Naar het overzicht
van de POST







De POST van AUGUSTUS 1819

Maandag 2 augustus 1819

Notulen van de vergadering van de perma­nente commissie invnr 38.

Besloten, om aan den kok toetezeggen ƒ 2 tractement en aan hem en de onderofficieren zoodanig dedomagement voor kasgeld, als de Direkteur billijk zal oordeelen. 38)



Dinsdag 3 augustus 1819

Uit de Staatscourant:

De Permanente Commissie bericht dat som­mige leden voor hun benoeming voor de Commissie van Toevoorzigt hebben bedankt, en welke leden in hun plaats benoemd zijn. sc 3.8.19


Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommis­sie

Frederiksoord den 3 augustus 1819

Ik heb de eer de Permanente Kommissie den receptie harer brieven van den 27, 31 july en 1 augustus, met de daarbij behorende  434,20 ct en no. 127 ad ƒ 1000- voor lopende uitgaven, te accuseren.
Op de rekening van Dheer Velzel voor geleverd vlas en raapolij groot ƒ 434=4=12, is door mij in juny in mindering betaald ƒ 250-, zo als op mijne verantwoording over die maand voorkomt en op de, van de Kommissie thans terug ontvangene rekening, door mij afgeschreven vlas. Zodat aan genoemde Heer Velzel alleen ƒ 184=4=12. te betalen over blijft. Thans zou mij de decisie der Kommissie aangenaam zijn. Of genoemde mandaat van ƒ 434=20 door mij aan de Kommissie zal worden geretourneerd, en de ƒ 184=4=12 uit de voorhanden zijnde gelden worden betaald? Dan of Dheer Velzel de mandaat zal ontvangen, en het meer der bedragen dan zijne pretentie aan mij afdragen, waar voor ik de rekening der Maatschappij zou crediteren.
Het ontvangen borderel is per express van Assen gezon­den en zal de Kommissie zo spoedig mogelijk gezonden.
De duplicaat kwitanties heb ik niet kunnen zenden, dewijl Dheer Tuttel absent is. Bij zijn retour zal ik daaraan mede zo spoedig mogelijk voldoen. De koeijen voldoen allen zeer goed. Binnen een paar dagen zal ik het getal op 25 gebragt hebben. Ten einde alle de kolonisten in dezelfde voorrechten zouden kunnen delen, voor zo verre zij door hun gedrag daarop aan­spraak kunnen maken, zou het mij aangenaam zijn de Kommissie kon goed vinden mij de nodige contanten, tot aankoop van eene koeij voor elk, te doen toekomen, De Haan, van Rhee en de Vos verdienen door hun weinig oppassend gedrag, bijna niet in deze voorrechten te delen, zij behoren ten minste de laatste te zijn bij de verdeling.
Ik voeg hier bij eene opgave van de benodigheden tot het maken van kaas, dat hier moeijelijk zou te bekomen zijn. Een onzer kolonisten, van een braaf oppassend gedrag, Klaas Teij­mes van Alkmaar, zegt daarin volkomen bedreven te zijn, zijnde dit voor hem en zijne vrouw acht agtereenvolgende jaren hunne eenigste bezigheid geweest. Eene opgave voor de melkerij gaat mede hier bij, t geen in Steenwijk zeer wel te bekomen is; waar wij reeds een gedeelte doen aanmaken, volgens opgave.

P.S.
?? Laurens Bovenkamp heb ik door de deurwaarder van Boskoop, het veenen etc. op last der Kommissie doen verbieden. Buiten het staken der werkzaamheden schijnt dit geen gevolg te zullen hebben.

Bijgevoegd:

benodigdheden tot de boter makerij, berekend tegen 50 koeijen

15 platte melkvaten
6 melktonnen
2 emmers
1 boterbol
2 houten melk nappen
1 boter lepel
2 melk zijen

In Steenwijk gekocht en dus van het bovenstaande aftetrekken.
dadelijk benodigd

7 platte melkvaten
3 melktonnen
1 emmer
1 boterbol
1 houten melk nap
1 boter lepel
1 melk zije

Benodigheden tot de kaasmakerij, berekend op 60 koeijen

10 makers
180 zetters
4 persen
8 paslootjes
10 waaivaten
2 stremvaten
2 tijmvaten
2 tobben, tot kaas ter grote p.l. 60 mengels
2 kaas nappen
2 hands ?rappen
2 schamels
6 kisten lang 16 voet, breete voor 4 zetters
3 pekel balies
6 emmers, voor 5 mengels melk
10 kaasdoeken
2 zout bakken
2 hals jukken. 52)



Woensdag 4 augustus 1819

Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommis­sie

Frederiksoord den 4 augustus 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij te retour­neren, het borderel van inschrijvingen en daarbij ontvangen brief van den bewaarder der hypotheken.
Nog heden avond hoop ik het getal koeijen in de kolonies met 12 vermeerderd, en dus op 24 gebragt te zien. Ik heb ten dien einde een paar vertrouwde menschen naar de Raalter markt gezonden, met een zeer bepaalden last, die heden avond moeten retourneren. Den groten afstand van 13 uren, en mijne bezighe­den, verhinderen mij om daar in persoon tegenwoordig te zijn.

Onder nadere approbaties heb ik met een hier wonend koopman een accoord getroffen, waarbij hij aanneemd het benodigt getal koeijen, op vier dagen keur te leveren. Zullende de niet voldoende koeijen, zonder eenige betaling moeten worden terug genomen en den overigen met ƒ 3=.= boven de koopprijs worden betaald. Genoemde koopman heeft meer dergelijk leveranties gehad, en zeer goed aan zijn verplichting voldaan.

De 12 door ons te Hoogeveen gekochte koeijen voldoen zeer goed. De markt toen bijzonder laag zijnde, zo zullen wij in t vervolg waar­schijnlijk voor dat soort van beesten meer betalen moeten. Ik zal de Kommissie nader kennis geven en mij steeds van bekwamen en kundigen lieden bedienen.

Verscheiden achtereenvolgende dagen hebben wij vrij zware onweders gehad. De daarbij gevallene regen heeft onze velden, inzonderheid de boekweit veel verkwikt. Zo dat het een vrij gunstig gewas beloofd.
Eenige stukjes haver die door de droogte te veel geleeden hadden, zijn geploegd en op nieuw met spurrie en knollen gezaaid.
Met uitzondering van 1/2 morgen staan alle de aardappelen bijzonder goed; en zijn van zeer goede smaak. De rogge word reeds in de schuren gereden.
Gerst en haver staat op de akkers in schoren zamen gehoopt.
Het geheel heeft het aangename voorkomen eener grote landhoeve, waarop alles in beweging en werkzaam is. Al den arbeid wordt door onze kolonisten zelve verricht, waarbij eenige zeer veel kennis, en bijna allen ijver en welwillendheid aan de dag leggen.

Binnen weinig dagen zal de nieuw ingerichte spinnerij en t school verplaats zijn, waardoor een zeer grote verbete­ring ontstaat. Ik vlije mij dat een en ander aan de intentie der Kommissie zal voldoen, en hare goedkeuring wegdrage.

Naar gis, zal er eene voorraad ongewasschen wol zijn van 3 à 4000 pond. Niet ingericht om dezelven te doen wasschen en te zuiveren, t geen zeer nodig is, neem ik de vrijheid de Commissie in consideratie te geven of het niet goed ware dezen voorraad naar Amsterdam of S'Hage zou gezonden worden, ten einde aldaar gewasschen en zo mogelijk geweefd te worden. Waartoe hier geene voldoende geleegenheid in den omtrek gevon­den wordt.

