Naar het overzicht
van de POST







De POST van MAART 1819

Maandag 1 maart 1819

Uit de Staatscourant:

Frederiks-oord, den 1 maart.

Gisteren morgen werden wij gewekt door het luiden der klok van den toren te Vledder, welke ons aankondigde den geboortedag van Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden, en zagen gemelden toren met eene vlag pron­ken.
Des avonds werd, in de kolonie, ter de­zer gelegenheid, dit feest gevierd, waartoe de Directeur de aanzienlijkste inwoners van Vledder had uitgenoodigd. De geheele kolo­nie scheen in een tempel, aan de dankbaar­heid gewijd, herschapen te zijn. De huizen der kolonisten waren met groen en oranje versierd, onderscheidene eerebogen op de voornaamste toegangen geplaatst. Uit het huis van den Directeur, de poort der kolonie en het maga­zijn, waren vlaggen opgestoken, terwijl des avonds alle de huizen van de kolo­nisten, benevens des Directeurs huis en de herberg, sierlijk verlicht waren. Overal vond men onderscheidene toepasselijke versjes, op geölied papier, door de kolonisten zelve vervaardigd. Eene kleine versnapering, aan de kolonisten gegeven, bragt bij het rond­gaande muzijk geene geringe vrolijkheid aan. Het feest eindigde in de beste orde, des nachts ten 11 ure, terwijl een aantal aan­schouwers zich verheugde met den aanblik van erkente­nis, dien zij op het gelaat van elken kolonist bespeurden, en verwonderd waren over de zoo eenvoudige als gepaste vrolijkheid, welke bij ieder een heerschte. (Amsterdamsche Courant) sc 9.3.19

zie staatscourant voor de viering in Den Haag


Ingekomen post invnr 50. rief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 1 maart 1819

Hoe wel verzuimd hebbende aan de Permanente Kommissie in tijd aanvragen te doen tot het geven van een klein feest, op den verjaardag van Prins Frederik, zo heb ik echter mij baserende op vroeger ontvangen brieven der Permanente Kommissie ten aanzien van het geven van kleine feesten gemeend den dag van gisteren als een der gunstigste geleegenheden daartoe te mogen aanmerken, en uit dien hoofde de kolonisten op nieuw eene kleine vrolijke partij te kunnen geven.
Ik hoop dat zulks overeenkomstig de intentie der Permanente Kommissie mag zijn geweest. In het vervolg zal ik mij steeds in tijd na dien dagen informeeren, welke mij ter viering van kleine feesten de geschikste zullen toeschijnen, ten einde daaromtrent de goed- of afkeuring der Permanente Kommissie te kunnen erlangen.
Ik zal de Kommissie kortelijk de gemaakte schikkingen en de uitslag van dit kleine feest opgeven, dragen ook deze hare goedkeuring weg dan zal ik mijne pogingen op eene aangename wijze beloond zien.

Reeds bij het aanbreken van den dag kondigde het geluij der dorpsklok van het nabij gelegen Vledder en het wapperen der Oranje vlag van den oud bouwvallen toren, de heuglijke verja­ring van den, zo algemeen beminden Prins Frederik aan.
De dankbare en tevredenen kolonist, die deze bleiden dag reeds met verlangen te gemoet zag, had na een vermoeiende veldarbeid bij den geheelen nagt, aan het vlegten van kransen van groene dennen takken met oranje papier omwonden, doorge­bragt; ten einde op dezen heugelijken dag zijne kleine woning met de openlijke bewijzen zijner erkentenis te kunnen sieren.
Nieuw­schierig naar den uitslag hunner pogingen begaf ik mij zeer vroeg lijvig naar de kolonie. Ik vond de vlaggen, uit het naburig Steenwijk geleend, van het grote gebouw en de poort der kolonie waijen en de kleine woningen der tevredene kolo­nisten als in bosschages herschapen: en geen oord in ons vaderland van die uitgestrektheid bevatte ongetwijfeld zo veel dankbaare harten, dan het kleine Frederiksoord.
S'namiddags waren de kolonisten alle in de kerk, waar den braven dominé de Kemper een zeer roerende en toepasselijke redevoering hield, waar door alle zigtbaar getroffen waren.

Des avonds was de gehele kolonie op eene zeer eenvoudige wijze geillumineerd, waartoe ik de nodige kaarsen had doen uitdee­len, terwijl het slagarij, het onderdirecteurshuis en de keuken, als bij elkander in het centrum geleegen, meede zeer aardig verlicht waren. Het geen t schoonste gezicht opleverde en waardoor alle aanschouwers getroffen waren.
Honderde van landlieden waren zamen gevloeid, om ooggetuigen van dit kleine feest te zijn, terwijl den domine de Kemper en de Heer van Roijen met hunne famillie het zelve meede tot 10 uren bijwoonden, en met ons de meeste kolonisten, in hunner woningen waar de betaamlijkste vreugde steeds heerste, bezog­ten.
Ik had eene goede partij punch doen gereed maken, die naar de sterkte hunner huisgenoten verdeeld, met de nodige beschuit er bij, aan mijn huis tegen avond, opgehaald wierd.
De geheele uitgaaf, de kaarsen en alles daaronder bereekend zal op niet meer dan ƒ 22=.=. te staan komen.
De kolonisten zijn ten hoogste over dit onthaal te vreden, t geen zij boven eene algemeene zamenkomst schijnen te schatten.
Twee a drie huisgezinnnen komen dan zamen en zijn regt vro­lijk. Terwijl de jeugd zich voor het magazijn verzameld, en daar onder aanhou­dend muzyk om een behoorlijk verlichte boom, een patertje langs de kant danst, hetgeen door het schoone weer alles zeer wier begunstigd.
Aan zeer veele huis­jes vond men kleine, en wezentlijk zeer toepaslijke versjes, meest al door Rigagneau bezorgd. Om elf uren was alles in de best mogelijke order afgelopen en ieder keerde vrolijk, en hoogst voldaan na zijne woning terug, en hervatte heden morgen met vernieuwde moed zijnen arbeid. De Kommissie houde het mij ten goeden dat ik in mijne verklaring zo uitvoerig geweest ben.
Zes onzer kolonisten hebben heden te Meppel aan de loting voor de militie moeten deel neemen. Ik heb hen voor een ser­geant doen geleiden. Alle zijn niet alleen vrij geloot, maar de beide hoogste nummers zijn door twee hunner zelf getrokken.
Woensdag zend ik, overeenkomstig de intentie de Kommissie, het voorhanden zijnde garen af, en zal dan tragten met mijne verantwoording gereed te zijn, en er ook de kwitanties bijvoe­gen. Waaruit de Kommissie zien zal dat ik weer geheel van contanten ontblood ben.
De kalk heb ik te Zwartsluis moeten kopen, en zal morgen aankomen. Ik zal ter bekoming van aardap­pelen waarschijnlijk iemand naar Leeuwarden moeten zenden. 50)

