gelegen met de aanmaak der gereedschappen en huisraad voor zo verre dit hier geschieden moet, dan mijn broeder zal dringend eene bijzondere aanvraag inzenden.
Ook in den Haag zullen grote uitschotten ter kleding etc moeten geschieden.
Zou het niet raadzaam zijn alle per 170 huisgezinnen te doen aanmaken.
Ter vinding der benodigde penningen stel ik voor de Heren Vlaer en Kol voor te stellen om ƒ 50,000- in onderscheidene termijnen op de geproponeer­de negotiatie voor te schieten, het welk ik mij vleije dat geen hinderpaal ondervinden zal.
Omtrent de staat van het magazijn kan ik nog niets volledig opgeven. het schijnt dat er voor circa ƒ 1800- aan kleding en daar onder veel hemden aan de kolonisten verkogt en deze som reeds op de deel betaald en verant­woord is, 't geen wij hier mede onmiddellijk bij houden, gelijk mede met de huishoudens der hoevens.
Dit kan niet zo op den duur, maar het hulpmiddel is moeijelijk.
De pastoor Muller en zijn broeder die bij hem logeert gaan voort van op allerlij wijze onze inrichting te declameren.
Ik heb nieuwe bewijzen mee ingetekend(?) in handen aan doctor Nieuwenhuys gezonden, de hatelijk­ste leugens bevattende.
Wij behoeven met die klanten zeer op onze hoede te zijn.
Ik zou in bedenking geven of wij aan de kolonisten het recht niet zouden kunnen toekennen dat indien zij zich in hunne rechten verkort geloofden, zij als dan ook hunne klagten bij der raad van policie konden inleveren en dat zo de luiaards van eenige godsdienstige gezindheid meen­den dat meer kolonis­ten de plicht van hunne godsdienst niet naar behoren vervulden, zij dan al mede zich aan die raad konden vervoegen, dat in dit geval twee leeraren, een protestantsch en een katholiek bij de vergadering zouden aansluiten, en aldaar een adviserende stem hebben.
Zijt zo goed hier over uwe gedagten eens te laten gaan.
Mij dunkt dat wij langs dien weg veel klagten zouden voorkomen en de huichelarij buiten de mogelijk stellen om de Maatschappij orde te benadeelen.
De meeste klagten tegen ons ingebragt lopen over deze punten: verwaarlozing van de godsdienst en wangedragin­gen van beambten en geemployeerden.
Beide heb ik naauwkeurig onder­zocht.
Beide zijn van alle grond ontbloot.
Na uwe opine omtrent de hoofdzaak ontvangen te hebben zal ik de Heeren hier over onderhouden, daar ik vrees dat mijn brief anders in een boekdeel veranderen zou.
Ik voeg hier nevens een brief aan de Heer Nieuwenhuys ons medelid geschreven, met eene reeks van hatelijke beschuldigingen.
Uit de gemeenza­men toon daar in voorkomende zal het u genoeg blijken dat deze van eene goede bekende zijn moet.
Ik mag daar van geen openbaar gebruik maken, maar deel u deze confidentieel mede en geef in overweging of het niet raad­zaam zijn zoude nevensgaande brief onder N3 hier bij gevoegd aan de raad van policie te schrijven met de aanwijzingen(?) echter die nodig zullen geoor­deelt worden, vervolgens in de Star te plaatsen.
Onderricht dat enige men­schen zich veroorloofd hebben de opgegevene punten van beschuldiging uit te mogen(?) en gemeent hebben deswegens het onderzoek te moeten opdra­gen aan een kommissie welker leden Zijne Majesteit speciaal gelast heeft de zaak van eene goede policie in - om de kolonien (de wijzing(?) dezer uitdruk­king zullen zij wel nader vinden) en dat wij thans het daar op beko­men antwoord mededeelen.
Dat antwoord vlije ik mij zal hoogst satisfac­toir zijn, en ons gelegenheid geven om den verlopene en bankroet gespeeld hebbende wijn koper broeder van den pastoor duchtig te troeven.
Mag ik verzoeken mij waarde vriende een en ander met onze collegas te overleg­gen, mij vooral een spoedig antwoord te doen toekomen op het voorstel wegens de grond ontginning.
Het is ongelofelijk hoe veele pogingen wederom zullen moeten worden aangewend om het zaadkoorn te korte tijd in de grond te krijgen.
Zonder dit mogen wij op geen goede oogst rekenen.
Gelieft de betuiging mijner hoogachting aantenemen beneffens de vriendelijke groeten voor onze medeleden en geloof mij,

TT
VdBosch

Geen bijlagen gevonden.
declameren = op opgeschroefde wijze spreken?



Zondag 4 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 4 maart 1821

Waarde Vrienden!

Ik heb om te voldoen aan den inhoud uwer missive van 2 dezer eerst heden morgen ontvangen, alle mijne gedienstige gister uitgezonden om te vernemen naar het bedoelde schip. Zoo even ontvang ik het rapport, dat ll. woensdag avond welk(?) ge instaande(?) het sterk ruite(?), een turftjalk, met eene menigte zielen was afgezeild.
Schipper ten Heuvel is gister morgen 4 ure aangekomen, en gister avond 5½ ure vertrokken, ik heb hem medegegeven de kist met pootaardappelen van Prof. Schrant ontvangen, benevens bijna alle de bestelde zaden.
Ik geloove voor het vervolg beter zal zijn, een Haagsche pakschuit voor menschen en goederen aftehuren. Voorts a ±ƒ40 een schipper bekend met de Blokzieler haven te engageren die in den Amstel moest anker om dadelijk uit de pakschuit de personen en goederen overtenemen, en dan dadelijk weg te laten varen. De turfschepen doen van den Haag tot hier dikwijls lange reizen, om de schutsluisen.
Komt dit schip terug dan zal ik alle mogelijke zorgen voor de passagiers nemen. Vd Heuvel die een zeer knappe zeeman is, zag echter geen gevaar, reden waarvan ik hem het Rotterd. huisgezin het mede gegeven.






Dinsdag 6 maart 1821

Uit de notulen van de vergadering der Permanente Commissie:

Op de lijst te plaatsen, als onderopziener, of als kleerenmaker, de persoon van Jakobus Werdu, oud 27 jaar, met deszelfs huisvrouw, Francisca van den Berg, oud 27 jaar, en een meisje, haar kind, Cornelia Jante Werdu, oud 5 maanden. De woonplaats is de gevulde graft 1 R. no. 422. Dit gezin heeft eene honorabel getuigschrift van Regenten van het Nederl. Hervormd Diakonie oude vrouwen en kinderhuis. 38)

Geen Werdu gevonden in de Rode Kloosterhuis. De Gevulde Graft is kennelijk de Gevulde Gracht, waarschijnlijk in Den Haag


Mrt 06 Vledder, geboorteakte, 8 maart 1821, aktenr. 8
Kind: Mozes Hoosien, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 06-03-1821, zoon van Jacob David Hoosien, beroep: arbeider; oud: 47 jaren, en Sipora Jezajas, oud: 44 jaren.


