Naar het overzicht
van de POST







De POST van OKTOBER 1818

begin oktober 1818

Ingekomen post invnr 49.

Enkele stukken met berekeningen, rapporten over landbouw etc. Duidelijk niet bij de inge­komen correspon­dentie behorend. Onder deze stukken een "Generaale berekening der schafting voor 500 persoonen", bestaande uit recepten en hun kosten. De genoemde re­cepten zijn:

Iedere dag:
Soup
Karnemelk des avonds
Brood des morgens en 's avonds een snede te zamen wegende 3/4 pond
Bier


Gort
Grauwe Erwten
Witte Erwten
Wortelen en Aardappelen
Zuurkool met Aardappelen
Vleesch
Spek 49)


Uit de minuten van verzonden brieven:

Circulaire aan de gouverneurs ter ... van de onder hen nalati­ge subcie in de disponibel­stelling van gelden. Verwezen wordt naar de circulaire van 16 september jl. 352



Rond 1 oktober 1818

Bepalingen wegens het vertrek van huisgezinnen naar de eerste kolonie invnr 1337. transcriptie


Zonder datum, bij de papieren van 1819, maar ergens september/okto­ber 1818. Op de achterkant staat: Bijvoegsel voor de inlich­tingen der subkommis­siën, bij de allereerste kolonisatie. Met begeleidend briefje voor Ockerse, invnr 960. transcriptie.






Donderdag 1 oktober 1818

Brief van Johannes van den Bosch aan P.J. Ames­hoff:

S'Hagen den  1 sept (doorgestreept en ver­vangen door) mai (boven­aan) 1 october

Particulier

WelEdelGeb. Heer!

De intekeningen der leden van de Kommissie van Weldadigheid had moeten aan na de subkommissies gezonden worden der steden waar zij woonachtig zijn, in zo verre is het derhalve niet van belang of ieder op de lijst door ons word gezonden tekent. Alleen be­doelde wij daar mede een goed voorbeeld tegeven. Is het uwe mening om ook nu een­ige gelden op onze lijst inteteke­nen dan kan zulks nog geschieden. De uitdrukking beider re­kwesten mag aan de pen van de Heer Ockerse ontsnapt zijn, maar onze be­doeling is het zeker niet geweest UWelEd­Geb. iets onaangenaams te zeggen.
Aangenaam was mij (doorgestreept en vervangen door ons) het bericht dat in de loop der afgelopen maand zes schepen met mist verzonden zijn. Wij hopen alzo het be­richt van de aan­komst derzelve eerdaags tegemoet te zien.
Onbewust van uwe terug komst hebben wij heden morgen een mandaat van duizend en zevenentwintig guldens order den Heer Tuttel gezonden. Wij verzoeken het zelve per komende als betaling te hono­reren en zijn van gevoelen dat wij gemakkelij­ker uwen te doene uitga­ven doen aftewachten of ge­noem­de heer Tuttel met den missieve genoe­gen neemt. In het vervolg zullen zij gaarne van uw voorstel om de mandaten voor de kolonie of Steenwijk betreffend op de afdeling van financien te verlenen en aan uwe order telke­lijk(?) gebruik maken. (Deze alinea was oor­spronkelijk langer en omslach­tiger. Dat is hier niet opge­nomen)
Met betrekking tot Bok hebben wij geen reden om den man boven iemand anders te prefereren, alleen was hij ons als eerlijk op­gegeven. UWelEdGeb, kunt beter dan ons op de plaats zijnde beoor­deelen wie het verkie­zelijkst is in deze te ge­bruiken, en wij wen­schen geenszins eenige invloed op uwe keu­ze daar omtrent uitteoefenen.
Het schijnt ons alles wel ingezien voor als nog verkies­lijk om de schepen aan de Heer Tuttel te adresseren. Deze is te Steen­wijk gedomicileerd en kan dus beter dan de Direkteur voor de goede administratie zor­gen.
De Heer Ockerse absent en de Heer Riemsdijk ziek zijnde heb ik deze in het parti­culier geschreven, als zijnde het te voorzien dat de uwe niet heden zal kunnen beant­woord worden. Aangenaam zal het mij zijn zo doende UwelEdgGeb. tot eenige inlichting strekken kan.
Aan alle subkommissien hebben wij dringend om geld te zenden geschreven. Wij hopen dezelve spoedig daar ons zullen ge­worden. In de loop van de maand moeten wij zeker ƒ 20.000- uitgeven.
Met vriendelijke groeten heb ik de eer te zijn
UwelEdGeb, DWDienaar

J. van den Bosch

P.S. in zeer grote haast. Verschone de haas­tige stijl.

De toegezondene wisseltjes zullen wij aan de Heer Ockerse bij zijne terugkomst over­handi­gen.

Kennelijk was het de bedoeling van Johan­nes van den Bosch om een handgeschreven brief aan Ameshoff te sturen. Daar hij echter hevig in dit exemplaar heeft zitten krassen moet er besloten zijn een nette kopie van te maken. Oorspronke­lijk stond er ook 'ik' waar nu steeds 'wij' staat. 48)


Uit een brief van Van Ewijk over de kweke­ling K. Mulder:

Van Ewijk bericht van een onderhoud met "Directeuren" van de Maat­schappij. "Geheel zijn zij in dit plan ingetreden, en bijzonder de Gene­raal vd Bosch met wien ik dan meer bepaalde­lijk gesproken heb, ziet het ding in het rechte oogpunt en is volkomen over­tuigd van de belang­rijkheid der zaak.
Hij wilde alleen niet, dat de Koning er in zou betrok­ken worden, voor­eerst om dat die reeds in zijn particulier, een zeer ruime gift aan de Maatschappij gedaan heb­bende, men zelfs indirect of in de verte geene aanleiding moest geven om soms te kunnen doen den­ken, dat de Maatschappij door zijdelingsche wegen nog meer van Hem zocht te verkrij­gen; ten tweede omdat hij zood­anige kwee­keling gaarna aan de Maat­schappij wilden verbinden, hetgeen altijd minder het geval zou zijn, wanneer die van Gouvernements­wege naar Zwitserland ge­zonden wierd."
Van Ewijk heeft met de Maatschap­pij afge­sproken dat zij dus de kosten van reis en onderstand van de kwekeling draagt en hem bij terugkomst voorlopig een jaarsa­laris van ƒ 300,- garan­deert naast kost en inwo­ning, alsmede een "rang zoo zij het noemen, van onder direc­teur, welke hem, naar de eenig­zins militaire organisatie der kolonie, de be­hoorlijke achting en het ver­eischte gezag en aanzien in die kolonie zou verzeke­ren."
De brief blijkt gericht aan professor Van Swinderen uit Gro­ningen, die ene Mul­ler heeft voorgesteld. De Maatschappij heeft veel vertrouwen in de keuze van de profes­sor aangezien zij al een oud-leerling van de pro­fessor kent, namelijk de schoolmeester van Vledder, Van Wolda. Overigens zal de ge­noem­de kwekeling wel het "Hoog­duitsch" machtig moeten zijn. 1609)



Ingekomen post invnr 49. Brief van P.J. Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 1 october 1818

Confidentieel

Mijne Heeren!
Met uwe missieve van gister ontving ik ad­vies van eenige uwer traittes, doch het komt mij wonderbaarlijk vóór de telling
van    ƒ924-12-cents
" 32-""-"
" 25-""-"
" 59-17--
" 51- 6-
" 54-15-"
Vooral de 6 cents. Het komt mij vóór dat dit stuivers moeten zijn; waarvan verzoeken­de met omloopende hiervan kennis, want ik kan geen 6 cents of 12, noch de Nederl. Bank, betalen.
Het spijt mij deze onduidelijkheid nu voorvalt terwijl ik bezit ben de staat van sept. optemaken.
Overigens groet ik WelEd haastiglijk, doch niet minder vriend­schappelijk
J.J.
P.J. Ameshoff

De Heer vd Bosch moet veele hartelijke groe­ten hebben van den plaatsmajoor van Luijk Koch die ZijnEd. te Amsterdam moet hebben gekend.


Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

De 3 rekwesten om tot kolonisten te wor­den aangenomen als van H. Rigagneau, die mij zeer geschikt voorkomt.
J.H.B. Bosman, van welke het advies van de Heeren Wiseli­us en Holtrop nodig achten.
Willem Theunisse die gunstig aanbevee­len.
Weder een schipper aangenomen voor ƒ44. de 20 last.


Ingekomen post invnr 49. Brief van de burgemeester van Antwerpen, gesteld in het Frans. De burgemeester schrijft dat er zich inderdaad in de stad zich een rasp­machine voor aardappels bevind. Het mechaniek zou ongeveer 300 florijnen kosten. Met aanpassingen en vervoer moe­ten de kosten echter op zeker 1000 florijnen gesteld wor­den.

Vrijdag 2 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 2 october 1818

De kassier ... gedraagt zich aan het omme­staande, en herhaalt zijn verzoek om eene remissie 31 aug: ll. gedaan groot ƒ40.41½, en voor het inleggende groot ƒ280. alzoo hij ander­zints niet kan voortvaren met de mest expeditie. Morgen zal de staat gereed zijn.

De kassier voornoemd
P.J. Ameshoff

Ik konde niet weten het berigt wegens de inteekening van de Kommis­sie - aangaande bijdrage. Zo heb ik na gedachte bijna ƒ200 onkosten voor de Maatschappij gedaan, wel­ke ik niet van sints ben in rekening te bren­gen.
Wanneer UWE prompt zijt met remittee­ren, zal ik prompt zijn met mest aftezenden.
Het doet mij groot genoegen, UWE met mij eens zijt over het adresseeren der sche­pen.



Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subkommissie Amsterdam aan de Permanente Commis­sie:

Dat eindelijk met opzicht tot het derde point wij vermenen in staat te zijn, volkomen aan het oogmerk der Maatschappij en harer Permanente Kommis­sie te kunnen voldoen; door bij deze voor deze stad op te geven een behoef­tig doch niet geheel schamel huisgezin, bestaande uit vader, moeder, twee dogters, een zoon, en een behuwd zoon, met namen

de vader Johannes Bosch oud 64 jaren
de moeder Aaltje Gijsberts oud 60 jaren
een dogter Luberta Bosch oud 28 jaren
een dogter Alida Luberta Bosch oud 23 jaren
een zoon Barend Bosch oud 18 jaren
een behuwd zoon Wouter Jacob Peen, oud 30 jaren, zijnde getrouwd met voornoemde Luberta Bosch, welke ook bij hem zwanger is.

De vader van dit huisgezin, voornoemde Johannes Bosch is te Raalten in het landschap Drenthe geboren; heeft in zijne jeugd het akkerwerk verrigt; is daarna in 's lands dienst gegaan; en op den slag voor Doggersbank gewond geworden; doch niet zoo, of kan nog werkzaamheden verrigten, vooral indien hij in eenige relatie als opzig­ter of onder Directeur mogt kunnen geplaatst worden: waartoe hij als hebbende groten roem van geschiktheid en braafheid, zeer recommen­dabel zijn zoude. Hij leeft tot nog toe van zijn handen-arbeid,; zijnde schoenmaker; zijne kinderen zijn gezond en sterk; en het gansche gezin staat alhier ter goeder naam en faam.



Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Sloten aan de Permanente Com­missie:

2 oktober 1818

Gemelde huisgezin, heeft op onze voorstel­ling, vrijwillig besloten naar de kolonie te willen vertrekken. De man is met den land­bouw bekend. De vrouw en kinderen kunnen spinnen. Het weesmeisje is voor één gulden 's weeks door de commissie, van de armbe­zorgers van Sloten aangenomen. Het huisge­zin van G.S. Brandsma is over het geheel genoomen zeer armoedig, geschikt tot den arbeid, man en vrouw kunnen met het boe­renwerk omgaan en weten alles wat tot den boerenstand betrekking heeft. Zij zijn van een betamelijk gedrag.