De zoon van van Ommen nog niet van verlof terug zijnde, neem ik de vrijheid mij dien aangaande aan vroeger ingezonden rapport te refereren, en de Kommissie harer decisie te solli­citeren. 52)

Bijgevoegd is een brief, kennelijk van de bewaarder der hypotheken. De genoemde lijst is niet aanwezig.



Donderdag 5 augustus 1819

Brief van S.J. van Roijen aan de Permanente Kommis­sie

Vledder den 5 augustus 1819

Ik heb de eer Mijne Heeren! ter voldoening aan uwe geëerde van den 31 july jl. no. 112/9 hier nevens aan uwe vergadering intezenden een taxatie van de gronden en goederen behorende aan de Steggerder Compagnie.
Door de Heeren J. Uitterdijk van Wolvega en R. Elzinga van De Blesse, als daar toe door de Heer Siderius verzocht en gecommiteerd met mij opgemaakt.
Doch het was niet mogelijk Mijne Heeren! vermits de Kommissie deze taxatie voor den 8 dezer verlangde, en er dus tot het doen daar van maar een dag kon worden besteed, de voorschreven taxatie met de vereischte nauwkeurigheid te doen, uithoofde men onderscheidene informatie moest inwinnen en de goederen een aanmerkelijk terrein beslaan en sommige derzelve uit elkander leggen verspreid.

De heide gronden tot de Steggerder Compagnie behorende worden op het taxatie billet niet gevonden, uithoofde dezelve onder de boerenplaatzen in huur zijn en dus voor de tegenwoor­dige eigenaren even zoo weinig als voor ieder particulier geen afzonderlijke waarde hebben, dat echter voor de Maatschappij van Weldadigheid niet van toepassing is.
Ook moet ik hier bij voegen, dat men niet heeft kunnen ontdekken of de heide gron­den van de Steggerder Compagnie zoo ver westwaard uitstrekken als de gezegtigheid van t dorp Steggerda is, en alzoo tot aan de boerenplaats de zoo genaamde de oude Blesse, zoo als men altoos heeft gemeend.

Terwijl den aanwijzer vermeende dat de heide ten westen de plaats no-s op het taxatie billet tot aan de voornoemde de oude Blesse (welk laatste grenst aan het Steenwijkerwolde heideveld) aan de particulieren of bij de boereplaatzen daar voorgelegen, zoude behoren.
Schoon berigt gever van contraire gevoelen zoude zijn, wanneer zoo als hij dacht deze heide velden der Steggerder Compagnie westwaard uitstrekken tot aan de boereplaats de oude Blesse en de Maat­schappij eigenaar wordende van de Steggerder Compagnie en van gezegde boerenplaats zouden hare eigendommen van af Frederik­soord tot aan het Steenwijkerwolde heideveld onafgebroken uitstrekken.

Ik hope hier mede aan de intentie van Ul. te hebben voldaan, heb ik de eer met alle verschuldigde hoogachting mij te onderschrijven

Mijne Heeren,
Ul. gehoorzaame dienaar
S.J. van Roijen 52)

Steggerda ligt in Friesland en de dichtstbijzijnde uitbreiding zal dus wel Steggerder Compagnie geheten hebben. Dit is het land waar uiteindelijk Wilhelminaoord op gevestigd wordt.



Verslag van de Permanente Commissie aan de Algemene Vergade­ring van de Maatschappij van Weldadigheid (die op 5 augustus 1819 plaatsvindt), zie de Star 1819:


Notulen van de vergadering van de Commissie van Weldadigheid:

Afwezig zijn onder andere Prins Frederik en de 1e assessor De Kemper.

Mendes de Leon staat op de lijst van bestuursleden. Kinker niet meer. Zijn plaats wordt kenne­lijk ingenomen door M.J. Kol uit Utrecht, die met eenparige stemmen benoemd wordt. Voorts treed volgens de loting, het eerste bestuurslid af. Dat is J.F.H. van Hemert. Hij stelt zich herkiesbaar, maar verliest het na een stemming in de tweede ronde. Zijn plaats wordt ingenomen door J. Lees­berg uit Den Haag.
Met betrekking van het jaarverslag wil Sijpkens dat een stuk over de maçonnerie verwijdert wordt, aangezien hij wil voorko­men dat de indruk gewekt wordt "als of de Maatschappij daar van het produkt ware". Na een uitleg van prins Frederik neemt hij zijn bezwaar terug.


"De Heer van Riemsdijk geproponeerd hebbende, om, daar de Heer Direkteur der koloniën zich zoo uitmuntend, en met zoo veel zelfopoffering zelfs ook van de helft zijns militaire trakte­ment kwijt van zijne moeijelijke en kostbare taak; aan dien Heer eenig dedommagent aantebieden, om, met betuiging van de hoogst voldaanheid en dankbaarheid der Kommissie omtrent ZE. administratie.
1. De beste pogingen bij Z.M. den Koning aantewenden dat 's mans tegewoordige bestemming aan zijn militair aramement geen hindernis toebrenge.
2. Om den Heer Direkteur provisioneel aantebieden een jaar­lijksch dedomagement van ƒ 2500:- met dien verstande, dat, indien ZE. zijn volle militaire traktement mogt weder bekomen, daarvan zal worden ingehouden zooveel als de vermeerdering van deszelfs tegenwoordig traktement zal bedragen."

"Daar de onderofficieren en een aantal kolonisten zich bij den onlangs plaats gehad hebbende heidebrand op eene loffelijke wijze onderscheiden hebben, is besloten tot een bewijs van goedkeuring der Kommissie en het aanmoedigen voor het vervolg, aan dezelve te accorderen gezamenlijk eene gratificatie te verdeelen op de navolgende wijze:
Zyll en Jansen ƒ 10:-
de overige onderofficieren en onderopzieners ƒ 7:-
de meest verdienstelijke kolonisten ƒ 5:-
en de overige naar evenreedigheid hunner verdienste ƒ 4:- en ƒ 3:-; met uitsluiting der zich niet gedistingeerd hebben­den.

En zal deze distributie door den Heer van Riemsdijk en loco zijnde, met den Heer Direkteur geschieden."

"Is besloten te doen vervaardigen eenige medailles in goud, zilver en koper tot remuneratie en vereering van die kolonis­ten welke blijken zullen, zich in dit jaar het braafste gedra­gen, en van hunnen pligt het beste gekweten hebben. En is het emblême derzelve, in druk aan de Kommissie vertoond, goed gekeurd." 16



Brief van A. Humbert aan de Permanente Commissie:

Hoog Edelen Gestrengen Heren!

