Naar het overzicht
van de POST







De POST van JANUARI 1819

Vrijdag 1 januari 1819

Uit de staatscourant een bericht van het Magazijn voor het Armenwezen
Zie http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Maandbladen/1819Eerst.html



Zaterdag 2 januari 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Permanente Commissie:

Gelezen en goedgekeurd den brief van den Heer Generaal Maj. van den Bosch aan de subkom­missie van Goes, in antwoord op hare missive, wegens de behandeling van Jan Burks. Besloten tevens kopy te zenden van dien brief en daartoe behorende stukken aan den Direkteur der kolonie, met invitatie om de Raad van toeverzigt te benoemen en over­eenkomstig den brief der P.K. met gemelden Jan Burks te handelen.-> Burks

Besloten, den Heer Direkteur te verzoeken de passen der kolonisten, die verlof gehad heb­ben om hunne familles te bezoeken, na de­zelver thuiskomst te rug te vragen, tot voor­ko­ming van bedriegingen, waar van de P.K. reeds de ondervindin­gen heeft.

Besloten is de Staatscourant uit naam der P.K. een kennisge­ving aan alle de subkom­missien te plaatsen, strekkende, ter kennis­geving van dergelijke bedriegingen, als waar van alhier in 's Hage verleden week het voor­beeld gegeven is, in den persoon van den zich noemende Theodorus Drossens, die zich niet ontzien heeft voortewenden uit de kolo­nie, met behoorlij­ke pas van den Direkteur voorzien, te zijn geko­men, en bij de Haag­sche subkommissie tot zijn retour zeven gul­dens voor reisgeld naar de kolonie op naam der P.K. gevraagd en bekomen te hebben. -> Drossens
invnr 38)


Uit de staatscourant

Op 2 januari biedt een boekhandelaar aan de tweede kamer een boekje aan met de titel 'Ontwerp om de maatschappij van weldadigheid op de provincie Noord-Braband toepasselijk te maken'.


Woensdag 6 januari 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie:

Frederiksoord den 6 january 1819
Ik heb de eer aan de Kommissie in te zen­den:
1. de staat van menage van den 28 decem­ber tot 3 januari
2. een dito staat van voeding en verdienste
3. de verantwoording van kleeding over de maand december
Wanneer de Kommissie aanmerking maken mogt, dat er de geheele week uijen verstrekt zijn, zij het mij vergund, mij  aan mijne voor­gaande te mogen refereeren. Ik moet echter er bijvoegen, dat de verschillende wijze waar­op de kok de spijzen toebereid, nauwelijks doet vermoeden men steeds dezelfde groen­ten eet, dat de soep en hutspot zeer sma­ke­lijk zijn en de kolonisten volkomen met dezel­ve te vreden zijn.
Van de ingemaakte kool kan men eerst in het begin van aan­staande week gebruik maken.
Op de verantwoording van kleeding, heb ik het bedrag van de kleeding der kinderen niet uitgetrok­ken, dewijl ik hier om­trent gaarne de bepa­ling der Kommissie wenschte te vernee­men, vooral daar de hemden volgens opgave door elkander be­reekend zijn en het mij ech­ter voor­komt deeze kinderen, waar van som­mige 2 en 3 jaar oud zijn, niet op die zelfde prijs kunnen worden gesteld.

Ik zal binnen eenige dagen mijne ver­ant­woor­ding van gelden en de bereekening der me­nage over de afgelopen maand inzenden. Mijne menigvuldige bezigheden ver­gunnen mij niet hier aan de nodige tijd te besteden: en dezel­ve zo juist in te zenden als ik wel zou wenschen.
De mandaat ad ƒ 400,- heb ik behoorlijk ontvangen. Het doet mij leed er te moeten bijvoegen, dat er nog te veel buitenge­wone uitgaven moeten worden afbetaald om hier meede te kunnen uitkomen. Ik heb dezelve aan den 2 assessor in mijne voorgaan­de gedeeltelijk opgege­ven; de post op zijn ver­trek staande zal de Kommissie het mij hoop ik niet ten kwaden duiden, dat ik mij ander­maal aan eene vroeger gedane opgave refe­reer.

Heden morgen heb ik ook ontvangen de brie­ven, J. Burks regar­deeren­de. Ik ben even zeer als de Permanente Kommissie ten hoogste over dit ondankbaar gedrag veront­waardigt en zal de bedoeling der Kommis­sie dadelijk en nauwkeurig nakomen.
Het is hoogst onaangenaam den mensch van zodanig een ongunsti­ge zijde te leeren ken­nen, en voor alle genomen moeite en zorgen om andere gelukkig te maken met ondank­baarheid te worden beloond.
Burks is op zich zelven een vrij goed en werkzaam man; zijne vrouw - aan wie de Kommissie volkomen regt doet - is eene furie, die volkomen over den zwakken man regeert.
Ik verheug mij intussen in de overtuiging, dat er weinig, zeer weinig zijn, die aan deeze familie gelijk zijn. En dat bijna allen dankbaar het grote voorrecht, dat zij genieten, schijnen te erkennen.
Per ommegaande zal ik aan de Permanente Kommissie den uitslag van t gedaan onder­zoek meede deelen. Terwijl ik als leden van den raad van toezigt, ter nadere aprobatie aan de Kommissie voorstel Klaas Visser en Jan Bult welke door mij provisioneel waren benoemd.
Ik heb veel moeite om vlas te bekomen, waar voor 12 en 13 st. moet worden betaald. Lin­nen kan bij de strenge vorst niet worden geweven, bij mijn volgende schrijf ik over beide deeze onderwer­pen nader aan de Kommissie.
Het feest, op nieuwjaars avond, is buiten gewoon goed uit gevallen. De spinzaal was in de beste order, gedeeltelijk met groene tak­ken versiert; en door meer dan 30 kaarsen verlicht: tegen zeven uren hadden zich voor de deur wel 300 kolonisten verzameld, want oud en jong was op de been, ook waren er veele landlieden, die mij gevraagd hadden eens van nabij te mogen zien; de banken uit de school waren langs de muren geschikt, op 2 grote tafels in het midden der zaal ge­plaatst, lag tabak en lange pijpen, terwijl de muzyk zich van tijd tot tijd horen liet.
Eindelijk alles gereed zijnde marcheerde onze vrolijke kolo­nisten zingende, terwijl de muzykanten een Wilhelmus aanhie­ven, naar binnen. De geheele avond is in aanhoudende vrolijk­heid, waarbij den dans niet vergeeten werd, in de beste harmo­nie, en de meeste geree­geldheid doorgebragt.
Dheer van Roijen die met zijne famille het feest bijwoonde uitte den wensch dat de Kommissie eenmaal moge getuige zijn van het vrolijk en dankbaar gedrag hunner kolo­nisten: en ook ik stemde van harte met hem in, dewijl de Kommissie in deeze dankbare en gelukkige men­schen, de beloning voor haare edele maar tevens moeijelijke pogin­gen ruim zou beloond gevonden hebben.
Voor alle deeze menschen punsch te bezor­gen scheen mij bijna onmo­gelijk; te meer daar verschillende omstandigheden hiertoe meede werkten. Van den goede uitslag scheen mij, vooral deeze eer­stemaal veel aftehangen: en heb dan ook niets verzuimd wat hiertoe kon contribueeren. 1,5 ton bier heb ik uit Meppel doen halen met een weinig brandewijn en siroop en doen warm maken in de grote menage ketel. Ook heb ik voor ruim ƒ 20,- krente­brood en beschuit gehad etc.
Het zal mij genoegen zijn wanneer de be­schikking de goedkeu­ring der Kommissie wegdraagt. Om 11 uren is de partij geein­digt. 50)







Uit de Staatscourant:

's Gravenhage, den 6 januarij (1819)

De permanente commissie der maatschappij van Weldadigheid, willen­de alle sub-commis­sien en andere goede menschen behoeden voor bedriegerijen, gelijk er eene dezer da­gen in 's Gravenhage heeft plaats gehad, berigt bij deze, dat de persoon, zich noemen­de Theodorus Dressels, zich niet heeft ont­zien, om, onder voorwendsel van, als kolonist naar Frederiksoord, met schriftelijk verlof van den Direkteur, alhier te bevinden, op naam der perma­nente commissie eenen reispen­ning, ter somme van zeven guldens, van de sub-commissie van Weldadigheid in 's Gra­venhage te vragen, welke hij dan ook beko­men heeft. Men verleene geen geloof aan personen, die geene schriftelijken pas, door den heer B. van den Bosch geteekend, ver­toonen kunnen, noch ook aan verzoeken om reisgeld, in naam der permanente com­missie, welke niet schriftelijk door dezelve gedaan zijn.
's Gravenhage, den 4den januarij 1819
P. van Hemert, secretaris -> Drossens
SC/7.1.19)


Donderdag 7 januari 1819


Hoorn, 7 januari 1819,

Bij ons wederom ingekomen zijnde eenige lijsten van inschrijvingen, zoo van nieuwe leden, als van  giften over den jaan 1818, hebben wij het genoegen UED de opgave daarvan bij dezen te doen geworden. Zijnde:
Van het garnizoen van Hoorn de heer Captein Wagener en de 1e Luit. Gilbert, dus...........2 leden
Van de subkommissie van Wognum en Woudway (?)....37 leden
Van de subkommissie van Wijdenes en Oosterleek....2 leden
Van de subkommissie van Blokker... 40 leden
Van de subkommissie van Weswoud ??  ...13 leden
Van deszelve voor giften.... f 33, 12 1/2
Van de subkommissie van Schellingwoude....5 leden
Van deszelve voor giften.... f 6,60

Totalen eronder met als leden 99 (klopt)
(deze aantallen staan al in het overzicht van het eerste dienstjaar)