Een 'patertje langs de kant' is volgens Van Dale een bekende reidans (en een reidans is een rondedans).


Ingekomen post invnr 50. Bij een brief van Ameshoff aan de Permanente Commmissie:

Amsterdam 1 maart 1819

Alvorens zich te verklaren omtrent de voordragt van de Perma­nente Kommis­sie in dato 26 febr. no.60/2, neemt de onderge­teekende de vrijheid, ten aanzien van C. van der Vliet aan te merken dat zich alhier twee van dien naam bevinden, als: Cornelis van der Vliet, koopman in Zweedsch(?) ijzer, en Cornelis van der Vliet Pieterszoon, makelaar in granen. De benaming koopman schijnt den eersten te bestemmen, doch men verlangt ten overvloe­de daaromtrent inlichting.
UWE vergunne mij in bedenking te geven om, in het ver­volg, avorens nieuwe voordragten tot het honorair lidmaatschap te doen, de afdeeling van financiën, welker vaak zoo werkzaam is, in de gelegenheid te stellen om mede honoraire leden voor te dragen. Indien zulks als nu plaats hadde gehad, zou men, behalve den onlangs voorgestelden hun A.G. van Meurs, de H.H. W.H. Dreux en H. Bicker, ontvangers-generaal van Zuid- en Noord-Holland, gaarne daarbij gevoegd zien hebben; en nader­hand nog andere ontvangers-generaal, welken verdienstelijk gedrag deze onderscheiding waardig zal worden bevonden.

Met bijzondere achting heb ik de eer mij te noemen
UwWE DW Dienaar
P.J. Ameshoff
lid der Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid

P.S. Mag ik tevens zoo vrij zijn de P.K. eenig berigt te verzoeken, waar in de verdienstelijkheid der twee voorgedrage­ne buitenlanders bestaan moge; alsmede in bedenking te geven, of die verdienstelijkheid niet al zeer uitste­kend zal moeten zijn, om zoo vele mede der dienstelijke landgenooten, welke niet allen honoraire leden kunnen worden, geen aanstoot te geven.
P.J.A. 50)


Ingekomen post invnr 50. In een brief van 4 maart stelt Ameshoff voor om naast de genoemde Dreux en Bicker, ook Van Boelens en M. Rusch, respec­tievelijk ontvanger-generaal van Friesland en Groningen tot honoraire leden te benoemen.



Dinsdag 2 maart 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie:

Besluit over verlof voor de joodse proefkolonisten Cohen en Hoofien.transcriptie bij Cohen en transcriptie bij Hoofien.

"Brief van de subkommissie Sloten, te rug zendende ingevulde kwitantien, en verzoekende dat Bransma's jongsten zoon moge gekleed worden, en dat het bij hem gehuisveste weesmeisje bij den kolonist de Vries worde geplaatst. De brief te stellen in handen van den Direkteur v.d. Bosch, om liquidatie en advies." 38)



Woensdag 3 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 3 maart 1819
Op heden heb ik aan de Permanente Kommissie per Steenwijker beurtschip afgezonden: 13 zakken vlas garen, te zamen inhou­dende 1473 pond gedroogd en gesorteerd zo veel de tijd zulks vergund heeft. In den zak no. 3 zal de Kommissie de verant­woording en kwitantien over de afgelopen maand february vin­den, en daar uit de ongunstige staat mijner financien zien.
Zijnde er ruim f 28=.=. meer uitgegeven dan ontvangen. Op autorisatie van den 2 assessor trek ik heden voor ƒ 250=. op Dheer Bagman te Amsterdam. Dewijl er 2 schepen mest, ieder van 20 last zijn aangekomen, bedragende de vracht te zamen ƒ 80=.=..
Ook heb ik met zeer veel moeite 150 schepel ongebluste kalk te Zwartsluis tegen ruim ƒ 102= bekomen, die evenals de trans­portkosten, ruim ƒ 10=, nog moeten voldaan worden.
Vrie­sche aardappelen heb ik nog niet kunnen koopen, het zal ten uitter­ste moeijelijk zijn zo grote kwantiteit vroege poters te bekomen.
Ik heb aan een naburige beurtschipper last gegeven dezel­ve tot een bepaalde prijs aantekopen, zo op dit ogenblik doet hij mij weten, hier 't waarschijnlijk geleegenheid te zullen hebben, waarmede echter nog acht a 10 dagen zullen aanlopen. Ook zal ik verplicht zijn dezelve nog ruim een uur ver per as te doen transporteren. Er blijft mij intusschen niet veel anders over, en zal dezelve dus op deze wijs tragten te beko­men.