Met de meeste hooge agting, neme ik de vrijheid UHoogEdelen Gestrengen te naderen, met zeer ernstig verzoek, mij, is het mogelijk, in een of ander vak, op de colonie Frederiks Oord te plaatzen, mij vlijende in meer dan een vak geemployeerd te kunnen worden. Ook gaarne willende en kunnende leren, datgene mogelijk mij nog vreemd. Reeds zeer veel ondervonden.
Thans zonder bestaan bekend bij aanzienelijke lieden, welke hoe gaarne ook, mij niet kunnen plaatzen. Zelfs behaagde het Zijnen Majesteit mij te willen doen plaatzen op mijne aanvrage na Oost of West, dan den Heere Minister Falck, dit niet mogelijk, ofschoon na, door den Minister ingewonnen informatie ter kennis van Zijner Majesteit gebragt, en mij, uit dien hoofden, als zwaar huisgezin, en dezen te leurstelling, van den Koning vreden zag med ener gratificatie van honderd guldens. Van zeer goede bekende, maar onvermogende famille, welke ik niet lange mag, nog kan tot last zijn.
Reeds lang door een aaneenschakeling van ongelukken en ziektens uit geput, ofschoon alles aangewend om door de waereld te komen.
Geboren alhier, zoon van den gewezen fijnschilder Humbert, mijne broeder te Leijden, en mijne zuster Van Bemmelen bekend bij den HoogEdel­Geb: Heere Kemper.
Thans zeer gezond, med menschen kunnende omgaan; zes jaren ondermeester in een kostschool geweest; ook in enen fabriek gewerkt, en swekelijks 50 à 60 menschen betaalde, en werk uitgaf.
Vrouw en vier kinderen, allen zoons. Mijne vrouw ook van zeer goede bekende famille van Amsterdam, met het huishoudelijke en veele andere nuttigheden, volkomen bekend.
Dat ik mij zou gelukkig en verheugd zag, het bovenstaande door UHoogEdeleGestrengen in aanmerking wierd genomen en de Edele Commis­sie gerustig geliefde te denken over hem, die de eer heefd zig med de meeste Hooge Agting te noemen van
U Hoog Edelen Gestrengen Heren!
den onderdanige Dienaar

Alm. Humbert
den Hendrikstraat no.268

S Gravenhage den 5e augustus 1819 52)

In de Rode Kloosterhuis komt geen Humbert voor.



Vrijdag 6 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommis­sie

Frederiksoord den 6 augustus 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij in te zenden:

2 op heeden bij mij ontvangen brieven, houdende sollicitaties om bij de uitbreiding der Kolonies geëmployeerd te worden.

Dheer Rulach is meen ik gepensioneerd kapitein, en bij den 2 assessor eeniger mate bekend. Hij zegd kennis van fabrijken en den landbouw te hebben en zou met eene kleine besoldiging gaarne werkzaam zijn. Ik heb hem eenmaal ontmoet. Hij heeft een goed voorkomen en scheen mij toe 50 jaren oud te zijn.

Den 2e sollicitant de gepensioneerd luitenant, Dheer Fenner is mij geheel onbekend, maar wordt door de Heer Rulach bijzonder gerecommendeert. Ik heb het van mijne plicht geacht beide deze stukken aan de Kommissie te doen toekomen en daar van de belanghebbenden kennis te geven.

Heden zijn per beurtman verzonden, de staat van uitbeta­ling van 18 tot 24 july en tot 1 augustus waar uit de Kommis­sie zien zal dat aan ieder huisgezin door elkander gerekend meer dan ƒ 1=. per dag betaald is.
Heden zijn zeven koeijen van de Raalter markt aangekomen. Welke niet hoger dan de vroeger gekochte zullen te staan komen. Vier dezelve moeten binnen eenige dagen kalven. Eene enkele is te klein en zal dienen verruild te worden. Ik ben nog eenige van een koopman wachtende. In haast.


Notulen van de vergadering van de Commissie van Toevoorzicht:

Prins Willem blijkt afwezig. Bovendien heeft hij nog geen definitief antwoord gegeven op de vraag of hij tot de commis­sie wil behoren. Dit blijkt geen echt obstakel voor de verga­dering te zijn: "De Kommissie van Weldadigheid heeft dan ook gemeent Ulieden in overweging te moeten geven, of die absentie wel als een hinderpaal zoude behoren te worden aangemerkt, om Hoogstdezelve tot President te benoemen, en ingevalle Zijne Koninklijke Hoogheid daar toe verkozen mogt worden, of men dan niet geschikstelijk aan een vice President het beleid van Ulieder vergadering zou kunnen opdragen."
Johannes van den Bosch opent de vergadering met "eene doelma­tige aanspraak ... waarna de Commissie van Toevoorzigt door denzelven plegtig is geinstalleerd". De deelnemers kiezen inderdaad Prins Willem tot hun voorzitter en Gijsbert Karel Graaf van Hogendorp tot zijn vice. De laatste weet de aan­spraak van de president van de Permanente Commissie "op een alleszins gepaste wijze" te beantwoorden.
De vergadering begint met een lijvig verslag van de Permanente Commissie omtrent de stand van zaken. Herhaaldelijk word daarbij gerefereerd aan het zo loffelijke doel van de onderneming. Dan worden de eerste cijfers gepresenteerd, maar niet zonder eerst de loftrompet te laten klinken voor de directeur: "Tot het verkrijgen van zoodanige vaste resultaten, voor het vervolg, is het noodig geweest de Direktie van de kolonie, aanvankelijk, optedragen aan een man, op wien men zich te dien aanzien geheel verlaten kon; en hier mede is de Kommissie uitnemend wel geslaagd, in den persoon van den Heer B. van den Bosch, wiens strikte eerlijkheid, ijver voor de belangen der Maatschappij en welwillendheid, ten volle bewezen worden door de deugdzaamheid zijner administratie, den bloei­jenden toestand der kolonie, en de tevredenheid aller kolonis­ten, niet tegenstaande de duizende moeijelijkheden van aller­lei aard, die, vooral bij de grondvesting der eerste kolonie, hebben moeten overwonnen worden, en de oneindige opofferingen, daaraan verbonden. Wij durven dit met te meer vrijmoedigheid zeggen, daar het aan Ulieden zelve overgelaten is, de gegrond­heid dier getuigenis plaatselijk te onderzoeken."
Het verslag wordt afgesloten met: "Door Ulieder voorlich­ting en teregtwijzing geleid in alles, waaromtrent het reeds verrigte voor verbetering vatbaar mogt geoordeeld worden, durven wij hoopen, dat onze vereenigde pogingen tot heil onzer lijdende natuurgenooten tot eere van het Vaderland, gelijk tot Ulieder bijzondere voldoening en tevredenheid, zullen mogen verstrekken." 27)



Zondag 8 augustus 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

Ingekomen, een brief van Z.K.H. den Heer Pr. van Orange, in dato 4 augusti, accepterende het voorzitterschap der Kommissie van Toevoorzigt. Notificatie van kennisgeving daar van aan de Kommissie van toevoorz.

Besloten ... den Direkteur te zenden een mandaat van nog duizend gulden tot verdere inkoop van koeijen, en hem te kwalificeren om de benodigdheden voor boter- en kaasmaken intekopen, en daar voor en andere lopende uitgaven een mandaat te kreeren van eén duizend gulden, no. 133, 134.

Ontvangen een klok voor de kolonie ten geschenke aan de Maatschappij, door den Heer J.H. Bagman Besloten, die klok morgen 9 augustus met den beurtman naar de kolonie te zenden, en een beleefden brief van dankzegging daar bij te doen.