Woensdag 7 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Brief van Johannes vd Bosch aan W.A. Ockerse:

Steenwijk den 7 maart 1821

Amicissime

Ik heb gemeent nevens gaande tekeningen per beurtschip te verzenden, maar het eene ligd te Amsterdam, het andere te Blokziel, zo dat daar na nog lang gewagt worden kan en ik ben dus verplicht, daar de zaken spoed vorderen, van de post gebruik te maken. Gelief bij de vergadering mijn orgaan te zijn.
Plan N1 toont aan de platte grond en opstand van het logement zoals Oosterlo voorsteld het zelve te bouwen en zou dan komen onder een verdieping en 12 schone kamers hebben met een kruisgang, er moet bovendien een schuurtje gebouwd worden voor 20 paarden. Om ons logement in de opgegeven staat te brengen wordt gevordert ƒ4000-- met de schuur. Schuttelaar wil in dat geval ƒ900- jaarlijks verwonen(?) mits men deze jaar de Kommissie het recht(?) hebben tegen betaling van ƒ510 jaarlijks voor iedere kamer en zich tot het getal van tien(?) voor te behouden, dat een groot voordeel zijn zou om eenige geemployeerden te logeren die zeker bij een verdere uitbreiding zullen moeten worden gehuisvest.
Het plan N2 A toont aan de platte grond van het logement zo als dat nu is. Twee nieuwe kamers en twee kabinetjes o, ja(?) zouden daar bij gemaakt worden welke nu als stal gebruikt worden.
Het plan N2 B toont aan de beide(?) verdieping. De kamers 9 ev(?) zouden daar bij gemaakt worden en als dan zouden er zes schone bovenkamers en 8 benedenkamers gehouden worden. N2 C toont den opstand aan. Het logement op deze wijze verandert zou ƒ2000- kosten, met de stal ƒ3150- en in dat geval ƒ800 aan huur doen, daar dan de Maatschappij alleenrecht behoud op eene beneden en desnoods een bovenkamer. Het eerste plan was het betere, het laaste kost minder en zal spoediger klaar zijn. Zo als het nu is kan het niet blijven, want de nering verloopt. Geheel niemand wil er logeren. Wij zouden dus het rendement van een goed effect verliezen.
Zijt zo goed mij de uitslag der deliberatien spoedig te bedeelen. Ook zou het mij aangenaam zijn als Oosterlo eenig geld kan bekomen. Hij maakt anders niet voort en op het einde zoude hij er mede gestopt zetten.
Met genoegen verneem ik de beterschap van Tullman(?) Sitantje(?). Ontvang benevens de Dames mijne hartelijke groeten. Geloof mij.

TT
VdBosch

De kolonisten worden thans van de Kuindert afgehaalt. Zij zullen geen loflied zingen op de burgemeesteren van den Haag. Heb gij ooit zulk weer gezien. Die maart een lentemaand genaamd heeft was niet bij zinnen.


Ingekomen post invnr 56. Brief van Benjamin vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 7 maart 1821

Ik heb de eer de Permanente Kommissie de receptie harer missive van den 28 feb. en van den 3 dezer en der mandaten no.638 en 639 ieder à ƒ1000 voor lopende uitgaven in de kolonien en no.646 à ƒ720 in voldoening van 2000 pond wol, ordre den Heer J.J. van Coevorden, te accuseren.
Gisteren is er van de Kuindert bericht ontvangen, dat de uit S'Hage gezondene kolonisten aldaar zijn binnen gelopen, en zo goed mogelijk zijn gehuisvest geworden, en van het nodige voorzien. Een onder-officier met acht wagens is dadelijk derwaards gezonden, en nog heden avond zullen dezelven hier kunnen aankomen. Ik zal de Permanente Kommissie, bij een volgenden daar van nader verslag doen.
De beide jongens van het Hoogeveen, Gerrit Molen en Janus Kruik, die op den 8ste january ll. zonder toestemming de kolonie Willemsoord hadden verlaten, en door gerechtsdienaars waren terug gebracht, zijn door den Raad van Toevoorzicht verhoord en door den zelve naar de Raad van Policie verwezen, die den eerstgen. Gerrit Molen voor een jaar de Ommerschans doet transporteren, en den laatstgen. met eene ernstige correctie in vrijheid steld. Copij van het vonnis zal mede per eerst gaande post aan de Kommissie ingezonden worden.
De op nieuw invallende vorst is even streng als onverwacht, verhindert geheel de veldarbeid en zet ons veel terug. Het winterkoorn leid andermaal zeer veel en aanzienlijke partijen aardappelen zijn, of geheel of gedeeltelijk bedorven.
Veel minder hebben de aardappelen van de kolonisten, dan die der Maatschappij geleden.
De huur in producten betaald, heeft eene zeer aanzienelijke kwantiteit aardappelen zamen gebracht, die onder toezicht van den onder-directeur bij zijn huis gekuild zijn. Overeenkomstig de daar van ontvangene bepaling, 100 schepels in iedere kuil. Bij de opening zijn eenige partijen aardappelen vrij goed, andere gedeeltelijk, en de overige door verbroeijing bedorven gevonden. De vorst had er geen nadeel aan toegebracht. Ik heb zeer veele landbouwers gevraagd, door wat toedoen deze aardappelen zoo veel geleden hadden, en hunnen antwoorden en oplossingen kunnen voor weinig voldoende gehouden worden, dewijl zij elkander regtstreeks tegen spreken. Daarin alleen kwamen zij overeen, dat de aardappelen van sterk gemeste gronden, zo als bijvoorbeeld de stratendrek, niet wel lang konde bewaard worden, doordien zij vurig, en veelal hol en met water gevuld waren en dat de eene den anderen aanstak en spoedig tot bederf deedt overgaan. Een kundig buitenman heeft mij meer voldoende redenen gegeven. Wanneer men aardappelen bij aanzienlijke partijen kuilen wil, moeten deze kuilen van onder naauw en van boven wijd uitlopen en op zodanige kuil moet eene pomp, of kleine schoorsteen van pannen gemaakt worden, die de lucht doorlaat, en den aardappelen voor alle bederf bewaart, en de goede smaak niet vermindert. Bij de strenge vorst blijft deze opening ongedekt en de aardappelen wasemen zoodanig uit, dat onder de opening zelf, geen enkelde zal bevriezen. Dat de kolonisten in evenredigheid slechts zeer weinig bevroren hadden, zou ontstaan zijn door dien zij deze kuilen van tijd tot tijd moesten open maken, om eenige voorraad voor de dagelijksche consumptie te bekomen. Ik heb van zodanige voorzorg nimmer gehoord, of gelezen en dezelve schijnt nog weinig bekend te zijn. De boeren weten alleen, dat bij lang aanhoudende winter, zij gewoonlijk veel bedorven aardappels hebben, en dat zij de kuilen vroeg moeten openen, om er de bedorvene uittenemen, en de overige op eene andere plaats over te brengen. Daar wij met sorteren bezig zijn, kan ik de Kommissie eerst na eenige dagen, het juiste getal schepels opgeven. Het is mij zeer onaangenaam haar deze ongunstige uitslag te moeten berichten. De andere kolonien, veel minder voorraad hebbende dan no.1, hebben weinig of niets geleden.


Uit het brievenboek:

De Generaal J. van den Bosch. Kennisgevende van het protesteren van eenige geërfdens van het Steenwijkerwouder heideveld tegen den afstand van het laatst gekochte deel, en van hun adres aan Z.M. omtrent de handelwijze der M. in deze. Stelt voor van hen eene scheiding te vorderen, der met hun in gemeenschap toebehorende gronden. 19)



Donderdag 8 maart 1821

Ingekomen post invnr 56 scan 544. Brief van de suncommissie Utrecht over Kniesenburg. transcriptie





Zaterdag 10 maart 1821

Uit de notulen van de vergadering der Permanente Commissie:

De Heer v.R. ... pponeert te besluiten, gelijk besloten worde bij dezen, dat, dewijl het respekt van voorschotten in het bijzonder van de kolonien no.2 en 3 geen genoegzaam fonds oplevert om daar uit het noodige zaadkoorn voor de daar gevestigde huisgezinnen aantekopen en dewijl de oorzaak, waar door dit respekt reeds voor een groot gedeelte geabsorbeerd is, daar in moet gezogt worden, dat de huisgezinnen van kinderen onder toezigt van huisver­zorgers over het algemeen zeer veel schuld gemaakt hebben, en dewijl de overige kolonisten in billijkheid niet behoeven te lijden door de groote vertee­ring der huisverzorgers, en dewijl de min gunstig uitgevallen oogst van aardappelen in die kolonien geen ander middel overlaat om in die behoeften te voorzien, heeft de P.K. besloten van het respekt voorschotten in het bijzonder voor die kolonien voor ditmaal, en zonder eenige konsekwentie voor het vervolg zal mogen worden overschreden met zoodanige somme als de aankoop van zaadkoorn noodig maken zal: terwijl de P.K. zich reserveert om dit buitengewoon voorschot door buitengewone korting bij de aanstaande oogst in de kas der Maatsch. te doen restitueeren. Besloten van dit besluit kennis te geven aan den Direkteur.