'Aangenaam zoud het ons zijn, indien wij tevens in staat waren den ontvangst dezes gelden te kunnen melden, om alzoo over 1818 volkomen te kunnen afsluiten, dan de moeilijkheden deswegen in den ??, en de daardoor zoo talrijke correspondentie, heeft zulks tot heden verhinderd.
Om echter ieder dienstjaar afzonderlijk te houden, hebben de eer UEd. hierbij onze Rekening Courant te doen geworden, op dezelve ?? UEd bemerken, dat de bovengemelde posten (schoon niet ingekomen) in ontvangst zijn gebragt; zoodra dus dezelve zijn geincasseerd, waaraan niet is te twijfelen of hetzelve zal binnenkort plaats hebben, remitteren wij dadelijk het saldo UEd. competerende den somma van f 643:2/2 aan den Heer Thesaurier Ameshoff te Amsterdam.
Wijders bekomt UEd. hierbij eene rekening der aan ons toegezondene quitantien, de 286 stuks ongebruikte zullen wij UED bij open water doen geworden, over de post zoude zulks te veel bezwaren; de originle lijsten van inschrijving van de opgave van heden zullen wij daar mede bijvoegen, terwijl wij die nu om gelijke redenen agterhouden.
Met het inschrijven van linnen heeft het hier ter plaatse niet willen opnemen; ook zal daarop in het vervolg niet te rekenen zijn; de reden daarvan moet worden toegeschreven aan een zedert jaren hier gevestigde fabriek, genaamd de Vaderlandsche Maatschappij, enkel ten doel hebbende om armen werk en brood te verschaffen, en het Bedelaarswerkhuis, e/in de raad (>) beiden gestichten van weldadigheid.
Voor het tijdschrift de Star hebben wij voor het einde van Decemb ll. aan den Boekhandelaar J. van den Heij onze opgave voor 28 exemplaren ingezonden, met verzoek ons daarvoor de benodigde Lidmaatkaartjes te doen toekomen.
De subkommissie van Westwoud, Ouddijk en Bennewijzend heeft aan ons een huisgezin voor Frederiksoord voorgedragen, zijnde de persoon van Klaas Dekker met vrouw en vijf kinderen. - Ook zoude het ons aangenaam zijn, indien wij nog over een plaatsing voor een huisgezin konden ??
Van terzijde eenige nadelige geruchten vernomen hebbende, omtrent het huisgezin van P. Arends, door ons voor de kolonie voorgedragen, en ook derwaarts vertrokken zijnde; dat, namelijk, hetzelve slechts zoude gevoed worden voor vier kinderen, of voor zes personen, inplaats van voor zeven, zoo als hem toegezegd was, en hij dus verwachtte; - dat de verdienste hem onder eenig praetext niet allen niet afgegeven wierden, maar hij zelfs reeds in den korten tijd op schuld had moeten werken; - dat de verzorging van voedsel niet zodanig was, als wel bij geruchte vermeld wierd; - dat de huishoudelijke inrigting, of inwendige politie met ?? in sommige gevallen wat te ver gedreven wierd; zoo hebben wij xxx onze plicht geacht UEd hiervan kennis te geven, ten einde hetzij door redres, hetzij door andere middelen (indien zulks onverhoopt met de waarheid mogt overeenkomen;) ten minste door onderzoek, deze nadelige geruchten in de geboorte worden gesmoord, en daardoor aan de waarlijk zoo weldadige inrigtingen geene verkeerde uitleggingen gegeven wierden.'


Zaterdag 9 januari 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie:

Frederiksoord den 9 january 1819

Ik haast mij de Permanente Kommissie te berigten dat Jan Burks en deszelfs vrouw, gisteravond, ingevolge de intentie der Kom­missie, eerst elk afzonderlijk en daarna te zamen voor den raad van toeverzigt hebben gecompareerd.
Ik heb niets verzuimd om hun de onbetaam­lijkheid en ondank­baarheid van hun gedrag te doen gevoelen en begrijpen.
Beiden waren zeer ontsteld, vooral de man die buiten zijne te grote toegevendheid en zwakheid geen kwaad mensch is.
De vrouw herstelde zich echter spoedig, en zou ons een klein staaltje van haare welspre­kendheid hebben gegeven en haare onschuld hebben beweerd, toen ik hare eigen brieven voor den dag haalde, en als bewijze voor het door mij aangevoerde voor legde.
Reeds bij den aanvang van hunner brief ont­kenden zij zo wel afzonder­lijk als te zamen, dat zij nimmer over de voeding hadden ge­klaagd, nog over de kwantiteit nog over te­kortdoe­ning etc.
Alleen bekenden beide geklaagd te hebben, dat zij te weinig geld ontvingen om oly, zeep etc. te kunnen kopen, en dat hunne voor­naamste klagten alleen de luije en liederlijke jongen hadden moeten betreffen.
Dat vrouw Dikkeboom uit het Steenwij­ker huisgezin zich had aangebo­den den brief te schrijven, en hier altijd had komen klagen, en gezegd dat zij allemaal bedrogen en mishan­deld wierden etc. Dat genoemde vrouw Dik­ke­boom zo als zij nu zagen hun had misleid, en slegts een gedeelte van den brief had voorgelee­zen, enz.
Jan Burks was geheel onbewust van t geen gebeuren zou, en het geen hij voor onwaar in den brief ver­klaarde kwam zo snel met de gezegden zijner vrouw overeen, dat ik mij overtuigde vrouw Dikkeboom er kragtig de hand in had gehad. Hetgeen mij ook niet verwonderde daar ik deeze boven alles kwaadaardige vrouw kende en het naast bij Burks woonde, had ik haar dadelijk voor de schrijfster gehouden.
Vrouw Burks die hierdoor zich van alle schuld vrij waande, nam een zege­vie­rende toon aan en begon, alle de rechten waarin zij te kort gedaan was, op een hooge toon optesom­men.
Daar ik overtuigd was dat een gedeelte van den brief haar eigen werk was, en zij wel een goede les verdiend had: hield ik haar bij t woord toen zij er bijvoegde "liever zou ik de kolonie verla­ten ware het niet dat ik om mijn man hier bleef".
Ik hield mij te zeer van tegendeel overtuigd, van hier niet een grote stap te durven zetten over en gaf haar ten antwoord dat zulks niet meer aan hare keus stond, dat zij de kolonie hebbende willen uitvlie­gen, hier toe gelee­genheid had, dat men niemand wilde dwin­gen onze weldaden te genieten.
Ik hield haar zo kragtig mij moge­lijk was, de slegtheid van haar gedrag nogmaals voor, met dat gevolg dat de vrouw als een blad beefde en de man reeds ver­schoning vroeg.
Ik meende mij voornemen tot het uiterste te moeten doorzetten, en wilde geen van beide aanhoren. Op hun herhaalde beede gaf ik alleen toe dat heden morgen eer zij vertrok­ken mij nog eenmaal mogten komen spreke.
Het geen ik voorzien had, gebeur­de. Met tranen in de ogen smeekte zij te mogen blij­ven, en bood aan alles bij hunne subcommis­sie te herroe­pen etc. Ik bood hun het noodige reis­geld aan en liet mij niet dan moeije­lijk beweegen hunne voor­spraak bij de Perma­nen­te Kommissie te zijn.
Ik zal het vrouw­tje nauwkeurig in t oog hou­den. Ik beloof mij van dit kleine voorvalletje veel goeds.

Ook heb ik vrouw Dikkeboom doen compa­reeren. In tegenwoordig­heid van Burks en zijne vrouw poogde zij staande te houden, dat zij den geheele brief hadden opgegeven. Zij verloor geheel haare bedaardheid en stond voor t eerst zo lang ik haar ken zonder smeken met neerge­slagen ogen.
Van haar schuld overtuigd deed ik de onder officieren binnen komen, naar bevorens met de raad overlegd te hebben, en beval hun nauw­keurig toe te zien of vrouw Dikkeboom of iemand van de haare - dat alle deugniets zijn - buiten de kolonie kwam en dezelve in dat geval dadelijk in t hok op te sluiten en mij daarna rapport te doen.
Dat ik intusschen rapport aan de Kommissie zou doen, ten einde dezel­ve mij haare besluit ten aanzien van beide de huisgezin­nen zou doen toekomen. Het Steenwijksche huisgezin zou tot een voor­beeld voor allen kunnen strekken, wanneer de Kommissie goedvinden het zelve te verwijderen. Ik heb er aanhou­dende klagten over, ook de sub­commis­sie schijnt dit te verwagten.

Ik vraag de Permanente Kommissie verscho­ning voor dit omslag­tig relaas, waar meede ik haar attentie te lang reeds heb bezig gehou­den. Ook doet het mij leed dat mijne bezighe­den, niet altijd ver­gunnen mijne brieven meer gereegeld in te richten: dewijl mij hiertoe doorgaans maar weinige ogenblik­ken over blijven. --> Burks
invnr 50)

9 januari 1819 In Harlingen krijgen Peen + vrouw een kind
Gemeente Harlingen, Geboorteakte, Aktenummer: B 4
Aangiftedatum: 11-01-1819, Kind Jacob Peen, Geslacht: M, Geboortedatum: 09-01-1819. Vader Wouter Jacobs Peen, Moeder Siberta Bos


Zondag 10 januari 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie::

Frederiksoord den 10 january 1819

Hierbij zend ik aan de Permanente Kommis­sie de verantwoor­ding van gelden over de maand december, waaromtrent het mij aan­genaam zijn zal de aanmerkingen der Kom­missie te mogen vernemen. De kwitan­ties ten getallen van 65 heb ik niet over­gezonden, dewijl ik voor te hoog port vreesde: en bevo­rens de decisie der Kommissie meende te moeten vragen. Of ik dezelve - wanneer het weder op deeze wijze aanhoudt - per scheepsgele­genheid of wel per post dadelijk zal zen­den.
Theodorus Drossens, waar over ik reeds aan den 2 assessor heb geschreven, en die als aangenomen zoon bij het huisgezin van de weduwe Vergeer op den laatst ingezonden lijst voorkomt, is eindelijk, zes dagen na de bepaalde tijd, terug gekomen, hebbende gedurende de reis ziekelijk geweest en eene fles met medicijnen van doctor Schuurman bij zich. Ook te Utrecht heeft hij bij de subcom­missie ƒ 5= opgenomen.
Hij zegt een en ander door arbeid te zullen vergoeden: dit is intusschen een slegte borg, daar hij de knapste werkman in t geheel niet is. Ik heb hem, tot nader order binnen de kolonie gecontig­neerd, en verzoeke, meede te zijner aanzien, den decisie der Kommissie te mogen verne­men.
Het gecontingeerde huisgezin van Dikkeboom heb ik gister door een onderofficier naar de kerk, en op gelijken wijze doen terug bren­gen, hetgeen zeker eene zeer goede uit­wer­king doen zal. De jongen bij dit huisgezin ingedeeld heeft tegen mijne uitdrukkelijke order, de kolonie verlaten, ik zal hem door een onderofficier uit Steenwijk doen terugha­len, en in de pro­voost doen opsluiten.

