Naar het overzicht
van de POST







De POST van MEI 1819

Zaterdag 1 mei 1819

Uit een brief van de Permanente Commissie aan J. Nieuwenhuys:

'S Hage 1 mei 1819

De Permanente Kommissie heeft de eer UWEd haren opregte dank te betuigen voor de kennisgeving van de aanzienelijke somme van penningen, welke de Heeren Bachman en Mendes de Leon bereid zijn, voor den tijd van twee maanden aan de Maatschappij voorteschieten, ter betaling van den eersten termijn der koopprijs van Frederiksoord. 960)


Uit de minuten van de verzonden post van de Permanente Commissie:

's Hage den 1 meij 1819

Bijgeschreven:
Stuart! Schrijf direkt deze brief in het net over op postpapier. Er zal zoo veel niet in te ver­anderen zijn, of ik kan dat, ten 1 uur aan 't bureau komende wel helpen veranderen.

Weledelgeboren Heer!

Hier nevens heb ik het genoegen UWEdGeb. toetezenden eenige stukken betrekkelijk de negotatien en door het gouvernement aange­gane contrakten wegens het overnemen van een aantal vondelingen en invaliden. UWEd­Geb.  zult daar uit eenige malen kunnen opmaken het gunstig uitzicht aan de Maat­schappij van Weldadigheid geopend om een groter aantal van ongelukki­gen uit hunne ongelukkige toestand te redden en tot een hoger mate van zedelijk­heid en levensgenot opteleiden. In onderscheidene verhandelin­gen in mei - juny in de Star te plaatsen, hoop ik die onderwerpen nader te belichten. In het eerst volgende nummer heb ik trachten aan te tonen dat alles in de natuur zamen(?)­stemd om den mensch steeds tot een hogere trap van zedelijkheid opteleiden en dat de toestand van zo veele volken die eertijds eene hoge trap van beschaving bereikten, thans tot een grote mate van dierlijkheid en ongeluk vervallen zijn veel al kan en moet toegeschreven worden aan het niet gehoor­zamen van die wenken die na mijn inzien de zamenstel(?) van de orde der dingen in be­trekking tot den maatschappelijke toestand beschouwd, ons als het doel van ons be­staan en de wil van een weldadig opperwe­zen doet kennen en waartoe na mijn inzien aan de volken veelal ontbroken heeft de zui­verheid en vertrouwen in het godsdienstig stelzel, destijds gevolgd, en zo zeer van die der christenen onderscheidend.
Het zal mij bijzonder aangenaam zijn, daar ik eene zeer hoge prijs stel op gevoe­lens van menschen wier hart en verstand eene gelijke mate van achting inboezemd en verdient, uw aanmerkingen en terechtwijzin­gen op den inzontgelijke verhandelingen te mogen ontvangen. Niemand is meer over­tuigd dan ik zelve hoe zeer zodanige weder­wachtingen voor mij noodzakelijk zijn, hoe zeer mijne geringe bekwaamheid de onder­steuning van anderen nodig hebbe, om slechts in eenigemate aan de grootheid van het doel waar na ik wensch te streven gee­venredigd te zijn, en ik kan UWEdGeb. plech­tig verzekeren dat zo danige terechtwijzingen altijd dankbaar door mij zullen worden aange­nomen.
Na die boodschap zij het mij vergund ter beantwoording van uwe missive van den 28 dezer met welke ik mij vereerd gezien heb, te mogen overgaan.
Zeer aangenaam troffen mij de daarin voorkomende gewigtige behandelde beden­kingen, die zeker niet aan ons als vrijpostig noch voorbarig kunnen toeschijnen, daar wij hartelijk voorlichting in onze onderneming verlangen en ook evenzo bereid zijn de onze bedoelingen en beweegronden openteleggen. Dit toch is wel de eenige weg om tot de be­nodigde resultaten te geraken.
Uwe bedenkingen om de geheele negoti­atie te verenigen op een prijs zo als door de Heer Kol werd voorgesteld is ook het gevoe­len geweest van eenige mijner medeleden die cente(?) met mij de zwarigheid hebben ingezien om langs deze weg het oogmerk te bereiken.
Het wel gelukken eener groote onderne­ming hangt mijns inziens voornamelijk af van die mate van voorzichtigheid waar mede ieder maatregel werd voorbereid. Kan men deze alleen gronden op de begrippen en gewillig­heden van anderen dan is de uitslag zo veel minder zeker als men minder invloed op die begrippen en gewilligheid uitoefenen kan en dit wenschen kan slechts in een ge­ringe mate plaats hebben bij eene openbare negotiatie waar van de deelneming groten­deels afhangd van de mate van voordeel die de grote moeijelijk wel intelichten hoop daarin vind of steld. Verkieslijk scheen het mij uit dien hoofde om geene negotiatie te onderne­men dan waar van wij de uitslag eniger mate konden berekeden(?). Hier op was het ont­werp UWelEdGel door mijn Heer uw broeder medegedeelt gegrond. Ieder onzer kan op die wijze in de kring zijner vrienden en bekenden gebruik maken van al die invloed der maat­schappelijke betrekkingen aan de redenen lenen en welke zo veel bijdragen om ook dan overtuiging en warme deelname voorte­bren­gen dan anders een koud bedrog, wellustigen aandacht, onverschil­lig­heid geene deelne­ming zou hebben voortgebragt. Deze maatre­gel dan ook heeft volkomen aan het oogmerk beantwoord. Reeds hadden wij - buiten het geene dat door de Koninklijke familie zou zijn gecontribu­eerd - voor ƒ65,000 toezeggin­gen op de belening van Westerbeeksloot beko­men en nog was het ontwerp slechts aan de helft der personene medegedeelt die wij daar om meenden te onderhouden.
Deze penningen die in het geheel daar­toe grotendeels minder uit belang dan wel uit zucht om een goede onderneming te bevor­deren aange­bragt zijn, blijven nog groten­deels tot onze beschikking en kunnen niet mat(?) bij volgende belening worden aange­wend.