Besloten, "de P.K. overwegende dat, hoezeer de Maatsch., noch ook de kolonisten, niet kunnen worden geacht verpligt te zijn bepaaldelijk tot de traktementen der geestelijken hunner gezindheid in de gemeenten, waar de kolonien gevestigd zijn, te kontribueren, echter het gebruik 't welk de kolonis­ten maken van de gebouwen ter godsdienstoefening geschikt, en van de begraafplaatsen, als mede het onderwijs, 't welk zij en hun kinderen ontvan­gen, den bijstand en de zorgen die de geestelijkheid hun verleent, het billijk maken dat de kolonisten, elk ten opzigten zijner godsdienstige gezindheid, iets toebrengen tot de kosten in 't algemeen te uitoefening der godsdienst noodzakelijk, heeft besloten, (a) aan elke hoeve, die in eene kolonie bewoond wordt, opteleggen de betaling van ééne gulden en 50 centen per jaar, integaan 1 april aanstaande, (b) deze opbrengst uit de doen keren aan het Kerkbestuur van de gezindheid, waar toe de bewoners behooren, in de gemeente, waar de hoeve gelegen is: of, zoo er in die gemeente geene kerk van die gezindheid bestaat, in de gemeente, waar de kolonisten parochiee­ren, (c) de P.K. neemt op zich de zorg, dat elke drie maanden door den Direkteur wegens de gemelde opbrengst met de verschillende kerkbesturen wordt afgerekend en het verschuldigde montant uitbetaald: (d) de belasting van ƒ 1" 10 st. per hoeve zal op den oogste aan de kolonisten worden gekort, telkens voor het geheele als dan lopende jaar. Van dit besluit zal kennis gegeven worden aan den Direkteur, en ook aan de kolonisten.

De P.K. gezien de staat der schulden der huisverzorgers in de reeds geves­tigde kolonien, en zoo veel mogelijk willende zorgen dat dezelven niet tot eene zoodanige hoogte stijgen, heeft besloten (a) de wijkmeesters zullen in het vervolg geen vast traktement genieten, (b) aan hun zal daartegen worden uitbetaald 20 cent voor ieder gewoon huisgezin welke verdiensten 5 guld. en daar boven wekelijks bedragen, en 30 centen voor ieder huisgezin van wezen waar van de verdiensten 6 gulden of daar boven per week bedragen, (c) wanneer de verdiensten minder mogten bedragen, zal aan hun voor zoodanig huisgezinnen niets worden uitbetaald, (d) ingeval de wijkmeesters mogten vermeenen dat eenig huisgezin van wezen te zwak was om die som te verdienen, zullen zij aan den Direkteur mogen verzoeken de indeeling bij hetzelve van een of meer kinderen, en de Direkteur zal dit verzoek aan de P.K. voorstellen, met bijvoeging van zijn advijs; (e) deze maatregel is op alle te vestigen kolonien toepasselijk gedurende de eerste 2 jaren na dezelver vestiging, en op de reeds gevestigde gedurende een jaar, te rekenen van 1 april aanstaande.

Besloten het besluit der P.K. omtrent de kerkentaken medetedeelen aan den Heer P. Ameshoff te Amsterdam, ter beantwoording zijner missive omtrent de godsdienstuitoefening in de kolonien. 38)



Maandag 12 maart 1821


Ingekomen post invnr 56. Brief van Benjamin vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 12 maart 1821

Ik heb de eer, de Permanente Kommissie, den ontvangst harer missive van den 8 dezer no.15 en den beiden mandaten no.647 en 648 ieder à ƒ1000- te berichten.
De uit S'Hage gezondene kolonisten zijn den 8 dezer hier aangekomen. Ik heb de mutatien daarvan doen opmaken, ten einde dezelve bij deze, met de ontvangen stamlijst, aan de Kommissie te kunnen doen toekomen. In de aanmerkingen zijn de personen vermeld, die achter gebleven zijn. De drie huisgezinnen op Willemsoord ingedeelt, hebben de nommers der woningen niet gemeld. Bij een volgende zal zulks behoorlijk geschieden. Met den gewezen sergeant major Fleischer heb ik mij eeniger mate verlegen gevonden, dewijl hij voor den veldarbeid zeer weinig geschiktheid heeft, en geen kolonist zodanige ingedeelde verlangt, vooral wanneer het zelfs geene vrijstelling van huur geeft. Ik heb gen. Fleischer dus bij den sergeant Schnatz gelogeerd en daar hij eene vrij goede hand schrijft, zal ik zien hem bij de nieuw aanteleggen kolonien te employeren, wanneer dit namentlijk de goedkeuring der Kommissie verdient.

- over Anthony Jan Vorstman. transcriptie

Nog zijn heden gearriveerd twee koloniale huisgezinnen, als Nicolaas Hendrik van der Rijden, vrouw en 6 kinderen, benevens een armen jongen, uit Rotterdam en Johannes Hermanus Kniesenburg, met vrouw en 3 kinderen, van Utrecht. Deze beide huisgezinnen hebben provisioneel in Steenwijk moeten blijven, dewijl er geene koloniale woningen meer open zijn, maar reeds 2 huisgezinnen te veel zijn overgekomen. Heden zal men schikkingen maken, om gem. huisgezinnen te logeren.
Het schip met kleeding en huisraad is, mede eerst heden aangekomen, weshalve men bij den aankomst der Haagsche huisgezinnen, door aankoop van goederen in de dringendste behoefte heeft moeten voorzien.
De gewonen maandelijksche verantwoordingen zouden reeds zijn ingezonden, wanneer er niet een nadeelig saldo van ruim ƒ100 bestond. Wanneer het niet kan gevonden worden, zou het mij aangenaam zijn, dezelve aan het bureau te S'Hage naauwkeurig nagezien wordt. Mijne bezigheden op het veld noodzaken mij veel op anderen te laten aankomen, dat voor mij somtijds onaangename gevolgen heeft. In de verantwoording van januarij is ƒ50- te veel te mijnen laste gebracht. Op die van december staat "posten waar voor een mandaat moet worden gecreëerd ƒ4317=20". De Heer Reese heeft deze som op de verantwoording van januarij verkeerd overgebracht, en daar voor ƒ4367:20 gesteld. Het zou mij aangenaam zijn, wanneer de Permanente Kommissie, dit zo bevindende, de goedheid hadt het te doen verbeteren.





Woensdag 14 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Brief van Benjamin vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer, aan de Permanente Kommisie hier bij in te zenden
1. De maandelijksch verantwoordingen van gelden van alle de kolonien, steenbakkerij etc, over de maand februarij 1821. Bij mijne voorgaande nam ik de vrijheid de Permanente Kommissie te berichten, dat de Heer Reese het saldo der posten waar voor een mandaat moest worden gecreëerd op primo january abusievelijk ƒ50- te hoog heeft overgebracht. Het saldo van december was ƒ4317.20. Op januarij is daar voor gebragt ƒ4367=20- en vriendelijk te solliciteren dit abuis te willen doen verhelpen.
2. De wekelijksche ontvangsten en uitgaven. Zo van mij zelve, als van de verscheidene kolonien. De rapporten van aangemaakte mist.
3. Een paket mij door den Heer van Roijen overhandigt.
Ik ben zo vrij ook mijn verzoek te herhalen, dat de Kommissie voor de posten, waar voor een mandaat moet worden gecreëerd, mij een gelieve te doen toekomen.

Het pakket van Van Roijen bevat koopcontracten en een staat van verhuurde goederen.


Uit de notulen van de vergadering der Permanente Commissie invnr 38:

Generaal vd B. Steenwijk, 7 maart. Inzendende 2 verschillende plans ter bouwing van de herberg in Frederiksoord.
Besloten te schrijven, dat de keus der P.K. zich bepaald heeft tot no.1 ƒ4000,- en dat de P.K. het kontrakt van aanbesteding zal verwachten. 38)


Ingekomen post invnr 56. Brief van de subcommissie Bolsward aan de Permanente Commissie. transcriptie


Donderdag 15 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 15 maart 1821

Mijne vermeening wegens minder kostbaarheid van expeditie per pakschuit was voornamenlijk op de voeding gegrond, alzoo ik gelove dat langs die gelegenheid het traject niet langer dan 2 a 3 dagen kan zijn, en welligt met een tjalk binnen door, langer.



Vrijdag 16 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Brief van Johannes vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Steenwijk 16 maart 1821

Geeerde Medeleden!

