Naar het overzicht
van de POST







De POST van JUNI 1819

Dinsdag 1 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

Van het leger komt duidelijkheid omtrent de gepensioneerden Schnatz en Koster. Zij moeten enkele kleding­stukken inleveren. Voorts houden zijn een jaarlijks gagement van ƒ 130,- dat door de directeur op wekelijkse basis uitbe­taald wordt.

"Gebragt ter tafel door den Generaal een brief van den Direk­teur der kolonien van 27 mei, waar in gevraagd wordt hoe te handelen met het verstrekken van schoenen aan kinderen die gedurende hun verblijf in de kolonie den ouderdom van 12 jaren bereikt hebben. Voorts of men zal blijven voortgaan met aan jonggeborene kinderen te geven een baaijen rokje en een laken. Of zulke kinderen, die nog geen kleedingstukken ontvangen hebben, thans uit het magazijn gekleed worden. Hoe te handelen met het repareeren van klederen, inzonderlijk van schoenen. Besloten te schrijven, dat zulke huisgezinnen die schoenen voor 12 kinderen verzoeken, en welke families vermeenen(?), benevens die welker klederen reparaties nodig hebben, kunnen geantwoord worden, om die kledingstukken te laten maken voor eigen rekening, en dat de Heer Direkteur daar voor kan borg blijven, tevens verzogt wordende daar van maandelijks een lijst in te zenden. Voorts besloten de Direkteur te authori­seeren ter verkoop van 8 paarden, zoodra hij dezelve niet meer noodig heeft." 38)



Woensdag, 2 juni 1819

Ingekomen post invnr 51. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommis­sie

Frederiksoord den 2 juny 1819

Ik heb de eer de Permanente Kommissie de receptie harer missi­ven van den 29 mei no. 63, houdende informatie en bepalingen ten aanzien der onder-officieren en ingedeelde kinderen te accuseren.

Daar er ten aanzien van de betaling der onder officieren Schnatz en Coster geene bepaling plaats heeft, neem ik de vrijheid den Permanente Kommissie daaromtrent hare decisie te verzoeken; dewijl zij mij om betaling lastig vallen.

Hangende de nadere deliberaties der Permanente Kommissie ten aanzien der betaling van bij andere inwonende kinderen, heb ik aan ieder daarbij belanghebbend huisgezin het maximum der uitbetaling, onverschillig of een of meer kinderen tot een huis behoorde: op ƒ 1=.=. bepaald; zo als de Kommissie uit de ontvangen staten zal gezien hebben. Het is op hun herhaald verzoek dat ik provisioneel daaraan deze bepaling gegeven had.
Kranendonk en Mak zouden gaarne op den ouden voet hebben gecontinueerd, dewijl zij doorgaans ƒ 2=10- uitbetaald kregen en s'wekelijks hunner schulden gedeeltelijk aflegden, welke volgens de eerste bepaling zo zeer toenam, dat Mak zijne schuld van slegts ƒ 9=.- binnen 3 weken met nog ƒ 7- vermeer­dert zag.
De vrees voor schulden merkte ik steeds met genoegen bij veele onzer kolonisten op, en de goede gevolgen daarvan ontwarende, heb ik dit gevoelen steeds zo veel mogelijk ge­poogt bij hen levendig te houden.

Het huisgezin uit Delft, bestaande uit man, vrouw en drie kinderen is in de kolonie aangekomen, en behoorlijk gehuisvest geworden. De kledingstukken zullen niet behoorlijk voorhanden zijn, dewijl door het vertrek van Dikkeboom, Metz en Rigagneau eenigen zijn verloren gegaan, en andere al te veel gedegra­deert om te kunnen uitgegeven worden zonder dat de zelve gewaardeerd, en in draagtijd bij de berekening gekort worden.
Zonder autorisatie der Permanente Kommissie heb ik zulks niet kunnen doen. Ook zou het mij verkieslijker voorkomen, ten aanzien van dit huisgezin geen uitzondering te maken, maar t geen aan kleding mogt ontbreken hier te doen aanmaken, waarom­trent het mij aangenaam zijn zal de bepaling der Kommissie te mogen ontvangen. Ook voor Baij zijn niet alle kledingstukken compleet voorhanden.

De jongeling uit Enkhuizen is door een predikant dier plaats hier gebragt en bij Tijmes ingedeeld. Genoemde predi­kant was over de inrichtingen en den geheele aanleg bijzonder te vreden.
Volgens zijne informatie wierd er f 75- voor gezon­den jongeling betaald. Ik heb dit voor notificatie aan genomen en aan Tijmes gezegd dat hij ƒ 50- zou hebben, zo als ik reeds vroeger aan de Kommissie heb opgegeven.
Ten aanzien der ver­dienste hebben wij overlegd, dat s'wekelijks aan genoemde jongeling 6 stuivers zouden worden uitgereikt en dat Tijmes voor de kleding zou worden gedebiteerd. Daar ik mij geene bepaling ten dezer aanzien van de Permanente Kommissie herin­nere; zo neem ik de vrijheid het bovenstaand aan hare decisie te onderwerpen.

Gisteren heb ik per beurtschip verzonden de staat der menage, van uitbetaling en verdiend spinloon, waarbij een gespecificeerde rekening van Dheer Riemsdijk van ƒ 1597=10= is gevoegd, waarop zijn Ed. gaarne betaling van zou erlangen.
T geen op genoemde rekening voorkomt als nog moetende geleverd worden is reeds door mij ontvangen, met dat onderscheid dat ik voor de helft van het montant der zaai-gerst, zwarte zaai haver genomen heb. Ten gevolge der verandering door den 2 assessor, ten aanzien der bezaaijing gemaakt en dus aan de Kommissie reeds bekend.

Tegen den 15 dezer maand reken ik met de bebouwing der gronden geheel gereed te zijn. Het zou mij aangenaam zijn bij tijds de intentie der Kommissie ten aanzien der paarden te mogen vernemen.
Door de aanhoudende droogte zijn wij verpligt de paarden op stal hooij en haver te voeren, 't geen vrij kostbaar is.
Ik vrees zeer, dat wij dit jaar geen hooij van onze weide hebben zullen. Zelfs niet van dat gedeelte wat gemist is. Het ziet er in deze streken ongelukkig uit.