P.S.
Wij kunnen de Commissie verzekeren dat gemelden Brandsma zel boer geweest is en volkomen alles verstaat wat tot verzorging van vee, het recalien(?) van boter enz. be­hoord. Hij wil gaarne geplaatst wor­den, doch ist thans zeer arm.


Uit de Groninger Courant 2 oktober 1818:
De Sub-Commissie van Weldadigheid, te Groningen, verwittigd mits dezen de inteeke­naars of leden der Maatschappij van Welda­digheid, dat zij, te begin­nen met aandag den 5 dezer, zal doen rondgaan tot het inzamelen der penningen voor ieders aandeel van dit jaar, zijnde ƒ 2.-60 cents of ƒ 2.-12; waarom elk hunner verzocht wordt die gereed te hou­den, teneinde dezelve, tegen quitantie der Hoofd-Commissie, vanwege de Sub-Commis­sie gecontra­signeerd, dadelijk te voldoen.



Zaterdag 3 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Brief van de subcommissie Amers­foort aan de Permanente Commis­sie met voordracht van het gezin van Metz. transcriptie



Zondag 4 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Brief van de subcommissie Maas­sluis aan de Permanente Commissie over de voordracht voor de proefkolonie. transcriptie bij de subcommissie en transcriptie bij Breukel.





Dinsdag 6 oktober 1818:

Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Wijk bij Duurstede aan de Perma­nente Com­missie:

Het huisgezin van Sarus van Rhee bestaan­de in het geheel uit 5 personen, zijne huis­vrouw is genaamd Elizabeth Hox(?)ij, heb­ben 3 kinderen waar onder één jongen van 6 jaar, en 2 meisjes één van 3 jaren en één van 4 maanden.
De man Sarus van Rhee is oud 38 jaren verstaat behalven het wagenmaken en ver­wen ook het werk van den landbouw, hij heeft voormaals gediend onder het corps op het eiland Wight, onder het opperbevel van Z.M. onzen tegenwoordigen Koning en is bij de ontbin­ding van dat corps van het zelve in het jaar 1802 ontslagen. De vrouw verstaat het spinwerk zoo wij geïnformeerd zijn zeer wel.
Ofschoon de kinderen nog wel wat te jong zijn, zoo zou moge­lijk door bijvoe­ging van anderen dit bezwaar door de Com­missie kunnen weggenomen worden.


Ingekomen post invnr 49. Bijlage bij een brief van Ameshoff:
A. 6 oct. 1818

A!
Is de Permanente Kommissie nu niet in haar schik over mijne zinnige wijze van de kredi­ten te incasseeren?
De ƒ70.20 M no.20 is nog onbetaald, kan dus model 3 niet opzenden.
Uwe aanmerking bij K no.44 op J. de Jongst JZ(?) te Goes kan ik niet begrijpen. Goes legt immers in Zeeland.
Ik mankeer nog remissie voor bureauk­osten.
M 32 is niet voor straatvuil maar mijne onkosten over augustus. Zie mijne brief sept. 1.
In het kamp kakken de soldaten in een kuil, waarover een stok legt, een schildwagt zorgt daarvoor. Wanneer nu 22 man dage­lijks 1/4 pond kakken, levert zulks in 14/d +: 77 last. Ik denk dat zulks ten behoeve van den Prins van Orange, wel te verstaan van zijne gronden, aldus geschiedt.
Hebben mijne rekwestanten Obbeloo, Lecke hoop.
Wanneer gaan de kolonisten naar de kolonie.
Leest mijn brieven na, Tuttel wil geld hebben, en heeft niets aan mandaten. De wind is goed. Heden gaat 20 last en morgen 30 last weg.
Wanneer de staat, voornamelijk de som­men akkoort zijn verzoeke daarvan be­rigt.
Ik heb veel verzuimd met mijn uit de stad gaan.
Het spijt mij uwe uitdrukking van bede­rekwesten, door mijn uit de stad las mijn broer en klerk dit.
Wanneer komt de Star uit?
Schrijf mij s.p. hoedanig dat de laatste straatvuil, in kwaliteit uitvalt.
Ik hoop een paar pond extra klaverzaad uit Nassau te krijgen, voor de kolonie te krij­gen.
En in hartelijke groeten

J.J.
Petro


Uit het brievenboek:

Besluit der P. Kommissie. Om aan den gene­raal Ditubrema, belast met de portefeuille van oorlog te melden de elekta van J. Schweitzer, J.F. Schnatz, Ph.E. Seijlen ... Koster, staand bij de garnisoens kompagnie, tot onderopzie­ner in de kolonie, met verzoek hen dit aante­zeggen, zullende eerlang tijd en wijze van vertrek en destinatie nader wor­den opgege­ven. 18)



Woensdag 7 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 7 october 1818

De kassier ... verwacht bij gelegenheid rem. voor zijne voor­schotten van ll. maand en herinnert de Perm. Komm. dat de geadr. K. geene ontvangene zijn, en dus geene man­daten kunnen afgegeven worden daar de sommen niet voor disponibel zijn.
Verder dat het hem onmogelijk is, spoe­diger de geadr. K. te ontvangen. 1. om dat hij diwijls eenige dagen moet zoeken, om ne­mers te vinden, die het papier pari of met kleine onkos­ten willen inkassee­ren. 2. Dat de leden dezer afd. niet in blanco de advie­sen teekenende, hij niet naar de plaatsing der kred. kan informeeren waarmede 24 verloren wordt. Den Heer N. noot voor 2½ uur kan teekenen, en de Heer M. niet des zatur­dags. De Perm. Komm. kan door de staat van oct. zien, met welke eene ijver en zorg voor zuini­ge inkasseering de zaken door mij behand. worden. Verzoekt de namen te weten van de perzonen op welke de kredie­ten no.51 a 54 luiden. Berigt dat de Kr no.46 en 47 niet be­dragen de voormelde som, wlek nog niet door die kommissie geincasseert zijn.

De kasssier voornoemd
P.J. Ameshoff

Wanneer UEd binnen 3/d geen berigt be­komt wegens
1. Reglement en voorwaarden van ieder kolo­niaal huisgezin
2. Reglementaire beginselen ter regeling en handhaving der inwendige order in de kolo­nie te WbS.
3. Inligtingen voor de subkommissien
verzoeke dan dezelve als goedgekeurd aan­temerken.

Ik verzoeke UWE mij de vrijheid te vergun­nen twee stuks onder­hakin­gen te doen ma­ken, om de schepen juist te meten. Een om hier, en de andere om te Steenwijk te ge­brui­ken. Ik acht beide instrumenten onmis­baar, de kosten zullen bedragen +: ƒ6.
Sieburg en van der Aa, verkopen beide het straatvuil tot 60 st. het last. Ik heb hoop wanneer onze 1200 last op zijn, straatvuil te krijgen door een ander kanaal tegen 25-28 st. het last.
Gelove het zaak is mijne kargadoor L. Kruyt per schip ƒ3.- toetestaan, en wel on­ver­schillig op dezelve 15 of 30 last laden.

toegevoegd briefje:
WS!
Al wat namens de Perm. Kommissie geteek­end wordt, houde ik als legaal en van háár komende. Daarom mijne aanmerking op de uitdruk­king bedelrekwesten.



Donderdag 8 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Almelo  aan de Permanente Commissie:

Hendrikus Krabshuis, oud 38 jaren, land­bouwer, klompenmaker en mandemaker van zijn beroep, gehuwd aan Aaltjen Krommen­dijk, oud 32 jaren, spinster en boerwerkster, hebbende drie kinde­ren, als: een jongen van 6½, een van 5½ en een meisje van bijna 2 jaren, zijnde de ouders voor zoo ver ons bekend is, van een onbesproken gedrag, geheel vrijwillig in hunne keus, en alle van eene zeer goede gezond­heid ...
Alleen de bekendmaking, dat er mis­schien nog dezen herfst een behoeftig huis­gezin uit deze gemeente in de kolonie zoude overge­bragt worden, heeft ten gevol­ge ge­had, dat in den tijd van twee dagen het getal der leden met twee en veertig ver­meerderd is.


Donderdag 8 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Rotter­dam aan de Permanente Commissie:

Dan hebben wij een ander huisgezin thans aan u voor te stel­len, zoo ons voorkomt niet minder geschikt, dan 't vorige; en volkomen gezind, om dien overstap te doen. Hetzelve bestaat uit:
een man,    genaamd, Anthonij Gerards, oud 45 jaar, geboore te Neu­wen(?), bij Roermond, thans wonende alhier; van de Roomsch Cahtholieke gods­dienst, suijkerbakkers­knegt, niet dan zedert twee jaren be­deelt, hebbende in zijn geboorte­land, alle boere­werk verrigt en zeggende zaaijen, maaijen etc. te ver­staan.
een vrouw    deszelvs huisvrouw, ge­naamd Hermina Petronella Pier­loo oud 46 jaar, geboore te Kranenburg: beiden staande ter goeder naam en faam, de vrouw als goede en spaarzame huishoudster bekend, hebbende in haar geboorteland het vlas spin­nen geëxecuteerd op 't klei­ne wiel.
en vijf
kinderen    Jan Hendrik oud 14 jaar geb. te Dordrecht den 21 jan. 1804
Elizabeth oud 13 jaaren geb. als­voren den 25 decbr. 1805
Theodora oud 8 jaaren geb. te Delfshaven
Maria ouderdom niet regt bekend geb. als voren
Theodorus oud 1 jr. geb. alhier te Rotterdam den 27 aug. 1817.

Wat de behoefte aangaat dezelve hebben een eige bed en toebe­ho­ren, dog zonder dekens. De man alléén een wisselhemd tot verschooning. Nog heeft de vrouw een korf­bank theebossen en eenig winkelgereed­schap, ovrig van haar vorig bedrijf, en 't welk zijn misschien in de colonie zouden kunnen voortzetten.
Nog hebben zij in de lommert voor ruijm 20 gls aan waar­de; immers zoo zij verne­men, daar voor aflosbaar.





Vrijdag 9 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amst. 9 oct 1818 ½7 ure

A!
Dagelijks zend ik scheepjes weg - dog of het gerade zoude zijn met dezelve

1500 witte kolen
3300 pond Uijen
5000 Hoornsche Peen, mede te geven
laat ik aan uw verlicht oordeel over, ik vree­ze de uijen van vuilnis reuk zal aannemen.
Wil men het wagen, zoo zende men maar. Ik zal zorgen de Hv.  schepen te heb­ben, en opte houden. Dat zulks een paar duca­ten zal kosten spreekt van zelve. Heden consul­teer ik hier over mijn kargadoor en dan van van(?) avond na­der

J.J.
Petro

Roelof Winkling goede boer aanteraden
P. Cokart bevalt mij minder
Jannetje Kruizinga knap wijf aanraden
Beveel vooral Obbeloo en Lecke aan


Ingekomen post invnr 49. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 9 october 1818

De kassier ... gedraagt zich aan het omme­staande. De redenen van het fransche geld zijn hem onverschillig. Hij zal zien franken te ontvan­gen en her te doen inwisselen voor Hollandsch geld. Zulks moet op eene buiten­gewone wijze geschieden, alzoo er geene nemers voor zulk papier te vinden zijn, om­dat de regeling der cours van des betrokke­nens nauwgezetheid afhangt.
Op Luik de franks afgegeven, waarde­ren de courts op 210 a 212 centimes. Was er geen haast bij de plaatsing der kredie­ten, zoude ik na voordeeliger gelegenheid om­zien.
Uit inliggende zult UWE zien er penarie van geld in de kolonie is.

De kassier voornoemd
P.J. Ameshoff

Wanneer de 1200 last straatvuil geleverd is, kunnen wij niet minder dan voor 55 st. koo­pen. Sieburg en vd Aa willen altoos 5 st. minder aan ons leveren.
Heeft men meer dan 1200 last noodig dan wil ik zien tegen 25 st. eenige lasten te koopen door andere gelegenheid, ver­zoeke daarop antwoord.