Er heeft in de kolonie N1 een zeer nadelig geval plaats. Bosch gedraagd zich niet alleen bij voortduring zeer slecht, vordert bij voortduring om te mogen vertrekken en stookt anderen op, zodanig dat verwijdering volstrekt noodzakelijk is.
De schobbejak heeft gedurende nieuw(?) het jaar meer dan ƒ900- aan inkomsten gehad, ongerekent zijne veldvruchten en de opbrengst zijner koeijen, heeft sedert hij onder curatele gesteld is ƒ50- aan klederen gehad, geniet een gulden steets(?) meer als een ander en echter ziet het in zijn huis er uit als in een varkensstal.
Hij schrijft allerwegen brieven die rond doen geloven dat de armoede die hij geleden heeft en nog leid alle palen te buiten gaat. Niets zoude nu noodiger zijn dan hem te brengen voor de Raad van Policie en hem naar de Ommerschans te zenden.
Maar zijn vrouw is ziek en kan althans per as niet getransporteerd worden.
Wat het ook koste mogen, moeten wij ons onverwijld van deze famille ontslaan.
Ik stel derhalve voor die man voor den Raad van Policie te brengen en hem met zijne famille in een toe vaartuig naar de Ommerschans te zenden.
Ik moet het herhalen: de omstandigheden zijn dringend.
Krijgt hij er lucht van dan ontsnapt hij naar Amsterdam en wij zullen veel verdriet van die kaerel hebben.
Gelooft mij derhalve zo mogelijk met ommegaande uwe mening dien aangaande te doen weeten.
De beschuldigingen tegen hem zijn zo menigvuldig en gegrond dat hij zeker gecondemneerd word.
Ik heb grond om te vermoeden dat hij uit Amsterdam word aangemoedigd om te vertrekken. Ik voeg hierbij zijn brief aan mij. Oordeel over de triomph onzer tegenpartij indien zij met zulke voorwerpen konden rondwandelen en als een bewijs der onzedelijkheid tevens op het onechte kind zijner dochter wijzen.
In grote haast heb ik de eer te zijn

UWEd DWDienaar en medelid
J. vd Bosch
Mag ik de brief terug verzoeken om dat die zal moeten dienen bij de Raad van Policie.

Geen brief van Bosch gevonden.

Uit het brievenboek:

De Generaal J. van den Bosch. Meldt de goede voortgang der werkzaamheden. Verzoekt de monsterschuit te vragen, tegen den 28sten dezer te Zwartsluis. Meldt de ongeschiktheid en de neiging van het aangekomen huisgezin van Rotterdam, tot den veldarbeid.

De Direkt. B. van den Bosch. Accuseert den ontvangst van het mandaat van Couverden; vragende voor hem nieuwe remise. Verzoekt terugzending van rekenigen en authorisatie tot derzelve betaling. Voorts authorisatie tot aankoop van koeijen. En approbatie op zijn voorstel omtrent den kolonist Hovie. Meldt het gebrek aan kleedingstukken in kol. no.1. Verzoekt de bepaling omtrent de huisgezinnen van Wals en Weender. Berigt met de ƒ2000 s'weeks voor de bepaalde werkzaamheden niet toe te kunnen komen. 19)


Notulen van de vergadering der Permanente Commissie invnr 38. Over Hoofien. transcriptie:




± Maandag 19 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Brief van Johan Henrich Horst aan de Permanente Commissie:

Aan de Agtbare en Hoogmoogende Heeren der Hoogetienerzie(?) van Weldadigheid in den Haag, Hoogmoogende Heeren

De Burgemeesteren der stad Leeuwarden zenden meij tot Uw Ed. om een postjen in de colonies te Frederiksoord te verzoeken der halven ik meij in perzoon beij UE te begeeven om het geen ik van den landbouw weet te beantwoorden. So vieldemeer terwijls de Heer van den Bos captein dierecteur mij gezegt heeft den landbouw de moeten verstaan.

Een dit is mijn eigen handig schrift
UE Ootmoedigste Dienaar

Johan Henrich Horst

De vrouw met de twee kinderen zijn de Leeuwarden gebooren, en verkeeren dans de Groningen in een zeer aarmmoedigen tuistoestand.
Geen van ons vier heeft weerk.

Deze brief is geschreven in een afschuwelijke hanepoot. Johan Henrich Horst is op 11 juli 1822 geplaatst als huisverzorger in Wilhelminaoord. Hij had als militair in Leeuwarden gediend en was verder kleermaker en onderopziener. Van hem is een dochter bekend. Zij is later getrouwd met een zoon van kolonist Molewijk.



Dinsdag 20 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Brief van Benjamin vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Ik heb de eer de Permanente Kommissie de receptie harer missive van den 15 dezer en der beide mandaten no.657 en 658 ieder à ƒ1000 te accuseren.
Wanneer het de Kommissie convenieerde mij s'wekelijks meerder gelden te doen geworden, dan zou ik in staat gesteld worden, hare belangens werkelijk te bevorderen.
Reeds in het najaar heb ik de Kommissie geinformeerd, hoe nuttig en voordeelig het ware, dat de gronden die dit jaar tot cultuur gebracht zouden worden, zo spoedig doenlijk, en wel zo mogelijk voor de winter, bearbeid wierden, en heb de vrijheid gebruikt daarop van tijd tot tijd terug te komen.
De Permanente Kommissie heeft dan ook de goedheid gehad, mij in staat te stellen daar aan gedeeltelijk te voldoen, en ik houde mij overtuigd, dat de goede gevolgen daar van spoedig zullen zichtbaar worden.
Dan het geen nog te verrichten blijft, vordert de meeste spoed, zal het behoorlijk aan de intentie en de verwachting der Kommissie beantwoorden.
De grond met zwaar veen bezet wordt 2, 3, ja somtijds meer voeten diep gedolven, dewijl het zand dat onder zit, boven op de veen grond moet gebruikt worden, terwijl een gedeelten van het veen, aan lange smalle rijen om verbouwd te worden, daarop gelegt wordt.
Naar mate deze koude ondergrond later boven komt, en het veen minder aan de droogte blood gesteld wordt, zal de vrucht minder tieren en de bemisting minder gunstig zijn.
En hoewel ik mij overtuigd houde, dat de Permanente Kommissie niet altijd gemakkelijk aan alle dergelijke aanvragen kan voldoen, zo heb ik, van het gewigt der zaak overtuigd, gemeend hierop nogmaals te mogen terug komen.
Voor het overige is de veldarbeid in alle de kolonien met moed hervat, en bij een gunstig jaar durf ik een zeer gunstige uitslag verwachten.
Onder nadere approbatie der Permanente Kommissie heb ik hier aanbesteed, het maken van 700 stoelen, 100 kasjes, en 100 tafels. De eerstegen: tegen 15 stuivers t stuk, de tweede tegen ƒ4-50 en de tafels tegen ƒ3.
De stoelen kennen wij bij ondervinding en kunnen in deugdzaamheid, het tegen die uit S'Hage gekomen zijn, en met het transport mee 10 stuivers hoger komen, zeer goed volhouden.
Zo dat voor 100 huisgezinnen in dit artikel eene bezuiniging ontstaat van ƒ350-.
Op den kasjes zou ƒ75 en op de tafels ƒ175- geprofiteerd worden en dus te zamen ƒ600- bedragen.
Ik heb van ieder een monster doen gereed maken, die tegen de vroeger ontvangene zeer wel kunnen volhouden.
Ik geloof dat hierin nog meerder bezuiniging te maken was, wanneer men het hout van de zaagmolen deed komen, en gedurende de winter, wanneer de daglonen bijzonder laag zijn, daar aan de kolonisten, en anderen die werken.
Een der onlangs uit S'Hage gekomen huisgezin verlangt dringend de kolonie te verlaten. Vergeefs heb ik beproefd hen daar van terug te brengen.
Geene schulden nog hebbende, heeft den 2 asessor mij gezegd dat daar aan kon worden voldaan. Ik heb verlangd dat den gen. kolonist mij zijne aanvrage schriftelijk inzond, en leg dezelve hier bij over.
Mondeling heeft hij mij gezegd, dat zijne kinderen, van het roggen brood ziek wierden, zijnde zij brood van beter kwaliteit gewoon.
Ook in no.3 is een, uit Rotterdam gekomen, huisgezin, dat gaarne wil terug keeren. De 2 assessor zal daar over aan de Kommissie geschreven hebben.
Met werkzaamheden overladen, zal hoop ik, deze met toegevendheid door de Kommissie worden ontvangen.