Er komen dagelijks zeer veele menschen uit alle provin­tien, maar inzondertheid uit Vriesland, onze nieuwe volksplan­ting bezigtigen, die bijna altijd zeer voldaan zijn en hunne verwondering betuigen, dat, daar bijna alle de aardappelen in deze omstreken bevroren zijn, zulks bij ons het geval niet is.
Maar nog meer is men verwondert dat onze schone rogge in het Broek, geheel aan de - ik zou haast mogen zeggen algemeenen - verwoesting ontsnapt is.
Duizenden gissingen worden daarom­trent gemaakt. Maar het meest komt men daarin overeen, dat het door het later zaaijen en de door speling van de wind, dat in deze bosch rijker streken niet altijd kan plaats hebben, is veroorzaakt.
Wat hier van zijn moge, onze rog heeft niets geleden en belooft een voordeligen en kostbare oogst. Het is te bejammeren dat bij zo veel voorspoed een frisschen regen, onze uitgedroogden akkers ook niet herstelle.
Het is te bewon­deren dat dezelve nog zo lang tegenstand bieden kunnen. De Permanente Kommissie verschonen deze omslachtige brief.



Ingekomen post invnr 51. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 2 juny 1819

Ik onthoude mij van alle aanmerkingen op de personeel beledigende uitdruk­kingen welke voorkomen in uwen brief van den 28 mei jl. omdat de achting welke ik de leden der Permanente Kommissie toedraag, mij oplegt dezelve enkel voor rekening van den steller over te laten. Ik wil dus niet blijven hangen aan bijzonderheden, welke als kleinigheden kunnen voorkomen, hoezeer zij dit niet zijn, maar ik zal dadelijk tot de hoofdzaak overgaan.
Het spijt mij Mijne Heeren! dat ik uw brieven, waarbij gij voorstellen doet aan de respectie­velijke leden der Kommissie, in dienvoege letterlijk heb opgevat, alsof daarbij, in der daad, de meening ware, dat ik mijn gevoelen deswege onbewimpeld mogt voordragen. Heeft men mij daarbij alleen gelegenheid willen geven om, met of zonder onderzoek, te knikken en toetestemmen, dan heb ik het niet begrepen; maar dan moet ik mij ook bepalen tot de eer van slechts uw gehoorzame dienaar te blijven, daar ik voor een marionetten-spel niet bruikbaar ben en ook nimmer worden zal.
Uwe vergelijking ontleent van eene staatsregeling en wetten van het Rijk, hoe zeer ik de meening wel gevat heb, en de toepassing niet verwringen wil, bragt mij toevallig op het idee, of ik u misschien moet aanmerken als een soort van Gouvernement dat alleen pro forma voordragten doet, en met welks opinie men, behoudens esprit de cour, niet verschillen mag. Als dit zoo is heb ik niets ter verschooning in te brengen dan mijne eenvoudig hollandsche denkwijze. In mijn beroep als koopman ben ik ook te zeer aan zaken gewoon, om niet ligtelijk door woorden, iemands eigenliefde te beleedigen, waar, tot overmaat van onheil, het gevoel van onafhankelijkheid nog bij komt.
Ik heb de hoogste denkbeelden van de bekwaamheden der overige medeleden, en in alle nederigheid erken ik dat, de mijnen daarbij vergeleken, bijster gering zijn; maar volgt daaruit, dat, als zij geene bedenkingen hebben, dat ik buitendien niet weten kan, ik de mijne terug moet houden?
In onze eerstvolgende vergadering (zoo die wezen zal) ben ik bereid en verlang ik, alle uwe voordragten, met alle mijne antwoorden, over te leggen, ten einde de Heeren mij aantoonen, welke bedenkingen dan zoo futiel zijn, dat zij N.B. verontschuldigingen zouden behoeven, en of dezelve niet allen, zoo geene werkelijke behartiging, ten minste zeer vele aandacht verdienen, ten ware(?) ik mij, in enkele gevallen, bij gebrek van behoorlijke opening, dat mijne schuld niet is, vergist mogt hebben?
Ik heb altijd vermeend, geene wezenlijke bedenking te mogen achterhouden welke bij mij opkwam, omdat ik, als medelid der Kommissie, mede verantwoordelijk was voor de in 't werk gestelde maatregelen, en wel weet wat ik mij zelven schuldig ben. Een blind geloof en een werkloos berusten in eens anders bekwaamheden en doorzigt, vergeef mij Mijne Heeren! wil er bij mij niet in, ook trek ik de onfeilbaarheid van de Permanente Kommissie, in hare profeiten en berekeningen eenigzins in twijfel: en zal dit blijven doen, tot mij het tegendeel gebleken is.
Innovatie of afwijking zou dan eerst plaats hebben zeggen UWE wanneer mijn voorstel tot herzinning werd aangenomen. In alle nederigheid zij het mij vergund te vragen of de Heeren ook de inhoud van art. 39 voor de geest gehad hebben? De Maatschappij zal toch wel niet om het reglement, maar wel het reglement om de Maatschappij bestaan, en ik zou gereedelijk en even zeer erkennen, al ware ik zelf de opsteller daarvan geweest, dat het, proefondervindelijk, niet deugt.
De definitie wat eigenlijk een reglement is, zou ik UWE gaarne geschonken hebben: eene eerste vereischte, zoo veel begrijp ik er nog wel van, is uitvoerlijkheid.
UWE schijnen te onderstellen, dat ik niet zou geweten hebben wat de titel van Korrespon­derende Leden betekent. Dat ik tot dien graad ignorant zoude zijn, kunnen UWE, ter goeder trouw niet gedacht hebben, de creatie van korresponderende leden, ten minste noodeloos te achten, dus moet die vermeende onkunde er alleen ingerukt zijn om mij iets te zeggen dat beleedi­gende was.
Ik vinde het, behoudens alle eerbied voor uw hoog verlicht oordeel, eene zonderlinge gevolgtrekking dat, daar genoegzaam alle maatschappijen, in en buiten ons vaderland, zoodanige leden benoemd hebben, met het doel om, langs dezen weg, voorlichting en medewerking te erlangen, wij die zoude moeten benoemen. Onze Maatschappij is immers geen geleerde maat­schap­pij, en, wel beschouwd, is het niet zoo zeer correspondentie (wij hebben die reeds door de subkommissies) dan met geld dat ons ontbreekt... maar dit zij zoo! Ik zie in die benoeming juist geen eigenlijk bezwaar, maar ik acht het van meer aangelegenheid, en daar wilde ik eigenlijk op neder komen, eens bekend te mogen worden, hoever de attributen van de Permanente Kommis­sie zich wel uitstrekken; met andere woorden, wat bij art. 22 van het regle­ment verstaan wordt door dagelijksche loopende werkzaamheden, en of, om de vraag met een enkel voorbeeld op te helderen, de aanbesteding van eene 250 woningen op eens, mede onder die dagelijksche werkzaamheden moet betrokken worden? Alsmede, of de leden der Kommissie niet eens eene bijeenkomst zullen hebben om, al ware het enkel uit egards voor dezelve, gemeenschappelijk te overleggen, de maatregelen die nu verder behooren gevolgd te worden. Dit moge, om de uitstekende bekwaamheden, welke de Permanente Kommissie in zich verëenigt, niet dringends noodzakelijk zijn, het kan evenwel zijne nuttigheid hebben. Bij die gelegenheid zal het mij aange­naam, gelegenheid te vinden, mijne denkbeelden over het reglement, en de bedoelde noodwendig­heid van herziening, in 't breede te ontwikkelen.
Ik heb de eer overigens UWE mijne bijzondere hoogachting te betuigen en mij te noemen