Bijgevoegd:
kopy
Steenwijk 7 oct. 1818

Ik neem de vrijheid mijn W.V.N. u een paar regels uit Steen­wijk, waar ik mij ter nego­tiee­ring van eenige gelden voor de Maatsch. bevind, toetezenden. De Heer van Royen op Vledder is reeds ƒ4000 in voor­schot en heeft­geen contanten meer. De Kommissie, ook een particulie­re brief van mijn broer, infor­meerd dat de gelden voor de heer van Royen enz. dadelijk worden afgezonden. ƒ4 a ƒ500- zijn ogenblikkelijk nodig. Ik heb bij een parti­culier in Steenwijk ƒ800- opgeno­men onder belofte zondag aanstaande zon­der mankee­ren genoemde som te zullen restitueeren. Wanneer de Heer Ameshoff voor zaturdag aan­staande geen order be­komt tot het afzen­den van gelden, zou dan mijn waarde doctor niet mogelijk zijn er duizend guldens aan den Heer Tuttel alhier, per beurtman zaturdag avond ver­trekkende werd gezon­den. 1De Heer Ameshoff zal wel reeds order bekomen hebben om de benood­igde gelden herwaarts te zenden. Ik heb echter gemeend ter voor­koming van alle onaangenaamheden alle voorzorg te moeten neemen.
WV.
B. van den Bosch
kapt.

1 Op mijn brief van 2 dezer aan Tuttel ge­schreven en gevraagd of ZEd goedvindt dat de mandaten aan mijne order gesteld wor­den om voor zijne rekening specie te zen­den. Nog geen antwoord bekomen. Deze ontving ik 4 ure.

Tweede bijlage:
A. 9 oct. 18
Confidentieel

Amice
Weest toch voorzichtig met het advies der mandaten, de datum en het no. van het be­sluit bijvoegen. Want mijne leden begin­nen naauwkeurig toetezien en wanneer de som­men voor de kolonie ingevolg regl. een over de ƒ10,000 liepen zoude zulks oorzaak zijn, dat zij de toekenning weigerden. Er is wel eene advoka­ten zet op, doch zoo lang wij kunnen moeten wij dezelve niet gebrui­ken. Denk altoos dat de leden uwe brieven en de mijne antwoorden lezen.
Wat ik stel op mijne brieven. ontv. k. beduidt ook dat zulks bij de bank gedepo­neerd is. Nu zijn er voor ƒ477,38 meerder mandaten afgegeven, als er gedeponeerd is.
Heden adviseren Tuttel het vertrek van twee mestscheepjes met inzending van den vragt brief waarin diepte enz. opgegeven wordt.
De ƒ300 is reeds voor 14/d afgegeven, met order dezelve niet voor 3 oct te verto­nen, Zoodra ik kan, geve ik mijne wissels af.
Ik zal met Berlin spreken, evenwel in het vervolg nooit als geadviseerde kredieten beschouwen, die niet liquide zijn.
Het is mij niet moogelijk te weten wie thesaurien der subkom­missien zijn. Ik kan alle kranten niet nalezen.
Is er geen kans dat gij mandaten, en brieven laat druk­ken. Mij dunkt de mijne brie­ven meoten gemakkelijk voor u, zoo al, zij voor mij zijn.
Wegens de onderhakingen verwachte berigt.
De groente kan onmogelijk bij de straat­vuil, vooral de uijen zijn welriekende waren, en deze nemen andere luchten aan. Gelief aan burgemeesters te verzoeken, op mijn naan een vrijbrief af te geven om van ... tot 200 stuks van elk te mogen laden transito naar Steenwijk. Zulks zoude buiten de boom kunnen geschieden, en mijn straatvuil-karga­door zoude op de uitlevering en goede kwa­liteit kunnen passen. Komt zulks op de vroe­ge morgen zal ik er zelfs bij zijn. Bedenkt dat mijne mestschepen in Steenwijk lossen. Daarom proponeer ik scheep­jes aantenemen voor ƒ30 a ƒ40 en ƒ3. kargadoorsloon op­passen en wanneer de leveranciers later komen moeten zij ƒ3 aan de schippers beta­len, wel te verstaan voor elken dag leggen.
Berlijn en Boas zullen mij nader opge­ven, zoodra de te vorde­ren gelden liquide zijn.
De beurtman zal +: ƒ40- voor de groenten moeten hebben.
De bank betaald niet na 2 ure.
J.J. P.




Ingekomen post invnr 49. Brief van C.J. Nieuwenhuys aan de Perma­nente Commissie:

Weledele Geëerde Heeren!

Ingevolge UWEG verzoek van den 6 dezer, om mij gevoelen aan­gaande de drie aan mij gezondenen stukken, de policie der colonie betreffende mede te deelen, heb ik de eer mijnen bijzonderen dank aan de Permanente Commissie voor dit schoon zamenstel te betuigen; in het geheel vinde ik hetzelve voor­treffelijk en heb daarop slechts de vol­gende weinige aanmer­kingen te maken:

1mo stelt de naam Frederiksoord voor. transcriptie

2o    op bladz 1 der inlichting voor de sub­commissien vinde ik de twee onderste regels: althans enz. duister.

3o    Tegen het vleesch eten op vrijdag en zaturdag zullen de catho­lyken zich ze­kerlijk verzetten tenzij men voor hen dispensatie - eveneens als voor de mili­tairen - bekeomen, en zulks openlijk bekend gemaakt heeft.

4o    Blz 16 Terwijl de Permanente Commis­sie de koperen en zilve­ren medaille kan verleenen, zoo wenschte ik dat de gou­dene alleen door de geheele Commissie konde verleend worden, op voordragt van de Permanente Commissie.

Op het reglement en voorwaarden enzv.

5o    blz 3 art 10. Voor eerst vrees ik dat de uitdrukking algemeene kerk en feestda­gen hier aanstoten zal, om dat in ons land de catholyken zoo veel hebben, die bijna in alle andere landen zijn afge­schaft, en daarom afgezette heildagen genoemd worden; zoo lang nu de ca­tholiek door afschaffing of dispensatie niet verschoond is, moet hij op die da­gen - en deze zijn niet wei­nig - te kerk gaan. Verder ...hunne kinderen te doen onderrig­ten (in de godsdienst) overeen­komstig de voorschiften die deswegens door de Maat­schappij zullen worden gemaakt. Hierop vrees ik zullen de hee­ren geestelijken van alle gezind­heden wederom aanmerkingen zoeken en vin­den; men herin­nere zich art. 4 en 11 van het eerste reglement. Zoude het niet best zijn dit geheele artikel weg te laten.

In het vertrouwen dat UWE aan deze aan­merkingen, zoo het noodig zoude geoordeeld worden, zullen gebruik maken verblijf ik met de meeste hoogachting Weledele G. Heeren UWEDVD en medelid
C.J. Nieuwenhuys

Amsterdam den 9 october 1818


Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Utrecht aan de Permanente Com­missie:

Tot antwoord op het III punt kunnen wij be­rigten dat zich bij ons na gedane oproe­ping deswegens, onder meer anderen, een huis­gezin op heeft gedaan hetwelk wij, bij deeze aan het hoofdbestuur voordragen.
De naam van den vader des huisge­zins is Fran­ciscus de Kruijff, de moeder Elisabeth Wierst. Beide zijn circa 35 jaren oud, en van den Gereformeerden gods­dienst. De man werkt in den zomer als ver­wersknegt.
Doch heeft, in den winter, geen midde­len van bestaan. Van de zedelijkheid en goede orde van dit huisgezin hebben wij zeer goe­de berigten ontvangen.
Er zijn 5 kinderen, wel­ke alle doch­ters zijn, van 10, van 9, van 6, van 4 en van 1 jaren oud. Het is de Sub­com­missie niet on­bekend dat de zamenstel­ling van dit huis­ge­zin niet volko­men voldoet aan de ver­eischten, welke de Hoofdcom­missie hoofdzakelijk heeft op­gege­ven, het is haar echter voorgekomen, dat, bij de ge­schikt­heid van dit huisge­zin, wat het overige be­treft, dit bestaand ver­schil van minder be­lang moet gehouden worden, ter­wijl in alle geval dit ontbrekende van een jongen zeer goed uit den weg zou kunnen geruimd wor­den, door een uit een der gods­huizen aan dat huisgezin toete­voe­gen.


Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Gorin­chem aan de Permanente Commis­sie:

Dat het huisgezin t welk wij naar de kolo­nie wenschen overge­bragt te zien, bestaat uit de vader genaamt Leonardus Biemans, oud 44 jaren, geschikt tot allerlei boeren­werk, hoe ook ge­naamd waarin de breuk die hij heeft hem niet hinderlijk is, en een be­kwaam lin­nenwever, uit de moeder genaamt Aaltje Riem, oud 43 jaren, welke niet kan spinnen, doch overigens tot alle vrouwelijk bedrijf in staat is, uit vier zoonen en twee doch­ters, genaamt Johannes Kiens oud 17 en Ignatius Kiens oud 14 jaren, de laatste enigzins kreu­pel, en beide vóór kinderen van de moeder, Hendricus en Lena, beiden 7 jaren, tweelin­gen, Maria oud 4 jaren, An­dries oud twintig maanden; de vier laat­ste voeren den familie naam van Biemans. Op het zedelijk gedrag van alle deze personen valt niets aantemer­ken; dezelve behoren tot den Roomsch Ca­tholijke Godsdienst. Alleen tegen­spoeden en de talrijkheid van het huis­gezin hebben het­zelve tot armoede gebragt; zoo dat wij ho­pen dat hetzelve zal worden aangenomen.


Uit de Groninger Courant 9 oktober 1818:
Mededeling van de stedelijke subcommissie van Weldadigheid, die zo te zien geheel is samengesteld volgens de ideëen van de landelijke MvW, dus met twee leden van het stedelijk bestuur, twee leden der geestelijk­heid van onderscheidene gezindheden, enzo­voort, dat zij uit haar midden een presi­dent en een secre­taris-thesaurier gekozen heeft.



Zaterdag 10 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Den Haag aan de Permanente Commissie:

Ter gedeeltelijke voldoening aan den brief der Kommissie van Welda­digheid van den 16 september laatstleden heeft de Subkom­mis­sie van Weldadigheid te 'S Gravenhage de eer de Kommissie te informeren dat zij hare keuze ten opzigte van een huisgezin voor de kolonie te Wes­terbeeksloot heeft gevestigd op dat van Johannes Ter Smet­ten, arbei­der, wonende alhier in het tweede hoffe van Wil­lem Kleij. Deze persoon is ge­boren ten jare 1779, heeft eene vrouw wel­ke thans hoog­zwanger is en twee kinde­ren in leven, res­pectievelijk tien en zes jaren oud, welke bei­den zijn gevaccineerd. De vrouw kan spin­nen, en alle de getuige­nissen welke aan de Subkommissie zijn medege­deeld doen het huishouden zeer waardig voorkomen om een deel der kolonie uittema­ken. De Subkommis­sie voegt ter meerdere illucidatie hiernevens de haar door den aspi­rant (welke niets heeft ver­langt dan te wor­den aangenomen) overge­legde stukken met ver­zoek om dezelve na gebruik te mogen terug ontvangen.

Bijgevoegd:

Voor den Armen
Regenten van de Roomsch Catholijke armen der stad S'Gravenha­ge verklaren dat J. Ter­smetten van beroep arbeider en wonende alhier, bij hun bekend is als iemand van een goed, onbesproken en werkzaam gedrag, dat hij zich met zijn huisgezin in eene be­hoeftige omstandighe­den bevindt, waardoor hij aan­spraak heeft op de aanstaande win­terbede­ling, die van wege regenten voor­meld, aan de behoeftigen zal worden uitge­deelt.
S'Gravenhage 26 september 1818
namens Regenten voormeld,
P. de Munninck

Bijgevoegd:
Ik ondergetekende H.J. van Beiersbergen woonende S-G no. 446 getuigen hier mee­den dat den persoon J. de Smetten geduren­de de tijd die heij beij hem gearbeid heeft als een nugter getrou en flijtig werk­man zig gedragen heeft.
H.J. van Beiersbergen, koopman in den Haag"

Voorts nog een bericht van de wijkmeesters van wijk B dat het gezin in het huis no. 415 gewoond heeft en zich altijd braaf gedragen heeft. Daarnaast twee bewijzen van vacci­natie van de kinderen. In het bericht van de wijkmeesters staat de naam van een doch­tertje, Maria Alida geboren 1815, doorge­streept.


Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Tholen aan de Permanente Com­missie:

UL. te informeren dat zich bij nevensge­voeg­de brief een huisgezin uit deze stad vrijwillig aan ons heeft geadresseerd, met het ver­zoek, om in de opterigten kolonie te worden ge­plaatst.
Hetzelve huisgezin bestaat uit een man van middelbaren jaren, voorheen mili­tair en sedert twee of drie jaren met een pas­poort uit den dienst ontslagen, onbespro­ken van ge­drag, die dagelijksch met voor­beeldi­gen ijver door allerleij soort van arbeid ook tot den landbouw betrekkelijk het brood voor zich en de zijnen tracht te verdienen; diens vrouw, welke in het spinnen van vlas bedre­ven is, drie dochters aanko­mende meis­jes, welke door hare moeder thans in het gemeld hand­werk van spinnen onderwe­zen worden, en dus bij de aankomst in de kolo­nie haar daarin reeds behulpzaam zullen kunnen zijn, en een zoon, zijnde een aanko­mende jongen, die zijn vader in den veldar­beid te hulp zal kun­nen komen.
Wij hebben in deze fami­lie zoo ge­heel de vereischten gevon­den, welke vol­gens UL opgaven dezel­ve geschikt maken voor de eerste proeve ter oprigting eener landbou­wende kolonie, dat wij het onnoodig geacht hebben eene ander of meer geschik­te opte­zoeken.


Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Harlin­gen aan de Permanente Commissie:

Dat op de door ons gedane uitnodiging zich als zeer genegen om naar de kolonie te Wes­terbeeksloot te vertrekken hebben aan­gege­ven.

a) Frans Nak en gezin. transcriptie

b)    Gebke Wietzes Aerlof van beroep boe­renarbeider oud 37 jaar gehuwd met Sietske Sipkes oud 36 jaar, hebbende drie kinde­ren, zijn alle jongens oud 8, 6 en 2 jaren. Dit huisgezin is minder be­hoeftig, door dat de man het boe­ren­werk of liever gezegd den akkerbouw verstaat, en kan daarom weer altijd werk vinden schoon zulks voor hem maar een schraal bestaan opleverd.
Op het zedelijk gedrag van beide huisgezin­nen valt voor zoo verre ons bekend niets te zeggen.


Brief van J.M. Schrant waarin hij meldt de opgestuurde stukken geheel goed te keuren, met de aanmerking dat "ter geruststel­ling mijner geloofsgenooten" men voor de kerk- en vastdagen dispensatie zal aanvragen bij de geestelijke overheid. "Wil men zich niet andermaal het hoofd stooten, dan is zulk eene voorzorg noodzakelijk. Daardoor word der kwaadsprekendheid alle wapentuig be­nomen." Hij stelt voor de dispensatie te doen aanvragen bij de aartspriester Pas van Steenwijk. 49)


Ingekomen post invnr 49. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 10 october 1818

De kassier ... gedraagt zich aan het omme­staande, en berigt, dat het hem niet moge­lijk is meerder bespoediging in het ontvan­gen der kredieten te bewerkstelligen en de mise­rabele kleine sommetjes na het hem voor­komt geene groote onkosten gedogen.
Heden zaturdag zijnde, en wel heden groote verzoendag, kan hij den Heer M. niet vergen de adviezen, nog de bons op de Ne­derl. bank te teekenen (welke bank na 1 ure niet betaald). Deze Heeren niets in blan­co willende teekenen is het mij onmogelijk de zaken meerder te bespoedigen.
Er zijn reeds meerder mandaten afgege­ven als er gelden bij de bank berusten, zood­at ik op de bank al was het dat ik de teeke­ning der beider Heeren had, niet disponeeren kan. Het mandaat no.41 ƒ1000.- aan mijn order kan dus niet ontvangen worden voor maandag.
Waarom krijgt men geen advies van S.K. Groningen, Utrecht enz.
Den overige inhoud uwer missieve ne­me voor berigt aan.
Was Leyden brief1 uur vroeger gezon­de, zoo had hij nog bij zijnen eigenen kassier over ƒ1000.- gedisponeerd. Na 2 ure zijn de kantoren zaturdags gesloten. Hij verzende dus niet voor dingsdag het geld, wanneer hij de finant. leden overtui­gen kan, er bij de bank niet over gedisponeerd wordt.
De Heer J.C. Bosman heeft eens gewei­gerd te betalen; omdat het endorsement niet goed was. Toevallig in Utrecht zijnde is voor het endorsement gegarandeerd. Zende dus de wissel terug.
de beste witte kool geld per 100 stuk ƒ 5.-
de 100 uijen                        9.-
de 1000 Hoornsche peenen                2.10.
de 1000 dito gemeene                1.10.
dadelijk te krijgen.
Wanneer de groente aanstaande dingsdag hier is kan men een schip krijgen voor ƒ30.- tot Steenwijk. De beurtman moet ƒ45. heb­ben.
De onderhakingen zal ik laten maken.
Den kassier voornoemd
P.J. Ameshoff

Bijgevoegd:
Amice!

Wat heb ik niet al voorspeld van de subkom­missien. Groningen zegt mijn broer was niet de beste.
Zorg toch vooral dat de scherpziende leden van de kommis­sie geen vat op de trai­tes hebben. Ik geloof dat er reeds meer­der getrok­ken is, dan voor de kolonie is geaccor­deerd. Ik durf zulks nog niet opma­ken.
Verzoeke met volgende bijleggende wissel terug. Toen ik in Luik was kreeg ik de wissel op A.C. Oostman. De Heer VHe­mert had zonder kwaliteit geteekend. Ik hield de wissel en preventieerde hem bij mijne terug­komst. ZEd betaalde n mijne guarantie voor de deugdelijk­heid van het endorsement.
Dewijl volgens uwe missieve van eer­gisterde kolonisten zouden gekozen worden, ben ik zeer nieuwsgierig na het lot van C. Obbeloo, Lecke, Anna Kraneveld, Roelof Werseling enz.
Van Boas, Berlin geen nader berigt. Geloof mij gij kunt het zonder betere assis­tentie niet af.
Twee ƒ10- zal ik ook maar door de sub­komm. in Den Haag laten inkasseeren. 49)



Brieven van Johannes vd Bosch aan Prins Willem, Prins Frederik, de Koningin en de Koningin-moeder:

S Hage den 10 october 1818

Koninklijke Vorst en Heer!

De welwillendheid, met welke Uwe Koninklijke Hoogheid mijne voor­gaande arbeid betrekkelijk het stichten eener Maatschappij van Welda­digheid wel heeft gelieven aantenemen, heeft mij den moed ingeboe­zemd, ook dien betrekkelijk de Nederlandsche bezittingen in Azie, Amerika en Afrika en den daartoe behorende atlas Uwer Koninklijke Hoogheid aantebieden. Ik gevoel, hoe veel aan mijn werk ontbreekt om geheel de aandacht te verdienen van den Vorst, bestemd om ook dat gewigtig gedeelte van het Rijk één maal te besturen; dan ik durve tevens hopen dat mijne warme wenschen voor het welzijn van mijn Vaderland en voor den lusten van het Koninklijke Huis strekken zullen, om eenigermate het gebrekkige mijner poging te verschonen, en dat Uwe Koninklijke Hoogheid de eerbiedige hulde niet vermijden zal van

Koninklijke Vorst en Heer!
Uwer Koninklijke Hoogheid
nederige en zeer gehoorzaame dienaar


Koninklijke Vorst en Heer

Het behaagde Uwe Koninklijke Hoogheid met eenige goedkeuring onze voorgaande arbeid, die ik de eer gehad heb Hoogstdezelve aantebie­den, te verwaardigen. Hierdoor aangemoedigd, gebruik ik de vrijheid, aan U.K.H. andermaal aanbod te doen van eene verhandeling, betrek­kelijk de bezittingen van het Rijk in Azie, Amerika en Afrika, met een daar toe behorende atlas kaarten. Mogt ik ook ditmaal op eene gelijke toegewijdheid in de boordeeling van en waarde daar van hopen, waarmede Uwe Koninklijke Hoogheid mijne eerste arbeid begunstigd hebt, en mogt inzonderheid mijne welwillende ijver voor de belangen voor het Vaderland en de lusten van het Koninklijk Huis, eenigermate ter verschoning van het gebrekkige mijner poging zelve strek­ken, dan zullen mijne wenschen vervuld zijn van hem, die met de meeste eerbied altijd zijn zal,

Koninklijke Vorst en Heer!
Van Uwe Koninklijke Hoogheid
de zeer nederige en zeer gehoorzamen dienaar


A Son Altesse Royale
le Princesse Douarière d'Orange et N.

Madame!

La sollicitude maternelle que le bien être de ma patrie lingours(?) vous a insprire(?) a m'en couragé de presente a Votre Altesse Royale le tableau des pays midaetinest(?) des peuples dans des regions cointai­ne(?) destiné par la providence de nom(?) heureux sous la dynastie royale de vos descandants. Veuiller bien Madame ayré(?) avec indul­gence et humble hommage de nos sentiment respectuement(?) et me aussi(?) toujours

Madame
de Votre Altesse Royale
le très humble en très oboissaint(?) serveur(?)

(De moederlijke zorg die zo goed voor mijn vaderland is, en die altijd van u uitgaat(?), heeft me de moed gegeven om aan Uwe Koninklijke Hoogheid een afbeelding van de xxx landen van volken in de xxx gebieden door de voorzie­nigheid zijn bestemd om de gelukkige naam hebben onder de koninklijke dynastie van uw afstammelingen.



A Son Altesse Royale
Madame la Duchesse Douarière de Brunswijk etc.

Madame

Si mes faible effort pour tracer(?) le tableau des pays midueteurs(?) et des peuples suject de votre maison dans les hemisphère opatie(?) ne sont pas indigner(?), et l'indulgence(?) de Votre Altesse Royalle veuiller dont(?) ma permeter de nous en offres une examplaire cette boité(?) meymnammis(?) que Vous le huide(?) noud(?) atre(?) lui a si juste titre me fair espares un pardon genereux pour le liberte que je prix et que Votre Altesse Royalle ne dedogner(?) pas et sentiments respectuen­ger(?)

Madame

de Votre très humble
et très obissant serveur 352)

Het werk dat Johannes de leden van de koninklijke familie aanbiedt is: "Nederlandsche bezittingen, in Azia, Amerika en Afrika, in derzelver toestand en aangelegendheid voor dit Rijk; wijsgeerig, staathuishoud­kundig en geographies beschouwd. Met bijvoeging der noodige tabellen en eenen atlas van 12 nieuwe kaarten, der overzeesche bezittingen van Z.M. den Koning der Nederlanden" Het werk is aan Willem I opgedragen.



Ingekomen post invnr 49. 11 oktober. Consideratien van Sijpkens m.b.t. het koloniaal reglement.



Maandag 12 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 12 october 1818

De kassier ... gedraagt zich aan het omme­staande, en neemt het overige voor advies aan.
De kassier voornoemd
P.J. Ameshoff

Morgen nader over de groenten deport ver­trekt. Verzoeke expi­ditie van inleggende.

per Amst. zak
graauwe erwten    ƒ 13.10
groene do.        - 13.10
groene do. iets minder    - 13.-
witte do. iets minder    - 11.15
gort            ƒ14= ƒ 15.-
haverdegort        ƒ 12.- 49)


Uit het brievenboek:

Direkteur B. van den Bosch. Nader berigt wegens den staat der kolo­nie. Over de gele­verde en nog benodigde steenen. Penarie aan geld te Steenwijk.
Respons: Dankbaar goedgekeurd. Al wat uitstel duldt op te houden tot de komst van den 2 assessor. 18)


Uit de Staatscourant:

's Gravenhage, den 12 October.