Geen verzoek van ontslag gevonden.



Donderdag 22 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Brief van Benjamin vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 22 maart 1821

Ik heb de eer de Permanente Kommissie te informeren, dat op gisteren in de kolonie is aangekomen Hette Ros van Leeuwarden, oud 8½ jaar en ingedeelt is geworden bij de weduwe Weender, dewijl dit kind voor het huisgezin van de Kruif even weinig geschikt was, als den voor eenige dagen aangekomen jongeling Vorstman van Delft, over wien ik reeds vroeger aan de Kommissie geschreven heb.
Ik ben derhalve tot nog toe buiten staat, om ingevolge de intentie der Kommissie, het bovengem: huisgezin van de Kruif een, voor het zelve geschikte jongeling, te bezorgen.
Ook de kolonist Ter Smetten, heeft mij met nog eenige anderen, dringend om een ingedeelde gevraagd.
Wanneer de Permanente Kommissie, mij eenige jongelingen, van boven de tien of twaalf jaren kon toeschikken, zo zoude daar door aan het verlangen van sommige oppassende huisgezinnen voldaan, en hen een gewigtige dienst bewezen worden.
Ik heb andermaal eenige rekeningen ontvangen, ten bedrage van ruim ƒ400 en voornamenlijk het magazijn regarderende.
Vroeger zond ik er verscheidene aan de Kommissie in.
Ik wierdt gedwongen dezelve terug te verzoeken, en tevens authorisatie en contanten tot de voldoening derzelver te vragen.
De Kommissie houde het mij ten goede dat ik nogmaals daarop terug kome, dewijl de gevolgen daar van thans onaangenaam worden.
Ook moet ik de vrijheid neemen, de Kommissie andermaal vriendelijk te solliciteren, mij de opgave te willen doen geworden, van al het geen, zo door de Kommissie als door den Heer Ameshoff voor kolonie no.2 en no.3 naar herwaards gezonden is, ten einde te kunnen verifieren, in hoe verre gem. kolonien daarmede zijn belast geworden en op de grootboeken te kunnen inschrijven het geen daar op niet is gebracht geworden en eindelijk dat de Permanente Kommissie mij een mandaat gelieve te doen toekomen voor zodanige posten waar voor volgens mijne laatst ingezondene verantwoording een mandaat moet worden gecreëerd, en daar dit reeds verscheidene duizenden bedraagd, zo heb ik reeds verscheidene malen de vrijheid genomen daarom bij de Permanente Kommissie te verzoeken.
Bij de verantwoording van gelden van december of january is een brief gevoegd, waarin ik ten aanzien van de gelden door kolonie no.3 in ontvang genomen, boven 't geen ik van mij hadde ontvangen, en waar voor eigentlijk een mandaat had moeten gecreëerd worden, eenige bepalingen heb verzocht, en waar aan ik bij deze al mede de vrijheid neem te herinneren.
Omtrent eenige latere voorstellen, als aangaande het huwelijk van de dochter van Bodestaf, de schulden van de weduwe Weender, de ingedeelde van de Wals, de aankoop van een koe voor Visser, en eenige anderen etc. zal het mij mede zeer aangenaam zijn de decisie der Kommissie te mogen vernemen.
De Kommissie had de goedheid mij bij den hare van den 15 dezer te berichten, dat bij een volgenden, op den mijne van den 12 zou worden geantwoord, het geen mij ook mede zeer aangenaam zijn zal.
Wanneer de Kommissie mij hare decisie, omtrent de onlangs ingezondene rekening, van de advocaten Homan en van Lier, heeft doen kennen, zou ik de huur van het logement, waar tegen de kastelijn deze wilde verrekenen, kunnen ontvangen.
Wanneer de Permanente Kommissie de goedheid wilde hebben, mij omtrent het bovenstaande hare decisie en bepalingen te doen kennen, dan zal ik daar door hare belangens kunnen bevorderen, en mij zelve vele moeijelijkheden kunnen uitwinnen.
De weinige ogenblikken die ik aan de correspondentie thans kan besteden, zullen hoop ik het gebrekkige in deze, eeniger mate verschoonbaar maken.



Maandag 26 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 26 maart 1821

De kommissie van de gewapende dienst heeft veel belang om in de Ommerschans eenige inwoners van het invaliede huis te plaatsen. Ik vertrouwe dat een gesprek met den graaf van Stijrum noodzakelijk zij.


Ingekomen post invnr 56. Uit een brief van adjunct-directeur Visser aan de Permanente Commissie:

Ik neem de vrijheid andermaal den Heer Everts aan uwe attentie te adviseren; den man bevind zich in eene onaangename positie, als hebbende niet het minste van te leven. Eenige onderstand welke ik hem reeds voor mijn eigen rekening gedaan heb, is niet genoegzaam om langer in zijn volstrekte behoefte te voorzien. Ik ben niet genoegzaam met het gepasseerde bekend om sterk bij UWEdGestr. te durven aanhouden, ten einde de decisie der Permanente Kommissie te zijner behoeve te bekomen; dan daar het mij toch voorkomt dat zij wel van intentie is om Everts eenig salaris toeteleggen, dunkt mij dat ik wel geauthoriseerd kon worden hem daarop eenige uitbaetaling bij wijze van voorschot te doen.


Ingekomen post invnr 56. Brief van de subcommissie Den Haag aan de Permanente Commissie:

De subkommissie van Weldadigheid te SGravenhage, ofschoon zeer verontwaardigt zijnde, over de handelswijze van J. Bovenlander, vermeend dat er geene redenen aanwezig zijn, om zijn verzoek van de hand te wijzen, weshalven zij, de Permanente Kommissie in bedenking geeft, om den voorn. persoon te ontslaan, zonder nogtans te willen bijdragen in de kosten op zijne terugreis naar SGravenhage lopende. De subkommissie heeft wijders de eer, de aan haar toegezondene missive van opgem. Bovenlander aan de Permanente Kommissie terug te zenden.

De subkommissie voornoemd
J.A. van Loon van Burgh, secretaris.

Bijgevoegd:

Frederiksoort den 18 maart 1821

boovelander verzoek om zijn ontslag want ik ken dat land werk niet doen ik leg alledaage in ongenoegen met mijn vrouw want ik ben het goed gewend kheb mijn gereedschap in den haag te bewaaren gegeven en ik kan dadelijk mijn brood weer verdienen want ik ben bekwaam voor mijn werk daar de kommissie naar verneemen kan ik heb het laaste gewerk heb bij Stroebel in het maalie straatje en bij franse in depoote over de koedelstraat om dat ik nog wat in de schuld en ben zoover zoek ik om hoe eerder hoe leiver hier vandaan tekoomen want ik kan met mij vrouw geen huis houden die zegt het is met haar genoegen nooit geweest en ik moet het alle dagen hooren dat is voor mijn niet pliezierig

Johannes Boovelander



Woensdag 28 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Brief van Benjamin vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 28 maart 1821

Bij mijn voorgaande heb ik reeds de Permanente Kommissie de receptie der beide mandaten no.659 en 660, mij bij hare missive van 20 maart no.63 gezonden, naar ik meen geaccuseerd.
Ik heb de eer haar te informeren, dat ik nog daarenboven op den 21 maart eene wissel van den 2 assessor groot ƒ1000. heb ontvangen, en dat ik op heden andermaal eene gelijke som heb bekomen op twee wissels ieder à ƒ500-, welke gelden door mij in deze maand zullen worden verantwoord.
Deze ontvangsten zijn bijna alleen tot de lopende uitgaven gebruikt geworden.
Slechts twee rekeningen, als een voor geleverd vlas, en een voor verwloonen, te zamen ruim ƒ700- heb ik daar van voldaan, dewijl men geen langer uitstel wilde toestaan.
Er zijn dus nog vele rekeningen te betalen. Die voor geleverd vlas zullen nog circa ƒ700- bedragen.
Wanneer het de Kommissie mogt convenieren, zou het mij aangenaam zijn daar voor de nodige gelden te ontvangen.
Het hier bijgevoegde proces verbaal, is mij heden morgen geworden.
Ik neem de vrijheid de Permanente Kommissie te solliciteren, dat zij mij daar omtrent hare meening gelieve te doen kennen, dewijl de gevolgen van eene zeer serieusen aard zoude kunnen zijn.
Gaarne zou ik tevens gem. proces verbaal terug ontvangen.
De uit Denemarken gekomen reisigers zijn heden naar een verblijf van zes dagen terug gegaan.
Zij hebben hunne bijzondere tevredenheid over de geheele inrigting en de bekomene inlichtingen betuigd en waren in het geheel ten uiterste voldaan.

