Besluit permanente commissie 23 september 1839 N31: Bepalingen nopens de verpleging der Israelieten te Veenhuizen en de plaatsing van bedelaarskinderen in de weezengestichten


Drents Archief, toegang 0186, invnr 977


De Permanente Commissie
Op het verslag van haar medelid Mr. Faber van Riemsdijk, betrekkelijk de door ZWEG, bij gelegenheid van de jongste algemeene inspectie der Kolonien, in loco beraamde schikkingen nopens de verpleging van Isra√ęlitische weezen en bedelaars kolonisten, in verband met de verwachte ruimere kolonisatie van de zoodanige, ten gevolge der daargestelde gelegenheid tot uitoefening van de Israelitische Eeredienst te Veenhuizen

Besluit:

Art 1.
a. De IsraŽlitische weezen, zullen, bij uitsluiting in het 3e Gesticht te Veenhuizen worden verpleegd, en de Israelitische Bedelaars Kolonisten, gelijk reeds bij aanschrijving van den 20 Julij ll. N6 is bepaald, uitsluitend in het 2e Gesticht aldaar.
b. De vier hoekzalen van het 3 Gesticht onder opzigt van de zaalopzieners C. Brecheisen en J. Emmelot zullen worden ontruimd, bij overplaatsing van de daarin verpleegde kinderen voor zoo veel nodig naar het 1e Gesticht.
c. Van de alzoo ledigkomende zalen worden voorloopig twee bestemd voor Israelitische kinderen, te weten de beide zalen aan den kant der ambtenaarswoningen, zullende de meisjes in de zaal aan de meisjeszijde en de jongens in de zaal aan de jongenszijde geplaatst worden.
d. De Israelitische weezen zullen staan onder het opzigt der zaalopzieners J. Danens en J. Emmelot, te welken einde Danens, die over de meisjes wordt gesteld, met Brecheisen van zalen zal verwisselen, terwijl Emmelot de zalen aan de jongenszijde waarover hij thans gesteld is, behoud.
e. In de zalen en keukens der Israelitische weezen zullen ten aanzien van voeding, kleeding en keukengereedschap de voorschriften gevolgd worden welke het lid der Permanente Commissie bovengenoemd in loco heeft gegeven.

Art 2.
a. Voorloopig en behoudens nadere beschikking voor het geval dat de dienst der Maatschappij zulks anders kwam te vorderen, worden de twee andere zalen welke volgens Art 1b open komen, bestemd voor bedelaars kinderen
b. De kinderen in de bedelaarsgestichten, voor zoo veel zij den leeftijd van meer dan 5 jaar hebben bereikt, zullen naar het 3e Gesticht te Veenhuizen ter verpleging in de evenbedoelde zalen, worden overgeplaatst, te weten de meisjes in de zaal aan de meisjeszijde onder Danens en de jongens in de zaal aan de jongenszijde onder Emmelot.
c. Op het stamboek van genoemd 3e Gesticht zal voor hen eene afzonderlijke afdeeling worden bestemd, waarop zij zullen worden ingeschreven onder hunne nommers als bedelaars kolonisten, zullende zij in de bedelaarsgestichten, als overgeplaatst worden gevoerd, in overeenstemming met de bestaande instructien op het houden der Stamboeken, welke overigens ook in de overige opzigten te hunner aanzien, voor zoo veel toepasselijk, zullen worden in acht genomen.
d. Tusschen de bedoelde bedelaarskinderen en de Weezen zal anders geen onderscheid worden gemaakt, zoo verre wat arbeid en belooning, als wat kleeding, voeding en tucht betreft, zullende zij volkomen op denzelfden voet worden verpleegd en behandeld, met dien verstande nogtans, wat de kleeding der bedelaars kinderen aangaat, dat dezelve niet op eens, maar allengs, naarmate zij nieuwe kleedingstukken bekomen, tot gelijkheid met die der weezen zal worden gebragt.
e. Bij aldien het in de orde der huishouding noodig wordt geacht zal aan de bedelaars kinderen dezelfde voeding als aan de Israelitische weezen worden gegeven.

Art 3.
a. Ter plaatsing van de Israelitische bedelaarskolonisten aan het 2e Gesticht te Veenhuizen, wordt een gedeelte van eene der zalen onder den zaalopziener Gustavus, aan de vrouwenzijde voor de vrouwen en een gedeelte van eene der zalen onder Schaghen aan de mannenzijde voor de mannen bestemd.
b. In elk der bedoelde zalen zal de afscheiding van het voor de Israelitische bedelaarskolonisten bestemde gedeelte geschieden door een verplaatsbaar schut, ten einde de ruimte ter plaatsing van de Israelieten naarmate zij meer of minder talrijk zullen zijn, te vermeerderen of verminderen, overeenkomstig hetgeen dienaangaande door het bovenvermeld medelid der PC in loco is voorgeschreven.
c. Ten aanzien van de voeding en kleeding der bedoelde kolonisten, gelijk ook ten aanzien van het huisraad en keukengereedschap ter hunner behoeve, zal mede gehandeld worden naar de voorschriften door meergenoemd Medelid in loco gegeven, terwijl voor hen zal gekookt worden in de kleine keuken bij den zaalopziener Visser, daartoe in loco door ZWEG aangewezen.

Art 4.
Voor zoo veel noodig zal al het slagtvee bij de drie Gestichten te Veenhuizen door den Schoget Nieuwied worden gedood en geen vleesch zal voor de Israelieten worden bestemd, zonder deszelfs verklaring dat het naar kerkpligt hun geoorloofd is daarvan te eten.

Art 5.
Ieder jaar eene maand voor het IsraŽlitische Paaschfeest, zal de Directeur der Kolonien eene opgave inzenden van het aanwezig aantal Israelitische mannen, vrouwen en kinderen te Veenhuizen, ten einde tot grondslag te dienen ter berekening van het benoodigde ter viering van dat feest, waarin de Hoofdcommissie tot de zaken der Israelieten voornemens is te voorzien.

Art 6.
Bij het ontstaan van bedenkingen of zwarigheden waarin de Israelitische Geestelijkheid mogt betrokken zijn, zal de Directeur der Kolonien daarvan verslag doen aan de PC die dezelve, zoo noodig aan de beoordeling en beslissing der Hoofdcommissie tot de zaken der Israelieten zal onderwerpen.