Naar het overzicht
van de POST







De POST van DECEMBER 1820

Vrijdag 1 december 1820


Uit de notulen van de Permanente Commis­sie invnr 38:

- over Antonie Jan Vorstman. transcriptie

- Brief van P. Fanner, 28 november, verzoe­kende nogmaals spoedig decisie der P.K. om nogmaals in de kol. geplaatst te worden.
Besloten aan hem te schrijven, dat, na inge­komene informatie die man niet weer in de kol. kan worden toegelaten.

- Op den brief van den Direkteur 62/11 (over Fanner) dat denzelven moet worden aange­schreven, dat de P.K. gezien hebbende uit de verklaring van den raad van toezigt, dat het gezin van Fanner zich zoo zeer misdra­gen hebbende, uit dien hoofde de inwoning der kol. aan hetzelve is ontzegt, maar tevens met geen minder misgenoegen het ongepas­te gedrag zoo van den gewezen onderdirek­teur Evers, als van den boekhouder Bade heeft ontwaard, en verlangt de opzigters in de kol. no.2 ten ernstigste te waarschuwen van zich in het vervolg geheel van vloeken en slaan te onthouden, onder aanzeg­ging dat de eerste inkomende klagten dadelijk de verwijdering der schuldigen ten gevolge zal hebben.

- Besloten den Direkteur aanteschrijven, dat, ter beantwoording der missive, door den Direkteur ingezonden, betreffende de klagten van Wouter Janssen wegens den onverzade­lijken honger zijner dochter, daar op beslo­ten, aan dat huisgezin, 2 ponden brood dage­lijks buitengewoon toetezeggen ten behoeve van dat kind, en het kostende daarvan te brengen op de rekening van voorschotten van dat huisgezin in het bijzonder.



Wouter Janssen (16-2-1772 - 12-6-1854), afkomstig uit Amersfoort, gratis geplaatst in Willemsoord bij contract met het weeshuis aldaar. Getrouwd met Geertrui Hendriksen (11-2-1780 - 19-3-1836), 7 kinderen. Wouter Janssen is boer van origine en bevalt kenne­lijk goed, want hij wordt hoevenaar, al is niet geheel duidelijk wanneer. In 1847 neemt zijn jongste zoon de hoeve over.



Zaterdag 2 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
W. van Ommeren insp.  van de Waterstaat te Arnhem. Berigt met de Direktie van de werk­zaamheden tot het geprojecteerde kanaal eigenlijk niet belast te zijn.
Vertrouwt echter dat de metingen, waterpas­singen en inkaartbrenging daarvan door de hoofd ingenieurs nog in deze maand zullen gereed zijn. 19)



Zondag 3 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Adj. Direkteur Visser aan de Ommer­schans. Belooft den Hr. de Jong in zijne werkzaamheden te zullen helpen.
Stelt voor de zoo spoedig mogelijke aanbe­steding van huizen aldaar.
Zoo ook het doen vervaardigen van kruijwa­gens en tafels van het aldaar voorhanden zijnde hout.
Vraagt gedurende den winter eenigen tijd verlof.



Maandag 4 december 1820

Uit de notulen van de Permanente Commis­sie invnr 38:

Besloten den Heer Direkteur aanteschrijven dat de P.K. bij haar besluit ter inrigting van den onderdirekteursboeken, op den 27 okto­ber 1820 genomen, uitdrukkelijk bepaald heeft, dat door de boekhouders in iedere kolonie wekelijks zou worden ingezonden eene opgave, met hoeveel ieder respekt der rekening is bezwaard of gekrediteerd; dat hieraan door den boekhou­der der kol. no.3 slechts tot 14 november is voldaan, door dien van de kol. 1 en 2 slechts eenen gebrekkigen opgave is ingezonden, terwijl van de kol. no.4 en van de Ommerschans nog geene opgave hoegenaamd is ingekomen: dat de P.K. het van het meeste belang rekent, dat aan hare instruktien stiptelijk voldaan worde en dus met dezer den Direkteur verzoeken de boek­houders der onderscheidene kolonien het verlangen der P.K. andermaal te beteeke­nen, met bijvoeging dat wie in gebreke zal blijven om aan deze bepaling te voldoen, staat te worden bedankt en weggezonden.


Uit de stukken voor de jaarverslagen 1821-1823, invnr 1021, zie ook deze pagina.

Amsterdam, den 4 December 1820

Gemaakt en geleverd ten dienste van de Welld. Heere van de Permanente Commissie door S. vd Goen, zoon & Klouzing:

Voor 3 goude medaljes wegende 1 ons 14½ Engels a ƒ 53 het ons ƒ 91:8:8
voor t schroeven dezelve a ƒ 7 t stuk ƒ 21:---
dito 10 zilverde a ƒ 6: het stuk ƒ 60:---
dito 30 kopere a ƒ 1:16 het stuk ƒ 54:---
twee mooije doozen a ƒ 2:10 het stuk ƒ  5: ---

ƒ 231:8:8


Dinsdag 5 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Direkteur B. van den Bosch. Zendt in:
De verantwoording van maart ll. met bijlagen.
Het door den Hr. van Roijen vervaardigde register van de eigendommen der M.
Eene missive van burgem. van Steenwijk, ten geleide eener declaratie van tol en diepgel­den.
Zal nader inzenden:
Eene ophelderende nota tot gen. verantwoor­ding.
De weekstaten der onderscheidene kolonien.
De registers van het personeel van kol. no.1 & 2.

J.B. Schuurman Med.Dr. te Steenwijk. Ken­nisgevende van de door ZijnEd. in de maan­den oct. & nov. jl. met gunstig gevolg gedane vaccinatie van circa 100 koloniale kinderen.


Uit de Staatscourant:

Schiedam, den 5 december.