P.S.
Het huisgezin van Koppejan wenscht zeer dringend de kolonie te mogen verlaten.

Geen proces-verbaal gevonden, maar op de achterkant van de brief staat het volgende:

Zendt in proces-verbaal wegens het toeeigenen van zeker pakje door de huisv. van P. Stahl, behorende aan de jongeling J. Visser, met verzoek om de bepaling der P.K. in deze.

Pieter Stahl (7-1-1772 - 14-8-1833) was kolonist in Willemsoord. Hij was afkomstig uit Enkhuizen, maar geboren in Duitsland. Hij had een vrouw en zes kinderen. De jongeling is waarschijnlijk Jan Visser (geb. 1810) uit Utrecht, die van 1820 tot september 1822 in Willemsoord bij C. Vernouw was ingedeeld, tot hij niet terugkeerde van verlof. Van de 'affaire' is in de Rode Kloosterhuis niets te vinden. Wel staat er dat Pieter Stahl kennelijk niet veel van regeltjes moest hebben. Zo had hij clandestien zijn schoonmoeder naar de kolonie gehaald en in 1826 werd hij beschuldigd van het ontvreemden van veldvruchten. Beide zaken bleven overigens zonder gevolgen voor hem.



Donderdag 29 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. J.M. Schrant meldt het gevraagde zaad Saint forin te kunnen bestellen. Hij stuurt daarbij een monster, bestaande uit een pak zaadjes met een touw er om heen. Dit monster is nog bij de brief ingesloten.


Ingekomen post invnr 56. Brief van de commissaris-generaal van oorlog aan de Permanente Commissie:

Brussel den 29 maart 1821

De missive van UHEGestrenge van den 28 december ll. no.77/12 heb ik in der tijd ontvangen en ik zoude dezelve reeds voorlang beantwoord hebben, ware ik niet in de noodzakelijkheid geweest, ten einde, in deze, met kennis van zake te handelen, nopens den gewezen adjudant onderofficier Boij welke het onderwerp van voormelde missive uitmaakt, renseignementen intewinnen, welke mij in de gelegenheid konden stellen, om aan uw verlangen, te dien opzigte, te voldoen.
Door het ontvangen derzelve vind ik mij thans in staat, UHEG te informeren, dat de gewezen adjudant onderofficier Boij den 1e november ll., bij expriratie van den dienst, gepasporteerd is, door dien het niet doenlijk was, eenen zoo belangrijken post, als die van adjudant onderofficier, waaraan zoo meenigvuldige werkzaamheden verbonden zijn bij eene afdeeling infanterie, als het ware, permanent vacant te laten.
Daar de voormelde adjudant onderofficier gehuwd is, wordt het zeer twijfelachtig - om niet te zeggen, bijkans onmogelijk - hem met der tijd, tot een avancement in aanmerking te doen komen, en, uit dien hoofde, mag men veronderstellen, dat hij, hierop opmerkzaam gemaakt zijnde, en aangezien de post, met welken hij, bij de kolonie frederiksoord, belast is, hem een toereikend bestaan oplevert, dit bestaan, tot welzijn van zijn huisgezin, boven den militairen stand, zal verkiezen.
Ten gevolge van deze consideratie, is het mij geraden voorgekomen, UHEG in bedenking te geven, of de gewezen adjudant Boij, indien aan zijn verlangen werd voldaan, zich zelver niet hoogstens zoude benadeelen, en of het, voor hem niet verkieslijker zoude zijn, in zijne tegenwoordige betrekking, te volharden, dan wederom, als adjudant onderofficier, bij eene der afdeelingen infanterie, te worden ingedeeld; hetgeen hem, als dan, zijne tegenwoordige functien, als boekhouder bij de kolonie frederiks-oord, onvermijdelijk zoude moeten staken.
Het zal mij bijzonder aangenaam zijn, alvorens op het verzoek van de gewezen adjudant onderofficier Boij te disponeren, door UHEG te worden geinformeerd, of de meergemelde persoon, na dat hem, het voorgaande, zal zijn bekend gemaakt, in zijn verlangen blijft persisteren, ten einde als dan, aan het zelve, gevolg te kunnen geven.

De Commissaris Generaal van Oorlog.

avancement = bevordering


Brief van Johannes vd Bosch aan Prins Frederik:

S Hage, 29 maart 1821

Koninklijke Vorst en Heer!