De permanente Commissie van Welda­digheid, heriinert met aandrang aan al de stedelijke sub-commissien, die nog in gebre­ke zijn gebleven van opgave te doen ter plaatsing van huisgezinnen in de kolonie te Westerbeek­sloot, dat, na den 18den dezer maand, geene voordragt daartoe meer zal kunnen worden aangenomen.
Ook moet zij met verdubbelde nadruk aan alle sub-commissien, die nog niet effec­tief hebben voldaan aan de respective pun­ten, vervat bij derzelver circulaire van den 16den september ll., en allerbijzonderst aan den inhoud van art. II daarbij vervat, verzoe­ken, om alsnog, uiterlijk vóór den 20sten dezer maand, dit gebrek te vervullen.
's Gravenhage, den 12den october 1818.
De permanente Commissie van Welda­dig­heid,
Js. van den Bosch, president.
Ter ordonnantie van dezelve,
P. van Hemert, se­cretaris. sc 13.10.18


Dinsdag 13 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Amsterdam 13 october 1818

6. Dat hij kassier ditmaal heden voor de Maatschappij uit zijn privaat kas ƒ3300- zal tellen en verzenden aan den Heer Tuttel voor J.S van Royen en wel met het groente schip. Hij verzoekt de Permanente Kommis­sie voor­al in aanmerking te nemen nimmer kredieten optege­ven die niet liggende zijn en indachtig te zijn, dat door hem geen ogen­blik verzuimt wordt met het afge­ven der kredieten, doch dat hij de toekenning der der 2 leden voor 2 ure niet hebbende, er altoos 24 uren verloren wordt, want hij moet eerst de toekenning van het advies hebben, voor dat hij na nemers kan omzien, en deze Hee­ren willen niets in blanco teekenen hoewel de instructie hem een krediet van ƒ3000.- toestaat.
De Permanente Kommissie wijte de schaarsheid aan geld aan de slechte organi­satie der subkommissien als Groningen, Leeu­warden enz., het geen voorspeld is. Waar blijft Amsterdam?

een mandaat blijkt niet voor de juiste per­soon te zijn opgege­ven.
nu zal den kassier veel moeite en geloop hebben om zulks door de Heeren leden te doen veranderen. Men kan immers hem niet vergen zijn eigene zaken te verwaarlozen. Hadt men zijne brieven nagelezen, en den staat nagezien, men had zulks gevon­den.
Hij stelt voor om voor zijne eigene kos­ten 200 mandaten alhier te doen drukken en 400 brieven, min of meer in bijgaan­de vorm en wel voor zijne rekening en dus tot gemak zijner eigene administratie. Waarop verzoeke met ommegaande diligence antwoord zoo mede over de cents berekening.


Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Assen aan de Permanente Com­missie:

"Jan Berends en Dirkje Bos, woonachtig te Assen, zijn gewillig om naar de colonie te gaan. Zij zijn menschen van tusschen de 40 en 50 jaren. Zij hebben vier kinderen, van welke twee jongens reeds mede werken kun­nen en de andere spoedig aanko­men.
De man kan niet alleen zeer goed wer­ken, maar heeft ook te voren onder de Gen­dar­merie het land gediend, en is dus aan orde ge­wend. De vrouw kan zeer goed spin­nen.
Op hun gedrag is niet alleen niets te zeggen, maar het zijn lieden, meer be­schaafd dan de meeste van hunnen stand. Zij zijn voorleden winter door zware ziekte achteruit geraakt, en kunnen daarom thans moeijelijk weer boven op komen. Wij bevee­len deze lieden ten zeerste aan UWEd. aan, en vleijen ons eerstdaags berigt van UWEd. te zullen ont­vangen, dat zij door UWEd. gekozen zij, verlangende die menschen zeer, om te we­ten te komen, of en wanneer men hen plaat­sen zal.
De Diakonie der Hervorm­den te Assen is genegen om die menschen eerst de vol­strekt noodzake­lijkste linnen tot hembden enz. te geven."


Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Delft:

Zie ../Subcommissies/SubcommissieDelft.html




Woensdag 14 oktober 1818

Notulen van de vergadering van de Permanente Commissie over de naam Frederiksoord, invnr 38. vermelding:




Uit een brief van de subcommissie Kampen aan de Permanente Commissie:

"Zou deze subkommissie al over lang eenige huisgezinnen dezer gemeente hebben opge­geven; welke zij oordeelde tot het oog­merk in de eerste kleine kolonie te Westerbeek­sloot zeer geschikt te zijn; zoo zij niet ge­wacht hadde naar het beloofde Reglement wegens de inwendige inrigting der kolonie, zonder welk zij meent, aan geen huisgezin, met een­ig goed gevolg, een voorstel hierom­trent te kunnen doen; omdat natuurlijk de eerste vraag dier huisgezinnen zal zijn aan­gaande de voorwaar­den, levensaard, werk­zaamhe­den, voordeel & z.v. der kolonie, waaromtrent deze subkommissie nog niet genoegzaam onderrigt is. Intusschen neemt zij de vrijheid, opdat de werkzaamheden der algemeene Directie geene vertraging van haren't wege ondergaan, hierbij een drietal huisgezinnen voor te dragen:
1. Hendrik Gerrits, daghuurder en tim­merman, ongeveer 40 jaren oud; zijne vrouw kundig in het boerenwerk met eenen zoon omtrent 12 jaren oud, en drie of vier kleinde­re kinderen." 49)


Kleine circulaire van prins Frederik aan subcommissies of ze de kolonisten op weg naar de kolonie wel willen helpen.



Donderdag 15 oktober 1818

Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Amsterdam 15 october 1818

3. Verzoeke ten spoedigsten antwoord of de Permanente Kommis­sie hem zal guarandee­ren, wanneer men de krediten met onkosten incas­seren, en hem vrijwaren van aanmer­kingen over de zware onkosten, kassierlo­nen e.d.
4. Dat het gemelde wegens de M 25 a 30, niet nagelezen zijnde, niet beantwoord vin­de, alzoo de sommen niet herhaald zijn.
in de kantlijn, handschrift Johannes van den Bosch:
(wel beantwoord en reeds 3 malen) 49)


Uit het brievenboek:

Besluit der P. Kommissie op heden. Om aan den kassier A. te vragen, hoe hij in zijne missieve van 13 dezer de woorden verstaat: al de kredieten zijn geplaatst, voorts het druk­ken van brieven en mandaten nog in advys; 18)



Vrijdag 16 oktober 1818

Over de kwekeling K. Mulder:

De aanmeldingsbrief voor K. Mulder, ge­schreven in het Frans en gedateerd op 16 oktober 1818. Onduidelijk is wie hem ge­schre­ven heeft. Hierin wordt Mulder om­schre­ven als een 16 à 17-jarige jongen van landar­beidende ouders. Verder wordt er kort uitge­legd wat er van hem in zijn toekomsti­ge func­tie binnen de kolonie verwacht wordt. 1609)


Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Amsterdam 16 october 1818

5. Dat den kassier zal voortgaan, op de ge­wone wij de kredie­ten te plaatsen, om de kosten van verlies op de wissel en kassiers­loon te menageeren.
6. Dat de kassier geene kontante inkoop-en in het vervolg meer doen zal, indien men hem niet verzekert hij daar voor dadelijk mandaten, dat is remiesen ontvangt. Dat zulks niet uit hoofde van wantrouwen of mis­krediet geschiedt, dewijl hij anders geen ƒ3300.-. in specie uit zijne eigene kas na de kolonie had gezonden.
7. Dat de kassier verlangt remiese voor de ingekochte groenten ten einde de kwitantie op te kunnen zenden.
8. Verzoekt de Perm: Komm: niet tweemaal dezelfde kredieten optege­ven, hetgeen dit­maal en nog bij de missieve van gister heeft plaats gehad met de ƒ400.- op H.J. Berlin, en slechts verwarring veroorzaakt, veel schrijf­werk, en veel nazien, dewijl de betrok­kene personen, zoo wel als alle diegenen door welker handen onze wissels gaan, wanneer door hem kassier niet alleen zorvul­dig werd nagegaan, eene slechte opinie van onze administratie zouden moeten hebben.

11. Verwondert het hem de Perm. Komm. difficulteert, dat hij voor zijne rekening met het papier en al, de circulaires laat drukken, daar zulks, zoo vermene, die Kommissie aangenaam moest zijn.

papierplaatzen wil zeggen nemers voor bin­nenlandsche wissels vinden, om dezelve ter incassering optezenden, en daar voor remie­se te bekomen.
vernegotieeren buitenlandsch papier door middel van een make­laar tegen den cours van den dag aan een ander huis verkoopen.
wissels of kredieten ontvangen. Het geld daarvoor hebben.
ontvangene kredieten zoo als achter op mijne brieven staat, beteekend de gelden daar van bij de Nederl. Bank te hebben.
overdisponeeren noemt men over eene groo­tere som te beschik­ken, dan in natura (in geld) voor handen is. Bijv. wanneer de Perm: Kom­missie meerder op de afd: in mandaten afgeeft (dat is te zeggen trekt) dan ik achter mijne brieven opgeef dat ont­vangen of bij de bank berustende is.
verlies op de wissels is het geen door den kassier voor por­to's aan hem berekend wordt. Zoo ondergaat menigmaal de be­trok­kene som op binnenplaatsen, eene vermin­dering van een percent.

Bijgevoegd:
A!
Ik begin waarlijk te geloven, dat gij maar schijft in naam van de Perm. Komm. zonder dat zij daar van kennis dragen. De generaal sprak in zijne missieve van 20 oct. alleen van dit mandaat aan de order van de Leid­sche armeninriging, en in het advies van 30 sept. word allen van de Haagsche armenin­rigting gesproken, verder dat deze alleen in stuivers gesteld was, en nu heb ik heden dezelve in natura in cents gevonden.
De brieven van de PK worden zeker niet gekopieerd en de mijne niet gelezen. Heb ik u mijne waarde vr. niet voorspeld gij het werk niet alleen afkundt.
Tuttel is meestal aan het jagen. Ik krijg volstrekt geen antwoord van hem noch over de kool, geld, noch over de mest. Ik heb deze maand 230 last straatvuil reeds ver­zon­den. En noch van deze noch van de voorg. 122½ last berigt gekregen. Wij wor­den in 2 zaken in de kolonie bedrogen. Ver­tel hier niets van, ik wil zelve in loco onder­zoeken. 49)

Wil: specie = gemunt geld, klinkende munt

Zaterdag 17 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:

Amsterdam 17 october 1818
De kassier ... gedraagt zich aan de zijne van gister, en het omme­staande dezer, en berigt verder, dat de heden door hem hier achter gestelde betaalde mandaten in cents, en geen een derzelver in stuivers gesteld is, zoodat de opgaven van 1 dezer en latere, welke volstrekt tegen elkander strijden, ge­heel abusievelijk zijn. Verzoeke derhalve de staat van september terug ten einde zulke te veranderen; wijl manda­ten no.28 ƒ59.17 cents no.29 ƒ51.6 cents en no.30 ƒ54.15 cents, welke voor mij liggen, niet tegenstaan­de uwe opgaven van gister wel degelijk in cents zijn.
Voor de heden ontvangen mandaten model 1 ontvangt UWE die van dezelfde sommen en no's en één vroeger toegezon­den no.20 van ƒ70.20 cents.
Kredieten no.39, no.42 welke nog niet voorgekomen zijn, wil zeggen, dat deze wis­sels op zigt zijnde, geen juiste vervaltijd heb­bende, maanden kunnen uitblijven, al­voorens zij ter betaling vertoond worden, en de trek­kers immidels versto­ken zijn van de fondsen van papier, dat niet negotiabel is.
Remiese van ƒ387.50 verwachte mor­gen.
Vrijgewaard van reflektien van de door hem meerder te maken onkosten, zal hij voortgaan ter plaatsing der kredieten zijnen kassier te gebruiken.
Den kassier voornoemd
P.J. Ameshoff 49)

Uit een brief van de Permanente Commissie aan Ameshoff:

beantwoordende brief van den 16 dezer no. 43

Zij weet niet dat eenige pointen van des kas­siers brieven no.39, 40, 41, en 42 niet zou­den beantwoord zijn, en, zoo er zulke nog mogten zijn, verlangd zij specifieke opgave van t geen den kassier uit de gege­ven ant­woorden niet genoegzaam duidelijk mag zijn geworden.