UWEG DW Dienaar
P.J. Ameshoff
Lid der Kommissie van de Maatschappij van Weldadigheid. 51)


Staatscourant 2 juni 1819: Staat der armen (kopie). In het hele land, Noordelijke en zuidelijke Nederlanden samen, zijn 12.850 vondelingen in tehuizen opgenomen.


Vrijdag 4 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Ingekomen een partikuliere missive van den Heer Kassier Ameshoff, andermaal hatelijke uitdrukkingen bevattende. Waarop is besloten, dien Heer in 't partikulier aanteschrijven, dat de P.K. het overbodig acht soortgelijke brieven te beantwoor­den, maar aan zich reserveert, zoodanige maatregelen in dezen te nemen als zij meenen zal te bekomen, en daar aan dien graad van publiciteit te geven, dien zij zal noodig vinden." 38)



Maandag 7 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Brief van de subkommissie Amersfoort, rechtvaardigende ons gedrag in het te rug zenden van 't huisgezin van Metz, en bevelende een beter gezin, te weten van Hendrik Hopman, oud 40 jaar, met vrouw en 5 kinderen."

"Brief van den Direkteur, 2 juny, wegens onze missive van 29 mei, vraagt decisie over de betaling van Snatz en Koster, als ook over de uitbetaling van de ingedeelde kinderen, over de kleding van 't Delftsche huisgezin en van dat van J. Bay, over den aangekomen Stark, van Enkhuizen: berigt de inzending der drie weekstaten. Vraagt verder omtrent de paarden en geeft berichten uit de kolonie. De weekstaten in handen van den Heer v.R." 38)


Ingekomen post invnr 51. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommis­sie

Frederiksoord den 7 juny 1819

Ik heb de eer de Permanente Kommissie de receptie harer missi­ven van den (ruimte opengelaten) juny en daarbij zijnde man­daat no. 90 ad ƒ 500- te accuseren.
Ik moet op nieuw de Kommissie de toezending van een mandaat verzoeken, dewijl ik geheel van contanten ontblood ben: en mij aanzienlijken uitgaven, wegens levensmiddelen, poot aardappelen, wol, daggelden etc. te doen hebben. Dat ik op den 31 mei nogmaals voor ƒ 250-. op Dheer Bagman heb moeten trekken, meen ik reeds aan de Kommissie geinformeerd te heb­ben. Morgen zend ik aan de Kommissie af, de verantwoording van gelden over de maand mei en per eerste beurtman de daarbij behorende kwitanties en de achterstallige betaalde rekeningen.
Zeer aangenaam zou het mij zijn, wanneer de Kommissie mij een mandaat voor Dheer van Riemsdijk, groot volgens ingezonde­ne rekening ƒ 1597=10 kan doen geworden, dewijl zijnEd. mij hiervoor op het dringendst verzoekt, zich zeer verplichtend gedraagd en aan de Maatschappij veele diensten bewijst. Voor eenigen dagen zond ik aan de Kommissie een zeer gedetailleerde brief, en gisteren nog een tweede ten aanzien der Kolonie aan de 2 assessor. Ik kan daar niets bijvoegen, dewijl de zo lang gewenschte verandering van weer, nog geen plaats gehad heeft. De nadelige gevolgen daar van, vertonen zich in en buiten de kolonie zeer sterk. Maar vooral op onze gronden minder, dan men algemeen zou verwachten. De aardappelen en winter rogge leden bij de algemene ramp niets, zo als ik reeds aan de Kommissie heb opgegeven. In haast.
P.S.
Ook dat Dheer Velzel bij de likwidatie der achterstand is vergeten en de voldoening zijner rekening vriendelijk sollici­teerd, gaf ik, naar ik mij herinner, reeds bij een voorgaande de Kommissie op.

Met ramp bedoelt hij stormen en aanhoudende droogte. Benjamins constante gebrek aan liquide middelen is al onvoordelig bij zijn inkoopbeleid en slecht voor de naam van de kolonie, maar binnen een week zal blijken dat het ook voor de kolonisten gevolgen heeft!