Wanneer de Kommissie mij een goed mandaat van ƒ 1000- in plaats van ƒ 500- zenden kon: zou minder kostbaar en voor mij ook gemakkelijker zijn. ƒ 4 per 1000 zal echter in Steenwijk, waar ik met moeite de wissels kan kwijt worden, steeds moeten gegeven worden.
Heden middag zal ik naar Steenwijk gaan ten einde met onze gewezen onder opziender Daane de ladingen mest na te zien.
Genoemde Daane heeft zich even als voorleden jaar daar meede gechargeerd, zo als ik reeds aan de Kommissie heb opgegeven. Het is een eerlijk en bekwaam man.
In den zak no. 3 is meede gevoegd, de staat der menage van de voorgaande week, terwijl ik die van voeding en verdienste, hier nevens zende: thans zal ik mij bezig houden met de ver­antwoording en bereke­ning der levensmiddelen, en ook meede de schuldlijst inzenden. Wanneer deze stukken niet altijd op den juist bepaalden tijd inkomen, zal de Kommissie, vleije ik mij, wel in aanmerking willen neemen, dat ik den geheelen dag bijna in t veld door­brengende, mij voor de administratieve werkzaam­heden, slechts geringe uren verblijven.

P.S.
Zou de Permanente Kommissie kunnen goedkeuren dat een man op Westerbeek wonende, eenige dagen in de kolonie werkte, op het land van die geenen welke in de spinzaal werken en hier voor ƒ 1 per week gekort worden. Er zijn ten minste een dozijn mannen in de kolonie die door ziekte en andere omstandigheden geen deel aan den veldarbeid neemen kunnen.
Ik gevoel echter ook, dat men wenschen moet, dat de kolonisten zo veel mogelijk zonder eenige hulp den geheelen grond bewer­ken, en deze ver­gunning zich tot een of twee man zou dienen te bepalen. 50)



Uit de Staatscourant:

Haarlem, den 3 maart.

Z. Exec, de Staatsraad, Gouverneur van Noord-Holland, heeft dezer dagen den navol­genden rondgaanden brief aan de leeraren der onderscheidene kerkgenootschappen gezonden:

"WEL EERWAARDE HEEREN!
Even gelijk het de aandacht van alle doorzig­tige staatsmannen sedert lang heeft tot zich getrokken, hoezeer de toenemende armoede van den eenen, en de onmogelijkheid van meer uitgestrekte bedeelingen van den ande­ren kant, de rust, de orde en de welvaart van bijna alle de staten van dit wereld­deel in de toekomst bedreigen; even zeer zijn UWEw. daarenboven, meer dan anderen, van nabij bekend geworden met den aard, zoo wel der liefdega­ven, in de verschillende gemeenten aan ul. zorg toevertrouwd, als der daaruit verstrek wordende bedeeling zelve, welke laatste deze eenmaal te vrezen uitbarsting zoo lang en zoo veel mogelijk ook in ons vaderland weerhouden. Niemand dan ook weet beter dan gijlieden, mijne heeren, de steeds toene­mende onevenredigheid, welke er, niettegenstaande het edelmoedig karakter der natie, tusschen giften en behoeften be­staat, en hoe onvermijdelijk het alzoo gewor­den is, aan deze vermeerderende en drei­gende armoede, die met werkeloosheid in zulk een naauw verband staat, vooraf, door arbeid, kracht­dadig paal en perk te stellen. Intusschen, mijne heeren, het is aan ulieden bekend, hoe weinig de bestaande armen-bedeelingen, met welk eenen ijver en ge­trouwheid dan ook uitreikt, kunnen opleveren, om hem, die ontvangt, tot een nuttig en ar­beidzaam ingezeten op te kweeken, en als zoodanig aan de maatschappij weder te ge­ven; ja hoe veel meer integendeel door de­zelve meestal een zuchtend en werkeloos leven wordt verlengd, om die zelfde ellende, met gelijke uitkomsten, bij een soms uitge­breide kroost voor te planten. Is het dan wel wonder, mijne heeren, dat, ook uit uw mid­den, bestendig zoo vele zijn opgestaan, die den wensch niet verborgen, dat eenmaal dit bedenkelijk kwaad werd gestuit, aan den nijveren doch nooddruf­tigen ingezetenen, arbeid aangewezen, en dat alzoo, langzamer­hand, de bemoeijing der plaatselijke of kerke­lijke bedeeling uitsluitend mogt worden terug­gebragt tot uitreiking van voedsel en deksel aan die voorwerpen van medelijden, welke, bij mangel van eigen krachten of gezondheid, door de weldadigheid hunner geloofs- en natuurgenooten noodzakelijk moeten gehol­pen worden? De meesten uwer verlangden dan ook, dat, bij zoo vele proe­ven, als van alle zijden worden aangeboden, om dat doel te bereiken, althans eene eenige met goeden uitslag mogt worden ondernomen en daarge­steld.
Een der zonen van onzen Koning, de beminnelijke Prins Frederik der Nederlanden, ging als 't ware uwe wenschen tegen, en vereenigde onzer zijn beleid en bescherming, kundige menschenvrienden, om den goeden wil en de giften der natie, tot zulk een welda­dig oogmerk in werking en te zamen gebragt, op eene doelmatige wijze aan te wenden. Frederiks-oord is reeds daar, en de goed uitslag dezer eerste poging bemoedigt den ijver der welgezinden, en lost de bedenkingen en twijfelingen op; dan het is niet genoeg, zulk edele en groote bedoelingen binnen een enkel punt te doen beperkt blijven; de zorgen van den Prins en het verlangen der natie strekken zich veel verder uit; zijne wenschen zijn, om, in alle oorden des Rijks, aan ledige handen arbeid te geven, zedeloosheid in nijverheid en zedelijkheid, en woestenijen in vruchtbare akkers te doen herschapen wor­den; deze edelmoe­dige bedoelingen zijn, die van alle ware vaderlanders; zij worden onder­steund door het belang der maatschappij, en aangedrongen door den godsdienst, welken gijl. vereert. Zij vinden dan ook, in ieder deugdzaam en weldenkend ingezeten, maar vooral in elken verlichten leeraar eenen har­telijken bescher­mer, en ik heb, in den naam van gedachten Prins, alleen noodig, UWEw. te doen gevoelen "dat, zullen deze weldadige einden op eene genoegzaam uitgebreide wijze kunnen bereikt worden, ook de hulp der ingezetenen even krachtdadig als algemeen moet zijn." Om mij van UWEW. goede ge­zindheid te mogen verzekerd houden, en daarop te kunnen rekenen, dat UWEw., zoo wel in derzelver openbare ambstbetrekkin­gen, als herderlijken of meer bijzonderen omgang, een ieder zoo veel mogelijk wel zult willen doen bezeffen, en bij allen, op gronden van godsdienst en vaderlandsliefde aandrin­gen, dat, door meer en meer  algemeene toetreding en lidmaats-contributien, zoo wel als door vrijwillige giften, makingen en bijdra­gen, de commissie, aan welker hoofd 's Ko­nings gedachte zoon zich wel heeft willen plaatsen, ook meer en meer worde in staat gesteld, die groote weldaden aan de natie te verzekeren, tot welker daarstelling zij zich verenigd heeft: welda­den, mijne heeren, wel­ke niets minder dan de bevordering van ze­delijkheid, beschaving, nijverheid en welvaart omvatten; weldaden, door welke zoo vele, om bestaan en werk, vruchteloos gestorte tranen gedroogd, zoo vele bronnen van natio­naal bederf gestopt, zoo veel ondoelmatig mededoogen geleid, en het toenemend en schrikbarend kwaad van armoedige ledigheid zoo kracht­dadig kan beteugeld worden; wel­daden eindelijk, op welker volijverige bevor­dering ik bij ulieden allen met te meerdere vrijmoedigheid durf aanhou­den, daar zij de zoete vruchten zijn van die edele beginselen, welke, door gods­dienst, hart en hoofd, gelij­kelijk worden aangeprezen en voorgeschre­ven. (Haarlemsche Courant) sc 5.3.19