De Permanente Kommissie moet zich ver­wonderen over het be­rigt, sub no.5, zoo strij­dig met het stellige voorschrift door haar gegeven om ?? moment de inkassering der geadviseer­de crediten met meer spoed te behandelen, al wierden ook daardoor meer­dere kosten veroorzaakt. Zij wenscht dat streng(?) aan dit voorschrift beantwoord wor­de. Zij vindt zich verpligt, hare bevreem­ding te manifesteeren dat de inkassering zo lang­zaam voortgaat, zeker omtrent kredieten op nabij gelegene plaatsen, voor welkers plaat­sing toch doorgaans elken dat aan de beurs nog al gelegenheid is, en welke anders door de dagelijk­sche geleegenheden van pak en andere schuiten kunnen ontfangen wor­den.

De Kommissie wil gaarne tot wegneeming van de verwondering door den kassier sub no. 11 medegedeeld, hier openhartig de re­denen mededelen, waarom zij het aanbod der gedrukte circu­laires of liever hoofden van brieven niet aangenomen heeft. De leden der Permanente Kommissie beschou­wen die gedrukte hoofden als volstrekt on­nodig, en elk hunner zoude zich schamen van door het gebruik daar van bij anderen het denkbeeld te doen gebooren worden, dat zij zoo klein­geestig waren, dat hunne eigenliefde door die weligheid konde gekit­teld(?) worden. Indien zodanige hoofden door de Permanente Kom­missie uit een an­der oogpunt beschouwd, en nuttig geoor­deeld wier­den, zouden zij dezelve ten koste der Maatschappij doen vervaardi­gen.

Eindelijk oordeeld de Kommissie, wiens ver­langen steeds is, veel doen en weinig schrij­ven, verkieselijker op het naschrift van des kassiers missieve niet te andwoorden. Zij vertrouwd dat de kassier bij herlezing dit verzwijgen(?) als de kieste behandeling zal beschouwen. Zeker is het dat zij den kassier verzoekt zich van zodanige schrijftrant te ont­houden, terwijl het haar niet mogelijk zou­de zijn bij herhaling dit ver­zwijgen in acht te nemen en zij derhalve bedagt zoude moeten zijn om zodanige onaangename en nutteloze korrespondentie voor het vervolg voor te komen. 352)

Ingekomen post invnr 49. Brief van dr. C.J. Nieuwenhuis waarin hij Jacob Baade voordraagt voor een plek in de proefkolonie, met bijgevoegd een brief van Baade zelf. transcriptie



Dinsdag 20 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Sneek aan de Permanente Com­missie:

"Dat wij, na herhaalde vruchteloze pogin­gen, eindelijk ge­slaagd zijn in het vinden van een huisgezin, hetwelk zeer genegen is en ons toe­schijnt, volgens de renseignementen des­wegens bij ons ingekomen, zeer geschikt te zijn, om in de kleine kolonie te Wester­beek­sloot te worden opgenomen, be­staande uit man en vrouw, één dochter, en één zoon.
De naam van de man is: Thijs Dou­wes de Haan, hij is oud 39 jaren, geboren en wo­nende te Sneek, opgevoed bij den boer, kun­dig in boerderij van melk-vee, en éénig­erma­te bedreven in den land­bouw.
Zijn vrouw is genaamt Fetje Tjeerds Sideri­us, oud 27 jaren, geboren te Workum, zij kan zeer goed naijen en breiden en maakt mans- en vrouwenklederen. De dochter is 17 jaren oud, en heeft reeds twee jaren bij den boer gediend. Het zoontje is nog slechts drie jaren oud.
Allen zijn frisch, gezond en sterk; en, zoo­verre ons bekend, van een goed zedelijk gedrag, doch door bijzondere om­standighe­den in armoede geraakt, en thans zonder genoegzaam werk, om er van te kunnen leven.
Deze Thijs Douwes de Haan is in per­soon naar Westerbeek­sloot ge­reisd, en, van daar komende, heeft hij ons berigt, dat alles hem aldaar zulk een gunstig uit­zicht gaf, dat hij nu zeer hartelijk solliciteer­de, om met de zijnen in die kolonie te mo­gen wor­den opge­nomen." 49)



Woensdag 21 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Amsterdam 21 october 1818

9. Het doet hem leed het kleine krediet op den graaf zoo veel korting ondergaan heeft; heden zijn door hem weder nieuwe middelen opge­zocht om even zuinig als spoedig de kredieten op Zeeland, Vlaanderen enz. te innen.

Bijgevoegd:
Ik heb gemeend den inhoud uwer geëerde van 18 dezer door de deligence ontvangen, afzonderlijk te beantwoorden.
Door den dood van den Heer Mendes de Leon, vader van ons medelid, heeft de afdee­ling geen vergadering gehouden; al het be­handelde is dus voorgevallen in een mondgesprek, het welk ik met de Heeren ieder afzonderlijk gehad heb, en het gemel­de, betrekkelijk het advies der som in letters wil zeggen, dat men verzocht niet het ad­viers der uitgedrukte talletters in de manda­ten, maar de som der letters.
Ik heb 12 jaren de beurs bezogt, en wete dus op welke wijze men papier op bijge­legene plaats dus plaatst, vooral wan­neer men geene onkosten ontziet. Ik heb ter ver­mijding van onkosten mij genood­zaakt ge­zien, rondtezoeken naar nemers van ons papier, deze gevon­den hebbende kan ik niet dadelijk over het beloop onzer traitte dispo­neeren. Soms schrijven hunne correspon­den­ten spoedig, dan wachten zij weder totdat zij papier op Amsterdam vinden. UWE kunt ver­zekert zijn, dat er geen dag voorbij­gaat, dat ik niet het uitgaande papier opne­me, en zoo dikwijls als ik zulks durf te doen, bij mijne vrienden naar het zelve informeer. Het is onnoodig de Heeren te doen opmer­ken, door welke plaatsen dikwijls een wissel passeert, eer dezelve ter betaling wordt gepresenteert. Ik veronderstel dat zulks het geval is geweest met de wissel ƒ520.- ge­trokken den 8 dezer aan de order van den Heer J.J. de Groot. Men beschouwt als een vriendschapsdienst het nemen van binnen­landsch papier zonder berekening van on­kosten, en in dat geval mag men zijne vrien­den niet lastig vallen. In het vervolg zal ik mijnen peroneelen kassier - de associatie cassa - gebrui­ken, welke ik niet behoef te ontzien, omdat ik voor dit incas­seeren beta­le.
Aangaande de bewuste geleende ƒ3300 ver­gunne UWE mij minzaam te res­cribee­ren, dat ik beschouwe uwe mandaten als traittes wel­ke ik stilzwijgend als behoor­ende tot het glo­baal bestuur medege­teekend heb, dat het belang vordert 1. dat deze promp zonder uitstel betaald worden. 2. dat onze manda­ten even zoo veel krediet moe­ten heb­ben, als Nederlandsche banbiljet­ten. Om deze reden heb ik ll. vrijdag nog ƒ 3000 bij de Neder­land­sche bank gestort, alvorens mijne ƒ 3300.- te innen, uit vreeze, dat alle man­daten mogten opkomen, als wanneer er bij de bank ƒ576.24½ cents zoude over ge­dis­poneerd zijn, en met mijne ƒ 3300.- ƒ3876.24½ zoude bedragen. Overigens ware het middel om mij spoedig te doen rembous­seren ge­brekkig.
Wat de kontante inkoopen betreft, zoo is het mogelijk, dat het geen ik daar over ge­meld heb als ware zulks eene bedreiging aante­merken. Geloof Mijne Heeren, en be­schouw deze verklaring even als ware zij notarieel gedaan, dat ik gaarne alles voor de Maatschappij wil doen, dat ik niet over mij­ne talenten om de Maatschappij van nut te zijn kan oordeelen, doch wel dat ik iedereen om durf tarten, met zulke ijver voor haar werk­zaam te zijn. De Heeren kunnen dus alle mogelijke informatie bij mij inwinnen.
Ik laat aan de beoordeeling der Heeren verders over de moei­jelijkheid om zich, wan­neer men van 's morgens vroeg tot 's a­vonds laat eenige miljoenen getallen door zijn hoofd laat spelen, het werktuig­kundige eener admi­nistratie moet waarnemen of nazien of zulks behoorlijk is waargenomen, of men dan zoo volmaakt rustig van humeur kan zijn, om soms niet eens zijnes ondanks scherp te zijn. Ik heb nimmer plan gehad iets beledi­gens te zeggen.
Indien er mij iets in de missieves mogt voorkomen, het welk ik niet kan begrijpen enz. zal ik de vrijheid nemen, den Heere sekretaris hier omtrent inligting te vragen, welke handelwijze zeker door UWE goedge­keurd wordt.
En nu moet den kassier bekennen be­trapt te zijn op eene onnaauwkeurigheid. Toen mijne brief weg was, herzag ik de kopy, en bevond no.13 in plaats van 33. De som echter akkoord, en beschouw­de dit nommer abuis geen 3 st. porto waard.
Wat de staat betreft, dezelve is door mij veranderd inge­volge de mandaten in cents geschreven en zodanig in bons op de bank betaald. Ik twijfel geenzints of dezelve zal akkoord zijn.
Verders over het gedrukte formulier der brief, verwonderd mij de aanmerking daar het nimmer in mijne gedachten gekomen is de Heeren voorschriften te geven.
Wat de opgegevene ƒ200.- betreft reeds uitgeschoten zoo hoop ik de Heeren monde­ling te spreken,daar ik niet gaare van giften enz. door mij geschikdt in de publieke papie­ren melding wil gemaakt hebben, even min als van de vijftig guldens voor contribu­tie en gift ter dispositie der Maatschappij. Ieder heeft zijn eigen zwak, gun mij deze geheim­houding.
Overigens hoop ik de Heeren heden avond te schrijven, en optegeven hoe geluk­kig ik met het inacasseren geweest ben en zal melden al het geen UWE bij deze inge­slooten vindt.
Ontvangt de verzekering mijner achtingsvol­le vriendschap.
P.J. Ameshoff 49)


Artikel gedateerd 21 oktober in de Staatscourant van 23 oktober 1818. transcriptie.