Dinsdag 8 juni 1819

Ingekomen post invnr 51. brief van Benjamin v.d. Bosch aan de Permanente Kommissie

Frederiksoord den 8 juny 1819

Ik heb het genoegen de Permanente Kommissie te kunnen berich­ten dat wij in den afgelopen voornacht onweder, met regen vergezeld gehad hebben. Ruim 1/2 uur heeft der regen vrij sterk geweest, is daarop vermindert en zeer spoedig geeindigt. Ook deze regen is lang niet voldoende voor onze geheel uitge­droogde gronden; maar heeft ons echter eene zeer aangenaame verkwikking aangebragt en de hoop op een nog redelijk goede uitslag doen herleven; te meer daar de lucht steeds zoel en betrokken, en de wind zuid west blijft, en onze verwach­ting op meerder regen niet ongegrond schijnt.

Ik voeg hier bij mijnen verantwoording van gelden over mei, waaruit de Kommissie meede zal ontwaren dat de ƒ 3,000- van den 2 assessor ontvangen, grotendeels aan afbetaling der achterstand is besteed geworden, volgens in te zendene kwitan­ties, op rekening, met diversen voorkomende. De wissel den 1 juny op Dheer Bagman afgegeven is meede op genoemde verant­woording in ontvangst genomen, zodat alleen mandaat no. 90 groot ƒ 500- en waarvan ik reeds de receptie heb geaccuseerd, op deze maand moet gebragt en verantwoord worden.
Daar het de Kommissie eenige mate zou kunnen bevreemden dat ik met een saldo van ƒ 368=13=15. en bovengenoemd mandaat reeds weer contanten benodigt ben, en deze buiten gewone uitgaven hare attentie zou kunnen vestigen, zo heb ik gemeend hier bij te moeten informeren, dat geene rekeningen van belang op de voeding in voorgaande maand betaald zijnde, zulks bij de aanvang dezer maand heeft plaats gehad en wel uit hoofde dat de rekening van den bakker alleen meer bedroeg dan t geheele saldo dat op 1 juny in kas bleef.

Wanneer men hier bij in aanmerking neemt dat het thans den 8ste zijnde, door mij aan de kolonisten een extra arbeidsloon voor deze, en de nieuwe kolonien ruim ƒ 450- is betaald, dan zal 't geen bij eene oppervlakkige beschouwing zou kunnen bevreemden, geheel duide­lijk zijn, en de Kommissie zal overtuigd zijn hoe dringend ik om contanten verlegen zijn moet.

Wanneer de Kommissie op de verantwoording betalingen voor schoenen ziet, zo als hier voor vrouw Baij, dan geschied zulks niet dewijl er geene schoenen meer voorhanden zijn, maar om dat dezelve te klein zijn. Uit mijne vroegere verantwoording van kleding zal de Kommissie zien dat ik telkens de hier aan gemaakte schoenen heb in ontvangst gebragt en verantwoord. Ook zal ik bij de volgende het zelfde in acht nemen.

Deze, en meer dergelijke kleinighe­den, zijn zonder eenige opheldering niet altijd duidelijk. Mag ik uit dien hoofde de Kommissie vriendelijk solliciteren mij steeds dat geene optegeven wat haar meer duidelijkheid en klaarheid zou schijnen te verdienen.  51)

Blijkbaar is ontginning van 'de nieuwe koloniën' al begonnen.



Woensdag 9 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

Een brief van de directeur. "Hierop is besloten, aan ZijnEG te schrijven:
1. de afgelegde kleedingen van Dikkeboom en Rigagneau, door den Raad van Toevoorzigt te doen taxeren en tot de getaxeerde waarde aan den nieuw aankomende kolonisten uittegeven.
2. de wollen kleeding, voor zoo veel noodig, te doen aanmaken uit de wollen stoffen, die ge???d en onder den Direkteur berustende zijn; en wat het linnen betreft, te willen opgeven­hoe veel noodig, ten einde dien voorraad als dan van hier te zenden.
Ook nog ZijnEG te vragen hoe het staat met den voor­raad van vlas en snuit in de kolonie." 38)


Zaterdag 12 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Missive van den Direkteur der kolonie, 8 juny, meldende de blijde tijding van eindelijke regen; voorts verantwoordt dezelve gelden over mei l.l. Met ophetdringen ook wegens de penarie van de kas. In handen van den Heer v.R."

"Besloten, om Direkteur der k. te verzoeken, om zoo spoedig mogelijk drie pond ongekamde wol te zenden aan de P.K." 38)


Ingekomen post invnr 51. Brief van Benjamin v.d. Bosch aan de Permanente Kommissie over een door hem gehouden inspectie van de huishoudens waarbij diverse spullen vermist bleken te zijn. transcriptie


Ingekomen post invnr 51. Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie over een lid van Nut en Beschaving. transcriptie:




Woensdag 16 juni 1819

Ingekomen post invnr 51. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Kommissie

Frederiksoord den 16 juny 1819

Ik zend hier bij aan de Permanente Kommissie een bij mij, van Dheer Riemsdijk ontvangen brief. Zo wel door zijnEd. als Dheer Velzel ten sterkste gedwongen wordende, heb ik heden aan ieder eene wissel op Dheer Bagman van ƒ 250- doen toekomen.
De Kommissie kan thans de mandaten zoo veel kleiner maken, of wel kunnen de genoemde Heeren de in mindering ontvangen penningen aan mij remitteren. Ik moet de Kommissie voor mij zelve de toezendingen van een mandaat verzoeken.