De Sub Commissie der maatschappij van Weldadigheid, binnen deze stad, geeft, bij deze, andermaal aan derzelver leden en begunstigers kennis van hare voortgezette verrigtingen, ter hulpe van arme lieden, en ter bevordering der ontginning van de, tot hier­toe, onvruchtbaar ge­weest zijnde landerijen in Frederiksoord. - En wel, dat, op vrijdag den 1sten dezer maand, derwaarts vertrok­ken zijn: Egbert den Held en deszelfs echtge­noote Jannetje Janssen, met hunne drie kinderen, op die zelfde gunstige voorwaar­den, op welke, twee maanden geleden, ande­ren naar gemelde plaats vertrokken zijn.
De sub-commissie voornoemd verheugt zich, bij deze gelegen­heid, te kunnen melden de blijdschap, die zij, zoo wel als de heeren regenten der stads armenkamer alhier, ge­voeld heeft, wegens het goede, hetwelk hun berigt is door de bloedverwanten der onlangs naar gemelde kolonie vertrok­kene arme lie­den, uit brieven, waarin zij roe­men op het goede, hetgeen zij genieten, en waarin zij verklaren, God niet genoeg te kunnen dan­ken voor deszelfs goedertierende bestelling.
De sub-commissie twijfelt niet, of hunne stadgenooten zullen zich met hun over dit berigt hartelijk verblijden; en, bewust, dat ook hunne penningen, met zoo veel edele bedoe­lingen, en met zulk een verblijdend gevolg, gege­ven zijn, zich met hun opgewekt bevin­den, om te blijven weldoen, en ande­ren, die tot hiertoe niet gaven, aan te sporen, om zich met hen te vereenigen, ten einde ook deze heilzame inrigting, op onzen vaderlandschen bodem, hoe langer hoe meer, worde voortge­zet en uitgebreid, en tot dien luister en bloei gerake, naar welke ieder menschenvriend en beminnaar van zijn vaderland, die met haar bekend is, zoo vurig verlangt.
De Sub-Commissie der maatschappij     van Weldadigheid.
En in derzelver naam,
W.J. Heijligers, president.
C. van Herwerden, secretaris. sc 8.12.20



Donderdag 7 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Direkt. B. van den Bosch. Accuseert de ontvangst van diverse stukken.
Zendt in eene nota van aangekomene gezin­nen en personen.
Stelt voor een der 2 oudste zoons van Van Os, provisioneel bij de famille te laten.
Vraagt bepaling omtrent de voeding en ver­strekking van pas aangekomen gezinnen; zo ook omtrent E. Mont.
Vraagt autorisatie tot het doen aanmaken van gierbakken in de kol. 1 & 2.
Berigt de afzending per beurtschip van de verantwoording van Maart ll. en de verlangde ophelderingen wegens de ingezonden week­staat van kol. no.2; gevende eenige voorlopi­ge berigten omtrent beide laatsten.

De Direkteur B. van den Bosch. Zendt in de weekstaten van kol. no.2 & 3 tot 2 dec.
Zal die van no.1 & 4, benevens de gewone verantwoording van nov. en de gerectificeer­de stamregisters nader inzenden.
Heeft onder gesteld om de stukken van de Ommerschans direkt aan de P.K. aftezenden.
Verzoekt der P.K.'s toegevendheid in het niet stipt inzenden van een en ander.

De Direkt. B. vd Bosch. Zendt in de maande­lijksche gewone verantwoording over novem­ber, met de kwit.
Heeft 2 extracten uit de onderDirekteursboe­ken van kol. no.2 en 3 p.p. verzonden en vraagt of die wel ingezonden moeten worden. 19)



Vrijdag 8 december 1820

Uit de Staatscourant:

Breda, den 8 december.

De sub-commissie van weldadigheid te Breda heeft het genoegen te kunnen berigten, dat derzelver secretaris, de heer P. van Raden, een' brief ontvan­gen heeft, van Bartholomeus Vermeulen, die, in de maand december van het verleden jaar, met zijne vrouw en vijf kinderen, uit deze stad, naar de kolonie Fre­deriksoord vertrokken is; zijnde deze brief hoofdzakelijk van dezen inhoud: "dat het geheele gezin hoogst te vreden is met des­zelfs lot en standverwisse­ling, zoo door den voor­spoed op hunnen arbeid, en de voordee­len, die zij reeds van het hun toegewezen gedeelte lands getrokken hebben, en de aan­gename vooruitzigten, die de toekomst hun belooft, als in de goede zorg voor hunne kinderen, die, wanneer zij hun werk op het land of in de spinzaal verrigt hebben, door een doelmatig onderwijs in de scholen, het geluk voor hun volgend leven leeren bevorde­ren. Waaraan dan ook voor­noemd huisge­zin den hartelijksten dank betuigt aan de sub-commissie voorschreven voor de weldaden, in dezen, aan hetzelve betoond." (Dagbl. der prov. Noord-Brab.) sc 14.12.20




Zondag 10 december 1820

Brief van Johannes vd Bosch aan Van As­sen, secretaris van Prins Frederik:

'S Hage den 10 december 1820

WelEdelGeboren Heer!