deksel = alles wat ter bescherming van men­sen dient, bv. kleding, een bed




Vrijdag 5 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. Prins Frederik stuurt een stuk over de zijdeteelt, hem gezon­den door Stephanus Verstraaten uit Waverveen.



Zaterdag 6 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 6 maart 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij in te zenden, de menage staat over february. Terwijl ik nogmaals de vrijheid neem de Kommissie aan den slegten staat mijner kas te herinneren.


Zondag 7 maart 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commis­sie:

"De Direkteur ... vraagt 2 a 3 man van buiten de kolonie te mogen employeren, in plaats van eenige ongestelde kolonisten."
"goedgekeurd de tewerkstelling van 2 a 3 man in de kolonie." 38)


Ingekomen post invnr 50. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 7 maart 1819

Ter beantwoording uwer hiernevens aangehaalde missieve, dient, dat het voor mij onmogelijk is eenige verandering in de staat van febr. te maken, doch dezelve, zoodra de traitte betaald is, zal opbrengen in deze maand. Het is gemakkelijk voor u een contra post in uwe boeken te maken, doch zulks duld de wijze van boeken op een register op staat geenszints. UWE houde mij deze openhartige aanmerking ten goede.
UWE gelieve mij optegeven of het geadviseerd krediet mr. J.A. Tuttel te Steenwijk niet moet zijn mr. J.H. Tuttel; alzoo ik niet gaarne wegens eenig verzuim eenige traittes dezer afdeeling geretourneerd zag.
Het overige in nota genomen.
De kassier voornoemd
P.J. Ameshoff 50)

Dinsdag 9 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 9 maart 1819

Ik heb de eer, de Permanente Kommissie de receptie haare beide missives van den 3 en den 4 dezer, en daarbij zijnde mandaat no. 38 ad ƒ 500= te accuseren.
Over het weesmeisje bij Brand­sma ingedeelt, heb ik reeds vroeger aan de Permanente Kommis­sie geschreven, ten einde hetzelve in het huis van Lubbert Jansen te doen overgaan.
Nog steeds schijnt het mij wensche­lijk te zijn, dit kind uit het huis van Bransma weg te neemen, dewijl het zelve tot aanhoudende twisten aanleiding geeft. Het kind, dat geen gunstigen aanleg verraad, behoorde zo mogelijk in een goed zedelijk huisgezin over te gaan.
Aan de Haan zou men het niet wel kunnen vertrouwen. Ik denk hiertoe wel gelee­genheid is, dewijl van het zelve ƒ 50=.=. naar ik hoor, be­taald wordt. De Kommissie gelieve mij harer bedoelingen slechts te doen ken­nen.
Aan de Haan zou kunnen gezegd worden, dat men de ƒ 50=.=. door een meer behoeftig huisgezin, dan het zijne, wenschte genoten te zien.
Ingevolge instructie heb ik ook in het huisgezin van Bransma 4 kinderen gekleed en zijn geene huisgezinnen waarin dit getal is te boven gegaan.
Wan­neer de Kommissie het appro­beren zou men een uitzondering maken kunnen met de huisgezinnen, waarin één of meer kinderen ingedeeld zijn.
Morgen zend ik per beurtschip af, de staat van uitgegeven kleding, huisraad en gereedschappen. Waarbij ik ter menagering van port de menagelijst en die van voeding zal tragten te voegen.
Volgens bekomen advies zijn er 5 schepels mist in het Steen­wijker diep. Door alle deze buitengewone uitgaven zijn de gelden bijna zo spoedig uitgegeven als ontvangen. Ik verzoek de Kommissie de goedheid te hebben mij op nieuw een mandaat te willen doen toekomen. 50)




Woensdag 10 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 10 maart 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij in te zenden.