Ontvangen een missive van Z. Majesteit den Koning, inhoudende (1) dispositie op het rekwest der P.K. te 's Gravenhage om vrijstelling van belastingen gedurende ten minste 30 jaren, van alle belastingen op gebouwd en ongebouwd eigendom, van de gronden die door de Maatsch. van W. zullen worden vruchtbaar gemaakt en gebouwd. (2) verleening en vruchtgebruik der verla­tene Ommerschans, tot een bedelaarsinstituut. (3) verlof om onder 's-Konings approbatie kontrakten te sluiten met de steden, (4) aanmoediging der gekonstitueerde magten door Z.M. om de pogingen der Maatschappij te bevorderen. Met het besluit (1) om de voorgeschrevene vrijstelling van belastingen te akkorderen, wat de gronden betreft, voor den tijd van 10 jaar, en wat de gebouwen aangaat, voor den tijd van 3 jaar, met vrijlating echter om opnieuw aanvrage te doen, behoudens de verpligting der Maatschappij om te betalen wat van de woeste gronden zelve betaald wordt, en onder zekere verdere bepalin­gen. (2) wat betreft de Ommerschans de dispositie voor als nog aantehouden, Art. 3 en 4 te akkorderen, en de verzogte aanmoe­diging aan de gekonstit. magten te doen. 38)


Ingekomen post invnr 52. Een handgeschreven stuk van prins Willem, waarin hij het voorzit­terschap van de commissie van toevoorzigt accepteert.


Ingekomen post invnr 52.

Een memorie van berekening van het product of opbrengst van een morgen hoogveen, opgesteld door S.J. van Roijen, met berekeningen van kost en opbrengst.


Ingekomen post invnr 52. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommis­sie

Frederiksoord den 8 augustus 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij intezenden
De verantwoording van gelden over de maand july. De daar­bij behorende kwitanties en bijlagen zullen onmiddellijk per beurtman volgen.
In ontvangst heb ik genomen ƒ 2000- voor aankoop van koeijen. De gelden van de Heer Ameshoff ƒ 269=1=8, waar over ik reeds aan de Kommissie geschreven heb, ƒ 73 voor verkochte paarden en eindelijk mandaat no. 127 ad ƒ 1000. hoewel den 1 august verzonden. Zo dat alle ontvangen gelden verantwoord zijn. Door den aankoop van koeijen, waar van het getal thans 27 bedraagd, waar onder 2 afgekeurde, en de lopende uitgaven is het saldo van ƒ 2088=13=2 thans zeer verminderd. Zo dat ik de Kommissie de toezending van een mandaat moet solliciteren.
Ook Dheer Oosterlo wenscht gaarne eene mandaat te mogen ont­vangen.
Ik wenschte de Kommissie kan goedvinden voor ieder eene koei te doen aankopen, dewijl dezelve thans zeer goed te bekomen zijn. In haast.

Tevens besluiten van Koning Willem I o.m. met betrekking tot vrijstel­ling van belasting en de oprichting van de Ommerschans.



Maandag 9 augustus 1819

Uit de Staatscourant:

's Gravenhage, den 9 augustus.

Den 5den dezer, is alhier gehouden, de twee­de algemeene vergadering der commissie van Weldadigheid, welker gewigtige beslui­ten, benevens de, te dier vergadering uitge­bragte, belangrijke rapporten, van tijd tot tijd, door het tijdschrift de Star zullen worden algemeen gemaakt.
Ter aanvulling van het gewone getal leden der commissie is be­noemd geworden, de heer Mr, J. Kol, te Utrecht; en in plaats van het bij loting aftredend lid, de heer Mr. J.F.H. van Hemert, de heer J. Leesberg, in 's Gravenhage; beide welke benoemingen door de commissie van toevoorzigt, ingevolge het reglement, zijn bekrachtigd geworden.
De tegenwoordige staat en verdere uit­zigten der maatschappij, inzonderheid de rekening en verantwoording der permanente commissie, voor het eerste jaar, tot en met den 31 maart ll, ingesloten, zoo wel als de loop der gehoudene correspondentie van de maatschappij, zoo binnen als buiten 's lands, hebben de belangrijke onderwerpen uitge­maakt, waaromtrent verslag gedaan, en door de commissie geraadpleegd is; hebbende dit een en ander de meest voldoende resultaten opgeleverd.
Hier op is, den 6den dezer, in het ge­woon lokaal der maatschappij, de commissie van toevoorzigt, vergaderd geweest, zijnde door den waarne­menden president der hoofd-commissie, den heer J. van den Bosch, en verdere leden der permanente commissie, geïnstalleerd geworden.
In die vergadering zijn benoemd gewor­den, tot president, Z.K.H. de Prins van Oran­je, en bij Hoogstdeszelf absentie, tot vice-president, de Graaf G.K. van Hogendorp, en tot secretaris, de heer Mr. J.A. Drieling.
Na lecture der door de Commissie van Weldadigheid ingezondene stukken, heeft deze vergadering geëxamineerd en ten hoofd-onderwerp van hare deliberatien ge­maakt, de gedane rekening en verantwoor­ding der permanente commissie, wegens hare geldelijke administratie voor het eerste jaar der Maatschappij, geëindigd met den 31 maart ll., waarvan de zeer voldoende uitslag nader aan het publiek zal worden bekend gemaakt.
Het zij thans genoeg, te berigten, dat beide de commissien zeer voldaan zijn ge­scheiden; zijnde de leden der commissie van toevoorzigt, door de heeren J. van der Bosch, P. van Hemert en Mr. J.C. Faber van Riemsdijk, in hun privé, op een vriendschap­pelijk middagmaal gulhartig onthaald gewor­den. (geteekend) P. van Hemert. sc 10.8.19




Dinsdag 10 augustus 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Brief van den Direkteur no 38/8. Geeft een koncept-missive  van de subk. Leyden over het weven en verwen der wollen stof­fen, welkes konform is geexecuteerd. Verder adfiseert, den zoon van Van Ommen in de kolonie niet te admitteren, maar terug tezenden. Besloten, dan konform de Direkteur aante­schrijven."

"Idem (Brief van de directeur) ... Op deszelfs voorstel beslo­ten besloten, de missives van Rulach en Fenner testellen in handen van de Heer Direkteur om informatie of de personen nuttig in de kolonie zouden kunnen worden gebruikt." 38)



Woensdag 11 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 11 augustus 1819

Bij mijne missive in dato 21 juny jl. had ik de eer aan de welwillendheid der Permanente Kommis­sie aan te bevelen den persoon van Adrianus van Schaik en huisgezin, ter plaatsing in de kolonie.
Ik neem de vrijheid ten overvloede mijn aanzoek te hernieuwen, met de herinnering dat die persoon gehuwd is, een kind heeft, dat hij is van uitmuntende zedelijke hoedanigheden, sterk van ligchaamsgestel, zoo wel als zijne vrouw, en dat deze lieden zeer geschikt zouden zijn, om bij dezelve kinderen te voegen.
De plaatsing van dit huisgezin zou mij bijzonder aangenaam zijn. UWEGe gelieve de voordragt in gedachten te houden, en te gelooven dat ik met bijzondere hoogachting verblijve
UWEGeb DW Dienaar

P.J. Ameshoff

KB - zie 28 juli



Donderdag 12 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Brief van Paulus Bloemer aan de Permanente Commissie:

Aan de Hoofdcommissie van weldadigheid in 's Gravenhage

Geeft de ondergetekende met verschuldigde eerbied te kennen
Dat hij als school-onderwijzer te Kuinre in Overijssel gefungeerd heeft en door eene zamenloop van omstandigheden en eigene onvoorzichtigheid in den jare 1811 voor dien post bedankte.
Dat hij vervolgens uit andere betrekkingen door eigen schuld en dwaze stappen geraakt zijnde maar al te laat onderkend, dat alleen een goed gedrag en gestrenge pligtsbetragting den mensch het ware geluk op deze aarde kunnen aanbrengen.
Hij ondervindt met zijn huisgezin de gevolgen zijner verkeerdheden zodanig, dat hij zich, zonder redding, tot den bedelstand zal moeten vernede­ren, een stand waarvan zijn hart den diepsten afkeer heeft en waarvoor hij zoo gaarne wenschte bewaard te blijven.
Hij heeft zich in dezen treurigen toestand bij den Heer Direkteur van het Frederiksoord vervoegt met nedrige bede om in gemelde oord, met zijn huisgezin te worden opgenomen; doch werd door dezelven geinformeerd dat men zich met dergelijke verzoeken aan UHUGestr. moest adresseren.
Dientengevolge neemt de ondergeteekende de vrijheid zich tot UHEGestr. te wenden, met zeer eerbiedig en nedrig verzoek, dat het UHE­Gestr. goedgunstig behagen moge, aan het verlangen van hem en zijn huisgezin te voldoen, door hem in gemelde oord te plaatsen, en zoo het mogelijk is aan hem het onderwijs der jeugd aldaar optedragen; terwijl hij in geval dit niet kan geschieden, gaarne zijne krachten aan den aldaar vereischt wordende arbeid wil toewijden.
Hij verzekert UHEGestr. dat de ondervinding van armoede en ellende, waarin hij zich zedert eenigen tijd met zijn gezin gedompeld ziet, dien invloed op zijn hart en wandel hebben gemaakt, dat onder den Goddelij­ken bijstand omtrend zijn gedrag niets meer te vreezen is.
Ach! Verwerp zijne bede niet, neem de belangen van hem en zijn huisgezin ter harte, en redt, door UHEGestr. gunstige dispositie op zijne bede, welke hij UHEGestr. in perzoon aanbied, hem en zijn gezin van een gewissen ondergang; en deeze weldaad zal hem ten kragtigen spoorslag strekken, om door zijn gedrag, en de gunst van UHEGestr. en de achting van bestuurderen van het meergemelde oord.
't welk doende enz.
UHEGestr. Ond. Dienaar

Paulus Bloemer

In persoon afgegeven 12 augustus, behandeld door de PC 13 augustus.



Vrijdag 13 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Uit een brief van J.D. Lawaetz aan Johannes vd Bosch:

à Neumuhle près d'Altona ce 13 d'août 1819

l'Europe prosséde actuellement une preuve et un argument oculaire, que l'indigence et la misère peuvent être radicalement décourêu et guerie par l'agriculture. Ce que presque tout le monde jusqu'iei, croyoit impracticable. l'on vous à la plus grande obligation monsieur, d'avoir extirpé cette erreur. 52)

Vertaling: Europa (ontbeert) op het moment een bewijs en een zichtbaar argument dat de armoede en de ellende (opgelost) en genezen kunnen worden door de landbouw. Dat wat iedereen zo goed als onuitvoerbaar gelooft. Op u rust de grote plicht meneer, dat misverstand uit te roeien.

Er is ook nog een brief in het Duits. Lawaetz accepteert het honorair lidmaat­schap en belooft om naar meerder leden op zoek te gaan. Ook stuurt hij een kleine gift in de vorm van 25 gulden.



Zaterdag 14 augustus 1819

Koninklijk Besluit waarmee de Maatschappij van Weldadigheid het vruchtgebruik krijgt van de Ommerschans,
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Archief/KoninklijkeBesluiten.html



Maandag 16 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Brief no.74/8 16 augustus 1819. Subkommissie Paramaribo stuurt een brief met een wissel van ƒ5000,- van de Nederlandsche Bank.



Woensdag 18 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommis­sie

Frederiksoord den 18 augustus 1819

Ik heb de eer de Kommissie de Maatschappij van Weldadigheid in antwoord op harer missive van den 6 dezer te informeren dat het mij een aangename voldoening geweest is, de door mij aangewende pogingen om tot het grote doel der maatschappij meede te werken, door de goedkeuring en tevredenheid der Kommissie op eene even verëerende als vleiende wijze beloond te zien.

Dat ik mij zelve geluk wensche iets tot verligting der leidende menschheid te hebben kunnen bijdragen en in onze werkzame betrekking het vertrouwen der Kommissie te hebben mogen verdienen.

Dat mijne omstandigheden niet veroorloven steeds de wenschen van mijn hart te volgen, de Kommissie mijne verklaring op een even delicate als genereuse wijze is voorge­komen.
Dat ik gevoelig door zo vele bewijzen van vertrouwen en te vredenheid gaarne in mijne betrekking zal continueren, en steeds alle pogingen zal blijven aanwenden ten einde aan de verwagtingen der Kommissie te beantwoorden.
Dat het dedomagement van ƒ 2500=.=. veel meer is dan ik immer zou hebben kunnen verwachten en dat daaruit derhalve mijne reiskosten te betalen, als mede een bekwaam boekhouder bureau onkosten etc.
Dat ik echter de vrijheid neem deze voorwaarden te maken. Dat de Kommissie, even als ik zelve, mijne betrekking slegts zo lang als verbindend beschouw, als dezelve met de wederzeid­sche genoegens en belangen zal overeenkomen. Dat het mij bijzonder aangenaam zijn zal den uitslag der demarches te vernemen, welke de Kommissie wel de goedheid heeft voor mij bij t Gouvernement te oog. (?)

Een gelukkiger mens als Benjamin lijkt niet te vinden. Het is natuurlijk afhankelijk van de demarches (= pogingen om een onderhandeling te starten om iets gedaan te krijgen) die er toe moeten leiden dat ook het Gouvernement accoord gaat met een verlenging van Benjamins detachering, maar zelf wil hij zeker nu wel.


Ingekomen post invnr 52. Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 18 augustus 1819

UWEGe ten overvloede te observeren dat het krediet van Suriname a ƒ5000:00 eerst den 29 september, vervaltijd van den wissel, kan inkomen, met verzoek daarop bij het trekken van mandaten wel te willen verdacht zijn. Dezelve wissel hoezeer aangenomen te betalen, kan niet legaal, geaccep­teerd worden, om dat niet gezegeld of voor zegel geviseerd is.


Ingekomen post invnr 52. Brief van B. Slot aan de Permanente Commissie:

Meppel 18 augustus 1819

Hoog Edele Zeer Weldadige Heeren!