Het heeft mij zeer leed gedaan hiertoe te moeten overgaan, ik had wel gewenscht dat bij de uitgeving van de Star nog geen in­woonder der Kolonie waren gestraft geweest. Ik kon echter aan dit verlangen de rust en goede orde niet opofferen.

Behal­ve het Steenwijksche huisgezin gedra­gen alle de overige zich steeds bijzonder wel. Jan Burks met zijne famille wendt alles aan, om de decisie der Kommissie in zijn voordeel te doen uitvallen.
Wanneer de subcommissie van ter Goes zich om infor­matie bij die van Middelburg adres­seert - zo als de Permanente Kommissie haar schrijft - dan zullen ook daar de berigten niet gunstig zijn - ik had ge­wenscht de Kom­missie mijne aanmerkingen ten aanzien van het van daar gezondene huisgezin - Koppe­jan - vroeger had ontvan­gen.

De weduwe Ricmont verzoekt de toestem­ming der Permanente Kom­missie, tot een huwelijk met de oudste, bij haar ingedeelde jongen van 22 jaar, beide zijn van een goed gedrag.
Het indee­len van kinderen zal, naar 't mij toeschijnt, niet aan de verwagting beantwoor­den.

Het huisgezin van Rigagneau laatst uit Am­sterdam gekomen, zal moeilijk voor den veld­arbeid kunnen worden opgeleid. De man is swaar gebroken, waar van hij alle dagen de onaangename gevol­gen onder­vind. Zijne vrouw houd veel van een glaasje Schiedam­mer. De kinde­ren zij er (stuk ont­breekt) en passchen goed op; bijzonder het propere en vlijtige meisje.
Alle avonden is er school, die druk bezogt, en door den bekwa­men meester uitne­mend gederigeerd wordt. Er zijn veele kinde­ren, vooral meisjes van 18, ja 20 jaar, die nimmer eenig onderwijs genoten heb­ben.
Zo even ontvang ik den brief van de Kommis­sie van de 7 janua­ry, met de daarbij gevoeg­de mandaat 9.
P.S. Onder het art. voeding of levensmidde­len zal de Kommissie zien, dat circa ƒ 550= tot de maand november behoren. Zoals ik ook reeds bij mijne voorgaande verantwoor­ding heb opgege­ven. Thans zal ik mij met de voeding over december bezighou­den. 50)


Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan zijn broer Johannes:

Frederiksoord den 10 january 1819

Ik heb waarde broeder, nog verzuimd aan de Kommissie te melden dat ik 175 pond vlas bekomen heb, tegen 13 en 14 stuivers.
Dheer Velsen te Steenwijk wil aanneemen 3 maandagen tot die prijs te leveren en de drie volgende maanda­gen 4 duiten per pond min­der.
De prijs schijnt mij nog te hoog toe. Het vlas is in kwaliteit beneeden het aan mij vroeger toegezon­dene. Wan­neer men goede gelee­genheid had was het misschien niet kwaad eene nieuwe voorraad te zenden. Wat wordt er voor t pond betaald?
De wielen uit Steenwijk, kleine en grote, vol­doen niet zo goed als de andere. In den be­ginne scheenen zij dezel­ve te zullen overtref­fen.
Weender zal spoe­dig naar t schijnt de grote reis aanneemen.
Morgen zullen zij zien weer een aanvang met ploegen te maken.
Het aanvoeren van brood kost veel moeite bij de strenge koude.  Wij hebben hiertoe aan­hou­dend 2 wagens nodig gehad. De verant­woording van klee­ding zal wel reeds zijn ontvangen. Ik zie met verlangen een ant­woord op verscheidene pointen uit mijne voorgaande te gemoet. 50)

Contingeren wil dus zeggen dat het slachtof­fer niet zelfstandig de kolonie mag verlaten, als variant op huisarrest dus een soort kolo­nie-arrest. Typerend voor zijn achtergrond zijn de militaire termen die Benjamin invoert: de menage, contingeren en (later) deserte­ren.
De opmerking over Middelburg slaat terug op de brief van Benjamin dd 28 december 1818.
Met de wielen die hij noemt in de brief aan zijn broer, bedoelt hij waarschijnlijk de spin­newielen.

Uit de notulen van de vergadering van de Permanente Commissie:

Brief van de subkommissie te Hoorn ... voor­stellende twee huisgezin­nen van de kolonie en berichtende van ter zijne nadeelige berich­ten aangaande Pieter Arends vernomen te heb­ben, onderzoek en redres verzoekende besloten den Heer Direk­teur de kopy van dier brief te zenden ter inwinning van rap­port, waar na het rapport van den Direk­teur aan de subkommis­sie van Hoorn zal worden gezon­den.  38)


Dinsdag 12 januari 1819


Ingekomen post invnr 50. Brief van baron Van Dedem, volgens de samenvatting op de achterkant gericht aan Johannes van den Bosch. transcriptie




Woensdag 13 januari 1819


Uit de notulen van de vergadering van de Permanente Commissie

Ingekomen een brief van den Heer Direkteur der kolonie rap­porterende zijn onderhandelin­gen met Burks en Dikkeboom. Besloten om overeen­komstig het voorstel der Direkteur de famille van Dikkeboom de kolonie te ontzeg­gen. De verstrekte kledingstukken (voor zoo ver mogelijk en billijk is) te doen restitueeren, de famille Burks uit consideratie van de voor­spraak des Direkteurs voor dit maal te excu­seren, doch aante­zeggen dat bij de eerste misdaad exemplaar gestraft zullen worden en voorts de subkommissie van Goes daar van te aduntie­ren(?)

Brief van den Direkteur, behalve andere za­ken, rapporteerende over de zaak van Dros­sens, die zich niet ontzien heeft bij som­mige subkommis­sies, als van 's Hage, noch te bedelen om een rijspenning ten einde in de kolonie te retourneeren. Besloten ten aan­zien der rekening door den Direkteur gege­ven, de dank­betuiging der Kommissie te be­tuigen, Drossens de kolo­nie te doen ruimen, na resti­tutie, zoo ver mogelijk, der verstrekte kleding­stukken, toetestemmen aan de wedu­we Rik­mond om te trouwen mits stigtelijk involgende de daar toe vereisch­te wetten en formalitei­ten. 38)


Brief van directeur Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie, invnr 50 scan 76 en verder.

Frederiksoord den 13 january 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij toe te zenden de maand staat van voeding en verdienste over december. Daar op deeze staat vijf en op mijne verantwoor­ding slechts vier weken in uitgang zijn ge­bracht, zo zullen deeze beide niet overëen stemmen.
Het doet mij leed den Kommissie te moeten opmerkzaam maken op den ongunstige reke­ning der meeste kolonisten: bij een dezer huisge­zinnen is de schuld tot ƒ 20= toegeno­men.
Ook andere huisgezinnen die ƒ 26-28- ja zelfs ƒ 30- en daarbo­ven hebben verdiend zijn niet uitgekomen, maar hebben schuld op hunne rekening.
Daar hier, zo wel de spin als veldarbeid zeer veel heeft opgebragt: dienen deze vooral bij eene beree­kening in aanmer­king te komen. Vooral Gerards, Van Haaften, Lucassen, Meder, de Ruiter, Rausch en vooral de Wals die ruim ƒ 32- in de afgelopen maand heeft verdiend, en echter schuld op zijne rekening heeft.
Muller heeft nog ruim ƒ 1= te goed maar ook hier zijn de verdiensten ƒ 33=13-8. Hoe wei­nig huisgezinnen zullen het tot deeze hoogte bren­gen.
Het geld dat zij in de hand krijgen, moet aan oly, zout, seep, melk etc. besteed, en wan­neer er dan resteerd, zoals bij de bovenge­noem­de huishouden natuurlijk het geval is, dan wordt zulks bij den onder directeur aan brood en een weinig tabak besteed.
Het brood is naar hun voorgeven niet voor hunne talrijke huisge­zinnen toereikende, het is ongeloof­lijk de kwantiteit eeten die deeze huisgezin­nen dagelijks consumeeren, en ik geloof dat hunnen armoede groten­deels in den onverzaad­elijk­sten eetlust moet geleegen zijn.

Ik ben begonnen de kolonisten deeze week op hunne akker te doen werken, maar heb zulks op één dag per week bepaald. Drie dagen toch zou hun zodanige ongunstige rekening maken dat zij er den moed door zoude verliezen.
Hartelijk wensche ik dat mijne bezorgdheid in deeze ongegrond, of althans overdreven zijn moge: terwijl ik mij overtuigd houde dat de Permanente Kommissie het mij niet te kwa­den houd, wanneer ik haar vrijmoedig mijne aanmerkingen en gevoelens meede deelen. Dan zelfs wanneer de meerdere kennis en onder­vinding der Permanente Kom­missie deeze aanmerkingen geheel overtollig en nutteloos maken mogt.

Bij mijne voorgaande heb ik aan de Kommis­sie den op­brengst van de mandaat ad ƒ 500= berigt. Reeds had ik op autorisatie van den 2 assessor voor ƒ 200- op deszelfs gemag­tigde te Amsterdam getrokken en thans zullen mij binnen weinig dagen nieuwe contanten beno­digt zijn.
Bij den aanvang der maand bleef er, zo als uit mijne verant­woording blijkt ƒ 44= in kas, terwijl er nog aanzienlijke rekeningen over decem­ber, vooral van brood, waarop op mij­nen verantwoording slechts f 148=.= van die maand voorkomt, te betalen bleven.
Wanneer de Kommissie daarbij in aanmer­king neemt wat der dagelijks aan vleesch, brood, aardappels gevor­dert wordt zal het haar niet verwonderen, dat ik daar de maand bijna half om is, niet alleen weinig van de ƒ 500= meer over heb, maar bijna niets van verscheidene rekeningen heb kunnen beta­len.

Voor het overige is er geen belangrijk nieuws. De kolo­nisten gedragen zich zeer wel en de werkzaamheden gaan gere­geld. Het zal mij zeer aangenaam zijn het antwoord der Kommis­sie op mijne voorgaande te ontvan­gen.

Wanneer er geen vorst komt zullen wij binnen een paar dagen, de bouwerij kunnen hervat­ten, dat van veel belang is.

Burks heeft op eene vol­doende wijze bij zijne subcommissie zijne vorige klagten herroepen.


Uit het brievenboek:

Direkteur B. van den Bosch. Proponeert Th. Drossens om schan­delijke bedelarij en fraude uit de kolonie tezetten.
Respons: Th. Drossens uit de kolonie gezet. 18)



Uit de Staatscourant:

Oud-Beijerland, den 13 januarij.