De Heer Ockerse heeft de goedheid gehad mij uwe konfidentiele missive medetedelen, en gaarne had ik daarop een meer omstan­dig antwoord gege­ven. Dan de tijd, binnen welke het antwoord verlang werd, laat zulks niet toe. Eigenlijk hebben wij van het gouver­ne­ment wel geene ander gunst op dit ogen­blik te verzoeken, dan eene spoedige afdoe­ning der nog hangende zaken en wel bijzon­der, betrekkelijk onze voorstellen ter overne­ming van een bepaald getal menschen uit het be­delaars-werkhuis te Hoorn en dat der von­delingen; benevens het doen eener aanschrij­ving aan het stedelijk bestuur van Steenwijk en aan de schout van Vledder en Steenwij­kerwolde, en de vrederegter van het kanton Steenwijk: dat het Zijne Majesteit welgevallig, aangenaam (of hoe men ook verkiest dit uittedrukken) zijn zal, dat zij de Kommissie van Weldadigheid behulpzaam zijn, om een goede policie in en buiten de kolonie te on­derhouden, en daartoe die middelen te ge­bruiken, welke de wetten van den staat ver­oorloven; die Heeren zijn daartoe gewillig, ook zijn zij alle Honoraire Leden van de Maatschappij; Wij zijn voornemens eene kommissie daar uit zamen te stellen, welke zitting houden zal te Steenwijk op het stad­huis, en de kolonisten, die zich aan kleine wangedragin­gen schuldig maken, en aan den Raad der Onderopzieners geen gehoor ge­ven, voor dezelve te doen verschijnen; Zoo iets imponeert. Op het stadhuis ontboden, en door de Heeren bedreigd te worden, maakt op onze lagere volksklasse eenen gewigtigen indruk; Wij hebben meer dan een gezin uit de kolonien moeten terugzenden, dat op deze wijze te behouden geweest zou zijn. De ver­traging intusschen, die wij ondervinden, zijn wij wel overtuigd, dat meer gezocht moet in de onwilligheid en slaperigheid van andere kollegien, die de hun gevraagde renseigne­menten niet verschaffen; de tegenwerking die wij bij vele derzelve ondervinden, gaat alle geloof te boven, en moet te meerder verwon­dering baren, daar, volgens het officieel ver­slag van Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken, alleen aan de kosten van administratie der armen jaarlijks nage­noeg een en een half millioen guldens be­taald wordt en wie ziet dan gaarne zijne neef­jes van vette posten of bedieningen beroven? In het algemeen belopen de kosten van ad­ministra­tie voor de armen nagenoeg 16 perct., bij ons nog geen één perct.
Wat de zwarigheden betreft om het stel­sel van kolonisatie in de zuidelij­ke provinciën in te voeren, deze zijn minder groot, dan men oppervlak­kig denken zou. Zij bestaan meer in het vinden van iemand, gewillig om al den last op zich te nemen, die de uitvoering vor­dert, dan wel in eenige andere omstandig­heid; althans, zoo het gouvernement mede­werken wil, zijn de fondsen wel te vinden buiten iemands schade. Volgens het zoo evenge­noemde officieel verslag van Zijne Excellentie den Minister van Binnenland­sche Zaken, bedraagt de som, in het Rijk besteed wordende aan de gestich­ten van liefdadig­heid ƒ 501,496:- en daarvoor worden bezig gehou­den 6,435 personen. Voor de bede­laarswerk­huizen wordt betaald ƒ 421,882:- en daar voor worden verzorgd 2,959 personen; deze som is met de inrigtingen van de Maat­schap­pij voldoende om behalve de opgege­ven personen, nog 30,000 anderen te verzor­gen, en dan niet, zo als thans geschiedt ten halve, maar zoodanig, dat ieder gezin ten minsten ƒ 400:- jaarlijks, behalve vrije woning te verte­ren heeft. De voordeelen derhalve, die men aan de gemeenten kan aanbieden, zijn zoo groot, dat met eenige aanmoediging van de zijde van het gouvernement, ligtelijk de nood­ige fondsen te vinden zijn; alleen het voorstel betrekkelijk de vondelingen zal mid­del ver­schaffen, om, zoo in de noordelijke als in de zuidelijke provinciën, 14 a 16,000 per­sonen te vestigen. Geloof mij, de hulpbron­nen zijn onuitputtelijk; het onderhoud der armen, on­gerekend de bedelarij kost thans jaarlijks over de 10 millioenen; en wat is het niet, dat daarmede gesticht wordt? Welk een nut laat zich niet stichten met eene rente van 200 millioenen guldens! Dus, van deze zijde gee­ne zwarigheid. Maar menschen te vinden, die zich de last der uitvoering kunnen en willen getroos­ten, zie daar het moeijelijke der zaak. Er bestaat overigens geene zwarigheid, om in de provincie van Antwerpen met den aanleg­gen der kolonie te begin­nen; in het volgende jaar kan men dan ook in andere provinciën aanvangen, vooral in den beginne niet meer dan men kan nagaan en overzien; is de grondslag éénmaal goed gelegd, dan kan men met geringe moeite de noodige uitbrei­ding daaraan geven. Wij bij ons kunnen thans zonder bijzonder moeite of omslag duizend huisgezinnen jaarlijks vestigen en binnen twee a drie jaren zullen wij er 3 a 4 duizend met dezelfde gemakkelijkheid over­bren­gen.
De Baron van Keverberg houdt ons lang op; voor zijn vertrek van hier was het stuk af en ter perse gezonden; de Kommissie heeft hem deswege geschreven.
Dat de tevredenheid der Prinsen met den staat der onderneming mij de grootste zelfvoldoening verschaft, zal ik UWelEdGeb niet behoeven te zeggen; zij is de aange­naamste belooning die mij daarvoor geschon­ken worden kan. Ik durf mij vleijen, dat die tevredenheid in het aanstaande jaar nog merkelijk grooter zijn zal; wij doen werkelijk thans reuzenschreden; jammer maar, dat men ons in onze vaart zoo dikwerf tegen­houdt. Van de gunstige welwillendheid onzes voorzitters zullen wij met discretie gebruik maken.
De schriften en geuite gevoelens van den Heere Grave van Hogen­dorp zijn ons ten uiterste nuttig geweest; vele menschen heb­ben geen eigen oordeel en volgen slechts de leiding van anderen; met verlangen zien wij het aangekondigde werk te gemoet; ook het verslag van den Heer Rengers is ons ten hoogste nuttig geweest.
Gaarne maakte ik gebruik van uwen goeden raad, om de Star in het fransch te doen vertalen, indien zulks voor de belangen der Maatschappij in de zuidelijke provincien wordt nuttig geoordeeld; dan waar iemand tot dit lastig werk te vinden?
Met den elève, thans bij den Heer Fel­lenberg onderwezen wordende hebben wij zeer verre uitzigten. Wij zullen namelijk onze eigen onderopzie­ners, wijkmeesters, onderDi­rekteurs enzv. voor 't vervolg zelf vormen; Wij wenschen dus aan uitstekende jongelin­gen die opleiding te geven, dat zij in 't ver­volg, ook ten aanzien der zedelijkheid, voor­deelig werken kunnen op de kolonisten. Onze elève moet ons daartoe dienstig zijn; Wij zullen hem de keuze van zoodanige jongelin­gen van 13 jaren, als hij voor die betrekking ge­schikt oordeelt, overlaten; dezen met hem in een bijzonder huis afzonde­ren; de ver­eischten grond en bouwmaterialen verschaf­fen, benevens al dat gene wat tot hunne opleiding en bestemming verders noodig zal zijn; na een onderwijs van vijf a zes jaren, zullen zij hunne functien beginnen uitteoefe­nen, en daarin opklimmen naar mate hunner verdiensten; een onderDirekteur kan bij ons rekenen op ƒ 1,000:- inkomen; zoo dat aan deze jongelingen een schoon perspectief geopend is.
Wat de opvoeding en opleiding onzer jonge lieden betreft, ik ben in dit opzicht vol­komen van uwe gevoelens en heb daar van reeds meermalen in de Star wenken gege­ven. De Heer Ockerse heeft in het voorgaan­de nommer op mijn verzoek daarover meer bepaald gesproken, Ik heb daarom­trent bij­zondere opiniën, die ik thans bezig ben meer bepaaldelijk te ontwikke­len, en aan de natie in eene verhandeling over ons nationaal ka­rakter blootleg; van dit middel heb ik mij meermalen met voordeel bediend; op deze wijze leer ik de gevoelens mijner landgenoot­en het beste kennen, en ontvang nuttige teregtwijzingen; Uit dien hoofde dan ook ge­bruik ik de vrijheid, uwe aandacht bijzonder daarop te vestigen, en verzoeke mij met uwe goede raad in deze bijtestaan; geen onder­werp is zoo belangrijk als dit; ook ten dezen aanzien zouden de reeds gemaakte vorderin­gen in de koloniën u verbazen, schoon er meer nog overblijft te doen.
Gelieft den langen brief ten beste te houden, en de betuiging mijner hoogachting gunstig aantenemen.