1. de staat van menage van 1 tot 7 maart.
2. een specificeerde opgave van verstrekte kleeding, huisraad en gereedschappen.
3. eene bijlage van den staat no. 2 houdende de schuld der kolonisten volgens hunner schuldboekjes.
4. copie van een ingenied schuldboekje ten aanzien van klee­ding, huisraad etc.
5. retourneere de aan mij teruggezonden verantwoording van kleeding; die bij de herziening geene veranderingen heeft ondergaan.

De staat no. 2 houdende de geheelen schuld van ieder koloniaal huisgezin, met uitzondering van die op bijlaage no. 3 voorko­mende. Zal hoop ik aan den intentie beantwoorden. Dezelve is opgemaakt naar den staat der huisgezinnen op 1 maart.
Tot dat de vroeger ingezonden staat van het verschuldigde voor de kleeding, geheel onbruikbaar wierd; hebbende er zeder dien tijd veele veranderingen plaats gehad.

Ik heb de schuld op de voeding op no. 3 bijlage voorkomende, niet onder de algemeene schuld gebragt, dewijl dezelve aan dagelijksche verandering onderhevig. Wellicht afzonderlijk zal behandelt worden.

De kleeding stukken aan eenigen kleinen kinderen uitge­deelt - volgens specificatie op der achterzeide der verant­woording van kleeding over december ƒ42=7=12 bedragende, zijn onder het bedragen der kleeding op den staat der gemaakte schuld, meede opgeteld en bereekend. Zo dat, buiten reeds meer gemaakte schuld op de voeding - alles op de zelve gebragt is.

Het copie, of liever model waarna de schuldboekjes der kolo­nisten zullen ingevuld worden, wanneer de Kommissie zulks verlangt, heb ik hier bij gevoegd, dewijl ik bij deze omslag­tige bereekening, mij wellicht in het een of ander artikel, ten aanzien der prijs of anderzins, kan hebben bedrogen en ook ten einde de geheele bereekening door de Kommissie thans kan worden geverifieerd, en de bepaling der prijzen, vooral ten aanzien der kleine kinderen, waaromtrent de Kommissie mij geene bepaling gemaakt heeft, aan hare beoordeling onderworpen zij.
Draagt een en ander de goedkeuring der Permanente Kommis­sie weg, dan zal het mij aangenaam zijn hare bedoelingen zo wel begrepen te hebben. In het tegenovergesteld geval verzoek ik haar aanmerkingen te mogen ontvangen.

P.S.
Aan de vrouw van Lubbert Jansen heb ik een verlof van 6 dagen naar Zwolle gemeend te mogen accordeeren. Dewijl haar oude vader eene beroerte gekregen hebbende, zijn eenig kind nog wenschte te zien.

Stukje over de joodse proefkolonisten Cohen en Hoofien die met verlof gaan.transcriptie

Ik heb gebrek aan wol en zal in Drenthe tragten te kopen.
Mijn brief van gisteren, beant­woordende de beide laatste ontvangen brie­ven zal de Kommissie reeds geworden zijn en de Kommissie dus met den staat mijner financien bekend zijn. Den hierbij gaande brief van dominé de Kemper heb ik zo even ontvangen!

In zijn brief overlegt De Kemper over kerkdiensten, welke bijbelstukken gelezen moeten worden en over een mogelijke dag vrij voor de biddag. Volgens Van Dale is in grote delen van Oost-Nederland gebruikelijk om de tweede woensdag van maart een biddag te hebben. Blijkbaar is die biddag ook in de kolonie gehouden, zoals uit volgende brieven zal blijken.



Donderdag 11 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 11 maart 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie te doen toekomen.

1. de staat van voeding van 1 tot 8 maart
2. de verantwoording van kleeding, mij met andere stukken door de Kommissie onlangs ter herziening geretourneerd, waarin geene verandering heeft plaats gehad en welke met andere stukken per Steenwijker beurtman, aan de Kommissie reeds had moeten zijn terug gezonden.

Uit de staat van voeding en verdienste zal de Kommissie zien dat veld- en spinarbeid in den afgelopen week hebben gelijk gestaan. Daar ik thans 300 pond vlas uit Vriesland heb ontvan­gen, en geinformeerd ben er uit S Hage eene aanzienlijke partij te Steenwijk is aangekomen, zo zal er ten aanzien van den laatsten deze week reeds, eene gunstige verandering plaats hebben.
Aan Baade is tot aankoop van eenige kleeding stukken ƒ 3=.=. en aan Visser uit gebrek aan verdienste - door ziekte veroor­zaakt - ƒ2=.=. van hun te goed, zo als op genoemde staat voorkomt, uitbetaald geworden. Dat ik hoop door de Kommissie zal goedgekeurd worden.
12 Schepel vroege pooters heb ik uit Vriesland ontvangen. De nog mankeerende hoop ik binnen eenige dagen te ontvangen. Het Schepel komt op ƒ 1=12= te staan. Moetenden dan nog een uur ver per as getransporteerd worden.
Ook heb ik 120 schepel vriesche aardappelen voor de menage gekogt; deze komen met het transport op 15 stuiver t schepel te staan en zou dus met de gewonde prijs slegts één stuiver verschillen.
Deze soort van aardappelen van den beste smaak en oneindig voedzamer dan alle andere, wenschte ik tot eene proef te bezigen. Of het nament­lijk niet mogelijk zijn zou, op deeze wijze de ongelooflijke kwantiteit aardappelen dagelijks ver­langt, tot eene meer matige hoeveel terug te brengen.