Was er immer eene maatschappij, heilrijker in de gevolgen, dan is het voorwaar die der Weldadigheid; hiervan ten volle over­tuigd, zoo heeft de sub-commissie dier maatschap­pij alhier, geconstitueerd uit den schout, Adri­aan van der Geer Az, presi­dent, de predikan­ten Samuel la Lau en Adam Philip Winold Noordink, benevens den ontvanger der regis­tratie, mr. Cornelis Petrus Wierts van Coe­hoorn, secretaris en penningmeester, op den eersten december des vorigen jaars, het grootste genoegen mogen bespeuren, daar zij, op dien dag, bij het rondgaan aan de huizen der ingezetenen, de deelne­ming in gemelde verordening van vele niet alleen op het gelaat zag blinken, maar het bewijs hier­van al dadelijk ondervond, door het collecte­ren van de zoo aanzienlijke som van 319:17, waaronder, echter, het don-gratuit van ge­melden ontvanger, bestaande in eenige mili­taire kleedingstukken, tijdens de bedreigde invasie van het fransche leger in 1815, doch, door den onver­schrokken moed van neer­lands held, gelukkig afgekeerd, vervaardigd, en gewaardeerd op ƒ100:00 begrepen is; terwijl, onder de verdere som, 75 leden en 26 contribuanten moeten geteld worden; dat dan dit zoo aanmerke­lijk getal anderen, die het nuttige dier Maatschap­pij nog niet kennen, moge aansporen, om spoedig toe te treden, ten einde hun gering penningsken ook op het altaar der weldadigheid te komen brengen, en eerlang zal men hetzelve alomme als een geurig wierook op dat der dankbaarheid zien branden, want onze verarmde natuurgenoot­en zullen, gezamelijk, hunnen God de hulde van het hart moeten toebrengen voor zulk eene edele als alleszins heilzame inrig­ting. Spoedig dan worde de dag geboren, waarop dit het voorregt van Oud-Beijerlands armen moge zijn, en terwijl de sub commis­sie, met brandend verlangen, naar dat tijdstip uitziet, zal zij hierdoor hare geringe pogingen, om hare behoeftige natuur- en dorps-genooten een' beteren stand in de maatschappij te bezorgen, en zoo tot nuttige leden derzelve zien vormen, dubbeld beloond zien. sc 16.1.19

don gratuit = vrijwillige schenking



Donderdag 14 januari 1819

Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie:

Frederiksoord den 14 january 1819

Ik heb de eer aan de Permanente (Kommis­sie) hierbij in haast toe te zenden.

1 de staat van menage der laatste 8 dagen.
2 de staat van voeding en verdienste en
3 verantwoording van levensmiddelen van december.
Tijdgebrek verhindert mij de Kommissie om­standiger te schrij­ven, dewijl de post op zijn vertrek staat.
Ten aanzien van P. Arends dat een grote domme luijaard is, zo als de Kommissie uit de staat van verdienste best zien kan schrijf ik morgen nader.
Ik ben zeer om contanten verlegen zo als de Kommissie uit mijne verantwoordingen zal kunnen opma­ken.
Waar door ook de verantwoording van le­vensmiddelen moei­jelijk en omslagtig wordt. Dewijl ik telkens in den eene maand moet betalen wat in de voorgaande reeds gecon­sumeerd is.
Het zal mij zeer aange­naam zijn de aanmer­kingen der Kommissie te mogen verneemen. Grote haast. 50)
Kriebel in de kantlijn: Ik heb gebrek aan post papier en mij van dit stukje moeten bedie­nen.

Samengevat stuurt Benjamin de volgende overzichten en staten naar de Permanente Commissie:
- een staat van menage (per week: overzicht van de omvang en kosten van de gemeen­schappel­lijke maaltijden);
- een staat van voeding en verdienste (per maand: bij elke kolonist vermeld hoeveel zij verdiend hebben op het land en in de spin­nerij en daartegenover hun kosten van me­nage en wat zij aan oly, zeep enzovoort, maar blijkbaar vooral brood kopen bij de magazijnmeester);
- verantwoording van kleding (alleen in het begin);
- een lijst van alle kolonisten met de omvang van hun gezien (alleen in het begin);
- verantwoording van gelden (per maand: uitgaven en inkomsten der kolonie).



Vrijdag 15 januari 1819


Uit de Staatscourant:

De Maatschappij van Weldadigheid publi­ceert de giften van enkele dona­teurs. Naast een aantal onbekenden zijn dat twee zang­gezel­schappen en een loge te Sneek.
De permanente commissie, in het openbaar, dankbaar hulde doende aan de mildadigheid dezer begunstigers van de Maat­schappij, waarbij zelfs de schoone kunsten aan de lijdende menschheid hare offers brengen, vertrouwt, dat hun voorbeeld meer en meer navolgers bij vermogenden menschenvrien­den zal vinden, vooral, daar de zoo gelukkige slaging eener eerste proefne­ming, waarvan men eerlang, in het tijdschrift de Star, de belangrijkste resultaten zal kunnen vinden; niet nalaten kan, den ijver der natie; ter ver­grooting van het maat­schappelijk fonds, op te wekken; gelijk zij tevens de commissie van Weldadigheid ten sterkste aanmoedigt, om, in den loop van dit jaar, hare ondernemingen zeer aanmerkelijk uit te breiden, indien de natie dezelve in de gepaste evenredigheid ondersteunt.
van wege de permanente commissie
P. van Hemert, secretaris sc 15.1.19



Zaterdag 16 januari 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie:

Frederiksoord den 16 january 1819
Ingevolge missive der Permanente Kommis­sie van den 11 dezer heb ik Pieter Arends ondervraagd over de door hem ten aanzien der kolonie, verspreide geruchten. Den brief waar van de Hoornsche subcommissie ge­wag maakt is door genoemde Arends aan zijne zuster geschreven, hij ontkend daar in te hebben ge­klaagd, maar alleen informee­render wijze te hebben berigt; dat het voed­sel aan alle huisgezinnen, in de zelfde hoe­veelheid wierd verstrekt: het zij dezelve vier zes of acht personen sterk waren. Dat hij echter hier alleen brood, boter etc. had be­doeld dewijl hij moest bekennen dat het ove­rige voedsel aan alle zo veel zij benodigt waren toege­deelt wierde.
"Dat de verdiensten hem zonder enig protest wierden afgehouden" had hij niet op deeze wijze geschreven, maar zijne verwondering betuigd, dat hij zijne voeding geheel betalen moest, dewijl hem dit geheel anders was voor gesteld.
"Dat de verzorging van voedsel niet zodanig was als bij ge­ruchten was gemeld gewor­den" moest hij thans nog staande houden, dewijl hij - Arends - zich eenige tijd voor de oprich­ting der kolonie naar herwaards had bege­ven, ten einde een en ander eens op te nee­men.
Dat hij bij die geleegenheid aan den burge­meester van Steen­wijk - Dheer Tuttel - ge­vraagd had, of er tabak, koffy en thee gratis aan de kolonisten zou worden gegeven en (deze er) op had geantwoord "Welzeker jon­gen. Ook de melk er bij" en thans ondervond hij dit geheel anders.

Van de inwendige politie of huishoudelijke inrichting zegt de man geen enkel woord te hebben geschreven.
Ik zou dus moeten veronderstellen de Hoorn­sche subcommissie er dit veronderstel­lende wijze hebben bijge­voegd: op welke grond zij zich echter dergelijke ongegronde aanmerkin­gen zou durven veroorloven begrijp ik niet.
Even min kan ik begrijpen hoe zij in ernst goede berichten van een huisgezin zou heb­ben kunnen verwagten, wiens verregaande luijheid en lusteloosheid, meer den arbeid dan de behoefte vreest, en voor eenen zo gewigtige proefneming geheel onge­schikt is; misschien zou ik op mijn beurt, mij hier een­ige, meer gegronde, aanmerkingen veroorlo­ven kunnen: Dan ik mag niet uit het oog ver­liezen, dat ik aan de Permanente Kommissie schrijf en mij weer bij mijn onderwerp moet bepalen.
Wanneer de Permanente Kommissie de sta­ten van voeding en verdien­ste naziet zal zij ontwaren, dat genoemde Arends - wanneer hij niet in daghuur heeft gewerkt - doorgaans 2 stui­vers en bijna nooit boven de 4 stuivers daags heeft verdient, terwijl zijne meedekolo­nisten door ijver en oppassendheid hunne dagelijk­sche verdienste tot 12 - 16 - ja zelfs tot 20 st per dag hebben doen opklimmen.
Ik voeg hierbij twee der laat­ste week­staten, waaruit de Kom­missie het door mij aange­voerde nog meer zal bevestigd vinden.
Op een deezer staten heeft Arends die zeer goed met paarden kan omgaan, 3 dagen in dag­huur mestge­reeden, en 10 st daags daar­voor ontvangen. De overige dagen heeft hij gewoonlijk 2 st verdiend. Hij maakte 25 tak­kebo­schen, een arbeid waaraan hij altijd gewoon was, terwijl de Wals en meer ande­ren er 200 ja 250 in de zelfde tijd maak­ten.
En deeze man beklaagd zich, en zegt op schuld te moeten werken etc.
Van reeds te lang heb ik de Kommissie met dezen ondankba­ren, die buiten de kolonie zou moet verhongeren, bezig gehou­den. Zijne klagten zijn als zo veelen lofspraken en getuigen van de doelmatigheid dezer inrich­ting, waar geene luijheid gevoed, maar ijver en arbeidzaamheid ruim beloond wordt.