Wanneer wij de belangen aanvangen met geringe steden vooraf zorgende dat zo het publiek niet voor toerijkende sommen inschrijft deze te kunnen supleren door de aan ons toegezegde penningen, dan kan geen dezer mislukken en juist zulke wij de geene uit het publiek uit de meer of mindere deelneming in deze negotiatie lenen kunnen en wij derhalve een verjaaring(?) erlangen hoe ver wij kunnen gaan. Bij den aanvang eener onder­neming moet na mijn gevoelen niets mislukken, alles betere zoveel mogelijk een uitvloeisel te zijn van juist bevorderde nieuwigheden. Hier door verwint(?) men ver­trou­wen en indien men dan van nimmer(?) meer vor­dert dan het leveren kan gaat men ver. Wij hebben ons gevleid dat zo aanvan­ke­lijk er negotiatie dat wij dan zullen spoedig vol komen en wij met stiptheid op betalingen van aflossing en rente passen, dat juist het middel zal zijn om het nodige vertrouwen te erlangen om grotere negotiaties voorteberei­den. Dan het is niet alleen de meerder zeker­heid die na ons inzien op deze wijze zeer de goede uitslag van ieder negotiatie is het bij­zonder verkregen worden kan. Welke ons de voorkeur heeft, dan geven aan een partieele negotiatie boven die der gezamelijke steden. Nog andere drangrdenen(?) van geen minder kragt hebben ons daar toe verpligt.
In soortgelijke gevallen zijn wij gehouden aan den geest van het gouvernement ook in het onder havig geval dat de stedelijke bestu­ren te raadplegen en wij menen redenen te hebben om ons over(?) hoop te hebben dat een algemene guarantie mogelijke te verkrij­gen zijn zou. Het is in het algemeen niet mogelijk om een guarantie te verlenen waar­bij men, hoe ook de zaken lopen geene scha­den lijden kan om ten behoeven van eenige armen opoffering te doen. Maar de meer gegoede steden zoo zij zouden niet te bewe­gen zijn eene verplichting op zich te nemen, de had(?) ? de nood zekerlijk brengen kan van ten behoeve der armen van min rijke steden bijtedra­gen en waarop dan het gevoe­len (het zij dan ook ongegrond) die daar het gouvernement den jaarlijks subsidie betaald de zucht om bepalingen te maken wel eens de drijfveer worden kan om den onlijding(?) te vermin­de­ren en den last die thans uit de algemene beurs gedragen word op de meer gegoede steden overtebrengen. Over hun(?) dit middel die guaran­ten dat geen te doen betalen dat aan de jaarlijksche opbrengst ter betaling van intrest en aflossin­gen der gene­gotieer­de kapitalen die min gegoede steden mogt ontbreken. Als dit misschien niet te weren is als den Koning ieder kontrakt met een stedelijk bestuur aange­gaan bekragtigd, om dat zij in dat geval geene penningen ons kunnen doen inhouden, welke betaling het Koninglijk woord waarborgd. Hier bij moet nog gevoegd worden dat wij met geen moge­lijkheid in eens kunnen negotien de sommen die de Maat­schappij in het vervolg nodig hebben zal en die zeker, eer de gehele on­derneming afgelopen is, 30 millioen zal be­dragen. Dat ons volgende negotiatie op een ander verband dan de grond voor de eerst verbonden zou moeten gevestigd worden en ook op guarantie van ander steden, om dat niet alle tegelijk tijdig daartoe zullen over gaan en zij die in de eerste deelen niet te bewegen zullen zijn om in het vervolg ook schulden ten behoeve van anderen gemaakt te guaranderen. Zo dat toch altijd in het ver­volg de negotiatie ten aanzien van het onder­pand onderling zoude moeten verschillen. Alle welke notities(?) ons hebben doen be­sluiten bij voorkeur op ieder bijzonder gua­ran­tie te negotie­ren en welke motzen(?) ons gaarne aan de behandeling van UWEd­Geb. en de Heer Kol onderwerpen.
Wij voor ons zouden wenschen ons eerst te bepalen tot de betaling van 80/m op het landgoed van Westerbeeksloot en gaarne zullen wij van UWEd­Geb. of de Heer Kol de nadere bepalingen en voowaarden deswe­gens tege­moet zien. Vervolgens zullen wij aan UWEd doen toekomen het kon­tract dat wij thans met de stad Almelo staan te sluiten. Wij zullen de cuzo(?) aan UWEd opgeven het montant der penningen, waarop in alle geval­len bij de negotiatie kan geschieden worden en waaruit dus ditgeen kan worden gesigna­leerd wat niet elders te vinden is en op deze wijze wenschten wij met ieder volgende voorttegaan, althans zoo verre ons middelen zullen kunnen rijken en de goede uitslag van eerdere lening te verzekeren. Wanneer wij ons niet bedriegen ten aanzien van de mid­de­len waar over wij rekenen te kunnen be­schikken zullen die toerijken ter vinding van alle die penningen die wij dit jaar behoeven.
Gaarne voldeet ik aan het verlangen van UWEd. om overtekomen en in een woordge­prek met de Heer Kol iedere zwarigheid te opklaren. Dan thans in het middel van zoo veel onderscheidene rente van onderhan­de­ling gewikkeld is ieder uur als het ware dan ene arbeid geweid die mogelijk kan afgebro­ken worden. Zo dra ik echter slechts een paar dagen kan uitbreken, zal ik gaarne van uwe uitnodiging gebruik maken. Wij hopen intusschen dat de zaken thans, door het bo­venstaande voorstel zekerlijk vereenvoudigt, geene vertraging ondergaan, maar schriftelijk tot afdoening zullen kunnen gebragt worden en anders veroorloof ik mij uwe medewer­king daar toe interoepen.
Ontvang nog eens mijne hartelijke dank voor Uw warme wenschen en belangstelling in mij en in de goede uitslag der onderne­ming en hoe zeer ook mijn geweten mij zegd dat ook mijne beste daden en oogmerken geen­zins vrij zijn van de droesjen(?) menselij­ke zwakheden en ik dus dan alleen toege­vendheid mag hopen waar ik geene verdien­sten op de schaal mijner pligten te leggen hebben zal, sticht het mij niettemin tot een groot genoegen dat waardige mannen zo als UWEdGeb. hier hunne pogingen met de mij­ne wel(?) zullen vereningen ter bewerking van een doel, dat zo al niet tot een volkomen zuiver zedelijk begin zal ontspruiten, niet te min de strekking heeft van het lot, de zinde­lijkheid en de zedelijken toestand van duizen­den onge­lukkigen te verbeteren van hare zwarigheden. Dat UWEdGeb. in deze pogin­gen alle de zegeningen mede vermogen op welk een rechtschapen nut(?) prijs steld. Mij in het gunstig onderscheiden van UWEdGeb. aanbevelende vereer ik mij met ware hoog­achting te zijn
WelEdGeb. Heer