Binnen drie of vier dagen zal den grond geheel geploegd zijn. De tuinen der kolonisten, meestal in zeer swaren en moeijelijk te bearbeiden grond gelegen, zijn in zo verre gereed, dat elk gezin de benodigde vroege aardappelen reeds zou kunnen poten. Deze grond is zeer goed gespit.
In de aanstaande week zal ieder de vereischte mist bekomen. Zo dat wij het schone weder tot voortzetting, slechts verwagten.
Ik ben in het algemeen over het ijverig en zedelijk gedrag der kolonisten bij aanhoudendheid zeer te vreden. Zeer grote vorderingen maken inzondertheid onze jonge kolonisten, onder de verdienstelijken van Wolda; het is eene zeldzaamheid wan­neer een der scholieren het leeruur verzuimd.
Verscheidene meisjes meer dan 20 jaar oud en ook eenige jon­gens van die jaren, die nimmer eenig onderwijs genoten hadden, en in den beginne niet zeer gaarne te school kwamen, zijn thans meede de ijverigste en hebben zulke ongelooflijke vorde­ringen gemaakt dat eenige derzelve reeds een aanvang met schrijven gemaakt hebben.
Wanneer de Kommissie zou kunnen goedvinden, aan den 2 assessor eenige kleine bewijzen van aanmoediging meede te geven, wan­neer deze over de gemaakte vorderingen te vreden was, dan zouden deze brave leerlingen zich aangenaam verrascht en tot de grootste inspanning bemoe­digt vinden.

Ook de predikant van Vledder is over het gods­dienstig onder­wijs ten hoogste te vreden. Mandaat no. 41 ad ƒ 500=.=. op heden geworden.

P.S.
Ik voeg hier bij 2 rekeningen
als van wol        ƒ 116=.=.
kalk            ƒ 102=3=4
ƒ 218=3=4

Gisteren heb ik met moeite 600 pond tegen 10 stuivers gekocht. Er was een compleet gebrek aan. 50)

In de samenvatting op de achterkant van de brief staat dat het om vlas gaat (i.p.v. wol??).



Vrijdag 12 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 12 maart 1819

Van het krediet de Heer J.C. Sterk te Haarlem a ƒ501:10- blijkens onder­staande nota genomen.
De aanmerkingen in mijnen vorigen ten aanzien van een mandaat zonder dagteekening en de verkeerde spelling van eenen naam zijn mis­schien de Permanente Kommissie min of meer futiel voorgekomen, althans schijnt zulks uit de wijze waarop mij daaromtrent opheldering gegeven wordt. In dat geval verzoek ik de Permanente Kommissie wel zeer om verschooning, en zulks alleen daaraan te willen toeschrijven dat ik tot diegenen behoor welke aan die nietigheden nogal eenig belang hechten, in de mening dat door dergelijke kleinigheden dikwijls de grootste abuizen ontstaan, en men overal in het financieele niet beter doen kan om orde te bewaren, dan alle inkruipse­len van wanorde, hoe schijnbaar onbeduidend ook, zoo veel mogelijk te reprimeren.
Het komt mij ook voor dat een mandaat niet alleen behoor­lijk onder­teekend, maar ook gedateerd moet wezen zal het volledig zijn, en dat de ommissie daarvan geenszins eene kleinigheid is.

De kassier voornoemd
P.J. Ameshoff

Ik meen niet ondienstig te zijn hierbij te voegen, dat de fin. afd. hare aanmer­kingen op de ter beoordeeling ingezondene stukken aanst. zondagavond aan den Heer Genl. zal overhandi­gen.
De houder van het mandaat zonder dagteekening heb ik schriftelijk verzocht, zoo als men in bankierszaken is gewend te doen, van bij het voldaan teekenen te voegen, door P.J.A. alzoo ik zulks door prov. voor mijne rekening zal houden. Dit is zoo veel als men noemt betalen - wanneer de wissel op zegel is onder protest - voor rek. van de trekkers. Dit stuk nu door uwe opgave gegarandeert zijnde kan en zal bij de eerste ver­tooning betaald worden.

Bijgevoegd:
Confidentieel

ZWV!
Er is weder ƒ1786.75. gedisponeert op ƒ420.1. die wij met de ƒ5000 van den Heer Mendes bij de bank te goed hebben. Ik zal zorgen dat voor dezen som uit mijne privaat kas sommen dispo­nibel zijn, doch meerder convenieert mij niet. Woensdag morgen om 5½ ure voor eenige dagen naar Noord Braband gaande, verzoe­ke ik UWE vooral geene nieuwe mandaten te creëeren, veel minder aftegeven, om dat dezelve bij gebrek van fondsen niet zoude kunnen betaald worden.
Minzame vriendschappelijke groeten
J.J.
P.J. Ameshoff 50)


Zondag 14 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. De afdeling financiën reageert op plannen voor het bedelaars in de Ommerschans. transcriptie



Maandag 15 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 15 maart 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie in te zenden.

1. de verantwoording van levensmiddelen over february.
2. de staat van menage van 8 tot 15 maart en
3. de staat van voeding en verdienste meede over de afgelopen week.