Met verlangen zie ik het antwoord der Kom­missie op eenige ingezon­den stukken etc. te gemaakt; terwijl het mij tevens aangenaam zijn zal haare aanmerkingen op een en ander te mogen verneemen.
Het doet mij leed te moeten informeren, er in mijne verant­woording van gelden het volgen­de erreur, dat echter gemakke­lijk te verhel­pen is, plaats heeft. Onder gebouwen en timmera­gie moet de laatste post van ƒ 38=10, quitantie 10, worden doorge­slagen en onder rubriek levens­middelen moet worden bijgevoegd ƒ 35.-.= behorende tot november en is in decem­ber betaald. Zo als de Kom­missie uit mijne verantwoording van levens­middelen over november zien kan.
Ik zend genoemde quit­antie hier bij ten einde de Kommissie dezelve tegen mijne verant­woording kunnen nazien. Door deeze veran­dering blijft zo wel de beree­kening over no­vember als december van levens­midde­len onverandert, alleen moet er ƒ 3=10= meer op 1 january in kas blijven en dus of ƒ48=8=14 in plaats van ƒ 44=18=14 worden gesteld. 50)



Zondag, 17 januari 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan zijn broer Johannes

Frederiksoord den 17 january 1819

Hier nevens zend ik u, mijn waarde broeder, een staaltje van het laatstgemaakte voerla­ken, dat Gij mij bij uwen laatste gevraagd hebt.
De wever uit Steenwijk heeft mij voorgesla­gen voerlaken van ongewa­schen wol te ma­ken, en het daarna te laten malen. Vol­gens zijn voorgeven is het wel iets minder wit dan het reeds gemaakte, maar daar tegen ook minder kostbaar en veel vaster en sterker.
Ik heb gemeend hier van eene proef te moe­ten neemen, en heb 25 pond ongewasschen wol aan hem doen toekomen, ik zal den uit­slag aan de Kommissie bedeelen, en er te­vens een staaltje van bijvoegen.
Het nevens van linnen zal ik met moeite te­gen 2,25 stuiver de ander­half el kunnen be­werkt krijgen, zo als ik U reeds vroeger ge­meld heb. Wanneer het garen door genoem­de wever moet worden gekookt zal daarvoor nog 2 st per pond moeten worden betaald.
Wij zouden in de grote ketel dunkt mij zelf het garen kunnen koken. Weisman en van der Heiden zeggen beide daar van kennis te hebben.
Ik heb met moeite het nodige vlas volgens reeds opgegeven prijzen uit Vriesland ont­vangen. Alle verkiezen het holland­sche vlas, en maken er ook beter garen van. Ik hoop de Kommis­sie in haar voornemen om het van derwaarts te zenden slagen zal.
Mestbulten zijn er een twintig tal gereed. Ik heb dezelve nog ruim 1,5 voet hoger doen maken dan in den beginne bepaald was, dewijl de swaarte dezelve beter doet werken.
Mest en kalk is na evenredigheid vermeer­dert. Er is niet veel mest meer voor­handen, ik zal zien of er geleegenheid is nog wat te beko­men. Ook zal ik van de paarde mest een bult doen zetten. Wij kunnen dan best de verschillende werking beoordee­len.
Het hout is nog niet allemaal weggehakt, en er moet nog zeer veel land geploegd worden. Wij doen ons best, maar er valt heel wat te doen. Herinner U hoe ongunstig het weer door sware vorst en ijsel voor ons geweest is.
Wanneer er vier paar­den ploegen blijven er maar twee - wanneer ik er een aankoop, want thans heb ik er een in huur - voor het rijden van mest bij de bulten en het halen van brood en turf over. Aan tien paarden zouden wij behoorlijk werk geven kun­nen.
Vooral door de turf die bij de slegte weg bij­kans niet aan te halen is. Dit is een grote last vooral bij den strengen winter. Intusschen kunt Gij er u veilig op verlaten, dat alle krag­ten steeds ingespan­nen worden, en de zaken goed voorwaarts gaan en dat ik hiertoe steeds de beste middelen zal tragten aante­wenden.
Morgen zal er ook overeenkomstig uwe be­doeling met aarde over het land kruijen een begin worden gemaakt, en in alles uwe opga­ven worden gevolgd.
Is uwe bedoeling in het voorjaar de Vledder heijgrond te branden, dan zou men daar wel geene aarde op behooren te brengen. Zijd zo goed mij daarop vooral te ant­woorden.
De rog op het Vledder veld staat buitenge­woon schoon. Ook in het Broek staat dezelve beter dan ik mij had durven voorstel­len.
Dheer van Roijen meende er voor ƒ 17 a ƒ 1800 guldens hout zou te verkopen zijn. Als 7 a ƒ 800 hakhout en ƒ 900 a ƒ 1000 voor de bomen die van de kastelijn, langs de weg naar Wapserveen tot aan t broek staan. Dee­ze bomen zijn zeer oud en winnen niets meer aan. Er zou mogelijk contant geld voor te bekomen zijn. Dit zou toch de Kommissie lijken.
Ik bevind mij ten dezen aanzien op nieuw in de dringendste omstandig­heden. Bij het ein­de van de maand had ik geen ƒ 50- in kas en wel ƒ 500- schuld alleen van voeding. Er was geen voorraad van vlas, brood, vleesch, aardappelen etc. en de maand heb ik reeds meer dan half doorgesukkeld met ƒ 700- waarvan nog ƒ 200- van de waren.
Op dit ogenblik weet ik nog niet waar van ik morgen de kolo­nisten betalen zal. Ik zal zien of ik nog ƒ 100- kan los krijgen. Reeds ben ik eene dergelijke som schuldig.
Geloof mij broeder op deeze wijze kan ik mij niet soutineeren. Ik geloof gaarne (dat) de Kommissie traag de verschuldigde penningen ontvangt. Daar aan contanten op zoda­ni­ge wijze gebrek te hebben is voor de reputatie der kolonie nadelig, voor mijne administratie ten hoogste moeijelijk en omslagtig, en mij even zeer onaangenaam. Het doet mij leed dat (ik) hier over zo dringend zijn moet, daar Gij zelf zult mijne moeije­lijke positie best kunnen beseffen. Ik vlije mij er geld op weg is, dewijl ik reeds voor eenige dagen hier over aan de Kommissie schreef.
Ik heb, meen ik, verzuimd aan den Kommis­sie te informeren, dat Breukel en Houtman - die de schouder gebro­ken had - zedert een­ige dagen terug zijn. Doctor Schuurman vreesde dat Houtman misschien het gebruik van den arm zou verliezen, dat zou eene fatale historie zijn.
Ik wagt met den brief der Kommissie nog eenige bepalingen ten aanzien van Drossens, en het Steenwijker gezin. Het slegte huisge­zin van Amersfoort heeft mij genood­zaakt tot strenger maatregelen.
Voor het overige gaat alles zeer goed. Zijt over niets bekom­merd. Ik zal mij in alles zeer wel redden.
Het school gaat uitnemend voort. Alle dagen is de meester er geregeld van 4 tot 7 uren. Weender legt op sterven. Anders geene zie­ken van belang.
Koppejan is hersteld. Adieu waarde broeder. 50)



Dinsdag 19 januari 1819


"Kopij eener missive aan de Perm. Kommis­sie" van de subcommis­sie Steenwijk

UwEds. missive van 14 jan. ll. heeft bij ons meer dan eene onaangena­me gewaarwor­ding verwekt. Een smartelijke teleurstel­ling is ook voor ons de terugkomst van het gezin van Dikkeboom uit de kolonie; smar­telijkst omdat wij onze goede bedoeling, tot geluks­bevordering eener verarmde en gebreklijden­de famil­lie, zoo jammerlijk zien mislukken; en dubbel grievend door de schandelijke oor­zaak, die hare welverdiende beroving van de voorregten der kolonie bewerkt en ons onder een vermoeden gebracht heeft, welk niet kon nalaten ons gevoelig te treffen, zoodra wij hetzelve uit UwEds. laatste missive ontwaar­den.
Ook ons heeft vrouw Dikkeboom, tegen onze verwachting, gedurende haar verblijf te Fre­deriksoord meermale verdriete­lijkheden ver­oorzaakt door hare onzedelijke klagten, welke ons dan ook reeds op den 18 dec. des vori­gen jaars deden beslui­ten: haar met gestren­gen ernst tot hare pligt te vermanen, met bijgevoegde bedreiging om, bij terugkering van dergelijke klagten hare uitzetting uit de kolonie te zullen bewerken, waarop van onze kant op den 29 dec. ll. een schriftelijk ver­zoek is gevolgd aan de Direkteur om bijzon­der regard te willen slaan op gemelde kolo­nisten en haar gedrag rigoureus­lijk(?) te wil­len behande­len.
Wij achten derhalve hare uitzetting uit de kolonie dubbel verdiend; maar nemen tevens de vrijheid UwEds te observeren, dat het onbillijk zoude zijn, het onaangename hier­door aan de Perm. Kommissie den Direkteur der kolonie veroorzaakt, ook slechts eenig­zins op onze rekening te willen stellen. Hoe­zeer wij toch gaarne toestemmen dat de mogelijkheid om iemands karakter te kennen in kleinere plaatsen grooter zij dan op andere is het toch zeker dat het dikwerf alleen van zekere omstandigheden afhangt om een ka­rakter te doen uitkomen. Wij althans verzeke­ren de Perm. Kommissie het karakter van gemelde vrouw niet van zulk eene zijde ge­kend te hebben. Veeleer hadden wij om den stand waarin zijn eerder in de maatschappij leefde van deze famielie gunstige gevoelens dan bij wegens anderen die zich aan ons voordeden, durven koesteren.
Jammerlijk zien wij ons van achteren hierin bedrogen en wij hebben nu gegronde vreze dat het van kwaad tot erger lopen en wij spoedig deze famillie die thans op de welda­digheid harer stadgenoten zeker weinig reke­nen kan, tot den bedelstaf zullen zien ge­bracht. Zij hebben dit hun lot verdiend en gaarne zouden wij zien dat zij, ook ten af­schrikwekkend voor­beeld weldra hunne ver­blijfplaats vormden in het bedelaarsge­sticht te Hoorn.
Wij hebben besloten hiertoe eene poging te doen en zullen ons te dien einde aan Z.E. den Gouverneur dezer Provincie wenden. 3450)



Woensdag 20 januari 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie:

Frederiksoord den 20 january 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie te informeeren dat ik op heden - den 20st - den sergeant Sweitzer en famille de terugreis naar den Haag per Steenwijker beurtschip heb doen aanneemen. Deeze man was voor zijn tegenwoordige betrekking geenzins ge­schikt; ook het gedrag van zijne oudste kin­deren deed mij deeze verwijdering bespoedi­gen.
Sweitzer had ik met veel moeite bewogen het achtkants huisje te betrekken, zijne gewone vreesachtigheid deed hem aan alle kanten gevaar voor instorting vrezen; en dringend hield hij aan om het groote gebouw te mogen bewonen.
Bij een sterke wind woei het glas open; en daar storte de binnen muur om .... Sweitzer verklaar­de nu stellig het huisje niet meer te kunnen bewonen. Dewijl hij opmerkte dat er nu toch geen ander dan het grote huis voor hem overbleef;
Dan daar het huis ook misschien niet zonder gevaar te bewonen is, kwam het mij verkies­lijker voor dit huisgezin door een spoedig vertrek voor alle verdere gevaren te beveili­gen.