UWWEG dienststr. Dr.
(Johannes van den Bosch)

Aan den Heere Mr. J. Junius van Hemert te Utrecht

P.S.
er bij te stellen: verzoeke verschoning voor schriften(?) stijl. De tijd laat niet toe den over te doen schrijven.
Is het mogelijk vanavond met de schuit te verzenden, anders morgenochtend. 352)


Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Brief van den Direkteur der kolonie. ... Verzoekt decisie omtrent Burks."
"Besloten ... ten aanzien van Burks, dat men provisioneel berust in de genomen maatregelen om dien man zijne wekelijk­sche verdiensten uittebetalen, en in zijne eigene voeding te laten voorzien; dan echter dit tot nader order niet moet uitgelekt(?) tot de andere kolonisten." 38)


Uit het brievenboek:

Besluit der P. Kommissie 1 mei. Om aan den Heer R.A. Nobel op den huizen de Wijck bij Elburg te schrijven, dat den 18 mei de ½ koopschat van Wester­beeksloot aldaar door hem zal kunnen worden ontvangen. 18)


Brief van P.J. Ameshoff aan de Permanente Com­missie

Amsterdam 1 mei 1819

In vooronderstelling dat de overige H.H. hare leden der finan­cieële afdeeling, elk afzonderlijk hunne gedachten zullen mede deele op de voordragten, welke het onderwerp zijn van Uwen brief in de 19 april ll. heeft de onderge­teekende de eer de navolgende als zijnen, aan Uwe beoordeling te onderwerpen.
Zal men niet door al aanvankelijk met de Minister verdra­gen te sluiten van dien aard als die welke door UWE voorge­steld worden, aanmerkelijk afwijken van de primitieve bedoe­ling, immers zoo als die algemeen verondersteld wordt te zijn, namelijk behoeftige huisgezinnen tot ontlasting van de armlas­ten te coloniseren? Behoorde men, met contracten van dien aard, wel te beginnen daar het uitzien naar dergelijke midde­len tot uitbreiding, de fiducie in onze onderneming welligt zal verzwakken, vooral als wij bij staatsambtenaren het initi­atief zullen aannemen, zoo als met Binnenlandse Zaken het geval zou zijn? Ware het niet beter dat het omgekeerde plaats hadden?
Misschien zou de inhoud der missive van den Minister van BInnenlandse Zaken in het rapport van den tweeden assessor vermeld, het gewigt dezer laatste bedenking bij ons verzwakt hebben, dan daar van die missive geene copie bij de ons gezon­dene stukken was gevoegd, kunnen wij dit niet beoordelen.
Nog eene bedenking van eenen algemeenen aard! De voordee­len welke verbonden zijn aan het coloniseren van vondelingen en verlatene kinderen, boven de opvoeding in weeshuizen, zijn zoo in het oogloopende, dat wij geene reden zien de ƒ 100:- door elkander gerekende actuëele kosten, met ƒ 40:- te rebat­teren, en alzoo op ƒ 60:- te stellen. Ware het niet beter het surplus van de ƒ 60:- voor eene reserve kas te bedingen, de bepaling van juist ƒ 60:- komt mij te verbindend voor, en eene eenig­zins meer casueele begrooting meer strokende met de voorzig­tigheid.
Wat in 't bijzonder de mariniers betreft. Niets is bil­lijker dan dat menschen, welke in den dienst des lands buiten staat zijn geraakt om hun brood te winnen, geholpen worden, doch ineumbeert(?) de verpligting daar toe niet aan het Gou­verne­ment zelve? Kan het van ons gevergd worden dat wij die ver­pligting overnemen, en alzoo het verzuim van dezer lieden belangen trachten goed te maken, wel te verstaan, zoo lange nog zoo vele duizende huisgezinnen, welke de plaatselijke armenkassen tot last zijn, ter colonisatie overblijven? Be­hooren dezen volgens het primitieve plan niet vóór te gaan? Zal het de deelneming der subcommissies of gemeente besturen niet verzwakken, in geval zij personen zien vóórtrekken, welke niet bepaald hunne ingezetenen zijn. Men zegge niet dat deze daarom niet worden uitgesloten: genoet dat zij, voor het tegenwoordige, momentaneel maar achtergesteld worden. Immers de operatie van het coloniseren vordert tijd, men kan niet alles op eens doen, en de zeer geborneerde fondsen in de onderneming gestoken, vorderen veel tijd om te rug te keeren en die tot verdere uitbreiding te doen dienen.
Wijders heb ik nog de volgende bedenking op het neven­gaande project, en wel op de afdeelingen, door de navolgende letters, kortheidshalve, aangewezen:

A.
Is de assertie dat het Rijk ƒ 400.000 alleen voor vondelingen zou hebben toegestaan wel juist, en is dit niet voor het armenwezen in het algemeen?

B.
De stelling dat het beheer zou geschieden zonder inzage en beschikking omtrent de wijze enz. is fautief; immers is de geheele administratie onderworpen aan het toezigt der stede­lijke regeringen en vervolgens aan de Collagien van Gedepu­teerde Staten. Ook is de financieele beheering bij beiden deze autoriteiten wel degelijk een point van rekening.

C.
Het hier beweerde staat in verband en hangt af van de verifi­catie van de sub A. voorkomende berekening!

D.
Waarom de vondelingen niet voetstoots over tenemen zonder bepaling van ouderdom, met overigen gezond zijnde?

E.
Wat verstaat men door opvoeding zoodanig ingerigt dat de jongen tot den militaire stand wierden bekwaam gemaakt? Wat heeft de Maatschappij zich met eene zoodanige opvoeding in te laten, welke alleen veld en fabrieks-arbeid als doel heeft opgegeven? Hoe zal dit door het publiek worden opgenomen?

F.
In de berekeningen van mogelijke voordeelen kan men zich vergissen, dit alles hangt af van de ondervinding. lichte, opkomende ligchaams gebreken, onbekwaamheid vaoor den arbeid kunnen hier op van meer of min nadeeligen invloed zijn.

Eindelijk heeft de ondergetekende de eer hiernevens als bijla­ge te voegen, copiëen mijner missive in de 1e april jl. aan de Permanente Kommissie, betrekkelijk het voornemen van vondelin­gen, de vrijheid nemende zich overigens daar aan te gedragen, alles met onderneming aan UL meer verlicht oordeel, daar het hem alleen om het belang der laatste te doen is. 1403)



Maandag 3 mei 1819

Frederiksoord den 3 mei 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hierbij in te zenden de door de Kommissie verzogte verantwoording over de maand december. 51)

Gedurende deze hele maand schrijft Benjamin van den Bosch hooguit vier brieven aan de Permanente Commissie. Althans, er zijn er vier teruggevonden. Maar ook als er brieven zoekgeraakt zijn, valt aan te nemen dat zijn produktie minder was; mei is traditioneel een drukke landbouwmaand.


Uit de Staatscourant:

's Gravenhage, den 3 mei.