De verantwoording van levensmiddelen heb ik uit hoofde van veele bezigheden niet vroeger kunnen klaar krijgen. Uit dezel­ve zal de Kommissie zien dat van eenige artikelen veel meer dan in voorgaande maanden geconsumeerd, maar bijna in dezelfde evenreedigheid, van andere minder gebruikt is. Zo dat de voeding in deze twee laatste maanden kan gezegd worden gelijk te staan.
Uit de specificatie op de binnen zeide zal de Kom­missie meede ontwaren, dat er op de voeding nog ƒ 628=13=. te betalen blijft. Het zou mij aangenaam zijn, wanneer de liqui­datie hiervan, de Kommissie mogt convinnieren.
Op de staat van menage zijn geene veranderingen, en hoe wel de levensmiddelen veel in prijs verminderen, blijft het montant van voeding nagenoeg het zelfde. De oor­zaak hier van ligt in den onverzadelijken eetlust van den kolonist.
Thans meerder werk doende dan in den korten winter dagen, verlangd hij telkens de hoeveelheid voedsel vermeerdert te zien.

De staat van verdiensten is zeer ongunstig: Hier toe heeft ook meede gewerkt, dat bij den aanvang der week geen zeer bruik­baar vlas voorhanden was en dus den arbeid eeniger mate ver­traagde. Den invallenden biddag heeft de verdienste van den veldarbeid vermindert.
Ik twijfel niet, of reeds in deze week zal ik de Kommissie een veel gunstiger staat aanbie­den kunnen.
Twee zware brieven, inhoudende eenige administratieve stukken, waaronder de schuld lijst der kolonisten, menage en voeding staat etc. per Steenwijker beurtschip verzonden. Zullen zeker de Kommissie reeds geworden zijn.
Ik verzoek de Kommissie de goedheid te hebben, mij een mandaat te willen doen toekomen, dewijl ik geene contanten meer heb. 50)

Convinnieren = schikken.
Montant = totaalbedrag.



Woensdag 17 maart 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie:

"Missive van den Direkteur der kolonien zendende staat van verdienste en voeding. Notificatie. Doch de redactie der Star zij geadviseerd dat erin dezen brief des Direkteurs van elf maart, ten aanzien der conduites van de kolonisten, speciatie van de kinderen, stof is van gunstig verslag voor dat maand­schrift." 38)



Zaterdag 20 maart 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie:

"Besloten, den Direkteur der kolonie te verzoeken, in gevolge van een ??? gesprek des Heeres van R. met de armeninrichting alhier, te zorgen dat 1. de strengen garen volgens bijgaand model worden gewonden en gebonden; 2. dat het garen sterker gedroogd wordt, ten einde niet beschimmeld aantekomen, gelijk het geval geweest is; 3. dat het garen bij ponden gebonden worde; 4. elke kwantiteit garen, de klaar is, overtezenden; en 5. het garen direkt aan de armeninrichting te zenden, en op het adres de kwantiteit ponden te berichten: mits echter communicatie tevens aan de P.K." 38)



Maandag 22 maart 1819

Uit het brievenboek:

Besluit der Perm. Kommissie. Om aan den Min. der Marine te verzoeken 't gebruik der monster­schuit, van Amsterdam op Blokzijl voor den Generaal, 's avonds van den 18 maart. 18)

De directie van het werk-instituut ter wering van bedelarij in Amersfoort geeft kennis van haar oprichting. Tevens stuurt ze een gedrukt exemplaar van reglement. 50)



22 maart 1819 Artikel in de Staatscourant door Nut en Beschaving over de joodse proefkolonisten Cohen en Hoofien.transcriptie:



Dinsdag 23 maart 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 23 maart 1819

Ik heb de eer de Permanente Kommissie de receptie harer missi­ve van den 17 dezer, en daarbij gevoegden mandaat no. 57 ad ƒ 500=.=. te accuseren.
Voor vermeerdering van dagelijksche uitgaven en nog te betalen levensmiddelen is mijne financiele toestand thans zeer ongun­stig. Ik neem dus de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken mij op nieuw een mandaat te willen doen toekomen.
Dheer Ockerse zou, volgens informatie, wenschen eenig berigt uit de kolonie te ontvangen, ten einde in de Star te worden geplaatst. Het doet mij leed, op dit ogenblik geene bijdragen tot dit belangrijk tijdschrift te kunnen geven, te meer daar den 2 assessor in zijn verslag de meeste bijzonderheden zal behandelen.
Van het gegeven feest, en gemaakte vorderingen in het onder­wijs heb ik reeds vroeger verslag gedaan, ten einde de Kommis­sie, zulks nodig achtende, hier van zou kunnen ge­bruik maken.
Gaarne zal ik in het ver­volg, alles aanwenden ten einden het belangrijkste uit de kolonie te verzamelen en aan de Kommissie te doen toekomen. 50)

Ockerse is tevens hoofdredacteur van De Star.



Brief van de Permanente Commissie aan koning Willem I: transcriptie




Woensdag 24 maart 1819

Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 24 maart 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie in te zenden.

1. de staat van menage van den 15 tot den 22 maart.
2. de staat van voeding en verdienste meede over deze tijd en
3. den aan mij toegezondene brief van den Enkhuizer subcommis­sie.

Den 2 assessor was van gevoelen, dat aan het voorstel van bovengenoemde subcommissie zou kunnen voldaan worden. Ik zal, wanneer de Kommissie zulks goedvind, trachten een geschikt huisgezin te bewegen genoemde jongeling tegen eene kleine beloning, bij zich te nemen en daarvan dadelijk kennis geven.

Ten aanzien van het vlas zal aan de intentie der Kommis­sie met nauwkeurigheid voldaan worden. Het zal echter niet moge­lijk zijn, het zelfde volkomen droog in te zenden, dewijl hiertoe meer dan 14 dagen vereischt worden. Het oordeel waarna de strengen garen zouden moeten gezonden en gebonden worden, is niet door mij ontvangen.