Bij mijn thuiskomst van een reis na Overijssel en Vriesland, vinde ik UWHEds aanvrage "om inlichting wegens de persoon, en omstanden van Paulus Bloemer, gewezen schoolonderwijzer".
Ik vinde mij zeer vereerd met het gunstig vertrouwen dat UWHEds in mij gelieven te stellen, maar te gelijk in de strikste verpligting om dat na waarheid, zoo veel bekend, te beantwoorden.
Wegens mijne relatien aan de Kuinre heb ik Bloemer aldaar zedert eenige jaren gekend, eerst als schoolonderonderwijzer, bij de tweede fran­sche overheersing in 1811 wierde hij wegens zijn vlugheid en eenige kennis in de fransche taal, die hij zig schielijk eigen maakte, onmisbaar bij het plaatselijk bestuur, waar door hij dagelijks van zijn school wierd afgetrokken, dat meer met zijn smaak als het school bestier overeenkomende, en in denkbeeld, dat hij wel een postje zoude verkrijgen, heeft hij de onvoorzigtige stap begaan, met, voor het school bedanken, de werkzaamheden bij het bestuur verminderende, is hij vervolgens bij het collegie van zetters geem­ploy­eerd, dat afgelopen zijnde, en geen ander bestaan hebbende, heeft hij hem door armoede gedrongen, als remplassant in de militaire dienst verkogt. In dat vak wierde hij zeer spoedig tot sergeant major bevordert, en na de affaire bij Waterloo met de Ridder orde vereerd, niet wegens zijn braveinzes, maar zoo men zegt, door zijn aangename vlugheid en zijn sterk geheugen, waardoor hij de inhoud van vermiste stukken waarmede hij bekend was, int zijn hoofd zoude in order gebragt hebben. Dan Helaas! door den drank en daaruit vloeijend slordig gedrag, moet hij hem niet alleen de Ridder orde, maar zelfs de militairen stand onwaardig gemaakt hebben, waardoor hij andermaal in de diepste armoede is vervallen, nergens anders onderdak kunnende komen, is hij in een kamer van mij aan de Kuinre, die leeg stond, getrokken. Aan de Kuinre komende heb ik hem in de ellendigste staat aangetroffen. Hij wilde mij eerst, uit schaamte ontvlugten, maar ik riep hem te rug. Zijn diep neergeslagen voorkomen, ernstige betuiging van berouw wegens zijn gehouden gedrag, en de sterkste beloften van verbetering, hebben mij bewoogen, en zijn buiten gewoone bekwaamheden, aangespoort, om te beproeven hem eenig bestaan te bezorgen, intusschen vorderden mijn buiten gewoone werkzaamheden, als mede executien in de nalatenschap van wijlen de Heer ontvanger der directe belastingen mr. H. Dons, een assistent. Ik konde geen bekwaamer voorwerp en die het noodige had bedenken als Bloemer. Ik ontbood hem van de Kuinre, mijn zoon, wiens klederen hem pasten, verzorgde hem daarvan, ik heb eenige weken van smorgens, tot savonds met het genoegen met hem gewerkt, hij gebruikte geen drank, ik flateerde mij, en had het genoegen een ellendeling zo verre geholpen te hebben en verkreeg onderscheidene aanbiedingen waardoor hij verder geholpen zouden kunnen worden. Maar wat gebeurt er? De zoon van de schout van de Kuinre koomt te Meppel, verzoekt hem om savonds in zijn logement met hem te eeten, daar waren nog twee andere heren. De volgen­de dag vernam ik dat hij zig weer te buiten gegaan had, en daar ik hem op de striktste voorwaarden had aangenomen zig wel te gedragen, heb ik hem gezegt te moeten vertrekken, anders zoude ik hem nog gaarne eenige tijd gehouden hebben. Bitter bedroeft is hij vertrokken, zedert dien tijd, ruim 1/4 jaar verleden, heeft hij als een balling rond gezworven zonder eenige condi­tie te kunnen verkrijgen. Voor eenige weeken reed ik na friesland aldaar bij een plaats van mij komende, wierd mij van ver door iemand het hek openge­daan. Ik bedankte de man, en hij ging voord. Ik riep hem toe wie hij was, met beschaamtheid naderde hij mij, en met aandoening herkende ik Bloemer; in een veel ander en slegter gewaad, als hij van hier was vertrokken, ik gaf hem iets, en vond mij aangespoort om hem mijn laatste raad te geven, namentlijk om na de Heer van den Bosch na Frederiks Oort te gaan, en zijn HEdGestr. te verzoeken, om een proef met hem te nemen. Met aandoeninge van blijd­schap heeft hij die raad aangenomen, en mij vervolgens geschreeven dat zijn HEdGestr. hem na de Permanente Kommissie had verwezen (ingesloten, welke ik de vrijheid gebruike hier bij te voegen, heeft hij aan mijn zoon in Kampen geschreven).
Zie daar Hoog Edel Zeer Weldadige Heren mijne consideratien die ik met Bloemer zedert eenige tijd gehad heb, waaruit ik hem zo ver heb leren kennen, dat zoo hij zijn bekwaamheden ten besten wil uitoefenen, de drank vermijden, voor uit kan zijn en hij aldien UWHEds een proef op Frederiks Oort met hem gelieven te nemen, waar toe ik geen zwarigheid gemaakt hem te nader(?) daarom te verzoeken, in gedagten dat zo hij hem niet wel mogte gedragen UWHEds hem weg kunnen jagen, gelijk ik gedaan heb, wenschte ik dat God hem door de diepste ellende geleerd, voor verdere dwalingen genadig behoede.
Hij heeft een bekwaame vrouw die goed naajen, en zo hij mij gezegt heeft, andere handwerken kan verrigten, maar die in de diepste armoede zonder onderstand van de diaconie aan de Kuinre verkeerd, en directe voorzieningen vereischt word.
Kan ik UWHEds verder van dienst wezen het zal mij altoos tot eer verstrekken. Intusschen heb ik de eer met alle hoogagting te zijn
Hoog Edele Zeer Weldadige Heeren
UWHoogEdele DW Ootmoedige Dienaar

B. Slot

Bijgevoegd:
Wel Edele Heer!

Ach. Lees dit toch langmoedig. Gepasseerde zaturdag 8 dagen was ik ten toppunt van ellende gestegen. Zonder hulp, zonder raad, liep ik van de Kuinre niet wetende waarheen. Maar wonderlijk zijn Gods leidingen. Nimmer ondervond ik dezelve zoo als dien dag. Ik kwam des avonds aan de Blesdijk, daar ontmoette mij UWE vader. Hij zag mijne ellende, zijn hart werd geroerd. Hij vergaf mij alles. Gaf mij den raad om met een smeekschrift bij den Direkteur van het Frederiksoord te gaan, ten einde aldaar geplaatst te worden. Dien raad heb ik opgevolgt en daarvan de toezegging gekregen, onder voorwaarde van zelf in persoon met een dergelijke smeekschrift bij de Hoofdcommissie van weldadigheid in 'S Hage te gaan. Dit rapport bragt ik vrijdag j.l. aan UWE Heer vader in persoon over. Stelde een smeekschrift in, het welk zijn goedkeuring weg droeg. Ontving van hem mijn weldoener eene toelage tot gen. reis, en vertrok met een gezond hart.
Dank zij God; dat ik weder in zijne gunst mag deelen. Ook UWE smeek ik daarom, en bid UWE om indien het u mogelijk is, het oudste hemd aan mij te schenken, dat UWE bezit, met eene geringe reispenning. Ach! verwerp mij nu ook niet! Sla nu ook de laatste hand aan mij, door ellende wijzer geworden, zal mijn gedrag de eenige danbare erkentenis voor UWE liefde uitmaken.
UWE DW Dr

Bloemer





Vrijdag 20 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 20 augustus 1819

De kassier ... zich gedragende aan de ommestaande nota heeft tevens de eer UWEG te verwitti­gen, dat aan hem ter betaling zijn gepresenteerd geworden, vier acceptatiën door de Permanente Commissie, ten gezamenlij­ken bedrage van ƒ10,000.00 aan de order van den Heer R.A. Nobel, op heden vervallen. Bij gebreke van advies zoo wel als van disponibele fondsen, heeft hij dezelve op vertooning niet kunnen honoreren, maar heeft zich, ter ophouding des krediet, gewend tot de leden der financiële afdeeling, ten fine der voorziening, welke hij hoopt dat volgen zal.
De kassier voornoemd
Bij afwezigheid, ingevolge procuratie

J.Jabot

P.S. De Hr A. naar de colonie zijnde, retourneert eerst heden over 8 dagen.