De permanente commissie geeft, hiermede, openlijk kennis van het navol­gend bij haar genomen besluit: "Daar, volgens de grondwet der Maatschappij van Weldadigheid, uitge­drukt bij het Algemeen Verslag der provisio­nele commissie, van den 22sten junij 1818, één der voorname oogmerken der benoeming van verdienstelijke mannen tot honoraire leden dier Maatschappij, hierin gelegen is, om de talenten en den invloed derzelven in te roepen ter uitbreiding van het lidmaatschap, en der grondbeginselen van die instelling, zoo heeft de commissie besloten, dit principe thans dadelijk in werking te brengen, te wel­ken einde zij verzonden heeft en nog verder verzenden zal, aan elk van hare honoraire leden, de noodige exemplaren van het Alge­meen Reglement en van inteeken-lijsten, zoo voor lidmaatschap als voor giften, met bijge­voegd verzoek, om daarvan, elk in zijnen kring en maatschappelijke betrekking, het bedoelde gebruik te willen maken, en alzoo eene aanmerkelij­ke uitbreiding te geven aan eene vereeniging, die reeds uit zoo vele dui­zende leden bestaat, doch die uit haren aard nog meer algemeen, ja als het ware nationaal behoort te worden, waartoe gewis zoo vele mannen van invloed en verdienste gaarn, als om strijd, hunne beste pogingen zullen willen leenen."
De Permanente Commissie van Weldadig­heid,
P. van Hemert, secretaris. sc 4.5.19



Dinsdag 4 mei 1819

los velletje, heeft misschien oorspronkelijk aan brief vastge­zeten, of aan een vrachtbrief of aan een zak zelf. Op de ach­terkant staat in ieder geval geen extra inhoud genoteerd alleen nog de datum 4 mei:

Drie zakken vlassen garen zwaar    260 ponden
twee zakken snuiten    191 ponden
51)


Nog een missive aan de minister van binnenlandse zaken over de vondelingen, gedateerd 4 mei 1819, dit keer met concrete maatregelen, bv. wie zorgt voor het transport etc. invnr 960. vermelding


Johannes vd Bosch aan J.M. Kemper:

's Hage, 4 mei 1819

WelEd.Geboren Heer en zeer geacht Vriend!

Tot dus verre heeft het ons niet mogen ge­lukken eenig antwoord op onze petitie, aan Z.M., gelijk UWEG weet, voor ettelijke weken aangeboden, te erlangen. Intusschen worden onze werkzaamheden daardoor niet alleen vertraagd, maar wij zelven in zeer onaange­name omstandigheden gewikkeld. Het is UWEG bekend, dat het landgoed Wester­beeksloot voor 57/m gekocht zijnde, de eer­ste termijn daarvan in deze maand betaald moet worden. De goede trouw vordert vol­doening aan dit, vrijwillig aangegaan engage­ment: niemand moet ons immer te verwijten hebben, dat wij onbedachtzame verbindtenis­sen hebben aangegaan, of onwillig zijn, om die te volbrengen. Dus, mijn Vriend! is er niets anders overgebleven, dan tot eigene middelen toevlugt te nemen, en eerlang zul­len de Heeren J. Mendes de Leon en Ames­hoff, benevens het honorair lid, J.W. Bagman en ik ƒ45,000.00 in voorschot zijn. Op deze wijze intusschen kunnen de zaken niet wor­den voortgezet; wij moeten van het gouver­nement een spoedig definitief antwoord ver­wachten. Inderdaad, nimmer heeft de indus­trie in ons land minder aan­moediging onder­vonden, dan thans.
Zelfs de uitvoering van zoodanige onder­nemingen, die het meest de belangen des gouvernement bevorderen zouden, en welken hetzelve openlijk verklaart te ondersteunen, worden, zoo al niet tegengewerkt, dan toch door besluiteloosheid verlamd.
Ik ben vader van een talrijk huisgezin, Ik stel mij bloot aan belangrijke verliezen, indien het gouvernement niet kan of wil treden in maatregelen, die de uitvoering van een ont­werp vorderen, waartoe wij door niets, dan door de zucht om ons vaderland en onze behoeftige landgenooten nuttig te zijn, wor­den aangespoord. Ik waag het dus, uwe wel­willende medewerking in te roepen, ten einde een besluit te provoceren, van welken aard het dan ook zijn moge, dat ons met gerust­heid op den ingeslagen weg kan doen voort­gaan, of verdere opofferingen terug houden, waardoor ik mijne familie benadeelen en anderen misleiden zoude. Iemand van uwe denkwijze zal het pénibele van dezen toe­stand gevoelen.
Ter bevordering van dit doel zende ik UwHWG bij dezen toe eene missive van de Permanente Kommissie aan den Minister van Binnl. zaken. Wij hebben daarin de hoofdpun­ten opgegeven, die eene spoedige beslissing vorderen; niets komt er in voor, dan hetgeen strikte waarheid is, en wat ik u niet, bij uwe terugkomst, overtuigend zal aanwijzen. Gee­ne 10 jaren tijds zijn er noodig, om ons een zeer groot gedeelte onzer onbebouwde gron­den tot kultuur te brengen.
Ik hoop, dat de veelheid uwer bezighe­den u niet verhinderen zal, om eenige oogen­blikken te vinden tot het lezen van de Star, die u daarvan nader zal overtuigen: de ef­fronterie toch, van in een tijdschrift, dat zoo menigvuldig gelezen wordt, daadzaken, die dagelijks door honderd ooggetuigen in de kolonie kunnen worden onderzocht worden, en wedergesproken, op onwaar­heden te gronden, zal toch wel niemand in ons vooron­derstellen.
Zeer schoon staat de onderneming. De geest der natie is zoodanig gestemd, dat wij op al de hulpmiddelen rekenen mogen, ver­eischt om het oogmerk te bereiken. Doch laat men de gunstige gelegenheid voorbijgaan, zij keert welligt nimmer terug. Nu toch is de zaak nieuw voor de verbeelding, zij brengt een warm gevoel van welwillendheid in bewe­ging; verflaauwt dit, dan zullen wij in de pu­blieke opinie dezelfde teleurstelling ondervin­den, die het noodwendig uitwerksel is der uitputting van elke hoogespannene verwach­ting, welke op een levendige voorstelling altijd volgt. Wie onzer heeft niet meerma­len ondervonden, dat, om eene gewigtige en belangelooze onderneming tot stand te bren­gen, dat oogenblik het gunstigst is, wanneer wij het levendigst door de voorstelling van het edele en nuttige zijn opgewonden, en dat het, is soms dit oogenblik verzuimd, ten uiterste moeijelijk wordt tot de voorgaande hoogte weder op te klimmen. Dit dus behoort elk te overtuigen van de noodzakelijkheid, om van dit gunstig oogenblik gebruik te maken tot het leggen van eenen grondslag, waar, in het bijzonder belang van onderscheide­ne leden der Maatschappij, (gelijk ik in het volgende no. der Star zal aantoon­en), de beweegrede­nen kunnen gevonden worden, om het ge­bouw weer op te halen.
Zeer aangenaam zal mij een spoedig antwoord zijn, en eenig berigt van de ont­moeting met den Minister. Ik twijfel geens­zins, of ons vorig stuk ligt in het bureau van een der kommiezen te muffen, die, in zijne hooge wijsheid, de noodzakelijkheid niet in­ziet, om eene zaak, welke het geluk niet had van zijne belangstelling op te wekken, spoe­dig af te doen.
Ontvang mijne en mijner medeleden hartelijke groete, benevens de betuiging dat ik de eere heb hoogachtend te zijn
WelEd.Geboren Heer!
UwEd.Geb. HG Dw Dr en Vriend

Js van den Bosch 960)



Conceptbrief van de permanente commissie aan Zijne Excellentie den Heer Minister voor den Binnenlandsche Zaken 960)

Hoog Edelgestrenge Heer!