Het huisgezin van J. Baij is heden morgen in de kolonie aange­komen; en heeft behoorlijk kunnen gelogeerd worden. 50)

Geen brief van Enkhuizer subcommissie gevonden.

Het huisgezin van Baij is 'het Zwitserse gezin', zoals dat door prinses Louise is voorgedragen.



Donderdag 25 maart 1819

Brief van Minister van Binnenlandse Zaken aan de Permanente Commissie:

Brussel den 25 maart 1819

Binnen de zuidelijke provincien worden de vondelingen en verlatene kinderen meestal bij de bouwlieden besteed, en in de noordelijke provincien worden dezelven daarentegen in de godshuizen opgevoed.
Het zoude te wenschen zijn dat die kinderen in de laatst­ge­noemde provincien eveneens op het land konden worden be­steed, en ik kan dus het voorstel door Uweled. bij derzelver missive van 14 february jl. gedaan, en tot dit einde strekken­de, niet dan van eene gunstige zijde beschouwen.
Ik zal dienvolgens eene nadere voordragt nopens de wijze waarop dat voorstel ten uitvoer zoude kunnen worden gebragt, van Uweled. te gemoet zien.
De minister van binnenlandsche zaken. 50)



Vrijdag 26 maart 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie:

Het huisgezin van Joseph Baij is door de subcommissie van Amsterdam verzonden. 38)



Maandag 29 maart 1819

Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 29 maart 1819

De kassier ... gedraagt zich aan de ommezijde en berigt UWE dat niettegen­staande in uwe missieve staat, de mandaten no. 42, 56 in petto blijven enz. echter deze mandaten zijn voorge­ko­men, hebbende ik de houders uithoofde van gebrek van advies teruggewezen.

De kassier voornoemd
P.J. Ameshoff

In Noord Braband vond ik de gemoederen wel gezind voor onze onderne­ming. De roomschen werken tegen, een brieven van wegen den Prins aan den Vikaris te Scheidel word noodzakelijk ge­acht.
Men verwacht in no.3 en 4 der Star eene teekening van een huisje en een plattegrond.
De geul was heden vanmiddag 2 ure nog niet in de stad. 50)



Woensdag 31 maart 1819

Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 31 maart 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie de receptie harer missive den daarbij zijnde mandaat no. 60 ƒ 800- te accuseren.

In de maand february heb ik op Dheer Bagman ƒ 200- ge­trokken, welke, volgens informatie, door de Kommissie aan den 2 asses­sor zijn gerestitueerd. Ik had deze penningen voor mij zelve van noden en dezelve met mijn broeder menende te verre­kenen. Zijn ze niet door mij in ontvangst gebragt.
De Kommis­sie moet zulks uit mijner verantwoording van gelden over february hebben kunnen zien.
Hoe aanzienlijk de ontvangene sommen gelds zeder eenige dagen ook mogen zijn geweest, hebben dezelve de uitgaven echter niet kunnen bestrijken. Zo dat ik de Kommissie op nieuw eene man­daat moet verzoeken.
Het meisje bij Bransma inwonende, zou bij het huisgezin van De Kruijf kunnen worden ingedeeld. Zedert 3 maanden souf­freert de man sterk aan de jicht. De vrouw heeft 5 kleine kinderen op te passchen, zo dat er geene verdiensten voor deze anders braaf oppassende menschen zijn. De onderstand van ƒ 50 per jaar zou hier hoogst welkom zijn. Vooral wanneer ik hen s-weekelijks ƒ 1=. kon uitbetalen; voorwaarden waarop zij het meisje willen aannemen.
Ik denk op gelijken voorwaarde een goede plaats voor de jonge­ling uit Enkhuizen te kunnen vinden. De Kommissie gelieve mij hare intentie hierin te doen kennen.
Den onderdirecteur is zeder een paar dagen, uit hoofde van een proces absent, en daar wij met het poten van aardappelen in de tuinen der kolo­nisten bezig zijn is de drukte en survai­lance grooter.
Morgen zend ik vlas af, waarvan nader informa­tie aan de Kom­missie zal gegeven worden. 51)


Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Permanente Commis­sie:

Frederiksoord den 31 maart 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie in te zenden.

1. de staat van menage van 21 tot 28 maart
2. de staat van voeding en verdienste meede over de afgelopen week.
3. betaalde rekeningen
4. eenige onbetaalde rekeningen ten bedrage van ƒ 2201=6=12.

De betaalde rekeningen zijn gedeeltelijk door den 2 assessor gedeeltelijk door mij, met daarvoor gelagen mandaat voldaan.
De onbetaalde rekeningen zullen hoop ik kunnen voldaan worden, dewijl sommige schuldeisers, vooral de kastelein, Hofman, Cohen zeer dringend worden. De pretentie van Hofman was zeker bij het vertrek van den 2 assessor vergeten. Den kastelein heeft op mijn voorstel zijne rekeningen veel vermin­dert, zo als de Kommissie zal kunnen zien.
Ingevolge autorisatie heb ik heden 6 paarden doen aanko­pen die op ruim ƒ 400- zullen te staan komen.
Reeds bij mijne voor­gaande nam ik de vrijheid de Permanente Kommissie de toezen­ding van een mandaat te verzoeken. Ik zal verplicht zijn op Dheer Bagman voor ƒ 250 te trekken, dewijl er verscheidene schepen met mist aan de wal zijn, en mijne kas van contanten ontblood is.

P.S.
Op heden is per Beurtman verzonden acht zakken vlas te zamen 472 1/2 pond. Zou het niet mogelijk zijn in het vervolg de wol, die hier slegt en duur is met het vlas gezonden wierd? 51)