Ingekomen post invnr 52. Brief van C.J. Nieuwenhuys aan de Permanente Commissie:

Amsterdam den 20 augustus 1819

Weldedele Zeer Geeerde Heeren!

Dezen middag te 3 uuren te huis komende vond ik ingesloten en gelukkig kwam den Heer Mendes de Leon mey dadelijk daarover spreken. Wij zijn, bij absentie van den Heer P.J. Ameshoff, overeengekomen om ZWE dezelve toetezenden met verzoek om ons morgen per dilig. van 7 daarop het noodige berigt te doen toekomen. Intusschen zal de Heer Mendes de Leon met de associatie cassa spreken om de wissel tot morgen te suspenderen, latende Zijn EL intusschen de ter zijne betrekking liggende ƒ5000 onaangeroerd. Vermits de acceptatie reeds van 6 july zijn en er geen advis ingekomen zijn zouden zoo komt ons zulks vreemd, voor en de meening is thans om deze gelden voorteschieten, zoo zouden ons zulks eenigzins huiverig maken. Van deze maand heb ik nagerekend dat er circa 13319-94 ont. en 9275 uitgege­ven zijn of tenminste disponibel gesteld zijn, zoo dat wanneer alle advizen ingekomen en alle mandaten betaald waren er nog een surplus van 4044 gld aanwezig is.
Ik zende dit aan den Heer van Riemsdijk Prof. Hemert om van de zekerheid der spoedige overtuigd te worden en verblijf in afwachting van het spoedig te bepaalende antwoord
Weledele Heeren
UWE DW Dienaar en medelid
C.J. Nieuwenhuys voorz.
mede uit den naam van den Heer Mendes de Leon vert.

in de grootste haast

N.B. hebt de goedheid het antwoord aan den Heer J. Mendes de Leon op de Keizersgracht bij de Westerstraat te zenden.

Ik zoude deze aan den Heer Riemsdijk als financier gezonden hebben, maar herinner mij dat deze Heer absent is om Van den Bosch te overleggen. Voornoemde Heer van Hemert zal wel de goedheid hebben deze per expres­se aan een of ander ter nadere elucidatie te expedieeren.




Bijgevoegd:
Amsterdam 20 augustus 1819

De kassier der financiëele afdeling der Maatschappij van Weldadigheid

aan
de Heeren C.J. Nieuwenhuijs en J. Mendes de Leon, leden der genoemde afdeeling

Mijne Heeren!
Zoo op het oogenblik worden mij ter betaling aangeboden vier stuks accepta­tien van den navolgenden inhoud:
"De Permanente Kommissie van Weldadigheid accepteert te betalen op den 20 augustus aanstaande, en wel door den Heer P.J. Ameshoff, kassier der Maatschappij van Weldadigheid te Amsterdam, aan de order van den Heer R.A.L. Nobel, eene som van vijf en twintig honderd guldens.
'S Gravenhage 6 july 1819

get. J. vd Bosch, P. van Hemert, Faber van Riemsdijk."

(Door den Hr Nobel geïndosseerd aan den Hr Jorrissen, en door dezen aan de associatie-kas.)
En alzoo bedragende een som van ƒ10,000.00 op heden vervallen. Geen advies hiervan hebbende en ook geene fondsen ter beschikking, heb ik de eer UWEG daarvan te verwittigen, met verzoek de intentie van de Heeren hieromtrent te mogen vernemen.
Met ware hoogachting verblijve
UWEG DW Dienaar

De kassier voornoemd
Bij afwezigheid, ingevolge procuratie
J.Jabot

P.S. de Heer Ameshoff is naar de kolonie, en komt hede over acht dagen eerst terug. 52)



Zondag 22 augustus 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie:

"Is besloten, aan den Heer Gouverneur Hofstede te schrijven van wege de P.K. om, daar zijn HoogEdGestr. de goedheid gehad heeft de belangen der Maatsch. ten aanzien van het Vledderveld onlangs te behartigen, en er thans nieuwe zwarigheden zich opdoen van de zijde des Heren van Roijen van Doldersum en twee andere geintresseerden, zijne HoogEdGestr. de goedheid hebben, om door zijne tusschenkomen deze zwarigheden uit den weg te ruimen." 38)


Ingekomen post invnr 52. Brief van C.J. Nieuwenhuys aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 22 augustus 1819

Weledele Heeren Geachte Medeleden!

Terwijl ik mij van den eenen kant vele moeite gegeven had om de door UWE geaccepteerde wissel te kunnen honoreren, en ook daar in voor en gedeelte zoude geslaagd zijn, komt mij ons medelid den Heer Mendes de Leon oogenblikkelijk berigten dat Zijn EL wederom de goedheid wilde hebben om bij den door Zijn EL reeds staande gelaten ƒ5000 nog de andere 5 te voegen: in het vertrouwen dat volgens het geëerde schrijven van onzen vriende den Heer vd Bosch alles nog dezen maand zal kunnen gerestitueerd worden.
Terwijl nu de Heer Mendes de Leon reeds zoo veel in voorschot is, zoo geloof ik ook dat de Maatschappij zoo veel dienst bewijzende medelid het niet onaangenaam zijn zoude om in den aanvraag der volgenden maand ook het overige geheel gerestitueerd te zullen krijgen; en om UWE de waarheid te zeggen zoude mij - hoe gering nog de voorschotten ook zijn mogen - zulks met den volgenden maand zeer aangenaam zijn. In het volste vertrouwen dat de Permanente Commissie aan dit ons verzoek zal kunnen voldoen teken ik mij met hoogachting
UWE DWD en medelid

C.J. Nieuwenhuys

N.B. Volgens opgaaf van den Heer Jabot, gevolmagtigd van ons medelid P.J. Ameshoff, die reeds absent is, is het werkelijk saldo van de cas thans niet meer dan ene ƒ1000- terwijl het overige nog disponibel blijft.



Maandag 23 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommis­sie

Frederiksoord den 23 augustus 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij toe te zenden, de gekwiteerde rekening van Dheer Velzel groot ƒ 434=4=12 tegen daarvoor mandaat.
Ik solliciteer de Kommissie aan mij de kwitantie van genoemde Heer Velzel à ƒ 250- uit de verantwoording van juny te willen retourneren; waar van t bedrag door Dheer Velzel aan mijn is terug gegeven, en nader aan de Kommissie zal worden verrekend.

Heden de verjaardag van Z.M. de koning zijnde, heb ik mij, nog geen berigt van de Kommissie ontvangen hebbende eeniger mate verlegen gezien.
Ik heb de vlaggen doen uitste­ken, en de kolonie op eene eenvoudige wijze doen verlichten; evenals op s'prinsens verjaardag heeft plaats gehad: echter heb ik gemeend aan deze dag geen feest voor de kolonisten te kunnen verbinden, dewijl Dheer Faber van Riemsdijk voor weinig dagen, bij gelegenheid dat door zijn WG den eersten steen aan den nieuwe kolonie gelegt is, hen eene vrolijke partij gegeven heeft en deze opvolging mij te spoedig toescheen.

Dheer van Riemsdijk heeft de kolonisten ruim doen ontha­len op bier en krentebrood, en in de nieuwe spinzaal veree­nigd, hebben zij den avond onder eene gepaste vrolijkheid doorgebracht.