(Johannes van den Bosch)

P.S. Zoo even komt in het antwoord van den Baron van Keverberg, melden­de, dat zijne vertaling binnen 14 dagen staat uittekomen en dat Z.Ex. daar­voor geplaatst heeft eene uitvoerige inleiding, waarbij betoogd wordt. 1. de duurzaamheid dezer inrigting. 2. de moge­lijkheid, om die, bij een ernstige wil, met het­zelfde gevolg alom te vestigen. 3. de gemak­kelijkheid, om die alge­meen te maken, met opgave der middelen, benevens eenige nieu­we bereke­ningen der onbegrensde voordee­len, aan zulk een plan verbonden. Hier ne­vens een stuk, door de Kommissie aan de Heer Previncier gegeven en welk betrekkelijk is tot de handeling; gelieft het zelve confiden­tieel aan onze voorzitter medetedeelen. 352)

renseignementen = inlichtingen



Maandag 11 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Direkteur B. van den Bosch. Zendt in:
1. eene ophelderende nota tot de rekening van maart.
2. weekstaten van uitbetalingen op de geak­kordeerde sommen, als 1 van kol. no.1, 4 van no.4. en 3 van de Ommerschans.
3. nota van afgezondene lakens.
4. en 2 kwit. van Seyl en Ravekamp, ter uit­reiking. 19)



Dinsdag 12 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
Ingezonden door den Direkteur. De weeksta­ten der kol. no.1, 2 & 3 van den 3-9 ll.
Staat van ontv. en uitg. des Direkteurs.
Nota van bereide mest in kol. no.3

G.L. de Rochemont te s'Hertogenbosch. Zendt in het kontrakt (doch onderte­kend) voor de vestiging van E. Mond in de kolo­nien; verzoekende toezending van een gelijk­luiden­de door de P.K. geteekend.



Donderdag 14 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Direkteur B. vd Bosch. Accuseert ontvan­gen missives en mandaten.
Herhaalt zijn voorstel omtrent de gierbakken.
Verzoekt opgave van toe gezonden mist.
Doet voorstellen omtrent de opzegging van huur en de verhuring van goede­ren.
Doet opgave van posten die in de volgende maand zullen verrekend worden.
Berigt de zwangerheid van een koloniste met voorstel daaromtrent. 19)



Vrijdag 15 december 1820

Uit de notulen van de Permanente Commis­sie, invnr 38:

Besloten den Heer Ameshoff aanteschrijven, dat er, bij open water op Amsterdam, maan­dag aanstaande 40 a 50 personenen uit 's Hage voor de kolonie staan te vertrekken; dat de P.K. wenscht geinformeerd te zijn, of de Steenwijker beurtman dingsdag nog varen zal; verzoekt zulks te willen melden  met de post van zaterdag avond, ten einde daarme­de maatregelen te kunnen nemen. 38)





Zaterdag 16 december 1820

Brief van de Permanente Commissie aan Benjamin vd Bosch:

'S Hage den 16 december 1820

Aan den heer Direkteur der koloniën,

De Permanente Kommissie retourneert hier­nevens aan den Heer Direkteur, de ingezon­dene weekstaten van de kolonie no.2, als niet voldoende aan de bepalingen zoals de­zelve in kolonie no.3 ingevoert zijn.
In de eerste plaats kan de buitengewone veldarbeid niet anders bestaan dan in ar­beidsloon, aan de kolonisten in eene kolonie toegewezen om in eene nieuw aanteleggen kolonie vergunt te worden en dus moet ook daarop de korting van 2 stuivers per gulden geheven worden voor het administratie fonds. Zijnde deze korting voor alle verdiensten van arbeidsloon zonder onderscheid voor allen bepaalt, bij het 9de lid van het 15. artikel van het besluit der Kommissie van den 29 sep­tember 1820.
In de tweede plaats moet volgens het meergenoemde besluit op het rubriek diverse kredieten gebragt worden hetgeen de Direk­teur van de spinnerijen wekelijks van de kolo­niën aan fabriekgoederen inneemt, zijnde dit van des te meer belang om dat de Kommis­sie dan daarna altijd beoordeelen kan of de gelden die ten behoeve van eene kolonie worden uitgegeven, worden geproduceerd en de waarde van die uitgaven alzoo het zij in fabriek­goederen of in produkten van land­bouw of door de waarde der gronden en andere kolonien erlangen worden teruggege­ven.
De Kommissie wenscht dat de boekhou­der Bade ten dezen aanzien met de boek­houder in Willemsoord raadpleegd waar de lijsten behoorlijk worden opgemaakt.
Den Heer Direkteur word tevens ver­zocht om in het vervolg specifiek op te geven hoeveel wekelijks aan ieder kolonie is ver­strekt, om dat de Kommis­sie van no.1 geene volledige opgaven ontvangende, de globale opgaven voor alle koloniën in eens, niet aan het oogmerk voldoen.
Alsmede word hier nevens geretour­neerd de staat van 3 tot 9 december van de kolonie no.2.
De Kommissie zal gaarne de gekorri­geerde staten zoo spoedig mogelijk terug ontvangen. 352)


Maandag 18 december 1820

Uit de notulen van de Permanente Commis­sie, invnr 38:

- Kassier, 16 dec. Berigt dat de Vlissinger ex­peditie nog niet is aangekomen; dat de van Vlaardingen aangekomen kinderen door de vorst niet kunnen vertrekken; verzoekt het transport uit 's Hage niet voor nadere kennis­geving aftezenden.

- Direkteur, 14 dec. ... meldt de zwangerheid der dochter van Bodenstaf bij den zoon van de wede Vergeer.
De brief in handen van den Generaal, vervol­gens in die van den Heer VR. En inmiddels aan den Direkteur te schrijven, om van alle eigendommen der Maatschappij in handen van anderen, die voor opzegging vatbaar zijn, de huur optezeggen tegen 1 mei aanstaande. 38)

Sent Vergeer wordt als kolonist op 13-10-1822 geplaatst in Willem­soord als huisver­zorger, als opvolger van A. van Schaik. Hij is op dat moment ge­trouwd met Truitje Boden­staf. Kennelijk woonden de twee voor­dien bij de familie Bodenstaf, van die plaats komt in ieder geval een verzoek om peplaatst te worden. Op 21-3-1825 wordt het gezin ont­slagen omdat Sent meerder malen eigendun­ke­lijk gehandeld had. Er is sprake van een zoon: Lucas, geboren op 6-12-1822. In 1838 keert deze naar de kolonie terug om bij zijn grootouders (Bodenstaf) te wonen, die dan nog steeds een hoeve in Frederik­soord heb­ben. In 1840 wordt hij ontslagen.