Donderdag 22 oktober 1818

Uit een brief van de subcommissie Tiel aan de Permanente Commis­sie:

"De ondergeteekende heeft de eer aan de Kommissie van Welda­digheid te berigten, dat er sints zijn laatste nu ook binnen deze stad een huisgezin heeft opgedaan, gezind om mede te dingen bij de keus voor de kolo­nie. De Heeren Burgemeesteren hebben hem gezegd een getuigenis van zedelijkheid te willen afgeven.
Het gezin bestaat uit eene man - Hen­drik Vos ge­naamd - die landbar­beid verstaat, zijne vrouw, Christina Brui­nings en drie dochters, waarvan de oudste zeventien jaren is. De man heeft nog ge­zegd, dat zijne vrouw en dochter het spin­nen verstonden." 49)


Brief van de subcommissie Dordrecht:

Dordrecht den 22 october 1818
Wel ontvangende hebbende UEd laatste missieve wegens de aanne­ming van het huis­gezin van A.P. Kranendonk voor de kolonie te Westerbeeksloot, tevens met het berigt, om het gem. huisgezin tegen den 1 nov. aanstaande derwaarts te zenden heb­ben wij dadelijk ons werk gemaakt den gem. Kranen­donk hiervan kennis te geven. Doch het spijt ons hieromtrent te moeten berigten dat de­zelve ons heeft te kennen gegeven dat zijn oudste zoon en dochter door hem niet zijn kunnen overreeden worden om met hem mede te gaan, doch dat hij met zijn vrouwe en jongste zoon van 10 jaren deniet­tegen­staande gezind bleef derwaarts te vertrek­ken. Daar echter hierdoor het gem. huisgezin hierdoor van 5 op 3 hoofden ge­bracht werde, hebben wij hierin niet durven toe­stemmen; zonder hierover UEd advies vernomen te hebben, te meer daar hij zeer veel bezwaar­en had om de ontbre­kende door vreemde kinderen te suppleeren: het zal ons dus bij­zonder aangenaam zijn, zoo spoedig UEd doenlijk zijn zal van UEd te mogen vernemen of wij nu niettemin het gem. huisge­zin van 3 personen zenden moe­ten, dan wel of UEd begeeren mogt dat wij in zijne plaats een ander huisgezin met meerder kinde­ren zou­den afzenden, waar­omtrent wij verlangen UEd antwoord te gemoet te zien.
De subcommissie te Dordrecht
vanwege dezelve
Van de Elst van Bleskensgrave
sekretaris. 49)

vrijdag 23 oktober 1818

Uit de notulen van de subcommissie Steen­wijk:

De permanente commissie accepteert het gezin van Steenwijk, met uitzondering van de aangehuwde kinderen.
"Hierop wordt overgegaan ter deliberatie wegens de bekendma­king aan het bovenge­noemd huisgezin, van de op hetzelfde geval­len keuze, waarbij zich al dadelijk eene zwa­righeid opdoet, bestaande in den stellig ver­klaarde tegenzin, van het hoofd deszelve in het vertrekken naar de kolonie, waarvan de vergadering door het medelid Wilbrink wordt geinformeerd.
Bij deze zwarigheid doet zich intus­schen eene andere op, waar­na(?) ge­bleken(?): dat de twee kinderen, abusievelijk aan onze Kommissie als aange­huwde kinde­ren opge­geven, eigen kinde­ren zijn der door ons ge­designeerde weduwe; waardoor het be­wuste gezin als geheel on­geschikt wordt geoordeeld tot het voorge­stelde doel."
Dhr. Wilbrink wordt daarop verzocht "te willen suppedite­ren eene lijst van geali­men­teerden, van uit dezelve zoo moge­lijk eene nieuwe benaming te maken tot welk einde de vergade­ring wordt gescheiden tot 's avonds 7 uren."
Om zeven uur gaat de vergadering ver­der:
"Spoedig evenwel blijkt het dat deze lijst, naar oordeel der vergadering, geene geschik­te voorwerpen, zoo als thans het ensemble verlangd wordt, zal kunnen opleveren en de vergade­ring ziet zich dus genood­zaakt hare gedachte te vestigen op zoodanige perso­nen, welke, schoon nog niet regelregt be­doeld, zich echter bevinden in zulken staat, dat zij of reeds dade­lijk onderstand behoe­ven of aan de armen­staat staan te verval­len.
De aandacht der vergadering wordt ver­volgens bepaald bij het huisgezin van onzen stadgenoot Dirk Dikkeboom, en na enige delibera­tie geconcludeerd het medelid Wil­brink te kommiteren tot sondering van gemel­den Dikkeboom, wegens deszelfs geneigd­heid om zich met de zijnen als leden der kolonie te doen aannemen: welke kom­missie door den Heer Wilbrink gewillig opge­nomen zijnde, werd hij verzocht daarop ten spoedig­ste te rapporteren." 3450)




Bijgevoegd bij een brief van Ameshoff aan de Permanente Com­missie:

Amsterdam 23 october 1818

Amice!

Weest zoo goed en verander no.30 der ge­adviseerde kredieten in no.40 van ƒ520.-
Hebben mijne rekwestanten hoop? De arme zielen snakken naar tijding.
Overal heb ik rondgelopen, en mijn kas­sier laten rondlo­pen om het Tholer papier te plaatsen. Ik geef de moed niet op.
Gister morgen had den Heer Nieuwen­huys voor 9 ure al de noodige stukken om te teekenen. Doch helaas het was te laat, an­ders had ik alls spoedig, heden kunnen plaat­sen.
Het krediet op Antwerpen aan een mij­ner korrespondenten opgezonden; om retou­ren voor te laten komen.
VRoyen zal wder ƒ2000 moeten heb­ben, de schipper heeft hem ƒ19 voor de ƒ1900 afgevergd. Maandag hoop ik weder met de mestexpeditie voorttegaan, en dan kan hij mits ik een ver­trouwde schipper heb, bij Tut­tel het geld gratis krijgen.
Ik heb nog een zak voedervlokken vicia sativa. Voortref­felijk voeder. Wilt gij eens vragen of ik daarmeede onze landbouwers kan dienen. Ook met eene boerewagen, juist niet nieuw, doch men moet geen gegeven paarden immers in de mond kijken.
Alle avonden maak ik mijne uitstaande kredieten op, en ga alles na. Ik wensch al­toos zuinig en spoedig te werken. Moge­lijk is er kans met een bankier kantoor in Rotter­dam, Den Haag en Den Bosch in commercie te komen.
De Star wordt niet vergeten. Ik heb be­langrijke recepten tegen het brandkoor­en(?) e.d.
Groeten J.J.
Petro

Zoute vruchten    ƒ25 de ton in pekel } de
idem         ƒ30 ƒ32 in droog zout} haver­
kabbeling         ƒ18 in droog zout     } gort slaat
stokvruchten    ƒ17 } per 100 pond } af
idem gebeukt     ƒ24 }         } 49)




Zaterdag 24 oktober 1818


Notulen van de vergadering van de Permanente Commissie over schipper Faber invnr 38. transcriptie


Verklaring schipper G. Faber over vervoerde personen en goede­ren invnr 1340. transcriptie




Zondag 25 oktober 1818

Uit een brief van de subcommissie Gouda aan de Permanente Com­missie (brief bevindt zich in ongetranscribeerde vorm in de directory subcommissie Gouda)

"Hendrika van der Valk weduwe van wijle Lucas Vergeer   
vlasheekel­ster    oud 48 jaar
Janna Vergeer   
vlasheekelster    oud 20 jaar
Sent Vergeer   
baanspinder    oud 18 jaar
Jannegje Vergeer
baandraaijster    oud 12 jaar
Jaantje        oud 19 jaar

Welke weduwe met haar zoon en 2 dogters benevens het laaste meisje dat niet haar eigen kind dog als zodanig door haar is op­gevoed de Subcommissie voorkomen de nodige vereischten te bezitten om als colo­nisten te worden opgenomen zijnde alle of­schoon behoeftig, gezond en van een goed zedelijk gedrag en wij dezelve ook als zoda­nig gerust kunnen aanbevelen in het billijk vertrouwen dat dezeve bij UEd zullen geag­reerd worden, waarop wij ten spoedig­ste UEd rescuy­tie(?) verzoeken met vermel­ding waar en wanneer deze menschen zig moeten sis­teeren om de reis aantenemen en wat verder tot bij hun vertrek ver­zocht word." 49)


Uit de notulen van de subcommissie Steen­wijk:

Wilbrink rapporteert: "Deze ... verwittigde de vergadering van eene aanvankelijk goe­den uitslag; door haar te verzekeren dat de per­soon van Dirk Dikkeboom, zich gansche­lijk niet ongenegen had betoond om met de zij­nen als leden der kolonie te worden aan­ge­nomen, doch dat hij, behalve de medetoe­stemming zijner vrouw, eenig meerder licht vooraf in een ander opzicht wensch­te. Te dien einde had de gekommit­teerde met ge­melden Dikkeboom bepaaldelijk afgespro­ken, hem bij de eerste vergadering onzer Kom­missie te zullen doen roepen, om bij dezelve die inlichting te bekomen welke hij, verlan­gen mogt de deze hem zoude kunnen geven: hem inmiddels verzoekende de zaak met zijne huisvrouw in overweging te ne­men.
Na het inwinnen van bovengemeld rap­port wordt algemeen noodig geacht we­gens de kortheid des tijds bepaald tot het ontvan­gen der kolonisten in de kolonie op den 1 nov. aanstaan­de, niet te dralen, maar dade­lijk den persoon van Dirk Dikke­boom in ons midden te verzoeken; aan welk verzoek de zelve onverwijld voldoet.
Door het medelid Wilbrink gepast aan­gesproken en herin­nerd aan het tusschen hen verhandelde met opzigt tot de kolo­nie, gelijk nu bijzonderlijke aan het oogmerk zijner opkomst in ons midden, beant­woordt hij deze toespraak met de betuiging van niet ongene­gen te zijn tot het lidmaatschap der kolonie, maar tevens met de herhaling zijner begeer­te, om vooraf meer met dezelver doel en inrigting bekend te worden gemaakt: waarop de sekretaris wordt verzocht tot voorlezing der regel­mentaire schikkingen en bepalingen voor den kolonist, na voorlezing van welken, met van tijd tot tijd tusschenge­voegde gepas­te herinneringen en aanmoedi­gende redenen der leden, genoemde Dirk Dikkeboom ver­klaart voor zoo veel hem betreft, zich aan zijne meerge­melde betui­ging te houden, in­dien slechts ééne zwarig­heid voor hem werd uit den weg geruimd en zijne huisvrouw met hem, na bekendma­king van het hem thans medege­deelde niet in gevoelen mogt ver­schillen.
Zijne vermeende zwarigheid hem afge­vraagd zijnde, bestond hierin dat hij wen­schte verzekerd te worden van ten allen tijde de kolonie weder te kunnen verlaten, indien onverhoopt dezelve inwooning hem mogt tegenstaan.
Het medelid Schuurman verwittigd daar­op de vergadering welke moeijelijkheid rond deze zwarigheid volledig op te lossen, dat zij, op de mondelijke verzekering van de Heer Generaal van den Bosch, aan hem gedaan, den kolonist, dit begerende, den tijd van 3 of 6 maanden; ja van een geheel jaar kon tot­staan tot proefneming; na welken tijd den kolonist, met afbetaling van de voor hem uitgeschotene gelden van alle verplig­ting aan de Maatschappij van Weldadigheid zoude ontsla­gen kunnen worden.
De comparant wordt daarop ver­zocht, ter bespoediging van de uitlag der zaak, zijne huisvrouw in ons midden te roe­pen, ten weil­ken einde hij zich gedurende eenige oogen­blikken absenteert.
(...)
De comparant Dikkeboom met des­zelfs huisvrouw vervolgens in ons midden, gere­tourneerd en aan deze nevens hem de nood­ige inlichtingen gegeven zijnde, worden beide aangemoedigend verzocht tot stellige verkla­ring van hun besluit, terwijl op boven­gemelde informa­tie van den Heer Schuur­man, de ver­gadering aan hun de verzekering geeft dat zij, dit begerende op straks gemel­de voor­waarden zich een jaar ter proefne­ming zullen mogen voorstellen.
De comparant zich het stellig ant­woord hier op wenschende voor te behou­den tot den volgenden dag en tot na de herlezing van het koloniaal reglement, welk zij verzoe­ken tot dien tijd in handen te heb­ben, wordt hun dit verzoek toegestaan, met bepaling van teruggave en antwoord tegen den vol­genden dag aan den Heer President onzer vergade­ring." 3450)



Maandag 26 oktober 1818

Artikel gedateerd 26 oktober 1818 in de Staatscourant van 27 oktober 1818. transcriptie



Middelburg, den 26 october.
Ten gevolge van het besluit der maatschappij van Weldadigheid, om reeds gedurende dit jaar eene proef te nemen van den aanleg eener volksplanting te Westerbeeksloot [Fre­deriks-oord], is, op zaturdag den 24sten de­zer, van deze stad naar de volksplanting vertrokken het huisgezin van Abraham Kop­pejan, bestaande uit man, vrouw en vier kinderen; aan welk huisgezin, door de stede­lijke sub-commissie alhier, de voorkeur was gegeven boven een aantal andere huisgezin­nen, die zich bij haar ten zelfden einde had­den aangemeld (Middelburgsche Courant) sc 30.10.18