P.S.
Ik heb heden de gevraagde 3 pond wol afgezonden. Ook eenige zakken vlasgaren. De kwantiteit zal in de volgende nader opgegeven. 51)



Donderdag 17 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Op een brief van den Direkteur aan den Gener. v.d. B. beslo­ten, door den Direkteur het misgenoegen der P.K. te kennen te geven wegens het wangedrag van eenige kolonisten. Voorts aan de Burgem. van Steenwijk te klagen over het stellen der goede­ren in de bank van leening dier stad, met verzoek om dat te beletten." 38)


Uit de minuten van verzonden brieven van de Permanente Kommis­sie

Missive aan Directeur van den Bosch over de bestraffing van kolonisten die hun goederen verpand hebben. Enkele maatregelen worden genoemd, maar het stuk is erg onleesbaar. Alleen "een jaar lang geen verlof" is met zekerheid te ontcijferen. Voorts nog iets wat lijkt op "een maand niet van de kolonie verwijde­ren zonder toestemming van de direkteur". Er worden in ieder geval wel meerdere bestraffingen genoemd, zodat niet alle kolonisten dezelfde straf krijgen. 352)


Uit de minuten van de verzonden post van de Permanente Commissie:

'S Hage 17 juny 1819

De Permanente Kommissie heeft met veel leedwezen ontvangen het berigt van den Heer Direkteur der kolonie dat de volgende kolonisten (ruimte opengelaten) zich niet ontzien hebben ondanks strenges verbod deswegens gegeven om een aantal der aan hun verstrekte goederen te verpanden of tot andere einden dan waartoe die gegeven zijn te gebruiken. Een gedrag, het welk haar te meer heeft moeten smarten, ten aanzien van die personen, welke, als leden van den Raad van Toevoorzigt, aan elke ander kolonist, het voorbeeld van braafheid en gehoorzaamheid aan den wet hadden behooren te geven.
Zij had gehoopt dat den kolonisten meer gevoelig zouden geweest zijn aan de welda­den hun bewezen en niet met ondankbaar­heid zouden hebben beloond de vaderlijke bezorgdheid en de veele moeite en onkosten aangewend om hen tot een eerlijk zelf­bestaan opteleiden en die gunst onwaardig te maken welk zij aan de kolonisten had toege­dacht en eerlang zoude zijn uitgeduit(?) ge­worden, dan waar van de schuldigen nood­wendig zullen moeten verstoken blijven.
De Permanente Kommmissie toer(?) die het te plegen(?) gesteld is braafheid, orde en spaarzaamheid aan te moedigen en daar en tegen alle verkeerde daden tegen te gaan, kan in deze niet anders dan aan de genoem­de kolonisten haar ernstig misgenoegen ter kennis brengen en middelen beramen dat dergelijke wandaden in het vervolg niet meer plaats vinden door de daders te straffen in de hoop dat dit hun afschrikken zal om ander­maal zich aan dergelijke wandaden schuldig te maken, uit welk hoofde zij bepaalt gelijk bepaalt zal bij deze

1. Gedurende een jaar, te rekenen van de dag van heden, zal aan dezelve geen verlof gegeven worden, nog aan eenige leden hun­ner huisgezinnen om hunne famillies in ande­re plaatsen woonachtig te bezoeken.

2. Op alle gelden die hun wekelijks worden uitbetaald zal de helft gekort worden tot zij de waarden der goederen of het geene gesom­deert(?) worden zal om dat intelossen zal zijn gehouden.

3. Alle goederen der kolonisten zullen weke­lijks een maal worden geinspec­teerd door de onderopzichters en aan de Permanente Kom­missie zal van de bevindingen van het onder­zoek een rapport ontvangen.

Behoudende niettemin de P.K. aan zich het regt, om in den toepassing dezer strafwet omtrent bijzondere voorwerpen zodanige nadere uitzonderingen of mitigatie te maken, als zij in het vervolg zouden mogen geraden oordee­len.
Zij wil overigens de kolonisten te gelijk gewaarschuwd hebben dat zij in het vervolg zich niet andermaal schuldig maken aan een daad van deze aard. Zij moet hem laten in­zien(?) dat het verpanden van eg(?) goed, hen te vruchtgebruik gegeven, beschouwd moet worden als een diefstal aan de Maat­schappij gepleegd. Vertrouwende dat de kolo­nisten de zaken zodanig niet hebben ingezien en uit deernis met het ongelukkig lot dat stel­lig op hen wachten zou indien zij de schuldi­gen aan hunne comptentie zoude overge­ven, heeft zij ditmaal tot zachter mid­del toevlucht genomen. Doch ieder zij over­tuigd dat dit de laatste maal zijn zal en dat hij die zich in het vervolg andermaal aan een dergelijke wan­daad schuldig maakt, volgens de gestreng­heid der wetten van den staat zal worden gestraft.
Gelastende en bevelende dat het boven­staande zal gebragt worden ter kennisgeving van de gezamelijke kolonisten ten einde zulks te strekken tot ieders bericht. 352)

Mitigatie = verzachting, verlichting, leniging



Vrijdag 18 juni 1819

Uit het brievenboek:

Ingekomen bij de Permanente Commissie brieven van de kolonisten F. Rausch en A. Koppejan, dagtekening 18 juny. Excuseren zich wegens het verpanden van enige goederen; de laatste biedt aan de penn. ter lossing uit zijne 6/m gagement in de maand july te voldoen.
Respons: notifikatie aan den Direkteur om daarop acht te geven. 18)

In plaats van Koppejan bedoelt Ockerse Rausch die wil aflossen.

Zaterdag 19 juni 1819

Ingekomen post invnr 51. Enige stukken gezonden namens prins Frederik, waaron­der een uitgebreide sollicitatie van Johannes Helfferich, oud militair en door een ongeluk in mindere omstandigheden terecht gekomen, om in de koloniën van de Maatschappij opgenomen te worden. 51)


Zondag 20 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Besloten te kreëeren mandaat no. 106 ƒ 1597,95 ordre J. van Riemsdijk, voor geleverde aardappelen, zaaikoorn en klaver­zaad." 38)



Maandag 21 juni 1819

Ingekomen post invnr 51. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 21 juny 1819

Mijne Heeren, Zeer geachte medeleden!