Ik heb met de zorgvuldigste aandacht nevensgaande memorie onderzocht en overwogen, en ik veroorloof mij, Uwe K.H. het resultaat daarvan met die vrijmoedigheid, tot welke de bewustheid eener strikte onpartijdigheid aan­spoort; mede te deelen.
De schrijver van die memorie meent hoofdzakelijk de uitbreiding der kolonisatie te bespoedigen en gemakkelijk te maken, door het kapitaal, ter vestiging van een huisgezin noodzakelijk, te splitsen (zie deszelfs stelling bij A. aangewezen) in twee delen en dat gedeelte, het welk eigenlijk tot het bouwen der woning en aankoop van den grond, tot aankoop der koeijen (zie B.) noodig is, te brengen ten last der gemeente, ten welker behoeve de vestiging geschiedt, terwijl het tweede gedeelte van ƒ950:- die hij eigenlijk erroneuselijk geheel als voorschotten, aan de kolonisten te doen, aan­neemt, ten laste der Maatschappij, of eigenlijk ten laste der schatkist van het Rijk (zie C.)!
Het eerste kapitaal, dat van ƒ750:- ten laste der gemeenten, zoo wel als dat van ƒ950:- van de voorschotten, zou gevonden worden, beide door negociatie (zie de beide tabellen). Ter betaling der renten en aflossing van het eerste kapitaal zou eene som van ƒ40:- betaald worden voor een zeker aantal kinderen (zie D.), deels uit de godshuizen over te nemen, deels uit zoodanige huisgezinnen, welker armoede aan de veelheid der kinderen moet worden toegeschreven, benevens een zeker getal van vondelingen. De rentebetaling en aflossing van het kapitaal voor de voorschotten zou daaren­tegen gevonden worden, 1o uit het gene de kolonisten op hunne schuld afbetalen; 2o uit het gene zij jaarlijks als huur of schatting zouden opbrengen; 3o uit de gouvernementskas, en welke jaarlijksche bijdragen gelijk ik reeds gezegd heb uit gouvernementskas (zie D.) op ƒ 540,000: genele(?) kan worden begroot.
Wat de eerste stelling betreft, namelijk het plaatsen van 12,000 kinderen uit de godshuizen in de koloniën. Hier omtrent moet ik aanmerken, dat deze kinderen in de godshuizen grootendeels verzorgd worden door fondsen, in eigendom aan die stichtingen behoorende; dat het gouvernement aan den éénen kant zonder het inleveren van een wet ten aanzien van het beheer der armen, over welke ik de eer hebben zal Uwe Koninklijke Hoog­heid nader te onderhouden, geene beschikking over de weezen maken kan en terwijl van de andere zijde de meeste Regenten dezer godshuizen, hoezeer zulks anders ook voor het algemeen welzijn te wenschen ware, op verre na geene belangeloosheid noch opgeklaardheid genoeg bezitten, om vrijwillig tot zoodanige overeenkomst toetetreden, gelijk de ondervinding Uwe K.H. en ons dagelijks doet zien. Alzoo kan dan ook, naar mijn inzien, op de gestelde som bij D. voor deze kinderen geenszins worden gerekend, althans niet tot het verondersteld bedrag en met die zekerheid, welke gevorderd worden zoude, om daarop de uitbreiding, zoodanig als die door den steller dezer memorie geprojekteerd wordt, te bouwen.
Wat het plaatsen van vondelingen betreft; voor zoo verre uit gouver­nementskas daartoe wordt gekontribueerd, kan zeker over deze beschikt worden; dan daarsteller van het bewuste meent, dat het getal daarvan begroot op 12,000 (uit hoofde dat een aantal van 5,188 (zie E.) beneden de 6 jaren zijn) inmiddels grooter worden, zal ons dus deze meerjaren kunnen invallen. Dan daar er jaarlijks zeker getal van nieuwe vondelingen bijkomen, zoo moet hieruit voortvloeijen, dat, zoo het gouvernement niet jaarlijks van het onderhoud van een proportioneel getal der oudsten ontslagen wordt, als dan na verloop van eenige jaren het getal der vondelingen, dat onderhouden zal moeten worden, zoo binnen als buiten de koloniën, in plaats van 12,000 tot ruim 18,000 zal opklimmen; waaruit dan ook meot voortvloeijen, dat, zullen de lasten blijven in de tegenwoordige verhouding, op de som niet kan worden gerekend, welke daarvoor bij D. in rekening gebragt wordt.
Wat de derde stelling betreft, om de huisgezinnen, welker armoede aan een te groot getal kinderen moet worden toegeschreven, daarvan te ontlasten, door dezelve in de koloniën te plaatsen, en uit de stedelijke kassen die bijdragen, welke anders als subsidiën aan de armenbesturen verleend worden, te bezigen; hier van zeker kan partij getrokken worden, zoo het gouvernement namelijk de gemeente besturen verpligten kan, die penningen, welk door de stedelijke belastingen op dezelve burgers geheven worden, op het doelmatigst aantewenden, het geen naar mijn inzien alleszins billijk zoude zijn.
Het geheele onderhoud der huiszittende armen echter wordt niet door de stedelijke kasschen gedragen, maar grootendeels door onwillige bijdragen en kollekten bestreden; over deze penningen heeft derhalve het gouverne­ment geene ombepaalde beschikking, en hoe zeer is het niet te vrezen; dat velen in het onderstelde geval weigeren zullen ten behoeve van de armen in het algemeen bijtedragen, dit thans door gebruik en gewoonte zich verpligt rekenen, zich de behoefte hunner stadgenooten aantetrekken! Ook te dezen aanzien is derhalve eene aanzienlijke vermindering van inkomsten te duch­ten. Worden al de opgegevene omstandigheden in aanmerking genomen, dan zal men geredelijk moeten toestemmen dat het met geen mogelijkheid te veronderstellen is, dat de opgegevene hulpbronnen de som van ƒ 4,320,000:- jaarlijks, zoo als Anonijmus bij D. stelt, zullen opleveren, ofschoon deze som zeer wel verkrijgbaar is door eene verandering in het beheer der armen. Het geheel ontwerp, zoo als hetzelve hier wordt voorgesteld, schijnt alzoo niet aan het oogmerk te zullen voldoen, ten aanzien der uitvoerbaarheid en de opgegeven gebreken intusschen zijn nog de minste zijn nog de minste bezwaren die tegen het ontwerp kunnen worden ingebragt. De stellingen ten aanzien van het kapitaal, dat als voorschotten beschouwd wordt, zijn nog op grover dwalingen gebouwd.
In de eerste plaats is het geheel abusief, dat het kapitaal van ƒ 950:- geheel als voorschot kan worden aangemerkt hetwelk door den kolonist moet worden gerestitueerd. De Maatschappij zou met geen billijkheid ƒ 50:- huur verlangen kunnen van eene woning, die haar ƒ 500:- kosten en van ƒ 100:- voor woeste grond, die grond alvoerens eene waarde te bezitten, moet tot kultuur gebragt zijn en dit kost ƒ 400:- welke het eigendom blijven der Maatschppij, en het is van deze, benevens het huis en grond, die de Maat­schappij ƒ 1000:- kosten, dat de kolonist ƒ 50:- huur betaalt.
In de tweede plaatsis het erroneus, dat bij eene zoo sterke uitbreiding als Anonijmus veronder­stelt, reeds het eerste jaar eene terugbetaling van ƒ 300:- van deze voorschotten zou kunnen plaats hebben, uit hoofde dat deze restitutie gebaseerd is op den verkoop van het ingeschreven linnen. Deze inschrijvingen kunnen met geene mogelijkheid verondersteld worden met de uitbreidingen in de koloniën eene gelijkmatige vermeeerdering te zullen ondergaan, en dus moet zulks wel degelijk in het oog gehouden worden bij het doen der negociatiën, gelijk dan ook bij alle onze aflossingen van reeds gedane negociatiën eene veel geringere terugontvangst bij ons als grondslag voor het eerste jaar is aangenomen.
Ten derde. Hoezeer het waar is, dat de inkomst van een industrieus en koloniaal huisgezin werkelijk tot naauw ƒ 500:- stijgen kan, gelijk blijkt uit het voorbeeld van eenigen, die reeds dit inkomen genoten hebben; zoo kan dit echter geenszins als algemeene regel doorgaan; inzonderheid niet, dat een huisgezin van weezen ƒ100:- buiten deszelfs verteering zou kunnen opleg­gen. Terwijl er bovendien geen de minste billijkheid bestaan zou, om de ijverige kolonisten een zoo zware schatting opteleggen; hij, die zijne landhuur betaalt, zijne schulden overeenkomstig de gemaakte voorwaarden aflost, en bovendien de kosten der administratie voldoet, moet over de overige vruchten van zijne arbeid naar billijkheid beschikken kunnen; ieder ander stelsel zou niet anders voortbrengen dan moedeloosheid en overschilligheid, en geens­zins het doel bereiken.
De ondervinding heeft ons doen zien, dat ƒ 75:- jaarlijks (de huisge­zinnen dooréén gerekend) zoo tot aflossing van schuld, huur, als restitutie aan de fabriek opleveren kan; hiervan nu moeten de kosten van administra­tie, onderhoud der gebouwen en de adsistentie der weezen afgetrokken worden, als wanneer naauwelijks ƒ 50:- per hoeve disponibel blijft; zoo dat er eigenlijk 18 jaren gevorderd worden, om het kapitaal van ƒ 450:- dat het wezenlijk voorschot aan de kolonist en aan de fabriek uitmaakt, te restitue­ren, en hetzelve geschiedt met de tegenwoordige negociatie alleen daarom in eenen minderen tijd, om dat wij een gedeelte der huur daartoe kunnen aanwenden; dan, dit verandert geenszins de stelling, dat jaarlijks een koloni­aal huisgezin voor alle lasten niet boven de ƒ 75:- betalen kan, en dat dus de Maatschappij slechts ƒ 50: per hoeve overhoudt. Daar nu de steller der memorie de vestiging van 54,000 hoeven veronderstelt, zou dit dus, tegen ƒ 50:- ieder, eene som van ƒ 2,700,000 opbrengen; dan, volgens diezelfde stelling, zou ten behoeve van ieder huisgezin ƒ 940:- genegotieerd worden, hetwelk een kapitaal bedraagt van ƒ 50,860,000:- en ter betaling van aflos­sing en rente ruim ƒ 4,000,000:-. Gevolgelijk een jaarlijks deficit van cirka 13 ton, hetwelk door het gouvernement zoude moeten worden gedragen, in plaats van ƒ 540,000:- gelijk de steller aanneemt. Hierin alleen zou, naar mijn inzien, een onoverkomelijke zwarigheid gelegen zijn, daar, naar mijn mening, onze onderneming wel voordeelig voor de publieke schatkist behoort te zijn, maar nimmer voor dezelve aanmerkelijke bezwaren opleveren moet.
Uwe K.H. vergelijke thans het voorgestelde ontwerp met de handel­wijze, die wij volgen. Ook wij nemen thans kinderen over tegen ƒ 45:- en vestigen dan op een getal van 6 à 7 derzelven twee huisgezinnen, derhalve zonder noemenswaardig verschil in lasten voor de gemeenten, daar Anonij­mus ƒ 40:- per kind aanneemt; en met onze inrigting behoeven wij generlei ondersteuning van het gouvernement, en komen ruim uit met onze inkom­sten, dus durve ik gelooven dat de beslissing ten aanzien van de verkieslijk­ste wijze niet moeijelijk zal vallen. Weliswaar, wij kunnen langs dien weg die spoedige uitbreiding niet daarstellen, welke geproponeerd wordt, dan dit ligt niet in de inrigting, maar in de middelen van contrainte, om de regenten van godshuizen en stedelijke besturen tot het aangaan van kontrakten te verplig­ten; doch deze zwarigheid is aan beide plannen gemeen; en die middelen, welke in het ééne geval strekken kunnen om dit oogmerk te bereiken, kunnen even goed in het andere daartoe worden aange­wend.
Zo Uwe K.H. verder overweegt, dat het geprojekteerd ontwerp niet in aanmerking zou kunnen worden gebragt, zonder van de zijde van het gouvernement eene reeks van wederregtelijke maatregelen te vorderen, en dus eene geheel andere tusschenkomst geheel noodzakelijk te maken, als met de bedoelin­gen van Zijne M. den Koning strooken, dna zal Uwe K.H. wel willen toestemmen, dat dit ontwerp meer wenschelijk dan uitvoerbaar be­schouwd moet worden. Mogt het intusschen het oogmerk zijn van Uwe K.H. om een voorstel te ontvangen wegens de wijze, waarop de uitvoering van het stelsel van kolonisatie in de beide deelen des Rijks, binnen een bepaald getal van jaren, uitvoerbaar werd voorgedragen, zonder opofferingen van de zijde der schatkist noodzakelijk te maken, of maatregelen te vorderen, met de grondwet strijdig, dan zal ik mij beijveren om te doen zien, dat door eene gepaste tusschenkomst van het gouvernement dit oogmerk, met onze thans bestaande inrigtingen kan worden verwezenlijkt, om dat daarvoor zelfs, zoo daarmede in verband gebragt werd het onderhoud der gevangenen van het Rijk, zeer gemakkelijk eene jaarlijksche besparing van ettelijke millioenen guldens voor de schatkist zou te bewerken zijn, ik herhaal het, zonder eenige maatregel noodzakelijk te maken, welke als strijdig met de aangelegend­he­den van den staat, of het regt van bijzonder eigendom krenkende, be­schouwd zoude moeten worden.