Het gedrag der overige onderofficieren ver­dient alle lof, in den beginne liet zich dit veel minder gunstig aan­zien.
Bade, die de menage lijst houd, heeft zich met de gerin­ge bezighe­den, die ik Sweitzer kon toevertrouwen, gechargeerd; deeze man die eene goede hand schrijft, en niet van oordeel ontbloot is, zou waarschijnlijk wel voor de admi­nistratie zijn op te leiden, waar daar hij in t vervolg voor de Kommissie zeer bruikbaar worden kan. Voor den landbouw heeft hij geene dispo­sities.
Heden avond heb ik de raad van toe­verzigt zamen doen komen, en de famille Burks en Dikkeboom doen compareren. Eerstgenoem­de hebben onder herhaalde dankbe­tuigingen het besluit der Kommis­sie vernomen, en verklaart voortaan door hun gedrag zich dee­ze gunst te willen waardig maken.
Dikkeboom heeft vrij bedaard aangehoord wat ten zijnen opzigte was bepaald; Zijne vrouw daarentegen was troosteloos. Schrij­ende heeft zij gebeeden, meer dan een 1/2 uur lang gesmeekt, om nog slegts eenmaal geduld te neemen, t geen van de schoon­ste en vleijendste belofte vergezeld ging.
Ik hield mij altijd over­tuigd, dat de kolonisten zeer ongaarne hunne tegenwoordi­gen positie zouden willen quiteeren; dan nimmer had ik mij voorge­steld dat eene gedwongen verwij­dering, van zo veel invloed, zelfs op de minst gevoeligste, zou ge­weest zijn.
Dit voorbeeld zal zeer veel goeds uitwerken, en bevrijd ons van een zeer slegt huisgezin, dat voor geene verbetering meer vatbaar waar.
Vooral hoop ik dit van effect zijn zal voor het Amesfoorder huisgezin.
Ook Wijk bij Duurstede mag zich hier spiege­len.
Theodorus Drossens zal ik morgen de kolo­nie doen verlaten, Dewijl ik vrees wanneer hij hier van heden avond geprevin­nieerd was, hij mij deeze moeite zou uitwinnen: en van zijne kleding weinig zou terecht komen.
Het huisgezin van Ter Smetten heeft mij verzogt aan de Kommis­sie voor te willen stellen, of zij de kolonie zouden mogen verla­ten. Zijne famille wil zijne kinderen bij zich nemen en hen in goede omstandighe­den plaatsen. Dewijl zij thans over­tuigd waren dat hij in behoeftigen omstandigheid verkeerden; t geen zij vroeger slechts als voorwendsels ter bereiking van zeker oogmerk hadden beschouwd etc. Het is een goed en werk­zaam huisgezin: dat ik gaarne in de kolonie had behou­den. De vrouw is wel een weinig lastig, maar de man is een zeer goed en ijverig arbeider.
Het ploegen en de overige veldarbeid gaat bij het zagte weder zeer goed voort. 20 mest­bulten zijn ge­reed, maar bijkans geene mest meer voorhanden. De weg naar ons turf veld is zeer slecht, en maakt den aanvoer moeije­lijk. Dheer Strobel zal verplicht zijn dezelve te doen maken. De Kommissie zal te dier einde voorslagen ontvangen, die onderzoek en voorzigtigheid zullen vorderen.

De mandaat van ƒ 500= heb ik ontvangen. Het doed mij leed er te moeten bijvoegen dat dezelve slegs voor eene korte tijd kan toerei­kend zijn.
Sweitzer heeft mij om reiskosten gevraagd, waar aan ik niet heb voldaan. Zijne goederen heb ik aan boord doen brengen en zijne sol­dij uitbetaald tot en met den 5 february aan­staan­de bedragen­de f26=2=.. dewijl hij ge­brek aan contanten voor­wend. 50)

Previnnieren = verwittigen.


Uit het brievenboek:

Kassier P.J. Ameshoff (partikulier). Inzenden­de rekwest en bijlagen van die van Steenwij­kerwold aan den Min. van den Waterstaat, over den weg van Steenwijk tot de Blesse, met verzoek om appuie.
Respons: Meteen appuyeren. De brief aan den minister verzonden 22 jan. 18)

appuyeren = ondersteunen

Ingekomen post invnr 50. Uit een brief van de subcommissie Dordrecht aan de Permanente Commis­sie:

Dordrecht den 20 january 1819

De subcommissie van Weldadigheid te Dor­drecht heeft de eer bij deze de Permanente Commissie te berigten dat zich bij haar ver­voegd heeft de oudste zoon van A.P. Kra­nendonk, vanwege deze subcommissie naar de colonie Frederiksoord vertrokken, die tijdens het vertrek van zijn vader in dienst op een zee­schip zijnde niet in de gelegenheid was, zijn ouders naar gen. colonie te volgen, doch zo nu buiten dienst zijnde, wenschtte hij gaarne in de gelegenheid te zijn zich weder bij zijne ouders te vervoegen. Het is daarom dat wij u vanzijnentwege ten vriendelijkste verzoeken, zoo daar nog eenige mogelijk toe was, hem te veroorloven zich naar zijne ou­ders te begeven en mede in de colonie te worden opgenomen. Hij komt ons een zeer geschikten persoon voor en is 15 jaren oud. 50)


Ingekomen post invnr 50. Uit een brief van de subcommissie Utrecht aan de Permanente Com­missie:

Utrecht 20 january 1819

Gelezen hebbende de advertentie der Perma­nente Commissie in Staats-Courant van den 7 deezer, zo vind de secretaris der Utrechtse sub-commis­sie zich verpligt, aan de hoofd-commissie te melden, dat ook bij hem de aldaar bedoelde persoon van Theodorus Drossens zich op den 2 deezer heeft ver­voegd, met verzoek om ondersteuning tot voortzetting zijner reize. Dat de persoon ook werkelijk eene pas ver­toonde geteekend "Frederik­soord 19 december 1818. B van den Bosch", waar bij aan hem verlof werd toege­staan, om zich uit de colonie naar den Bosch en Gorinchem te begeven; Op mijne eerste weigering om hem onderstand te geven, en de vraag waarom men dan hem te Gorin­chem (waar hij zeide te huis te behoren) niet met geld voor de geheele reis voorzien had, antwoorde hij, dat hij, door eens door het ijs gevallen te zijn, en naar Gouda te hebben moeten gaan, in zijne reis vertraagd was. Hij zeide voorts dat men hem gerust geld konde geven, dewijl wij tog wisten, dat hij het in de colonie zelve wederom door arbeid moest verdienen, dat hij aldaar als gegageerd mili­tair door bijzondere gunst van den generaal v.d. Bosch was ge­plaatst enz. enz. Zijn ver­lofpas gezien hebbende meende ik genoeg zekerheid te hebben en geaf hem vijf guldens vier stuivers, waarvoor hij de nevens gaande schuldbekentenis onderteken­de. 50)



Donderdag 21 januari 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

Brief van den Heer Direkteur in de kolonien rakende de con­dui­te van den kolonist Pieter Arends, uit Hoorn, zeer tot nadeel van den kolonist strekkende, bijzonder zijne ONDERSTREPINGluiheidEINDEONDERSTREPING beschuldigende. Besloten aan de kommissie van Hoorn kennis te gevan aangaande het resultaat van het onderzoek en tevens dat wij hem hebben voorgeslagen om op zijne onge­gronde klagten te heroepen of de kolonie te verlaten, en van dit besluit den Heer Direk­teur kennis te geven, en te versoeken aan Arends aantezeggen dat (schoon het nu nog in zeijne keus gelaten wordt) echter hij (Arends) bij het eerste wangedrag of onver­be­terlijke luiheid uit de kolonie zal worden ge­zet. 38)



Vrijdag 22 januari 1819

Uit het brievenboek:

Subk. Utrecht. Berigt, dat ook bij haar Th. Drossens ƒ5.4- reisgeld heeft gevraagd en ontvangen.
Respons: Berigt van de verbanning dezes bedriegers uit de kolonie. 18)


Ingekomen post invnr 50. Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Amsterdam 22 january 1819

Heden morgen heb ik den magazijnmeester J. Schweitzer bij mij gehad. Hij was voorzien van eene order geteekend door den Direkteur der kolonie. Verzocht reisgeld, ik betaalde hem tegen kwitantien ƒ14-. Echter verwon­derd zijnde dat den Direk­teur hem geen geld mede gaf. Doch ik wilde niet dat hij zich bij anderen vervoegde.
Op uwe missieve van gister betuige dankbaarheid voor de deelne­ming in mijn verlies. 50)



Zaterdag 23 januari 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie:

Frederiksoord den 23 january 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie hier bij toe te zenden.
1: de staat der menage van de voorgaande week.
2. een dito staat van voeding en verdienste.

Ook moet ik aan de Kommissie berigten dat Weender den 20ste overleden, en op heden te Vledder begraven is. Kunnen de kleding stukken, die nog weinig gedragen zijn - zon­der beta­ling worden terug genomen?
Ten aanzien van Dikkeboom en Dros­sens heb ik mij overeenkom­stig de intentie der Kommissie gedragen.
Mijne voorgaande ten dezen, zo wel als ten opzigte van Sweit­zer en Pieter Arends zullen zeker de Kommissie reeds geworden zijn.
Aan vrouw van der Heijden heb ik een verlof van 10 dagen, ter verrig­ting van dringende famille zaken, en een dito aan de dochter van Johannes Bosch verleend.
Aan vrouw Metz heb ik uithoofde van slegt gedrag het gevraagd verlof geweigerd.
De zoon van Van der Heijden is op den 21 in de kolonie aange­komen.
Met uitzondering van Rigagneau of liever vrouw Rigag­neau - dewijl de man zeer strak en zakelijk is - van Rhee en Metz, gedragen de kolonis­ten zich steeds wel, en werkzaam.

Stukje over de joodse proefkolonisten Cohen en Hoofien.transcriptie bij Cohen en transcriptie bij Hoofien.

Ik heb 1000 pond vlas tegen 13 stuivers moeten kopen, dat ver beneden het holland­sche is. Thans heb ik uit Sneek 300 pond tegen 11 stuivers ontvangen, tegen welke prijs de koopman de leverantie voor 1/2 jaar wil aanneemen. Woensdag zend ik per beurt­man een monster daar van aan de Kommis­sie. Er zijn huis­gezinnen als bijvoorbeeld van Lucas Lucassen die 10 pond per week spin­nen kunnen. Bij het natte weder droogd het vlas zeer weinig. Ik heb aan den 2 assessor over de spin­nerij geschreven en zie het ant­woord met verlangen te gemoet.