Ik heb de eer UWE bij dezen te verzoeken, om de onderstaande persoon in gunstig aandenken te willen nemen, bij eene aanstaande uitbreiding van colonisatie, kunnende ik dezelve op grond van bekomen informatie welke alle geloof verdiene, zoo van onbesproken levenswandel, gerustelijk aanbe­velen, terwijl zijne bijzondere omstandigheden, hem alleszints regt geeft, om boven veele andere te worden voorgetrokken.
UWE zeer genegen betoonende mij in dezen te wille te zijn, zal ik mij daarmede verpligt rekenen, terwijl ik de eer heb van met ware hoogachting mij te noemen
UWE DV G
P.J. Ameshoff

Adrianus van Schaik van Exter, oud 34 jaar
Vrouw 29 jaar, kind 1 jaar
Geboren Dorthenaar, adres bij mij. 51)

In de Rode Kloosterhuis komt een Adriaan van Schaik voor. Zij het dat het gezin uit Eindhoven afkomstig is. Zij worden op 4-6-1820 in Willemsoord geplaatst als huisverzorger. Adriaan is geboren op 24-5-1785, zijn vrouw Anna Maria Koele­man op 13-3-1790. Er zijn twee meisjes, Adri Hermana (15-6-1819) en Anna Maria (3-3-1822, overleden 7-6-1822). Adriaan is in 1822 door Johannes van den Bosch uit de kolonie gejaagd, nadat hij een van de meisjes met een touw met knopen had afgeranseld.



Dinsdag 22 juni 1819

Ingekomen post invnr 51. Brief van P.J.Ameshoff aan de Permanente Kommissie

Amsterdam 22 juny 1819

Mijne Heeren, Zeer geachte Medeleden

Niet zullende herhalen mijne menigvuldige herhaalde verzoeken van toch niet te trekken, meerder dan de ingekomen kredieten bedragen, geef ik uwE. bij deze kennis dat ik mij afweder verpligt vinde, de betaling te weigeren van een op heden aan mij vertoond mandaat, zijnde no. 104 groot ƒ 2000.- daar er slegts ƒ 777,58 disponibel is, en nog meerder mandaten even als no. 104 ongeadviseert kunnen voorkomen.
Het zou mij leed doen dat het krediet der Maatschappij daar door benadeeld zou worden, en daarom verzoek ik U, mijne Heeren, bij herhaling niet te trekken voor er bij kas is, en steeds de trekking te adviseeren, voor de vertoning der manda­ten.

Met ware hoogachting verblijve uweweled.

P.J. Ameshoff
lid der Commissie  51)


Uit het brievenboek:

Dagteekening 22 juny. Direkteur B. v.d. Bosch. Geeft koloniale berigten. Heeft 't laatste besluit omtrent de schuldige kolonisten mede gedeeld. Meldt uitzigten op goedkooper prijs der wol. Geeft berigten van overlijden, ziekte en herstel. 18)


Uit de Staatscourant:

's Gravenhage, den 22 junij.

De permanente commissie van Weldadigheid, voornemens zijnde, onder nadere approbatie der commissie van Weldadigheid, op den 10den julij aanstaande, bij besloten inschrij­ving biljetten, van naamteekening en adres voorzien, aan te besteden: het opbouwen van een eerste vijftigtal huizen en schuren, met alle de daarbij te leveren materialen, in de kolonie Frederik­soord, informeert, bij deze, de gegadigden, dat de bestekken en teeke­ning daarvan, na den 28sten junij eerstko­menden, ter visie en lezing zullen voorliggen bij den wel ed. gestr. heer direkteur B. van den Bosch, in de kolonie, en bij M. Vermeu­len, in Duin- en Veldzigt, op den Schevening­sen weg, te 's Gravenhage; kunnende men zich tot nadere informatie adresseren bij den heer W. Hoffman, mr. timmerman, in 's Gra­venhage.
Paulus van Hemert, secretaris sc 28.6.19



Woensdag 23 juni 1819

Ingekomen post invnr 51. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 23 juny 1819

Mij gedragende aan de not op de ommezijde, heb ik de eer de P.K. te observeren, dat dezelve al nu meerder getrokken heeft dan er fonds voorhan­den is, het beloop van ƒ3305.39½. Twijfel niet of UWE zullen de noodwendig­heid gevoelen van onverwijlde voorziening.
Onder verbetering komt het mij voor, het verkieslijker te zijn, dat men de afgifte van de mandaten vertraagt, op grond van alzulke redenen welke uitstel van betaling billijken kunnen, dan dat de kassier weigeren moet de order te honoreeren. Het eerste moge wel eens onaangenaam vallen, maar het tweede is bovendien hoogst nadeelig voor het krediet, daar elk er eene uitlegging aan geeft die hem behaagd, behalve dat de menschen in hunne verwachting te leur gesteld of wel in financiëele ongelegenheid gebragt worden. Daarom, vergunne mij deze aanmerking, is bij geene administratie in gebruik over penningen te beschikken welke niet dadelijk en werkelijk voorhanden zijn.
UWE adviseren mij een krediet op J. van Achter SK te Weesp, ƒ182:00 dienst 1819 dat denkelijk reeds bij uwen brief van 12 juny no.84/6 geadviseerd zal zijn. Gelukkig is dit nog door mij ontdekt op het ogenblik der afzending eener nieuwe traitte. UWE gelieve mij deswege stellig te informe­ren.
Voege hiernevens de ingewisselde mandaten, in margine vermeld.
De kassier voornoemd
P.J. Ameshoff 51)



Donderdag 24 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

Stuk over vragen van de subcommissie Nut en Beschavind en beantwoording daarvan.transcriptie

"Twee brieven van kolonisten, vergiffenis vragende wegens eenige ongeregeldheden. In handen van den Direkteur om daar op bij gelegend. te reflecteren."