Reeds vroeger zouden wij aan het verlangen van Uwe Excellentie voldaan, en de wijze voorgedragen hebben, op welke het ontwerp om een aantal vondelingen boven de zes en beneden de twaalf jaren, in de Kolonie der Maatschappij optenemen, in uitvoering gebragt kan worden, hadden wij ons niet met de hoop gevleid, van op ons voorstel den .. April, Zijne Majesteit aangeboden, en waarvan wij de vrijheid gebruiken kopie hiernevens te voegen, spoedig een beslissend antwoord te ontvangen, daardoor dat antwoord eenigermate bepaald zoude zijn geworden, welke uitgebreidheid aan onze onderneming in dit jaar gegeven worden kan, en hoeveel vondelingen in de Kolonie zouden kunnen worden ingedeeld.
    Hoezeer wij nog met verlangen den uitslag van ons verzoek tegemoet zien, hebben wij echter gemeend, niet langer te mogen aarzelen met Uw HEG de gevraagde inlichting te suppediteren, te meer, daar wij, hoe zeer dan ook vooralsnog door het uitblijven van Zijner Majesteits dispositie buiten staat, om het juiste getal dier kinderen, welker verzorging wij op ons nemen kunnen, optegeven, echter ons in staat bevinden, om de wijze te bepalen, waarop deze kinderen kunnen worden overgenomen.
    Onzes inziens zoude dit met het minste bezwaar, zoo voor uwe Excellentie als voor ons, geschieden kunnen, op de volgende wijze:
1e Gelijk zoodra de nieuwe huizen, thans geprojecteerd, volbouwd, en de kolonisten daarin gevestigd zijn, zullen wij aan Uwe Excellentie het getal der kinderen opgeven, dat door ons overgenomen worden kan.
2e Uwe Excellentie gelieve dan zoodanige kinderen, als daartoe bestemd zijn, te designeren, en hunne namen en verblijfplaatsen aan ons optegeven; ook aanschrijving aan Regenten, of andere autoriteiten, over dezelve gesteld, te doen toekomen, om die, op aanvrage der Permanente Kommissie van Weldadigheid te doen volgen.
3e Deze kinderen zullen dan van onzentwege door één of meerdere opzichters worden afgehaald, en naar de kolonie worden getransporteerd.
4e De kinderen zullen aan ons overgegeven worden met de kleedingstukken, bij hen in gebruik op den dag, dat zij worden gedesigneerd, en het Gouvernement zal aan de Maatschappij f 60-.. transportgeld voor ieder kind betalen.
5e Alle maanden zal door de Permanente Kommissie een verslag ingezonden worden, van de staat dier kinderen, en van hunne vorderingen. Uwe Excellentie houde het regt aan zich, om te allen tijde door een of meer Kommissarissen den staat en de behandeling dier kinderen in loco te doen onderzoeken.
6e De betaling van f 60-.. per hoofd zal om de zes maanden geschieden, en wel, de eerste termijn dadelijk bij of na de overneming, en de tweede termijn zes maanden later, zoodat altijd  f 30-.. voor ieder kind vooruitbetaald zal zijn.
7e. Bij het overlijden van één of meer dezer kinderen zullen de gelden, die voor de ingegane zes maanden betaald mogten zijn, niet worden gerestitueerd, maar strekken voor de begravenisonkosten. De overledene kinderen, en die meerderjarig worden, zullen, zoo mogelijk, door anderen vervangen worden.
8e. De kommissie chargeert zich met alle verdere uitgaven, die de voeding, kleeding, zedelijk godsdienstig onderwijs, geneeskundige hulp, niets uitgezonderd, tot hunne meerderjarigheid toe vordert.
    Wij hopen dat deze bepalingen aan Uwe Excellentie welgevallig zullen zijn; althans aan onze zijde hebben wij, naar ons beste vermogen, daarmede bedoeld de belangen van het Gouvernement te bevorderen.




Woensdag 5 mei 1819

Brief van het Ministerie van Oorlog aan de Permanente Commissie

's Gravenhage den 5den mei 1819

Ik heb de eer der permanente Commissie van weldadigheid, op hare missive van den 27sten der vorige maand, te rescriberen, dat de in de kolonie Frederiks-oord gedetacheerde sergeanten Schnatz en Koster, te rekenen van den 1sten april dezes jaars, op het gagement, zijn gesteld, en dat dien tengevolge ook van dien datum geene soldij aan hun meer kan worden betaald, doch dat aan hun daarentegen door den Minister van Financien het pensioen zal uitbetaald worden.
Dat wat betreft de vier maanden gratificatie welke aan hun, zoo als aan meer andere op gagement gestelde onder-offi­cieren, van het Garnisoens Bataillon, voor een eerst établis­sement is geaccordeerd, ik in het denkbeeld heb geverseerd, dat zij hun etablissement in die kolonie hadden gevestigd, waar, daar zij alle aanspraak daarop zouden hebben verloren, als zijnde dit bepaaldelijk toegekend aan de genen, die zich moesten etablisseren, thans nader door U deswegen toegeligt, heb ik heden de noodige order gesteld, om voor elk der beide sergeanten het hun aankomende bij U te deponeren, en verzoek der Commissie om die somme, tot tijd en wijlen dat de beide sergeanten de kolonie zullen verlaten, te bewaren, om alzoo aan het bestemde oogmerk, te kunnen beantwoorden, en voorteko­men dat hetzelve niet worde verteerd, gedurende hun verblijf in gezegde kolonie.

De Commissaris Generaal van Oorlog 51)



Donderdag 6 mei 1819

Frederiksoord den 6 mei 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij in te zenden.

1. de staat der menage van 26 april to den 2 mei
2. de staat van voeding en verdienste idem
3. de lijst van verdiend spinloon en
4. de maand staat over april.

Ik heb den 2 assessor verzocht de Kommissie den receptie eeniger mandaten te accuseren. De verantwoording over december zal reeds ontvangen zijn. Ik zal tragten die over april binnen een paar dagen optesturen.  51)



Vrijdag 7 mei 1819

Brief van J. Mendes de Leon aan de Permanente Commissie:

WelEdele Gestrenge Heeren!