Dinsdag 19 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Direkteur B. van den Bosch. Zendt in, eene nota van benoodigd huisraad voor de verwacht wordende huisgezinnen; met eenige opheldering omtrent het verbruikte.
Meldt dat in de koln 1 & 2 nog 7 woningen open zijn.
Zendt nog in, 2 kwit. voor uitgereikte manda­ten.





Donderdag 21 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Direkt. B. van den Bosch. Zendt in de gerectificeerde weekstaten van kol. no.2 met bijvoeging van dien van kol. 2, 3 en 4 tot 17 dec.
Voorts de staat van ontvangsten en uitgaven van de Direkteur.
En nota's van gemaakte mist.



Zaterdag 23 december 1820

Uit de notulen van de Permanente Commis­sie, invnr 38:

- Besloten een geleibrief te vervaardigen en heden avond aan den Heer Drieling te zen­den, voor de 56 personen, die morgen van hier staan te vertrekken als besteedelingen voor Frederiksoord. En van dit vertrek kennis te geven aan den Direkteur, zullende de stamlijst aan dezelven door den Generaal worden toegezonden.

- Kassier P.J. Ameshoff, 20 dec. ... zal omtrent den Steenwijker beurtman nader schrijven.

- Besloten aan den Heer P. Oosterlo te Steen­wijk te schrijven dat de P.K. voornemens is, om het aanstaande voorjaar te doen aanbou­wen 100 kolonia­le woningen van hetzelfde formaat als in no.3 gebouwd zijn, met dat onder­scheid dat in plaats van een planken binnenkamertje, de uitsprong van het schuur­tje naar voren toe zal doorloopen, op die wijze als bij den door hem overgelegde tee­kening is aangewezen; dat deze woningen zullen geplaatst worden in het Hollandsche Veen, en in de O. en W. Vierdeparten; dat de Maatsch. voor ieder derzelver leveren zal 10,000 stenen op het tesveld(?) aan den steenwin; en dat zij wenscht te weten voor hoeveel per stuk de Heer O. het bouwen dezer woningen buiten de steen, zoude willen aannemen; zullende 25 dier huizen gereed moeten zijn op 1o mei, 25 met half mei, 25 met ultimo mei, en de laatste 25 met half juny; verzoekende de P.K. zoo spoedig mo­gelijk antwoord, ten einde van heden af aan toebereidselen tot het werk te kunnen maken.



Zondag 24 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Direkt. B. vd Bosch. Accuseert de ont­vangst van mandaten, met aanmer­king om­trent de benoodigde.
Zal trachten de administratie zoo spoedig mogelijk gelijk te krijgen.
Vraagt of de P.K. ook de verantwoordingen van kol. no.3 en de Ommer­schans begeert.
Verzoekt toezending van een mandaat, ter verevening van de ontvangen wissel op As­sen à ƒ380,15.
Geeft opheldering omtrent zekere post in de verantwoording van mei.



Dinsdag 26 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Direkt. B. van den Bosch. Eenige zwarig­heden mededeelende wegens de ontvangst der Haagsche expeditie.
Verzoekt dringend om toezending der be­noodigde goederen of wel autorisatie van aankoop derzelven.
Zal de registers van het pers. nader inzen­den.



Woensdag 27 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De Heer van Assen van wege Prins Frederik. Kennisgevende van een door Z:K:H: gehou­den konferentie met den Baron van Kevers­berg.
En dat daarbij bepaald is dat het door Zijn Hoog EG vervaardigde werk benevens eene cirkulaire van Z:K:H: aan alle hoofdautoritei­ten in de zuidelijke prov. des Rijks zal wor­den rondgezonden.
Verzoekt mitsdien toezending eener kopy der cirulaire van Z:K:H: indertijd in de n. prov. publiek gemaakt.




Donderdag 28 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
Van wege den Direkt. B. van den Bosch. Inzendende:
De weekstaten van kol. no.2, 3 & 4.
En de nota's van gemaakte mist in kol. no.1, 2, 3.
Zullende de weekstaten van kol. no.1 gerecti­ficeerd nader volgen.

Besluit des Konings, in dato 16 dec. 1820 no.86. Houdende gunstige disposi­tie op het adres der P.K. om medewerking van het bestuur van Steenwijk, Vledder en Steenwij­kerwold en den vrederegter van het kanton Steenwijk tot het houden eener goede policie in de kolonien.

Proces verbaal van schouten van Steenwij­kerwold en Vledder in dato 20 nov. 1820. Wegens te doene afstand der gronden waar door het geprojecteerde kanaal van Steenwijk tot Frederiksoord zal loopen, door de eigena­ren en omtrent de wijze hoe die te bewerk­stelligen. 19)


Uit de notulen van de Permanente Commis­sie, invnr 38:

Ingezonden door den Heer van Royen, een bewijs van vrijwilligen afstand der gronden, voor het kanaal benoodigd van Frederiksoord tot Steenwijk.
Besloten het stuk in advys te houden, en in het archief te deponeren. 38)



Vrijdag 29 december 1820

Ingekomen post volgens het brievenboek met invnr 19.
De kassier P.J. Ameshoff. Doet een voorstel wegens de overzending der Haagsche expe­ditie naar Amsterdam en hunne verzorging aldaar tot open water.

Dec 29 Vledder, geboorteakte, 31 december 1820, aktenr. 35
Kind: Jan Westerveld, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 29-12-1820, zoon van Jan Westerveld, beroep: arbeider; oud: 54 jaren, en Vrougje Hendriks Crul, oud: 43 jaren.


Rond 31 december 1820


Uit de Leeuwarder Courant, (navolgende drie stukken zijn samen met het krantenartikeltje van 28 november 1820 hiervoor opgenomen in de brochure "De kolonie Frederiksoord en de Maatschappij van Weldadigheid" (Sneek, 1823), Over­druk uit de Leeuwar­der Courant van 1820, te Sneek, bij F. Holtkamp, boekverkooper 1823, inventarisnr. 3507):
:

KORT OVERZICHT VAN DE INWENDIGE INRIGTING IN DE KOLONIE FREDE­RIKS­OORD, EN VAN DEN TOESTAND DER KO­LONISTEN.