"Op een brief van den Heer A. J. pemins(?) van Hemert, 22 juny, te antwoorden dat de P.K. om de termijnen van betaling niet te verlengen, dadelijk tot het transport zal overgaan, doch dat, tot dat einde, dezelve drie duizend guldens noodig heeft, en vriendelijk verzoekt die gelden twee maanden voorte­schieten." (deze aantekeningen zijn doorgehaald)

"Besloten, te kreeeren twee mandaten, no. 111 B en C, ieder groot duizend guldens, onder den Gen. Maj. in voldoening van voorgeschoten penningen in de kolonie." (ook doorgehaald, met de aantekening "N.B. vervallen") 38)


Ingekomen post invnr 51. Brief van P.J.Ameshoff aan de Permanente Kommissie

Amsterdam 24 juny 1819

Mijne Heeren!
In plaats van antwoord op den mijnen van eergister, adviseren uweed. onder 23 dezer no. 89/6 het krediet van ƒ 1100. bij te LK tot nut en beschaving, dan Mijne Heeren!, daarmede is de zaak niet geholpen.
Het zal te bezien staan of ik nog voor den sabbath, dit zal geind krijgen. Alleen met het loopen om de onderteekening mijner collega's te bekomen, loopt toch, ten minsten, een etmaal weder heen.
Ook zijn er nog een aantal andere mandaten loopende, die ieder oogenblik kunnen vertoond worden.
In de verlegenheid waarin ik mij, bij het nieuw vertonen van wissel ƒ 2000- heden morgen bevond, heb ik mij uit eene onwaarheid moeten behelpen, dat ik namelijk nog geen advies van uwb. bekomen had.

Gelief dit ad notam te nemen, als de houder zich derwegens bij de Permanente Kommissie vervoegd.
Ik ben wel altoos bereid geweest om de Maatschappij door voorschotten bij te springen, maar dit vleit mij niet altoos, en dan diende ik immer zulks vooraf te weten.
Inmiddels zal ik uwb. antwoord tegemoet zien, misschien komen er intusschen meerdere kredieten in.

Met ware hoogachting
P.J. Ameshoff


Uit de minuten van de verzonden post van de Permanente Commissie:

koncept missive aan den kassier
24 juni 1819

De Permanente Kommissie, gewoon van brief tot brief, en van vergadering tot verga­dering den staat der rekening van de Maat­schappij met den Heer kassier te volgen, en meenen­de, volgens hare calcule, steunende op Zij­nEd laatste maandstaat van mei, de sedert aan ZijnEd geadvyseerde kredieten en man­daten, en de succesieve later opgaven in zijne eigene brieven vervat, dat de som van al het batgelden(?) in mandaten, met ruim ƒ2000:- te boven ging; heeft derhalve niet dan met surprise kunnen zien uit ZijnEd lette­ren van 22 juny, dat volgens zijne optelling slechts ƒ777,58 in dat moment disponibel was; zij had dan ook nog minder van een man in wien zij eene volkomene bekendheid met de routine van den handel onderstelde, kunnen verwachten. De stellige weigering om het mandaat no.104 groot ƒ2000:- te vol­doen, en zij kan zich te minder voorstellen dat die weigering zoude kunnen herhaald worden; nadat aan den Heer kassier bij de subkommissie T.N. en B. in loco een nieuw krediet van ƒ1100:- op heden geopend is geworden. De P.K. had zich van den onder­stelde handelbaarheid van den kassier zulk eene weige­ring kunnen voorstellen, daar zij berekende dat al de geadvyseerde manda­ten die van al de geadvyseerde kredieten niet meer dan ƒ1895.- te boven ging en wanneer ook alles wat opgekomen, 't geen de P.K. wist niet mogelijk te zijn, buiten de nog de sedert geadvyseerde ƒ1100:- in het geban­den(?).
Het zal ondertusschen dringend noodig zijn dat de kassier bij wijze van memorie een kleinen staat der kas volgens zijne telling tot heden toe inzenden, ten einde de ware zit­plaats van dit vrij aanmerkelijk craven(?) te ontdekken, ook ter voorkoming van verdere sletritsures(?) der Kommissie, en van het meerder exponeeren van 't krediet onzer Maatschappij.
Het later advyseren dan opkomen van 't mandaat no.104 heeft door eene dier toeval­ligheden, welke vaak onvermijdelijk zijn, niet van de P.K. afgehangen. 352)



Vrijdag 25 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Besloten, een brief te schrijven aan den Heer Pred. te Vled­der, en een aan den R.K. Pastoor te Steenwijkerwolde, ter dankzegging voor de moeite, welke zij, elk respectievelijk ten aanzien der kolonisten die tot hunne kerk behooren, door godsdienstig onderwijs en pastorale zorgen, genomen hebben en nog nemen; en is tevens besloten, dien brief aanstaande zondag naar Pr. Frederik ter teekening te zenden." 38)


Ingekomen post invnr 51. Brief van P.J.Ameshoff aan de Permanente Kommissie

Amsterdam 25 juny 1819

Mijne Heeren!

In antwoord op Uwe. brief van gister no. 96/6 heb ik de eer Uwe. aan te merken dat na inzending mijner laatste maandstaat tot op het ter betaling aanbieden  van mandaat no. 106 ad ƒ 2000.- door Uwe. geadviseerd waren de mandaten van no. 90 tot 111 ingesloten, welke te samen bedragen
de som van    ƒ 9654:37½
en dat der ingekomen kredieten    ƒ 6851:38
weshalve er te kort kwam    ƒ 2802:99½

Deze opgave zal ongetwijfeld voldoende zijn om Uwe. te over­tuigen als dat er wekelijks meer getrokken dan disponibel was. Voor 't overige gelieve Uwe. de moeite te nemen van mijne brieven van 10 en 13 oktober 1818 no. 39 en dit nogmaals te raadplegen, ter herinnering dat de geadviseerde kredieten niet in betaling gegeven kunnen worden voor dat zijn ontvangen zijn. In geene geregelde administratie, verschoon mij deze aanmerking, beschikt men over iets dat nog niet gerealiseerd is. Het mandaat no. 104 ad ƒ 2000.- is des niet te min op heden door mij betaald.
Ik wil gaarne geloven Mijne Heeren!  dat U werkelijk de aanbiedingen gedaan zijn door U bedoeld, en hing het van mij af ik zou mij der niet met minder genegen betoonen, maar Uwe. gelieven te weten of zich te herinneren dat ik geen huis of geene commercie op mijne eigene hand heb, maar slechts parti­cipant ben, en dan zullen Uwe. ligtelijk bevroeden dat ik niet al dat gene doen kan wat ik anderen wel zou verlangen.
Voor het overige ontvangen Uwe., volgens gewoonte met het begin der volgende maand, den kassier-maandstaat, waar uit Uwe. alles in detail  zullen kunnen zien.
Van de bepaling der algemeene vergadering, mij bij uwen brief van 22 dezer no. 88/6 aangekondigd heb ik nota genomen en ik hoop mij te susteeren. Ik heb niets tegen het honorair lidmaatschap van den Heer P. Roodenhuis te Harlingen, hoezeer bij mij onbekend.
Ik heb de eer...P.J. Ameshoff


Ingekomen post invnr 51. Brief van Benjamin v.d. Bosch aan de Permanente Kommissie

Frederiksoord den 25 juny 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hierbij in te zen­den.