Tijdens den ontvangst van UWEdgestr. missieve, dato 19 der vorige maand, waarbij de Permanen­te Kommissie, op de daarbij gevoegde stukken, betref­fende de kolonisatie van mariniers en vondelingen, de opinie der afdeeling van financiën verlangde te weten, was deze laatste van meening, om geza­mentlijk aan dit verlangen te voldoen. Verschillende oorzaken zulks hebbende belet, en één ieder der leden nu afzonderlijk beantwoordende, zoo komt het mij pligtmatig voor UWEdgestr. in de eerste plaats, hartelijk te bedanken voor de ten deeze, reeds genomen moeite, welke zoo een helder en voordeelig verschiet voor de belangen der Maatschappij oplevert, in de tweede plaats, aantemerken dat het niet wel mogelijk is het stuk, de vonde­lingen betreffen­de, in deszelfs bijzonderheden te kunnen nagaan, daar de missieve van Z.Exe. den Minister van Binnenlandsche Zaken, bij ons tot nu toe, onbekend is, alzo er geen kopy van hebben bekomen. Zulks belet mij echter niet om in de derde plaats aan de Permanente Kommissie in conside­ratie te geven, of het niet raadzaam zoude zijn, om vooralsnog, aan het Gouvernement voor het plaatsen der vondelingen de bereekende voordeelen van ƒ40. voor ieder derzelven, niet te decordieeren, en in plaatse van dien, deze voordeelen in eene reserve kassa te storten, waarvan men later iets zoude kunnen afstaan. Dat is: wanneer men verzekert zal zijn dat de beree­keningen dien aangaande gemaakt, niet tegen lopen. Het is niet dat ik dezelven eenigsints in twijfel trekke; ik heb te veel vertrouwen in de onder­vinding en uitstekende kunde der Permanente Kommissie dan dat zulks het geval zoude kunnen zijn, maar daar het mij, onder verbeeteren, voorkomt, dat het Gouvernement zonder zelf iets bij de bedoelde kolonisatie te profitee­ren, genoegzame voordeelen geniet, wanneer het lot dezer gemelde hulpbe­hoevende landgenoten, zoo merkelijk wordt verbeeterd. Zoo zoude het, mijns inziens, voor het grootste gedeelte, ten behoeve der Maatschap­pij wierden behouden.
Voor wat mij betreft, overigens geene bedenkingen hebbende te maken, waarmede het noodzakelijk zoude UWEdGestr. kostbare tijd bezig te houde, heb ik de eer met ombegrensde hoogachting te zijn
WelEd. Gestrenge Heeren! UWEdGestr. DW Dienaar
J. Mendes de Leon

Amsterdam 7 mei 1819 51)



Zondag, 9 mei 1819

Frederiksoord den 9 mei 1819
Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij in te zenden de verantwoording van goederen over de afgelopen maand april, waarvan de kwitanties per eerstgaande beurtman zullen volgen.
Ik heb mandaat no. 89 op heden ontvangen, en de receptie der vroeger afgezonden aan den 2 assessor, met verzoek van kennis geving aan de Permanente Kommissie geaccuseerd.  51)


Sprake van de negociatie van 100.000 gulden, waarvoor de in Utrecht wonende broer van Van Hemert wordt ingeschakeld: "een negociatie van 6 %". Tevens een daar los van staande negociatie van 80.000 gulden ter belening van Wester­beeksloot. 'negocia­tie bij Vlaer en Kol te Utrecht.
Verzoek dat de heer Kemper het presisium in plaats van Z.K.H. mag aanne­men (als de prins er niet is) ??




Maandag 10 mei 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Brief van de subkommissie te Delft, van 9 mei, bericht dat hun voorgedragen huisgezin bestaat uit man, vrouw en 3 kinde­ren. Pieter Dijkshoorn, zijnde braaf, zedig, werkzaam. Ver­zoekt de reisroute te mogen weten, en van waar de reiskosten goed te maken. Te antwoorden op Amsterdam en van daar met de beurtman op Steenwijk, en dat de gulden moeten voorsgeschoten worden en naderhand hier nog verrekend worden." 38)



Vrijdag 14 mei 1819

Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 14 mei 1819

Overigens meen ik verpligt te zijn de Permanente Kommissie te berigten, dat er reeds meerder getrokken is dan in de bank berust; hetgeen zeker zal voorbij gezien zijn. Zullende ik dus betalen de opkomende mandaten op ƒ1200- na?
UWE gelieven, in het vervolg, op de mandaten geen ander adres te stellen dan deze woorden:
Adres Bergstraat no.17, van 's morgens 9 tot 1½ ure. 51)



Maandag 17 mei 1819

Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 17 mei 1819

Op de voordragt vervat in UWE missieve in dato 14 dezer no. 40/5, heb ik de eer het navolgende, als mijne gedachten op te geven.
Dat de titulatuur van Corresponderende Leden of wel de hoedanig­heid die men daaraan verbinden wil, niet gegrond is in het primitieve regle­ment. Daarmede wil ik evenwel niet te kennen geven dat hetzelve, zoo als het daar ligt, bij voortduring letterlijk behoort opgevolgd te worden: veeleer zou ik gereedelijk mijne stem geven tot eene herziening van dat hoogst gebrekkig en ondoelmatig bevonden stuk, en tot de redactie van een geheel nieuwe, meer overeenkomstig met de ondervinding, omstandigheden en behoeften; naar mijne denkbeelden is dit zelfs hoog noodzakelijk: maar ik bedoel er alleen dit mede, dat men, door de eene innovatie of afwijking op de andere, eindelijk allen grondslag verliest, zoo dat men niet meer weet waaraan zich te houden.
UWE verschoonen de vrijmoedige aanmerking, dat ik niet bezef wat de benaming van Corresponderende leden betekenen zal; immers moet men de voorzitter of secretarissen aan alle subcommissiën per se als correspon­derende leden beschouwen? Laat men zich buitendien nog met andere personen in, buiten de band met de subcommissiën, dan immer zullen deze geene aanmoediging vinden om zich meer dan gewone moeite te laten welgevallen.
Openhartig moet ik UWE verklaren dat, naar mijne wijze van zien, in den tegenwoordigen stand der zaken, niets wenschelijker zou zijn, dan
1. Eene zoo spoedig mogelijke algemeene vergadering, nu toch de zitting van de Staten-Generaal staat gesloten te worden.
2. Het reviseeren van het reglement, hetwelk men zou kunnen aanmerken als slechts provisioneel te zijn geweest, en alleen dienstbaar tot de eerste oprigting, waarbij men dan verdacht zou kunnen zijn om in overweging te nemen:
3. Of er geene geschikte middelen kunnen beproefd worden om de Maat­schappij meer algemeen of liever meer nationaal te maken. In de tegenwoor­dige inrigting, zoo als die bij dat reglement zijn voorgeschreven, meen ik verscheiden hinderpalen te zien, welke altijd beletten zullen de bereiking van dat doel.
Ik bedien mij van deze gelegenheid, en neem de vrijheid UWE te herinneren, dat bij UWE missieve in dato 8 maart no. 12/3 aan den kassier gerigt, de benoeming tot honoraire leden, van de H.H. ontvangers-generaal Dreux, Bicker, van Boelens en Busch is toegezegd geworden, evenwel vinde ik dezelve niet onder de thans voorgedragene, zoo als ik mij ook niet herinner de werkelijke benoeming vroeger te hebben aangetroffen. (Bijgeschreven in de kantlijn handschrift Johannes vd Bosch(?): goedgekeurd (volgens mijne herinnering) met toevoeging van den ontv. Van Boetselaer op des kassiers­brief 4 maart. Doch hiervan niets in de notulen.)
Tevens moet ik UWE indachtig maken de herstelling van de ommis­sie ten aanzien van de Heeren J. Kluppel en Mr. D.J. Boas, waaromtrent ik de eer had UWE te schrijven bij mijnen brief als kassier in dato 10 april jl. no.85, welke herstelling nog niet schijnt gevolgd te zijn, in weerwil van de belofte, vervat in UWE brief aan den kassier, in dato 12 april no.44/4.
Overigens heb ik op de nieuwe voorgedragene honoraire leden geen (stuk ontbreekt) andere bedenking, dan dat er sommigen onder zijn, die onderscheiding wel waardig, doch van welker activiteit, tot uitbreiding van de Maatschappij niet veel te verwachten is.
Met bijzondere hoogachting heb ik de eer mij te noemen
UWEG ZDW Dienaar