Om den toestand van een werkeloos en be­hoeftig huisgezin te verbeteren, is het niet genoeg, dat men, door aalmoezen of een wekelijksch onderhoud, hetzelve van het volstrekt noodige des levens voorziet. Men moet het de middelen in handen geven, waardoor het, met eigenen arbeid en vlijt, zichzelve op den duur een bestaan verschaf­fen kan. Zoo oefent men, op de meest doel­matige wijze, weldadigheid uit aan behoefti­gen. Men verbe­tert, langs dezen weg, niet alleen derzelver uitwendige om­standigheden; maar een arbeidzaam leven is ook bevorder­lijk voor 's menschen gezondheid, en voor de ontwikkeling van deszelfs vermogens; be­waart hem voor vele ondeugden, die de vruchten der ledigheid zijn, en heeft dus ook op zijnen ziels toestand eenen weldadigen invloed. Ook is het den mensch natuurlijk eigen, dat hij een geluk hooger schatte en met meer zelftevredenheid geniet, wanneer hij het als de eerlijke winst van eigenen ar­beid beschouwen kan, dan, wanneer het hem, zomaar onmiddellijk is ten deel geval­len.
Ondertusschen is men niet overal in de gelegenheid, om die huisge­zinnen, welke, door den loop der tijden in ons vaderland, van hun bestaan beroofd en tot armoede vervallen zijn, op deze wijze uit hunnen nood te redden, en tot een gelukkig zelfbestaan te brengen. Inzonderheid staat dit niet in de magt van enkele personen. Eene vereeniging van menschen­vrienden, die hieraan moeite en kosten willen opofferen, en daarenboven nieuwe bronnen van bestaan voor zulke huis­gezinnen weten te openen, kan alleen deze menschelijke zaak tot stand brengen. Dit is dan ook datgeene wat door de Maatschappij van Weldadigheid bedoeld wordt. Zij plaatst deze behoeftigen op de nog woestliggende gronden van ons vaderland; stelt hen in staat, om die te bebouwen, en wil hun, door middel van dezen en dan nog anderen ar­beid, die daarmede vereenigd gaat, een duurzaam en toereikend bestaan bezorgen. Hoe gelukkig zij nu hierin reeds werkelijk geslaagd zij, beoordeele de lezer zelf uit de volgende korte beschrijving van de inwendige inrigting in de kolonie Frederiksoord, en van den toestand dier behoef­tige huisgezinnen, die in dezelve geplaatst zijn.
Een eenvoudig, doch net en wellingerigt huisje, van steenen opgezet en met riet ge­dekt, strekt zulk een huisgezin tot woning; en eenen houten schuur achter aan hetzelve ge­bouwd, dient tot bergplaats voor de veld­vruch­ten, en heeft tevens eene stalling voor twee koebeesten. Voor en ter zijde van dit gebouw is een stuk gronds van 100 roeden tot eene tuin aangelegd, welke de kolonist tot eigen huishoudelijk gebruik met aardappelen en groente beplant. Drie en een halve mor­gens land, aan zijne inwoning grenzende, zijn hem bovendien toege­zegd. Hij bebouwt het­zelven met haver, garst, rogge, boekweit, aardappelen, en met voeder voor de beesten, en uit deze op­brengsten moet het bestaan des huisgezins voornamelijk gevon­den wor­den. Bij dat alles erlangt zulk een huisgezin, zoodra het in de kolonie komt, eene gezon­den, en naar zijne omstan­digheden geschikte kleeding, het noodige huisraad, en de ge­reedschappen, de mist en de zaden, tot de bebouwing van het land vereischt.
Men denke echter niet, dat dit alles den kolonisten, zal eene vrije bezitting, geschon­ken wordt. Neen, zulk eene kost­bare bedee­ling zouden niet overeenkomen met de hoofdbedoeling der Maatschappij, die niet schlechts eenige weinige, maar het meest mogelijke getal van behoeftigen uit hunnen vervallen toestand wil opbeuren. Daarom is het noodig, dat de kolonist de kosten daar­aan besteed, op eene voor hem geschikste wijze, vergoede. Men heeft dan ook bepaald, dat de kleeding, het huisraad en de gereed­schappen, het tot een gematigde prijs aange­rekend, allengs door hem betaald, en alzoo zijn eigendom zullen worden. Het huis, de schuur, en het land, blijven het eigendom van de Maatschappij, en van dien tijd af, dat het land werkelijk ontgonnen en vruchtbaar is, wordt hij huurder van hetzelve, en betaald hij jaarlijksch aan huur de som van ƒ 50-0, of de waarde dier som in veldvruch­ten. Deze beta­ling stelt de Maatschappij in staat, om hare inrigting een meerdere uitgebreidheid te ge­ven, en levert voor de kolonisten geen be­zwaar op. Want arbeiden is hier de zaak, en aan ieder huis­gezin wordt genoegzame ar­beid en verdienste verleend, om ooit, boven de afdoening dier schuld, en de betaling der huurgelden, een toereikend bestaan te vin­den.
De man, het hoofd des huisgezins, ver­bouwt den grond, van welken hij met de zij­nen de voordelen trekt. Drie of vier dagen worden hieraan weke­lijksch besteed. Voorts heeft hij gelegenheid, om twee dagen in de week tegen eene behoorlijke verdienste voor de Maatschappij te arbeiden. De aanleg van algemeene wegen, het graven van kanalen, eene voor de kolonie opgerigte steenbakkerij, en andere werken, die ten algemeene nutte van de kolonie dienen, leveren daartoe een­en genoegzamen vooraad van arbeid op. Naar mate dus op het veld minder te doen valt, gelijk in den wintertijd natuurlijk het ge­val is, kan deze arbeid ten dienste der Maat­schappij voor ieder' kolonist al ligtelijk ver­meerderd worden. De huisvrouw en de meis­jes, welke daartoe den geschikten ouderdom hebben, werken ook tot den verdien­sten van het huis­gezin mede door, het spinnen van vlas, en de jongens door het spinnen van wol. Deze laatsten, als zij hun dagelijksche spintaak hebben afgedaan, zijn den vader behulpzaam in het akkerwerk. Voor het overi­ge kunnen zij, die boven de 15 jaren oud zijn, bij vermin­dering van den spinar­beid, ook werkelijk twee dagen, in daghuur, arbeiden.