1. de gerectifieerde rekening en verantwoording over mei en daar bij horende kwitanties.
2. de kwitanties van Dheer Riemsdijk voor de ontvangen mandaat groot ƒ 1597=95

De rekening van vlas gaat hier bij mede terug. Dheer Velzel heeft ook over de maand maart den leverantie gedaan, waarvan eene gespecificeerde rekening aan de Kommissie - ik meen ten bedrage van ƒ 434- - ingezonden is. De laatste post op bij­gaande rekening, niet op de vroeger ingezondene, waar voor mandaat geslagen is, hebbende kunnen voorkomen.

Zal de Kommis­sie na aftrek daarvan, nevens gaande rekening, aan de daarvoor gezondende mandaat gelijk bevinden. Dheer Velzel uit Amsterdam retournerende zal ik aan de Kommissie op nieuw eene specifike opgave der gehelen leverantie doen toe komen.
Welke opgaven door ons altijd behoorlijk tegen de aantekeningen vergeleken zijn. In haast.  51)

Samengevat: liquiditeit is zowel in Amsterdam als in Frederiksoord een machtig probleem voor het experiment. Blijkbaar komen de subcommissies niet makkelijk over de brug.



Dinsdag 29 juni 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

- over correspondentie met Robert Owen. transcriptie

Brief van denzelfden (Ameshoff) als kassier, 25 juny, nader opgevende de redenen van het weigeren der betaling van 't mandaat no. 104, a ƒ 2000. Notifikatie.

Brief van de Heer J. v. Konijnenburg, zich bevelende als klerk ter onzer bureele. Notificatie.

Brief van eenzelfde (Ameshoff) van eenzelfden datum (28 juni), zich verschoonende over het gebeurde met het mandaat no. 104. Te antwoorden dat de P.K. verzoekt in 't vervolg meer égards voor het krediet der Maatsch. 38)



Woensdag 30 juni 1819

Ingekomen post invnr 51. Brief van de nieuwe spinbaas aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord 30 juny 1819

Aan zijne Exellentie den Heer 2e assessor der Comissie van Weldadigheid

Wel Edele Geb. Heer!

Door de Heeren leeden der subcommissie van Leeuwarden aan UWEG voorgesteld de administeratie der werkzaamheden in de fabriek te Frederiksoord, waar te nemen, hebbe mij van plicht geoor­deeld het volgende UWEG te moeten voordragen.
Dat bij de ontvangst der wol deselve behoorlijk gesor­teerd wierd, in beste, middelbaren en derde soort waar onder de zogenaamde kladen. Dat van de eerste soort mits behoorlijk gekamt en gesponen(,) sergie in plaats van voerlaken gefa­briceerd wierd, ongelijk beter en duurzamer van kwaliteit hebbende boven dat nog dit voordeel dat het sijne kouleur behoud het geen omtrent het voerlaken nimmer kan bestaan, en durve UWEG te versekeren, dat de fabrikatie van het zelve minder en boven alles niet hoger zal komen als het laatstge­noemde.
Dat van de 2de soort gemengd met de kladden, mits gekamt en gesponnen zeer goede baaij kan geweven en van het overige gedeelte sajet kan gesponnen worden. Ten einde een regelmatige bewerking daar te stellen zullende, indien dit de goedkeuring van UWEG konde weg dragen, de jonge lieden behoorlijk onder­richting van eenen ander geven.
Ondergetekende wenschte dat er proeve mogen genomen worden van de maschine op welk men twee draden te gelijk spind, ten einde den werksaamen gelegenheid te geven, een ruimer bestaan te vinden. Dit aan UWEG veel verlicht oordeel aan bevelende, versoeke in dien zulks eenige bijval mag ver­die­nen, hier over mondlijk nader gehoord te worden.
Eindelijk versoeke UWEG instantlijk, indien aan mij de vereerende taak wierd opgedragen van baas in de fabrijk te zijn meet eene behoorlijke instructie vereerd te worden.
Johannes Gunther


Ingekomen post invnr 51. Brief van J. Kops aan Paulus van Hemert:

Utrecht 30 juny 1819

WelEdele Hooggeleerde Heer!

Met de missive van UWHooggel: als secretaris der Permanente Commissie van Weldadigheid, vond ik mij vereerd met de benoeming tot lid honorair van dezelve Maatschappij. Het is de Permanente Commissie gebleken, dat ik bereid ben, om inlichtingen, welke men van mij verlangde medetedeelen, en waartoe men mij bij voortduring gereed zal vinden; doch met de aanneming van hetzelve lidmaatschap zou ik moeten gerekend worden, te treden in dezelfde maatregelen, welke de Maatschappij genomen heeft. Ik meen echter alsnog van dezelve in dezen te moeten verschil­len, gelijk ik reeds met alle bescheidenheid heb te kennen gegeven in een advies, ter laatstgehou­dene Algemeene Vergadering van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschap­pen op eene prijsverhandeling over dit onderwerp door mij uitgebragt. Ik zou dus een onbestaanbaar gedrag houden, wanneer ik als lid honorair de Maat­schappij optrad.
Ik verzoek dus UWHooggel: deze mijne gevoelens kennelijk te doen worden aan de Permanente Commissie, en zal ik de ontvangene stukken aan de subcommissie in deze stad gevestigd, ter hand stellen.
Ik heb de eer met alle hoogachting te zijn
WelEdele, Hooggeleerde Heer!
UWelEd.Hoogel: Dienstwillige Dienaar

Jan Kops