P.J. Ameshoff
Medelid van de Commissie der Maatschappij van Weldadigheid 51)


Vrijdag 21 mei 1819


Mei 21 Vledder, geboorteakte, 23 mei 1819, aktenr. 6
Kind: Catharina de Haan, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 21-05-1819, dochter van Thijs Douwes de Haan, beroep: arbeider; oud: 45 jaren, en Fetje Sederis, oud: 28 jaren. (Catharina zal sterven in 1826)


Zaterdag 22 mei 1819

Op 22 mei 1819 constateert de permanente commissie dat er 22 subcommissies zijn die hun afrekening over het jaar 1818 nog niet hebben ingeleverd en die daarom aangemaand moeten worden:
Alkmaar, Almelo, Meppel, Axel, Breda, Harderwijk, Groningen, Heerenveen, Kampen, Leeuwarden, Montfoort, Naarden, Purme­rend, Rhenen, Schoonhoven, Sloten, Sneek, Tilburg, Willemstad, Winschoten, Zutphen, Zierikzee.
Opgenomen in de subcommissiefiles.html

Aan de Koning wordt gevraagd om belastingvrijstelling voor wat betreft de kolonie, met de volgende mooie zin: Het kan gewis aan het doorzigt Uwer Majesteit niet ontslippen, dat hierin geen verlies voor de Staat gelegen is, dewijl deze gronden toch anders hoogstwaarschijnlijk niet bebouwd zouden worden, en dat de reeds zo moeilijke taak van duizenden behoeftigen in staat te stellen, om hun eigen brood te verdienen, aanmerke­lijk moet verzwaard worden.






Maandag 24 mei 1819

Brief van Johannes vd Bosch aan Prins Fre­derik:

Verslag van den Generaal van den Bosch bij zijne terugkomst uit de kolonie.
's Hage 24 mei 1819

Heden teruggekeert uit de kolonie Frederik­soord heb ik het genoegen uwe Koninklijke Hoogheid te kunnen rapporteren dat alle werkzaamheden aldaar met het beste gevolg worden voortgezet. De aardappelen zijn ge­poot, gerst en haver worden gezaaid, het winterkoorn staat bij voortduring uitnemend schoon.
De aanhoudende droogte echter, zijnde er gedurende deze maand geen regen in de kolonie gevallen, is van een schadelijke uit­werking op het zomer-graan en op de groen­tens in de thuinen der kolonisten. De groei van het stalvoeder wordt daar door merkelijk vertraagd en mogt dezelve aanhou­den dan zou de uitwerking daar van allernadeligst kunnen worden. Inzonder­heid zo het zanderig en hoger gedeelte der kolonie. De vroege aardappelen echter staan zeer goed en heb­ben van de droogte tot dus verre niet zichtbaar geleden.
De gronden van de boekweit zijn gereed en daar zal in de volgende maand moeten worden gezaaid. De kolonisten gedragen zich bij voortduring zeer wel.
In de school worden thans 152 kinderen onderwezen. Zij moeten bij voortduring de beste vorderingen(?) bij het jongste gehou­den mannen(?) zijn er zo propt(?) er al geko­zen(?) ingedeelt.
Ook de bekwame schoolonderwijzer (van Wolda) blijft zich bij voort­during door zijn goede welwillendheid onderscheiden. Ter verdere aanmoe­diging is hij door de Perma­nente Kommissie een fraai werk beschonken. Het gedrag der onderoffi­cieren en onderop­zigters verdient alle lof.
Met het bouwen der schuurtjes gaat men voort. Zo dra de regen de groei van het voe­der maar bevordert zal er een aanvang ge­maakt worden met het aankopen der koeijen.
Met de 1ste july aanstaande zullen de kolonisten hunnen eigen menage doen, hun­ne groentethuinen en gewone verdiensten van veld- en spinarbeid al toereikend middel van bestaan, met alleen van de man(?) reeds iets op hunne gemaakte schulden zekerlijk kunnen afbetalen. Zo dat zij van dit ogenblik af aan zullen kunnen beschouwd worden als de ondersteu­ning der Maatschapppij tot het vorderen van hun onderhoud niet meer te behoe­ven. Hun verdienste zal als dan be­staan per huisgezin door een gerekend

aan spinarbeid s weeks    ƒ 2-10-
arbeid in dienst der aannemers
van de nieu­we gebouwen en voor
de nieuwe kolonie    ƒ 3-00-
╶────────
totaal    ƒ 5-10-

Hier bij zullen zij uit hun thuin de nodige groentens en aardappelen erlangen en dus met de opbrengst der koeijen genoeg over houden om gelijk reeds gezegd is een ge­deelte hunner schuld in de loop van deze zoomer te kunnen afdoen. De oogst zal in­dien het weder niet geheel tegen valt in hun­nen toestand zelfs onze verwachting merke­lijk overtreffen en de mogelijkheid der onder­neming zo voldin­gende bewezen zijn, dat wij dezelve boven alle mogelijke twijfel verheven kunnen achten.
De grond voor de nieuwe kolonie afge­stoken. Dezelve is gunstiger gelegen, gelijk gemakkelijker te bearbeiden en nog van beter soort dan waar op de kolonie thans gevestigd is. De uitbesteding der huizen wacht alleen op de beslissing van Zijne Majesteit den Ko­ning, op ons verzoek van den 23 maart. 1179)


Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 24 mei 1819

De kassier ... refereert zich aan de ommezijde en bedient zich van deze gelegenheid UWE de herstelling van de omissie te herinneren ten aanzien der honoraire leden J. Kluppel en Mr. Boas, waaromtrent hij de eer had UWE te schrijven bij brief in dato 10 april no.85, en tevens op nieuw informatie te verzoeken hoe het gelegen is met het honoraire lidmaatschap van de H.H. Dreux, Bicker, van Boelen en Busch. Zie UWE brief in dato 8 maart jl. no.12/3.
Wijders wenscht hij UWE indachtig te zijn, op de vermelding van zijn adres en de kantoor-uuren volgens zijnen brief in dato 14 dezer no.91.
De Permanente Kommissie wordt tevens vriendelijk uitgenoodigd wel toetezien, dat geene mandaten getrokken worden boven het disponibel, en hetzelfde alzoo wel telkens te willen raadplegen; zijnde er thans reeds ƒ57:63 1/4 te kort.
De vermelding van de 1/4 cent bij deze som herkomstig van de door UWE opgegevene bedragen, geeft mij aanleiding u nog te verzoeken van in uwe rekeningen en opgaven geene mindere onverdeelen van centen op te nemen dan een halve, om dat anders mijne rekeningen met de bank niet strooken, welke ingevolge de wet op het muntwezen niet lager dan een halve cent berekend.
Onder de op de ommezijde opgegevene geadvyseerde kredieten, vinden UWE sub no.67 de som van ƒ643:22½ ten name van S. van de Wal voor de subkommissie te Hoorn welke post UWE onbekend zal zijn. De reden daarvan is, dat de subkommissie dezelve onmiddelijk aan mij geadresseerd heeft, volgens brief waarvan ik hiernevens afschrift voege.
Eindelijk gaan hiernevens de mandaten ter inwisseling op den kant vermeld.