Tegen de avond hebben de aankomende jongelingen zich zeer vermaakt met het klimmen in de masten, waar eenige doeken en koloniale kledingstukken, de beloning voor de stout­ste en meest geoefendste klimmers uitmaakten.
Daarna hebben alle zich, onder directie van een muzykant uit het naburig dorp tot een vrolijke dans vereenigd, welke onder de beste harmonie, met kleine tusschen pozing tot 4 uren wierd voortge­zet. Waarna allen in des beste orde en meeste te vredenheid gescheiden zijn.
Dheer en mevrouw van Riemsdijk, benevens Dheer van Roijen en deszelfs famille hebben dit feest wel mede willen bijwonen; en getuigen zijn van de gulle vrolijkheid der erkentelijken kolonisten.

Volgt stuk over uitreiking beloningen aan kolonisten, met bijgevoegd een lijst wie wat heeft gekregen.transcriptie

Dheer van Riemsdijk heeft verschillende onderwerpen aan getekend, waaromtrent de decisie der Kommissie mij zeer aange­naam zal zijn.
Vooral ten aanzien van de Vledder heide grond.
Ik heb reeds een tweede zeer dringende brief ontvangen, om de begonnen afgraving te staken: ik heb daar aan nog niet voldaan en zend genoemde brieven, met de betalings en spinlijsten - nevens de boekjes der kolonisten - heden aan de Kommissie per beurtschip af.

De zoon van van Ommen is ingevolge bekomen last de kolonie ontzegd.
Twee meisjes van verlof terug gebleven, zijn door Dheer van Riemsdijk aangetekend geworden.
De zeer sterke en aanhoudende droogte doet ons zeer veel nadeel: brengt de gewasschen te vroeg tot rijpheid, doet andere niet tot die hoogte komen, terwijl de gezaaide spurrie en knollen niet eenmaal kunnen te voorschijn komen.

OPMERKINGEN:
De nieuwe spinzaal (annex school) is blijkbaar gereed gekomen. Wanneer de eerste steenlegging voor de uitbreiding van de kolonie geweest is, is niet exact te zeggen, maar de kans is groot dat het zaterdag de 21ste was. Het feest van de kolonisten duurde tot vier uur en zo'n souplesse kan ik me op een doordeweekse dag niet voorstellen.





Dinsdag 24 augustus 1819

Missive van de Permanente Commissie aan de Minister van Binnenlandse Zaken met aanval op Aalmoezeniershuis
http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Archief/1819AanvalAalmoezeniersweeshuis.html









Donderdag 26 augustus 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Brief van den Direkteur, 18 augustus, (met bijgevoegd kwit. van den Heer Oosterloo van 3 m/) betuigt zijn genoegen over de besluiten der vergadering, accepteert de continuatie van zijnen post, op voorwaarde dat de Komm., evenals de Direkteur, zijne betrekking slechts zoo lang als verbindend zal beschou­wen als dezelve met den wederzijdsen belangen en genoegens overeenkomt, verlangende voorts de usine(?) te weten der demarches door de P.K. bij het Gouvernement te doen ten behoe­ve van den Heer Direkteur. In handen van den Heer v.R."

"Besloten aan den Heer Direkteur te zenden kopie van 's Ko­nings besluit he?b?ven Art. 22 No. 3, ten einde daarvan het noodige gebruik, volgens afspraak met den Heer van Riemsdijk te maken." 38)



Vrijdag 27 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 27 augustus 1819

Betuige de Kommissie mijnen hartelijke dank voor de goede intentie wegens het plaatsen van den adspirant-kolonist van Schaick, waarmede UWE mij zeer verpligt hebt.



Zaterdag 28 augustus 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Idem (de generaal) pponeert den Direkteur aanteschrijven, dat de schoonzoon van de wed. Vergeer niet bij dat huisgezin kan worden ingedeeld: en voorts dat het huisje bij ZijnEd. woning tot een magazijn kan worden geapprognieerd: dat, wat betreft het meisje ingedeeld bij Gerritsma, bij de overkomst van den tweeden Assessor, daaromtrent maatregelen zullen worden be­raamd: ook, dat het voorstel is goedgekeurd, om den kolonist Muller in staat te stellen om het ambagt van smit uitteoefe­nen, en eenige daar toe benodigde voorschotten te doen: den kolonist Bult permissie te geven om te slagten in de kolonie: een bakker in de nabuurtschap derzelve te admitteeren: het huwelijk met den aangenomen zoon van Bade toetestaan, mits voldoende aan al wat de wet desaangaande gebiedt, en onder speciale voorwaarde dat Bade consenteert de jonggehuwden in huis te nemen: Voorts kennis te geven, dat bij den kolonist Baij eerdaags een jongen zal worden ingdeeld, en den Heer Leesberg te informeren, dat de jongen uit het R. Weeshuis bij Baij, als zijnde R.C., in huis kan worden ingedeeld. Eindelijk den Direkteur aanteschrijven ieder kolonist een jong varken te verschaffen, en de kosten daar voor van hunne ver­diensten gedurende de eersten maand te korten."

"Besloten het voerlaken uit de kolonie te ontbieden benevens het linnen, dat te grof is voor de aflevering, en hetzelve te bezigen ter vervaardiging van kledingstukken van de kolonis­ten, en verder van de armeninrichting te Deventer te ontbieden honderd paar klompen van onderscheidene grootte, prijzen nader te bepalen, en 't een en ander te deponeren in het magazijn bij den Direkteur, en bij gedeelte te doen afleveren aan den Onderdirekteur om aan de kolonisten te worden verkogt voor zijn risiko en met genot van 5 ?"

"Besloten, den Onderdirekteur te geven zijn halfjarig trakte­ment, inggegaan met primo november zijnde ƒ 182:-10: en tevens hetzelfde aan den schoolmeester, te weten ƒ 150, mede voor een halfjarig traktement, en den Heer Direkteur te autoriseren, die beiden, tegen kwitantie die som uittebetalen, en aan beiden te schrijven een brief met betuiging der te vredenheid van de P.K. en ten bewijze daar van den schoolmeester te zenden het werk van Niemeijer, over de opvoeding, III deelen." 38)



Zondag 29 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommis­sie

Frederiksoord den 29 augustus 1819

Ik heb de eer aan de Kommissie hier bij in te zenden
1. de kwitantie van Dheer Velzel groot ƒ 434=4=12 en van G Bischop à ƒ 12=. voor ontvangen mandaten.
2. bijlage no. 1 bij de maandelijkse verantwoording over july behorende.

Er zijn 42 koeijen aangekocht die bijzonder goed voldoen. Het zou mij aangenaam zijn voor de mankerende 10 een mandaat tot aankoop te mogen ontvangen.
De kolonist de Vos heeft voor eenige tijd de kolonisten tot ongehoorzaamheid pogen te verleiden, waarin hij door Bosch en nog een paar van de slegste trouw moet bijgestaan zijn. Ook moet hij in den afgelopen winter andere slegte proposities hebben gedaan. Ik zal in stilte het onderzoek doen voortzetten en daarna de Kommissie verslag doen. Ik houde zo wel genoemde de Vos als Bosch tot elke slegte onderneming in staat. Uit mijne rapporten zal de Kommissie gezien hebben, dat ik mij in deze luiaards nooit heb bedrogen.

Maandag 30 augustus 1819

Ingekomen post invnr 52. Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 30 augustus 1819

Ik heb aan den Direkteur doen uitbetalen ƒ269.07½ met verzoek dat ZEd voor die som van UWE een mandaat aan mijne order voor zijn rekening vraagt; gelieve zulks natezien, op den Hr. Direkteur niet aan zijn verzoek voldaan heeft.