Moet aan Weisman de menage tegen of zon­der betaling verstrekt worden? Hij beweerd het laatste door de Kommissie bepaald is. 50)



Zondag 24 januari 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van sergeant Schweitzer aan de Per­manente Commissie


'S Hage den 24 january 1819

Ik heb d'Eer mij met den diepsten Eerbied aan Uw. HoogEdG. Heere der Permanente Commissie van Weldadigheid te wenden en te kennen geven dat ik mij in gevolge de hierbijgaande kopy order van Frederik­soord, dadelijk met mijne familie en huis­raad naar 'S Hage begeven hebbe, en mij aldaar aan de HoogWel­gemelde Heere Leden der voorn. Kommissie gemeld heb.
Daar ik nu den dienst als aangestelde maga­zijnmeester van de Perma­nente Kommissie voor een jaarlijksch tractement van ƒ 150-"-" in de kolonie naar gegeven order drie maan­den geres­teerd heb, 't welk der Permanente Kommissie zoo wel als den directeur bewust is en getui­gen kunnen, uit dien hoofd meen ik mij een vierde gedeelte zijnde ƒ 37-10. is competerende.
Alsmede vrage reis en transportkosten met mijne familie en huisraad retour volgens inge­diend verzoek van den 27 july 1818 't welk nog is berustend bij de sollicitatie lijst door mij gehouden ten bureau voorn.
Zoo is mijn vriendelijk verzoek dat het UW.HoogEdG. Heere der Permanente Kom­missie van Weldadigheid zal behagen moge volgens regtvaardig accoord, mij die pennin­gen ter somma van ƒ 53.13-" volgs bijge­voegde declaratie gelieft te doen uitbeta­len, op dat, dat huisgezin door dit gemis geen verder gebrek ondergaan moet.

't welk doende,
J. Schweitzer
Magzmr.

bijgeleverd een kopie van het opsturingsbe­vel

Declaratie van reis en transportkosten, com­peteerd den onder­geteken­de voor Commissie van den 20 january 1819, op order van den Heer kapitein en directeur van Frederiksoord in de nieuwe kolonie B. van den Bosch.

January 20 van Frederiksoord naar 'S Hage zijnde drie dage op reis geweest voor mij per dag ƒ "-13-"

3 dagen    ƒ 1-19-"
deszelfs vrouw 6st per dag    "-18-"
2 kinderen boven de 20 jaren    1-16-"
1 kind onder de 12 jaren a 5 st    "-15-"
2 kinderen onder 12 a 4 st    1-.4-"
ƒ 6-12-"

no. 1 aan den schipper Brink van
Steenwijk op Amster­dam bet.    9-12-"
2. aan den sleper Smit    "-16-"
3. aan den bruyer Levi Klerk    "-13-"
4. aan den besteller D.F. Wuillemin    "-.6-"
5 aan den schipper Pabbruwe van de
pakschuit van Amsterdam op Den Haag    11-.4-"
6. aan den sleper Kop         1-00-"
ƒ 23-11-"

Als magazijnmeester 3 maanden
tractement    37-10-"
Somma    ƒ 67-13-"

van den Heer Ameshoff te
Amsterdam ontvangen    14-00-"

competeerd nog eene som van    ƒ 53-13-"
960)




Maandag 25 januari 1819

Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie, invnr 38:

Subkommissie Steenwijk antwoord op onze missive van 21 janua­ri l.l. ten aanzien onze behande­ling van vrouw Dikkeboom, die uit de kolonie is gezet. De subkommissie excuseert zich van die vrouw in hare hatelijkheid niet gekend te hebben etc. etc. Notificatie.

Brief van den Direkteur, 20 januari, omtrent de conduites van Schweit­zer, die zijne demis­sie heeft bekomen; voorts rapport doende van de goede conduites der overige onderof­ficieren, vooral van Bade, die de menagelijst houdt: nog rapporterende het verrigte omtrent Burks en Dikkeboom. Notificatie en goed­ge­keurd de verzending van Schweitzer en wat de positie van Ter Smetten betreft, te beant­woorden door den Heer Gene­raal van den Bosch.


Ingekomen post invnr 50. Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Amsterdam 25 january 1819

Heden is weder voorgekomen een mandaat groot ƒ200. no.12 waar­voor het advies ont­breekt. Deze beide zijn dus in souffri­ance, en kunnen niet betaald worden.

In de Haarlemmer Courant 14 dezer no.6 laatste bladz. staat iets zonderlings onze Maatsch. betreffende. 50)



Dinsdag 26 januari 1819

Ingekomen post invnr 50. Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie:

Frederiksoord den 26 january 1819
Ingevolge mijne voorgaande zend ik hier bij aan de Permanente Kommissie in:
1. onderscheidene soorten monsters vlas
2. de quitanties over de maand december
3. de huurcedels van De Boer en landerijen van Westerbeek
4. eenige onbetaalde rekeningen
5. den brief van Dheer Tuttel, mij door de Kommissie toegezo­nden

Het vlas in de blouwe papieren is uit Amster­dam, en het andere uit onderscheidene vrie­sche plaatsen gekomen. De prijzen zijn bui­ten opgemerkt.
Schoon het vriesche vlas gewoonlijk voor sterker dan het andere gehouden wordt, zo komt mij echter voor, en ook deskun­digen zijn van gevoelen, het zelve ver inferieur aan het hollandsche is. Ook is het garen van vriesch vlas, ons veel slechter dan van hol­lands ingeleverd. Dat van 10 stuivers meen­de Weisman overeen zou komen, met het geen ons uit Den Haag gezonden was. Ik geloof echter het met dat van 11 stui­vers zou gelijk staan.
Wanneer de Kommissie kan goedvinden ons eene goede kwantiteit hollands vlas en eenig snuit voor leer­lingen toe te zenden: zouden naar mijn inzien, het aller geschiktst zijn; en het best met het belang der Maatschappij overeenstemmen.
Volgens het algemeen gevoelen zouden wij voor de fabrijk telhaspels benodigt zijn. Dewijl het zonder dezelve niet gemakkelijk valt de behoorlijke dikte van het garen te beoor­de­len, waar­door het garen veelal zou kunnen te grof, en de Maatschappij veel benadeeld worden. Zodanige haspel kost ƒ 1=10= ieder huisgezin zou er een beno­digt zijn.
(Een telhaspel is 'een haspel die het aantal draden voor elke streng aanwijst door middel van een hamertje dat op een plankje valt.)
De quitanties zal de Kommissie over een­komstig mijne ingezonden verantwoor­ding vinden.
De huurcedels ter approbatie aan de Kom­missie gehouden zijn com­pleet, uitgenomen die van Koender Hoffman, die ƒ 150=.= op­brengt, maar den huuren difficulteerd ten aanzien der belas­tingen die hij even als al der overigen boven de huur­pennin­gen zou moeten betalen. Hij beroept zich op t gevoe­len van den 2 assessor, welken zich echter reeds tegen hem heeft ver­klaard. Drie kleine woningen te zamen ƒ 40 kunnende doen, zijn nog onverhuurd.
De onbetaalde rekeningen ten bedrage van f 1692=10=6 zijn slechts voor een gedeelte ingezon­den; zo als ik op de voet van de klei­ne daarbij gevoegde bijlagen heb opgegeven. Van alle kanten om betaling gedwongen wor­dende, bevind ik mij somtijds in geene aan­gename omstandigheden.
Dewijl ik de schuld van voeding etc. van voorgaangde maand niet allen heb kunnen voldoen, waar wij om de dagelijk­sche betalin­gen en benodigdhe­den zelfs somtijds verle­gen zien.
Wanneer de Kommissie hierbij in aanmerking neemt wat er nog aan vlas te betalen komt; zal zij mijne moeijelijke positie zeer goed kunnen beseffen.
De brief van Dheer Tuttel, zal gedeeltelijk reeds beant­woord zijn. Voor 't geen ik aan den 2 assessor schreef, met verzoek er de Kommissie van te willen informeeren. ƒ 200= door Dheer Tuttel voor onderhoud van wegen en huizen geproponeerd was lang niet vol­doende: het grootste bewijs hiervoor is dat Dheer Nobel zich daarna niet zou verbonden hebben ƒ 350= te betalen.
Dheer Nobel had mij mondeling, en Dheer Tuttel door een klein briefje verzogt, wanneer mijne opinie gevraagd werd, hunne proposi­tie, die zij als zeer billijk opgaven, te appui­en. Het was bij die geleegenheid dat ik de vrij­heid nam de Kommissie een kleine wenk te geven. Ik was met de som, die de Kommissie zou worden aangeboden nog onbekend; Maar dat Nobel niet te veel zou bieden, wist ik zeker. Dheer Tuttel die zich op Nobel schijnt verlaten te hebben, heeft niet zeer voorzich­tig gehan­deld, dewijl ik geloof hij met 't een en ander weinig bekend was. Ik heb hierover gedetailleerd reeds geschreven; en Dheer van Roijen herhaald zijne propositie of de Kommissie het voor zich zelve wil houden of aan zijne laten.
De ƒ 350=.= zullen waarschijnlijk meer dan toereikend zijn. Te kort kan er zeker niet komen, en reeds is alles besteed in den ar­beid die spoed vordert, begonnen.

Daar er veel mest naar mijn inzien zal moe­ten gevaren worden, was het waarschijnlijk goed wanneer een vaste schipper kon wor­den aangenomen, om het benodigde naar herwaarts te brengen. Het zou hier vooral op de eerlijkheid van de schipper en de billijk­heid zijner proposities aankomen. Ik zal mij gaarne hierop nader informeeren en de Kom­missie rapport doen. De schipper zou bij de vragt, dunkt mij, moeten betaald worden en niet behoeven stil te liggen. Op zijne terug­reis kan hij andere goederen van particulie­ren meede neemen en dus goedko­per dan een ander aannemen.
A.P. Kranendonk uit Dordrecht inclineerd wel om zijn zoon bij zich te hebben. De subcom­missie zou echter dunkt mij van zijn goed zedelijk gedrag moeten overtuigd zijn. In mei, hij zich als matroos had geanga­geerd. Voor het overige is mij niets bekend wat eenige swarigheid zou kunne doen ontstaan. 2 of zelfs wel 3 kinderen zijn in dit huisgezin inge­deelt. Ik denk echter niet hier door de harmo­nie zal verloren gaan. 50)



Woensdag 27 januari 1819


Uitgaande post volgens invnr 1438. Concept brief aan de Heer van Dedem tot den Berg met een figuratief kaartje van de Ommerschans. transcriptie




Donderdag 28 januari 1819

Brief van Benjamin v.d.Bosch aan de Perma­nente Commis­sie:

Frederiksoord den 28 january 1819

Ik heb de eer aan de Permanente Kommissie in te zenden.