De kassier voornoemd
P.J. Ameshoff 51)







Dinsdag 25 mei 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

"Besloten aan den Heer Direkteur te zenden het Egyptische zandkkoren, door den Heer Prins gezonden. Zullende de Gene­raal den Direkteur de wijze van zaaijing ingeven." 38)


Uit het brievenboek:

25 mei. De door Ameshoff voorgedragen personen, alsmede de Van Boetze­laer worden op de lijst van nieuwe honoraire leden geplaatst. 18)



Vrijdag 28 mei 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

De generaal bepaald dat aan gezinnen met meer dan 2 ingedeelde kinderen maximaal ƒ 2,50 van diens verdiensten mag worden uitgekeerd en dat het overige geld in mindering op de verte­ring van het gezin moet worden gebracht.

Delft meldt dat het gezin Dijkshoorn morgen naar Frederiksoord vertrekt. 38)


Brief van de Permanente Commissie aan Ameshoff:

De Permanente Kommissie heeft ontvangen uwe aanmerkingen van den 17 mei. Het doet haar leed bij voortduring te moeten ondervinden dat geene maatregelen kunnen worden voorgesteld die niet door UWelEd. op eene onheusche wijze beoordeelt worden, ook de zodanige die met een algemee­ne bijval bij alle onze overige medeleden worden aangenomen schijnen in uwen oogen ONDERSTREPINGhoogstgebrekkig en ondoelmatigEINDEONDERSTREPING. Inderdaad er word een zeer groote mate van wijsheid gevorderd in iemand die in alles wat door anderen nuttig en raadzaam geacht word niets dan onverstand en gebrek aan doorzigt bespeurd en daar het ons niet vergund is in UWE die bijzondere bekwaam­heid boven alle onze medeleden te erkennen gevordert om UWE menigvuldi­ge en na ons inzien doorgaans ongegronde aanmerkinge te verontschuldi­gen zal het UWE dan ook niet verwonderen dat wij met een bijzonder onaange­naam gevoel onze zoo moeijelijke taak ver­meerdert zien met den last van het lezen en beantwoorden van aanmerkingen die ons op de zachtste wijze uittedruk­ken slechts zeldzaam eenige aandacht verdienen. (De toon is door Johannes van den Bosch gemildert. Oorspronkelijk stond hier bijvoor­beeld: de toets van het gezond verstand niet kunnen door­staan).
Uw voorstel om het na uwe mening hoogstgebrekkig en ondoelmatig reglement te herzien en dat wel uit hoofde dat daar in niet voorkomd de titelatuur van Korresponderende leden en om de eene honorairen(?) afwijking op de ander te hopen bij ons en wij vertrouwen zeker ook bij onze overige medeleden geen bijval vinden. Wij voor ons en ook zeker zij die met ons het reglement verstaan, hebben hetzelve altijd beschouwd als de algemeene verordening in acht te nemen bij het opmaken en uitvoeren van eenig besluit en het algemeen beheren van zaken, dat is de form der dingen en niet de dingen zelf. Deze moeten na ons gevoelen en ook na dat van alle die weten wat een reglement voor eene Maatschappij betekend gewijzigd worden na de omstandigheiden in deze maatregelen zijn zeker even min vatbaar om in een reglement te worden opgenomen als de wetten van eer rijk in eene staatrege­ling en uit dien hoofde ook aan alle die wijzigingen onderworpen welke den aard der omstandig­heden vordert.
Wat de innovatie en afwijkingen betreft deze zouden eerst dan plaatsvinden wanneer het voorstel word aangenomen. Wat betreft de titel van Korresponderende Leden die u niet ver­klaarbaar schijnt, wij hebben niet mogen geloven dat een onzer medeleden de betekenis van dit woord niet verstond en wij zou­den gemeend hebben hun te beledigen indien wij bij ons voor­stel gevoegd hadden, dat genoegzaam alle maatschappijen in ons vaderland zodanige leden benoemd hebben met het doel om langs deze weg voorlichting en medewerking te erlangen. Wij hebben de eer hierbij te voegen dat de door ons voorgestelde maatre­gel door alle leden buiten UWelEd ten volle is goedgekeurt. 352)

Zaterdag 29 mei 1819

Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 29 mei 1819

Het bedanken van den hoogleeraar Kops voor zijn lidmaatschap heeft veel sensatie in Utrecht veroorzaakt.
De brief v.d. Perm. Komm. van gister zal nader beantwoord worden. 51)



Maandag 31 mei 1819

Brief van P. de Kok aan kolonist Rausch:

S'Hage 31 meij 1819
Aan Fr: Rausch te Frederiksoord

Goede Vriend!
Ik heb uwe brief zeer wel ontvangen, maar gij weet dat de pensioenen alle ses maanden betaald werden. Dus als wij eene maand verder zijn, te weeten den 1. julij, hebt gij een half jaar te goed, zijnde ƒ45-10-. Die betaling ses weeken daar na beginnende zijnde 15 augustus, kunt gij dan over komen om het op het kantoor te ontvangen, dog zo gij er om verlegen was, of vroeger over wilde komen, kunt gij ook doen. Dan zal ik dat geld uw wel voorschieten, mits niet voor den 1 julij, om de attestatie de vita, die gij dan met een kunt tekenen. In 't vervolg moeten wij zien of gij het niet digter bij uwe woonplaats kunt ontvangen, dog van dit half jaar kon dit niet zijn. Het was daarom best, dat gij na den 15 augustus overkwam, dan kunt gij intusschen de inleggende attestatie aan dit merk X zoals gij gewoon zijt, aldus F: Rausch tekenen, en zend mij die bij occasie te rug, dog gij moet niet tekenen voor op of na den 1 julij.
Ben na groeten uw goede vriend.
P. de Kok 51)

Kennelijk heeft Rausch dit geld ter beschikking gesteld om zijn schulden van de verpande kleding te betalen. Volgens bijschrift door Ockerse zouden bij deze brief namelijk de verontschuldigingen van Rausch en Koppejan gelegen hebben. Attestatie de vitae zal zijn een verklaring dat je nog leeft (en dus recht op pensioen hebt).