Ik betuige met den diepsten veneratie te zijn,
Van U.K.H.
De Zeer Geh. Dr.

J. van den Bosch 352)

contrainte = dwang



Vrijdag 30 maart 1821

Ingekomen post invnr 56. Brief van Benjamin vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 30 maart 1821

Ik neem de vrijheid, de Permanente Kommissie authorisatie te vragen, tot het bevaarbaar maken van de scheepsloot van af de steenbakkerij tot in de Vierde-parten, en daartoe de som van p.m. ƒ400 te mogen aanwenden; ten einde de schapemist te water, naar de aan te leggene kolonie te transporteren.
Het transport per as, zou zeker drie maal het montant van bovengem: uitgaven bedragen.
De Heer van Roijen is met mij van gevoelen, dat dit water bevaar kan gemaakt worden, door het plaatsen van een kleine molen, die het water uit het Noordwoldinger kanaal in de scheepsloot maalt, en door in laatsgem: vaar water, eenige plaatsen een weinig uittediepen.
De molen zou naar gis ƒ300 kosten en blijft ter verkoop of wel bij verplaatsing zijne waarde grotendeels behouden.
Het uitdreggen hebben wij op ƒ100 berekend.
Wanneer dit gedeelten van den scheepsloot, in een goed vaar water, zonder molen, moet veranderen zou daartoe ƒ12 a 1400 van noden zijn.
Waartoe de Kommissie, wanneer het kanaal gereed is, waarschijnlijk zal besluiten.
In het afgelopene jaar is de loots, tot berging der steenen dienende, voor een schaapenhok ingericht geworden.
De steenbakker wenschte dezelve thans ter zijner dispositie, en de mist getransporteerd te zien.
Zo dat wij geene berging voor de schapen hebben. Ook zou de loots misschien moeten verplaatst worden, in welk geval ik het kostende aan de Kommissie zal opgeven.
De steenbakker, met formen moetende beginnen, wenschte gaarne eenige bepaling aangaande de kwantiteit steenen, die gemaakt moeten worden, te ontvangen.
Er is overvloed van leem geschoten en ter voorkoming van misschien nutteloze uitgaven heb ik dien arbeid provisioneel doen staken.
Daar er thans wederom eene aanbesteeding van koloniale woningen schijnt te zullen plaats hebben, zo vind ik mij verplicht, de Permanente Kommissie te informeren, dat de woningen vroeger door den Heer Oosterloo gebouwd, duidelijke bewijzen opleveren, dat hij aan nog strenger bepalingen en naauwer toezicht moet verbonden zijn.
Ten aanzien van de bezoldiging etc. van den Heer Evers, heb ik reeds vroeger aan de Kommissie geschreven.
Ik moet de vrijheid neemen daarop terug te komen en haar den brief, daar over van den Heer Visser ontvangen, te doen toekomen.
De kolonisten van no.1 houden aller dringendst aan om kleeding.
Zij die niet onder curateele staan, krijgen voor ƒ13- op schuld, dat binnen zekeren termijn moet afbetaald zijn, waarna zij andermaal voor een gelijke som kunnen ontvangen enz.
De overigen, onder curatele staande, heb ik het maximum op ruim ƒ40 bepaald, dat van de verdiensten en den oogst moet afbetaald worden.
Beide partijen verlangen dringend om ruimer te gemoet koming, waar aan ik gemeend heb niet te kunnen voldoen, zonder daartoe door de Permanente Kommissie te zijn geauthoriseert; te meer daar ik vast geloof, dat zij in zo veele behoeften niet zullen kunnen voorzien en dus schade voor de Maatschappij te gemoet zien. Gebrek aan overleg en orde, in het inwendige der huishouding, is veelal de oorzaak van de vele behoeften der kolonisten; en het blijft eene uiterste moeijelijke zaak, daar in de gewenschte verbeteringen te doen ontstaan.
Ik hoop dat er mandaten zullen onder weg zijn, en dat de Permanente Kommissie, de goedheid hebbe mij op mijne voorgaande mede eenig antwoord te doen toekomen.


Ingekomen post invnr 56. Brief van Benjamin vd Bosch aan de Permanente Commissie:

Frederiksoord den 30 maart 1821

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij in te zenden de verantwoording van gelden, kleeding etc. van de onderscheidene kolonien over de maand junij 1820, met den daarbij behorende kwitantien en verdere stukken. Het zal mij aangenaam zijn, wanneer dezelve accoord en aan de intentie beantwoordende bevonden worden. 57???)


Uit de notulen van de vergadering der Permanente Commissie:

Besloten, om te doen aankopen 250 ton friesche vroege pootaardappelen blauwbloem genaamd, dito late aardappelen witbloem genaamd, van 20 tot 40 ton stoelematters(?), benevens 3 zak graauwe erten a ƒ14 de zak, waar van het monster hier nevens gaat; 3 zak kapucijners dito, 1 zak groene erten a ƒ8, en 2 zak witte bonen a ƒ9 ieder; 1 pond roodekoolzaad, 1 pond witte koolzaad, 1 pond savoije, 2 pond snijslazaad, 2 pond kropsalade­zaad. Voorts besloten, den Heer Ameshoff optedragen naar Willemsoord te zenden een pond roode koewortelzaad, en 5 ton Riga's lijnzaad.

Besloten, den Direkteur aanteschrijven, dat de P.K. van begrip is, dat aan Koppejan geen ontslag kan worden verleend, voor dat hij zijne schulden zal hebben afbetaald, en dat hij daar toe bij iedere oogst in de gelegenheid is. 38)



Zaterdag 31 maart 1821

Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 31 maart 1821

Koewortelzaad reeds verzonden de 5 tonnen. Riga's zaai lijnzaad zal ik morgen koopen.

Koewortel = koepeen; grote peensoort, gewoonlijk als veevoeder gebruikt