1. de staat der menage van den 18 tot den 24 january

2. de staat van voeding en verdienste meede over de afgelopen week.

Uit eerstgenoemde staat zal de Kommissie zien dat de distribu­tie van erwten en grutten, buiten de menage met die van aard­appelen en groentens van voorgaande weken, nage­noeg overeen­komt. 2 1/2 pond erwten voor het middag- en 1/2 spint aardap­pelen voor het avond eten is, volgens het algemeen voorgeven, voor talrijke huisgezinnen niet voldoende. Ik heb dus de erwten nog met 1/2 pond vermeerdert. Daartegen schijnt dezelf­de kwantititeit grutten - 2 1/2 pond met 1/2 spint aardap­pelen - voldoende te zijn. Ik heb de prijzen op inkoops­waarden gesteld. Ik hoop zulks overeenkomstig de inten­tie der Kom­mis­sie zijn zal.

Uit de staat van voeding en verdienste zal de Kommissie zeker met genoegen ontwaren, dat het spinloon reeds tot ƒ 133=8=4 geklom­men is, reeds aan veldarbeid overtreft en ruim ƒ 2=10=. per huisgezin bedraagd, het geen nog dagelijks zal toenemen, vooral wanneer er meer hollands vlas mogt gespon­nen worden. Het vriesche vlas valt moeijelij­ker te spinnen, te meer daar het in t alge­meen niet behoorlijk geheekeld is. Op den 1 january had Weisman ontvangen:
pond vlas        pond snuit
500            300
afgeleverd:
389            207
was afgegeven om te spinnen:
100             70
____________________________________
489            277
mankeerde dus
11             23

De gesponnen wol bedroeg 208 pond waar voor volgens, inge­zonden betalingsrollen was betaald ƒ 444=3=14. Het verlies aan vlas en snuit, hoewel aanzienlijk, zou bij eene opge­richte fabrijk, als zeer licht moge­lijk kunnen aangemerkt worden. Dan dit verlies moet veel hoger gesteld worden, dewijl Weisman een en ander zeer vochtig heeft afgeleeverd. Zo dat men geene behoorlijke bereekening heeft kunnen maken.
Ik zal tragten zulks te doen wanneer het be­hoorlijk droog is, het geen echter altijd zeer moeijelijk zijn zal.
Ik moet voor het belang der kolonie steeds wenschen, dat de Kommis­sie een aander in de plaats van Weisman, dat een slegt sujet is, vinden. Hem daarop naar den Haag ont­bieden en zijn ontslag geven. Wanneer hij hier zulks verneemt, zoude er wellicht nog ongeregeldhe­den plaats hebben, dewijl hij hier een aanhang heeft buiten de kolonie, die zich alle slegte streken veroorloven, en zeer maetig worden in het oog gehou­den.
Gedurende acht dagen kan ik den fabrijk, met den onder-opzien­der Bult zeer wel in order houden. Mijne bezigheden en ook ge­brek aan kennis zoude mij verhinderen zulks langer behoor­lijk te derigeeren.

In mijnen laatsten brieven heb ik aan de Kommissie niet over de slegte staat mijner financien geschreven, dewijl ik mij ver­beelde reeds vroeger aan de Kommissie en ook aan de 2 assessor te hebben berigt, hoe weinig de aan mij gezonden mandaten de uitgaven zouden kunnen bestrijken. Thans vind ik mij in zulke dringende omstandigheden, dat ik zelfs ter be­taling van dage­lijksche benodig­theden volstrekt geen penning meer over heb. Wanneer ik mij niet vlijde, er gelden voor mij op weg waren, zou ik zeer verleegen wezen, over de wijze waarop ik mij zou staande houden. Ik behoef hier niet meer bij tevoegen om de Kommissie mijne moeijelijke positie te doen kennen; maar houde mij over­tuigd: dezelve in mijne behoeftig voorzien heeft.

Ik heb per beurtman aan de Kommissie afge­zonden differen­te soorten van monsters vlas, de quitantie over de voorgaande maand, de huurce­dels en oude rekeningen. Ten aanzien der laatste heb ik van tijd tot tijd geene aan­gename herinneringen gehad.
Naar het mij voorkomt is de rekening van den kastelijn Handen te hoog gesteld.
Wij hebben 2 paarden in den aanvang van de winter gekogt voor ƒ 33= waar voor reeds f 110= geboden is.
Bij het schone weer gaat den veldarbeid bij­zonder goed. Zou men zodanige kolonis­ten, wier land in de boschen ligt - ik meen er acht zijn - niet eenigzints, ter uitroying van 't hout, voor reekening der Maat­schappij, mo­gen te gemoet komen, door hun ieder één dag met tien arbeiders bij te staan. Hier door zouden zij werkelijk geholpen en den grond spoedig gecul­tiveerd worden, t geen de Maatschappij in het geheel op  ƒ 40= zou komen te staan.

P.S. Zou een ongeschikt werkman die in het bosch woond, en dus zwaren arbeid heeft met een bekwamen die op vlak terrain woont mogen ruilen? 50)


Uit de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie

Schweitzer krijgt op zijn verzoek 9 gulden en 11 stuivers om terug te keren naar Den Haag.

Brief van de subkommissie Goes berichten­de dat J. Burks recanteert van 't eermaals ge­schreve­ne, en verzoekt onthe­ven te wor­den van de bijwoning van A. de Sm??e. Be­slo­ten die brief te zenden aan den Direkteur om consideratie en advies. 38)



Vrijdag 29 januari 1819


Uit een brief van de Permanente Commissie aan Ameshoff:

Missive aan den kassier
dato 29 januari 1819

Eindelijk moet de Permanente Kommissie den Heer kassier nog over een voor haar zeer belangrijk onderwerp onderhouden.
De kassier heeft reeds meer dan eens de Permanente Kom­missie in ogenblikken van verlegenheid toegestaan meerder te dispo­neren als er in cas was, en wij heeft hier van met dankbaarheid gebruik gemaakt. Op dit ogen­blik is de kassier zelve in voor­schot. Ondertus­schen moet de Permanen­te Kommissie behalve de kleine posten van tractementen die met het einde der maand betaald moeten worden, noodzakelijk ƒ 3 a 4000- betalen. In dien verlegenheid neemen wij de vrijheid om aan den kassier van wiens goede werk wij zoo veele bewijzen heeft, te vragen of hij zoude kunnen toestaan dat wij nog voor die som op hem disponeerden. De Permanente Kommissie durft geene aanvang te maken met het inkasseren der kontributie voor 1819 voor het begin der maand maart. Eendeels om de leden niet te spoedig lastig te vallen en anderdeels om geene verwarring te veroorzaken in de verrekenin­gen. Intus­schen heeft wij bij de subkommissien ten sterkste aangedrongen op de aanwerving van het afgelopen jaar, waarop vooral bij de dorps-subkom­missien nog aanmerkelijke sommen verschuldigd heeft. Met verlangen als de Permanente Kommissie het antwoord van den kassier hierop te gemoet zien. 960)



Zaterdag 30 januari 1819

Uit de Staatscourant:

Leeuwarden, den 30 januarij.

Uittreksel uit een' brief, aangaande de situa­tie en gesteldheid der zaken te Frederiks­oord, gezonden aan S.A. de Boer, te Doc­kum, welke denzelven, om de belangrijkheid daarvan, in onze stads-courant heeft doen plaatsen.

Het stond mij te Frederiksoord zeer goed aan; de kolonisten waren goed gekleed en zeer vergenoegd; de mannen spitten den grond, of hakken hout; de vrouwen en kinde­ren, zelfs tot de kleinste toe, spin­nen, en, door de goede orde, had ieder werk; ik heb de rogge, welke op den daartoe bereiden heigrond groeide, gezien, en dezelve stond even groen en schoon, als op den besten kleigrond; ik heb het onder­wijs in de school eenige oogenblikken bijgewoond; alles ging daar zoo stil en goed, dat het een plezier was om te zien; men heeft mij onder­rigt, dat de hervormden te Vledder, de roomsch ka­tholieken en andere gezindheden te Steen­wijk, den godsdienst niet alleen ijverig bij­woonden, maar aldaar ook in de gronden van denzelven onderwe­zen werden.
Dus, wanneer dit werk zoo gezegend voortgaat, zullen de arme menschen geluk­kig, en ons land eindelijk van dezelve verlost worden; terwijl ik tevens overtuigd ben, dat het geld, hiertoe bijgedragen, nimmer tot beter einde kon gebezigd worden. (geteek­end) C.K. EILAN­DER (Leeuwarder Courant) sc 5.2.19



Zondag 31 januari 1819


Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Amsterdam 31 january 1819

En dan nu het kardinale punt. Onze rekening staat heden grosso modo aldus.
van dit jaar in de bank gestort
of in de bank    ƒ 3659:86
getrokken dit jaar    - 6944.60
╶───────╴
deficit    ƒ 3284.74
geadv. met heden nog niet
ontvangen kredieten    - 7071.00
Afbegrepen in de bank 1068.65    - 3405,05
╶───────╴
saldo-krediet    ƒ  230:31

Nog duidelijker met saldo
ll. jaar geadviseert    ƒ 7074.91
getrokken dit jaar    - 6944.60
╶────────
meer kredieten dan mandaten    ƒ  130.31

Ik heb met den Heer J. Mendes de Leon overeengekomen dat ZEd. als niet dagelijks den toestand der kas kennende ditmaal zou­de storten ƒ5000- Het geen door ZEd op de grauenste wijze gedaan is, Daar echter de oningeko­mene kredieten bedragen ƒ3415.05 van de ƒ5000 aftetrekken, opleveren ƒ1584.95 Vinde ik geen bezwaar in hooge noodzakelijkheid bij te voegen ƒ2415.05
Het welk bedraagt ƒ4000:- waarvoor gelieve op de afdeeling aftegeven.
Bovenst. rek. is slechts globaal. 50)