Dinsdag 27 oktober 1818

Uit de notulen van de subcommissie Steen­wijk:

"Rapport uitgebracht door den President der vergadering wegens het antwoord van Dirk Dikkeboom, betreffende het hem gedane voorstel ... kortelijk hierop neerkomende: dat gemelde D. Dikkeboom met de zijnen den hem gedane voorslag tot het lid­maatschap der kolonie aanneemt op voorwaarde van proefneming tot 1 mei 1819, na welken tijd hij, dit verkiezende zal ont­slagen zijn, na afbetaling der voor hem door de Maatschap­pij uitgeschoten gelden.
Waarop gemelde D. Dikkeboom, met zijn gezin, door onze vergadering wordt gedésig­neerd voor de kolonie Frederiks­oord."3450)


Uit een brief van de subcommissie Dor­drecht aan de Permanente Commissie:

Dordrecht den 27 october 1818

De subcommissie van Weldadigheid te Dor­drecht heeft het genoe­gen ten gevolge de missieve van den 23sten ll. de Perm. Comm. te berig­ten dat zij uit aanmerking van de geschiktheid van den persoon A.P. Kranen­donk gemeend heeft het opgegeven huisge­zin, door den weige­ring van twee kinderen tot drie personen ge­bracht, tot het opgege­ven getal van 6 personen te moeten aanvul­len, hetwelk naar wensch gelukt zijn­de, gem. huisgezin morgen of overmorgen van hier staat te vertrek­ken en hetwelk aldus met de noodige stukken voorzien aan­staan­den vrij­dag te Amsterdam zal kunnen arri­veeren, waar wij hetzelve ter verdere ver­zending aan den Heer Holtrop zullen addres­seeren, aan wien even als aan de subcomm. in de plaats van haar nachtverblijf wij hier­van heden heb­ben kennis gegeven. 49)


Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Amsterdam 27 october 1818

Verzoeke ten minzaamste mij per omgaande post wel te willen berig­ten, of de door mij ingezondene rekwesten, tot plaatsing van personen als kolonist, aangenomen zijn, of gedeclineert. De lieden plagen mij gweldig om het ja of neen te vernemen.
Jaarlijksche mest van 100 paarden die meestal op stal zijn, zoude ik kunnen beko­men tot +: ƒ800.- Wanneer men op elke vracht straatvuil 5 last paardemest lade, zou­de men het straatvuil in kwaliteit zeer bevoor­deelen.
P.J.A.

Bijgevoegd:
Ik bezweer u in naam der vriendschap, meld mij toch spoedig, of mijne rekwestanten al of niet aangenomen zijn. Zoo er een of meer aange­noomen zijn, dan wie. Gij kundt niet begrijpen hoe die zielen mij lastig vallen. Allerlei praatjes verspreidt men. Ik bid u waarmede heb ik verdiend dat gij mij zoo in onaangenaamheid laat zitten. Ja of Neen! Dat is alles wat ik begeere.
Ik schreef onderscheidene malen of men gepresseert was om dadelijk meer mest in de kolonie te hebben. Nooit werd mij eenig ant­woord gegeven; En wenschte te weten welke schipper eerlijk of oneer­lijk zijn, of ik tijd heb­ben omg(?) de vracht spaar­zaam te zijn. Ik bid u, aan wie moet ik nu dadelijk schrijven om onkosten te menagee­ren.
Ik heb een rekening gecopieerd voor de kredieten op Zuidhol­land met de ontvanger generaal; wanneer gij wist welke moeite ik mij geve om met spaarzaamheid en spoed mijne kredie­ten binnen te krijgen, zoudt gij mij wel van knorrigheid niet beschuldigen.
Ik zoude weder 3 schippers met mest kunnen bevrachten.
De wind sedert lang oost zijnde zal de generaal eene langzame reis gehad hebben, er is met een bestendige oosten­wind bijna geen water voor Blokziel zoodat zelfs de beurtman dikwijls niet varen kan.
Ik hore veel van vertrek van kolonisten. Eilieve kosten dan een paar zegels zoo veel tijd.
Vertrouw Daniel van Royen niet, doch met gemuke(?) harte onze braven S.J. van Royen van Vledder, die weder geld moet hebben. Zoo ik vertrouwde mestschipper heb, zal ik hem op rekening voor het heil der kolo­nie ƒ2000.- zenden in specie. De man is weer in voor­schot.
Wie gij of de Kommissie niet vertrou­wen kunt, zal ik nader melden. Na 1 nov. ga ik op reis, en dan moeten het incasseeren een weinig lala gaan, denk ik. Zal zorgen, men de mandaten tot ƒ4000- kan betalen zonder de bank te gebruiken, dan lijdt er onze Maat­schappij niet bij.
Ik heb en krijg veel voor onze kolonie, doch men wil zoo gaarne wat weten.
Nog eens zend mij de rekwesten, al of niet goedgekeurd met 2 of 3 regels spoedig terug. Bij al wat heilig is bezweere ik u dit.
Minzame groeten J.J.
Petro

Men vroeg mij op de beurs of wij eene vrije haven - porto franco - verlangden.
Ik vleije mij met de remissie van ten minsten een mijner rekwesten. 49)



Donderdag 29 oktober 1818

Uit de Staatscourant:

's Gravenhage, den 29 October.
De permanente Commissie van Weldadigheid haast zich, door één en ander voorbeeld daartoe gedrongen, om al de sub-commis­sien, die in het geval zijn van gedesigneerde huisgezinnen naar de kolonie van frederik­soord op te zenden, ten ernstigste te ver­zoeken, om zich, in het getal der leden van die huisgezinnen, stiptelijk aan de wetten der maatschappij en aan hare eigene opgaven te houden, ter voorkoming van wanorden en afwijzingen in het tegengestelde geval. sc 30.10.18


Rotterdam, den 29 October.
Gisteren is van hier naar de volksplanting Frederiks-Oord vertrokken het huisgezin van Anthony Gerards, bestaande uit man, vrouw en vijf kinderen, welke allen door de sub-commissie van weldadigheid alhier van het noodige voor de reize zijn voorzien, zoo als ook voor het transport van het huisgezin van Geertruidenberg, alhier gepasseerd, gezorgd is en verder gezorgd zal worden voor ver­scheiden anderen, die van elders alhier ter verdere expeditie naar de volksplanting ver­wacht worden. (Rotterdamsche Courant) sc 2.11.18



Vrijdag 30 oktober 1818

Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie:

Amsterdam 30 october 1818

De kassier ... zal
1. kortelijk de uwe beantwoorden, uit hoof­de dat de Generaal hem verlangt in de kolo­nie.

3. dat voor het eerst met de bank te goed heb.

5. dat de rekwesten door de Rigagneaux door mij ingediend zijnde, deze lieden met aandoening hoop voeden, en met dank­baar­heid de vraag gunstig beantwoorden.

P.S. Nog adviseere UWE dat P.J. Ameshoff betaald heeft ƒ50.- voor contributie en gift, waarvan hij liefst verzoeke geene melding in de nieuwspapieren.

Bijgevoegd:
Amice!

Daniel vR is de broeder van onzen braven S.J.vR, woont te Assen, bijgenaamd de puis­tige.
De generl heeft mij mondeling doen verzoeken hoe eerder hoe liever overteko­men. En verwacht spoedig nog 2 mest­scheep­jes. Ik ga morgen per beurtman. Wanneer men geld noodig mogt hebben, zal ik op mijn kassier doen afgeven tot ƒ5000 toe.
Wat zijt gij weder aan het harrewarren. ƒ5800. voor ƒ8500- aantezien. Foei! Foei!
Ik krijgt best klaver, eeuwige klaver voor de kolonie en nog veel meer. Wet gij niet dat ik landbouwer ik mijn hart ben. Gister heb ik een kwart morgen met opregt fimijn(?) be­zaaid.
Foei foei en weder foei. Het hangt aan mij met de inning der kredieten. Op reis zijn­de zal er niet veel kunnen aan gedaan wor­den. Wind en weêr gunstig zijnde kan ik spoedig terug.
Gister zag ik eerst de brief van 26 oct. met de naamlijst van 26 oct. Ik wist dus van niets en nu verneem ik verneem ik de expe­ditie der kolonisten door Holtrop be­werkstel­ligt wordt.
Gedurende mijne absentie zal met het innen van nieuw geo­pende kredieten niet voortgegaan kunnen worden.
Wanneer de Antwerpsche kassier geen abuis in zijne bere­kening gemaakt had, wa­ren de francs binnengeweest. 49)



Zaterdag 31 oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Uit een brief van de subcommissie Groot­ebroek aan de Permanen­te Commissie met de voordracht van Klaas Visser. transcriptie:



Uit het brievenboek:

Besluit der Perm. Kommissie op heden. Om de subkommissie Amster­dam te verzoeken, van uit een der godshuizen te willen zoeken 1 jongeman en 1 aankomend meisje ge­schikt tot aanvulling van 't huisge­zin van H. Rigag­neau aldaar, op den voet gedesigneerd voor de kolonie te W.B.Sloot (Elandsstraat boven no. 127) 18)


Ingekomen post invnr 49. Opzendbrief van Cohen en Hoofien met hun gegevens door Nut en Beschaving. vermelding



Eind oktober 1818

Uit de notulen van de subcommissie Steen­wijk:

Eind oktober druppelen de eerste kolonisten Steenwijk binnen. Vanwe­ge hun late aan­komst worden alle kolonisten eerst in Steen­wijk zelf ter overnachting ondergebracht alvo­rens ze naar de kolonie vertrekken. Er is ook sprake van huisgezinnen "van Zwol per marktschuit gebracht".
Als laatste komen de gezinnen van Utrecht en Hoorn op 13 no­vember aan, die aan boord van het beurt­schip van Brink aan de rede van Blokzijl hebben moeten over­nach­ten.
Dirk Dikkeboom krijgt twee ingedeelden toe­gewezen: Geert en Klaasje Winters. 3450)





oktober 1818

Uit het artikel Bontekoe over Enkhuizen:

De Permanente Commissie kiest Jan Bult. Hij verschijnt voor de commissie maar wil, alvorens zich bereid te verklaren om te worden uitgezonden, nog graag even overleg plegen met zijn vrouw. Dat wordt goedgevonden en alvast wordt aan de magistraat der stad een 'vrij­briefje' gevraagd voor het transport naar Zwolle ... Er valt dan het besluit dat "het koloniaal huisgezin" de reis zal maken met de beurt­schipper op Zwolle tot aan zwartsluis en vandaar over Steenwijk naar Frederiksoord. Jan Bult verschijnt ter vergadering en verklaart zich bereid om te gaan en vraagt reisgeld. De commissie wenst hem geluk en legt hem toe drie guldens reisgeld.
Een week later is dat vrijbriefje er ook voor het gezin van Martinus Alblas, die blijkens bericht van de subcommissie in Medemblik van die stad via Enkhui­zen naar de colonie te Westerbeeksloot (het latere Frederiksoord) zal vertrekken. ... Het commissielid Valentijn zal het gezin Alblas uit Medemblik ontvangen en verwijzen naar het schip op de Lemmer.





Oktober 1818

Oktober 1818 bericht de subcommissie M'dam aan de pc dat er geen gezin was...


Lijst aan kolonis­ten verstrekte kleding, invnr 1338. transcriptie


Lijst aan kolonis­ten verstrekte huisraad, invnr 1338. transcriptie



Oktober 1818

Ingekomen post invnr 49. Liederen ingezonden door P.R. Feith, lid van de subcommissie te Almelo. transcriptie


Ingekomen post invnr 49. Ene J. Jabot uit Assen stuurt liederen voor Frederiksoord. transcriptie In een andere brief zegt Jabot door Johan­nes van den Bosch ge­vraagd te zijn om din­gen te schrijven.