Door deze inrigting worden derhalve alle de leden des huisgezins, die slechts in staat zijn, om te werken, tot eenen arbeid opgeleid, waartoe zij in het eerst wel een goed onder­rigt en een naauwkeurig toezigt nodig heb­ben, en ook werkelijk erlangen, maar, zoo als de ondervinding geleerd heeft, al spoedig de vereischte bekwaamheid verkrijgen kunnen; zoodat zij slechts korten tijd, zonder eigen verdiensten zijn, en bij voorschot, van de Maat­schappij behoeven gevoed te worden. Door deze vereeniging van veld-, spin- en anderen arbeid, worden zij wijders in staat gesteld, om al spoedig een toereikend le­vens-onderhoud te verdienen, gelijk dan ook gebleken is, dat, op die wijze, de verdiensten van een huisgezin, naar deszelfs mindere of meerdere sterkte, wekelijks op 7, 8, ja zelfs, tot op 10 en 11 guldens gebragt kunnen wor­den, en dat men de jaarlijksche verdiensten der huisgezinnen van dien arbeid, door el­kanderen genomen, op ongeveer ƒ 350-: voor ieder, berekenen kan. De landbouw echter moet hier de voorname en deugdzame bron van werkzaamheid en bestaan uitma­ken. Zoodra dus de grond zijne voordeelen opbrengt, moet de andere arbeid, en de ver­diensten daaraan eene aanmerkelijke vermin­dering ondergaan; doch ook dan nog zijn de kolonisten van een toerei­kend bestaan verze­kerd.
Bij eenen tamelijk goeden oogst kunnen de jaarlijksche voortbrengse­len van den grond, naar eene matige berekening, voor ieder huisgezin tot de waarde van ƒ 300-: of ƒ 350-: gebragt worden. Rekent men nu nog bij deze som de opbrengst van 2 koeijen, en de voordeelen, welke de tuingrond oplevert, dan mag men de jaarlijksche inkomsten van elk gezin veilig op ƒ 400-: of ƒ 450-: stellen. Van dit inkomen nu kan de kolonist gemakke­lijk, jaarlijks ƒ 50-:, als huur voor zijne land­hoeve, aan de Maatschappij afstaan, en te­vens van tijd tot tijd de voorschotten betalen, welke zij gedaan heeft, zoo om hem aanvan­kelijk van het noodige te voorzien, als ook, om hem in het bezit van twee koeijen te stel­len. Delen van hun hebben dan ook al reeds hieraan kunnen voldoen, en bevinden zich, met hunne gezinnen, in eenen welvarenden toestand. Niet alleen hebben zij, in het alge­meen, zich een varken, ter mesting kunnen aanschaffen; maar sommige hebben het, door vlijt en spaarzaamheid, zelfs zoo verre gebragt, dat zij bovendien zelve hebben kun­nen bekostigen, de één het aanfokken en op­brengen van een kalf; de ander de aankoop van vijf schapen, en een derde dien van twee paarden tot eigen gebruik, en ook ter verhu­ring aan anderen, zoodat hieruit wederom nieuwe voordee­len voor hen kunnen voort­bloeijen.
Bij deze aanmerkelijke verbetering in hunne tijdelijke omstandighe­den, genieten de kolonisten ook het voorregt van eene ge­schikte Godsdien­stige opleiding. De stad Steenwijk en het dorp Vledder, liggen beide in de nabijheid van de kolonie. Hier hebben, zowel de Roomsch Katholieken als Protes­tanten, gelegenheid, om de openbare Gods­dienstoefeningen bij te wonen, waartoe zij tevens de noodige aansporing vinden; terwijl de leeraars dier onderscheidene gemeenten ook voor het bijzonder Godsdienstig onder­rigt der jonge kolonisten de meeste zorg dragen. Bovendien zijn er in de kolonie zelve school­gebouwen opgerigt, waarin de jeugd door eenen bekwa­men onderwijzer, in het lezen, schrijven, rekenen en andere noodige weten­schappen onderwezen wordt; en des avonds wordt dit onderrigt ook met vrucht aan de andere kolonisten medegedeeld, die op den dag moeten arbeiden, en in hunnen jongeren leeftijd van hetzelfde verstoken gebleken waren. Alles is dus ingerigt, om niet alleen in de tijdelijke behoeften der kolonisten op den duur te voorzien; maar om hen ook tot werk­zame, kundige en nuttige burgers, en tot brave, godsdienstige en gelukkige menschen te vormen. Behalve eenige weinigen mis­schien, die ook in de voordeeligste omstan­digheden van de wereld niet vergenoegd zouden zijn, of die liever het brood der luiheid willen eten, dan arbeiden, beseffen de kolo­nisten ook zelve het voorregt, met eene dankbare tevredenheid, en zegenen (gelijk eeniger hunner zelve betuigd hebben) het oogenblik, hetwelk hen in de kolonie bragt.
Zie daar dan, lezer! eene korte beschij­ving van de inwen­dige inrigting in de kolonie Frederiks-oord, en van den toe­stand der behoeftigen, in dezelve geplaatst; een be­schrijving, welke uit echte berigten opge­maakt, en door ooggetuigen beves­tigd is. Vergelijk nu zelf den tegenwoordigen wel­vaart, en waarlijk gelukkigen toestand dier menschen met dien armoe­digen staat, waarin zij zich te voren bevonden; toen zij, alle mid­delen tot een eerlijk bestaan zelfs missende, niet wisten, waarmede zij zich zelven, en hun hongerig en naakt gezin voeden en kleeden zouden; terwijl hunne kinderen, verstoken van de gelegenheid, om iets nuttigs te leeren, tot den bedel­staf opgroeiden: maak nu deze vergelijking, en oordeel dan zelf, of de in­stand­houding en uitbreiding dier voortreffelij­ke kolonie-inrigting voor zulke men­schen geen allerheilzaamste zaak zij, en elken men­schenvriend niet moet ter harte gaan. Oor­deel dan zelf, of gij u wel onttrekken moogt, om tot de bevordering van die zaak, het uwe bij te dragen. Neen, voorze­ker! Duizenden van menschen zijn er nog in ons vaderland, die in zeer behoeftige en kommerlijke om­standigheden leven. Ook zij kunnen op die­zelfde wijze geholpen, en tot eenen staat van welvaart en geluk gebragt worden; indien hunne meer begoederde landgenooten de menschlievende pogingen, om aan die inrig­tin­gen eene meerdere uitbreiding te geven, willen en blijven onder­steuning, daarom: of­fert wekelijksch slechts één stuiver hieraan op, en gij zult de wezenlijke eer genieten van lid en voorstander te zijn van een Maatschap­pij, die den armen op de meest doelmatige wijze weldoet, en door weldoen gelukkig maakt.

DE MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID. (vervolg)

Beide de buren. Hier zijn wij weêr, Domine! en zoo wij u niet ongeleegen komen, willen wij nog wel eens wat van u hooren over de Maatschappij van Weldadigheid.
Predikant. Zeer gaarne vrienden! zet u ne­der, en zegt mij gul, wat u op het hart ligt.
Jacob. Wij zijn nu beide leden van de Maat­schappij, waarvan gij ons zoo veel goeds hebt gezegd.
Predikant. Dat verheugd mij zeer, en gij zult u, hiervan houde ik mij verze­kerd, deze uwe kleine bijdragen niet beklagen. Hoe ligt kan men toch één stuiver in de week besparen, en wanneer door deze geringe uitgave zoo veel goeds kan worden tot stand gebragt, als ik u te voren heb gezegd, wie zou dan niet gaarne daartoe willen medewerken?
Jan. Dat is waar, Domine! Maar zullen wij dan ook niet wel haast van den last en den aanloop der bedelaars verlost wor­den?
Jacob. O! mogten wij dat nog eens beleven! Dan konden wij jaarlijks wel twee ja meer rijksdaalders voor de Maatschappij geven, en wij zouden er nog voordeel bij hebben.
Predikant. Ik weet het, vrienden! de bedelarij baart, vooral ten platten lande, hele lasten en moeijelijkheden, van welke de stedelingen zich naauwelijks een denkbeeld kunnen ma­ken; en gij kunt niet vuriger wenschen, dan ik, dat dit kwaad met wortel en tak wordt uitgeroeid.
Beide de buren. Ja, Domine! van die lasten weten wij te spre­ken; wanneer geheele zwer­men van onbeschaamde bedelaars iedere week ons huis afloopen, en met eene kleine gift nog niet eens te vrede zijn; ja, zelfs door stoute bedreigingen ons dwingen, om hun veel ruimer te bedeelen, dan wij zelven wil­den en moesten.
Predikant. Zoo is het, mijne vrienden! De bedelarij maakt onbeschaamd. Zij is de onza­lige bron van vele ondeugden. Zij is de pest der burger maatschap­pij, en, kan men haar uitroei­jen, gewis de veiligheid en het genoe­gen der ingezetenen, zoude er veel bij gewin­nen.
Jacob. Maar behoort dit dan ook niet tot de bedoelingen en werkzaamheden van onze Maatschappij van Weldadigheid?
Predikant. Zeer zeker; daar is ook reeds eene kolonie voor bedelaars opgerigt, en men heeft zelfs het uitzigt, om in den tijd van twee of drie jaren de bedelarij in onze Noor­delijke Provincien geheel uitteroeijen, althans van de zoodanigen, die arbeiden kunnen.
Jan. Dat kan ik haast niet geloven.
Predikant. Gij zult het toch niet onmogelijk of ongeloofelijk achten, wanneer ik u zeg, dat het bestuur der Maatschappij zelfs bereke­ning en verwachting op zulke gronden heeft ge­bouwd, dat ieder onbevooroordeelde zich moet laten overtuigen.
Jacob. Maar Domine! hoe groot zou wel het getal der bedelaars zijn, in onze Noordelijke Provincien?
Predikant. Men rekent hun getal op 3000, van welke een gedeel­te in de werkhuizen te Hoorn en Amersfoort onderhouden worden, doch ook een gedeelte nog omzwerft, en de plaag der ingezete­nen is.
Nu is er door de Maatschappij reeds gezorgd, dat in dit jaar (1822) bereids 1000 bedelaars in de kolonie kunnen worden opge­nomen, en tot den arbeid opgeleid. En even­zoo zullen in de jaren 1823 en 1824 telkens nog een duizendtal bedelaars ge­plaatst kun­nen worden, en aldus onze Noordelijke Pro­vincien eindelijk geheel van dezelfde gezui­verd zijn.
Jacob. Maar zullen daardoor de uitgaven der Maatschappij niet bovenmate vermeerderen?
Predikant. Ook daarvoor is genoeg gezorgd, door een besluit van Z.M. den Koning, waar­bij onder anderen bepaald is, dat de bede­laars, die in de kolonien worden opgenomen, voor rekening blijven van de gemeenten, die verpligt zijn, om voor derzelver onderhoud te zorgen; doch dat voor elke bedelaar niet meer dan ƒ 35-: jaarlijks zal behoeven be­taald te worden.
En nu ziet de Maatschappij, door deze geringen jaarlijk­sche toelage, en door de contributien van hare leden onder­steund, zich in staat gesteld, om een getal van 3000 be­delaars aan werk en brood te helpen voor dezelfde som, welke thans tot het onderhoud van 1000 bedelaars in 's Rijks werkhui­zen wordt vereischt.
Jan. Nu kan ik begrijpen, dat wij met grond mogen hopen, om eindelijk eens van de plaag der bedelarij verlost te zullen worden.
Predikant. Dat niet alleen; maar zoo het edel doel onzer loffelijke Maatschap­pij worde be­reikt, (en dat zal zij gewis bereiken, wanneer maar alle welden­kende Nederlanders haar blijven ondersteunen), dan zullen wij ook de vreugde genieten, dat zoo velen onzer land­genooten uit de laagte, waarin zij gezonken waren, worden opgeheven, tot een werkzaam leven opgeleid, en als nuttige leden aan de groote maatschappij zullen worden terugge­geven. Dan zullen wij die onzalige bron van zedeloosheid de menschonteerende en alle gevoel van schaamte verdoovende, en alle nijvere werkzaamheid verbannen­de, bedelarij welhaast geheel zien uitdroogen; en slechts oude, zwakke en gebrekkige, onder onze landgenooten, zullen tot onze weldadig­heid en menschenliefde hunne toevlucht behoe­ven te nemen.
Beide de buren. Dat wenschen wij hartelijk, Domine! dan zullen wij ons te meer verblij­den, dat wij tot dat groote doel ook iets heb­ben bijgedragen, en te meer reden hebben, om u te bedanken, dat gij ons, door uw vrien­delijk onderrigt, bewogen hebt, om leden te worden van eene Maatschappij, die zoo veel goeds sticht, en zoo veel goeds bedoelt.

IETS TOT BLADVULLING.

Wanneer men door elkanderen gerekend, dagelijks twee bede­laars, zoo wel gewonde, als die stom of blind heten te zijn, schepen verloren hebben enz., aan de deur krijgt, en aan ieder slechts twee duiten geeft, dan be­draagt dit weeks vier halve stuiver of in het jaar negen gulden en twee stuivers. Wonen er nu vijftig huisgezinnen in een dorp, die zoo veel geven, dan bedraagt dit ƒ 455 in het jaar. Hoe veel goeds kan hiermede gedaan worden.
Wanneer zulk een gewonde bedelaar dagelijks vijftig huizen afloopt, dan verzamelt hij althans 12 en een halve stuiver. Bedelt hij echter onder den titel van een schipper die zijn schip verloren heeft, of wiens huis is afgebrand, dan brengt hij op elken dag wel viermaal zoo veel bijeen. Vervoegt men zich nu des avonds in de logementen van deze lieden, en ziet men daar hun zwelgen en verkwisten, wat goeds is er dan door al deze aalmoezen gedaan? 3507)