Het Rťveil en de MvW


door Andrť Huitenga


Inleiding

Toen de Maatschappij van Weldadigheid werd opgericht, stond het Rťveil nog in zijn kinderschoenen. Vrijwel letterlijk, aangezien de meeste voormannen geboren zijn rond 1800. De bakermat van het Rťveil in Nederland, het privatissimum (= de privťles) van Willem Bilderdijk in Leiden, was in 1817 gestart. Jonge studenten als Willem en Dirk van Hogendorp, Jacob van Lennep, Willem de Clerq, Abraham Capadose en Isaac da Costa volgden dus pas net de (breedsprakige) lessen van de door hen bewonderde Bilderdijk, toen in januari 1818 de MvW het licht zag.Gezamenlijke uitspraken over dit initiatief werden niet gedaan, wel is bekend dat Da Costa en Capadose in de beginjaren lid waren van de MvW en net als de andere leden een contributie van ťťn stuiver per week aan het plan bijdroegen. Capadose had zelfs het corresponderend lidmaatschap, door de Maatschappij toegekend aan mensen van wie zij een bijzondere bijdrage aan het ontwikkelen van nieuwe ideeŽn verwachtte.De eerste Rťveilman die iets van zich laat horen over de Maatschappij van Weldadigheid is Willem van Hogendorp. Willem en zijn broer Dirk moeten goed op de hoogte geweest zijn, want hun vader Gijsbert Karel van Hogendorp was een van de steunpilaren van het initiatief en vice-voorzitter van de Commissie van Toevoorzicht. Willem verdiept zich in De Star, een maandelijkse publicatie van de Maatschappij, maar raakt vooral enthousiast na een ontmoeting met Johannes van den Bosch, die hij "wezenlijk een oorspronkelijk en interessant man" vindt.(1) Evenals Van den Bosch ziet Willem van Hogendorp de concentratie van te veel geld bij te weinig mensen als de grootste oorzaak van de armoede(2) en ook ziet hij in de kolonisatie van armen op het platteland de meest effectieve oplossing.(3) Als er in 1822 van regeringswege een commissie gevormd wordt om de armoedeproblematiek in het land te bestuderen wordt Willem van Hogendorp tot secretaris benoemd. Voorzitter van die commissie is Prins Frederik der Nederlanden, die dezelfde functie vervult bij de Maatschappij van Weldadigheid. 1822 is ook het jaar dat voor de MvW de eerste grote problemen opduiken. Het tot ordentelijke burgers opvoeden van de inmiddels 2200 mensen in de vrije koloniŽn gaat moeizamer dan verwacht, organisatorische problemen en geruchten over misstanden zorgen voor negatieve publiciteit en het ledental is gezakt van 22.500 tot 18.000. De dat jaar opgerichte 'onvrije kolonie', het bedelaarsinstituut op de Ommerschans, dat aan 1000 onvrijwillig opgenomen bedelaars plaats gaat bieden, zal zorgen dat de kritiek op de MvW steeds grotere vormen aan gaat nemen.
 

Omslag in het denken

Zomer 1823 onderneemt de net afgestudeerde Dirk van Hogendorp, samen met studiegenoot Jacob van Lennep, een voetreis door Nederland. In brieven aan hun geestverwanten in het Westen berichten zij over hun wederwaardigheden, inclusief hun bezoeken aan de diverse instellingen van de Maatschappij.Over de vrije koloniŽn (Frederiksoord, Willemsoord, Wilhelminaoord) zijn de twee nog gematigd positief. Van Hogendorp: "Anders bloeit dezelve, en louter menschkundig geredeneerd, zoude zij moeten gelukken. Niet alleen komt het mij voor dat volgens de bestaande reglementen het ontwerp goed moet slagen, maar zelfs de welvaart van het omliggende land vermeerderd."(4) En Van Lennep meldt dat alle kolonisten die hij spreekt tevreden zijn en dat iedereen voldoende lijkt te hebben om rond te komen. Met instemming schrijft hij dan ook: "Hier vormtmen een nieuwe maatschappij".(5) Kritiek hebben zij op de godsdienstuitoefening. Niet alleen zijn alle protestantse gezindten gedwongen naar dezelfde kerk te gaan, maar de dienst die zij zondag 6 juli 1823 bijwonen, verbijstert hen. Slechts langzaam druppelen wat kolonisten en boeren de kerk van Vledder binnen, de meesten vrolijk pratend en een pijpje rokend. "De kerk had veel van een koffijhuis" constateert Van Hogendorp. Er is sprake van een freule "in eene kleding beter geschikt om in eene residentie op een feest, dan om in een boerendorp naar de kerk te gaan."(6) Uiteindelijk blijkt het gebruikelijk dat de dienst een uur of twee te laat begint omdat Johannes van den Bosch te laat pleegt te komen.Alhoewel er een officiŽle plicht bestaat om de kerk te bezoeken, komt er in de praktijk weinig van terecht. Onder andere omdat de kolonisten niet eens in de kerk zouden passen wanneer ze allen zouden verschijnen. Hierin ziet Van Hogendorp het grootste kwaad:"Daar er eene physieke onmogelijkheid bestaat dat de colonisten allen ter kerke gaan, kan men in hen ook het verlangen en de behoefte om des zondags naar de kerk te gaan niet opwekken, daar men dan eene behoefte zoude opwekken waaraan men toch niet konde voldoen. Die behoefte - hoe zeer zij mijns inziens toch behoorde opgewakkerd te worden - zal nu waarschijnlijk niet opgewekt worden, en zoo gaat er dan geen enkel colonist in dien staat naar de kerk waarin hij vatbaar is voor stichting en leering."(7) Van Lennep ziet ook bij het onderwijs dingen die hem minder bevallen. In zijn ogen zijn het soberheid en rechtlijnigheid die de kolonisten moeten worden bijgebracht. De kolonisten die hij tegenkomt acht hij te oneerbiedig en het onderwijs te veel op onnutte lessen als aardrijkskunde, geschiedenis en stijl gericht, dingen waarvan volgens hem een arme alleen ontevreden met zijn lot kan worden. Op de zondagsschool tenslotte, leest men in plaats van de Bijbel liever uit "zedekundige prullen".(8) De nog milde toon verandert echter rigoreus als de twee jongemannen het inmiddels een jaar draaiende bedelaarsgesticht op de Ommerschans bezoeken. Van Hogendorp verklaart "dat ik nimmer eene zoo afschuwelijke inrigting gezien heb en dat het hart bij de bezichtiging toeschroeit."(9) De leefomstandigheden zijn slecht, er is onvoldoende werk, maar tevens weinig te eten omdat het principe van de Maatschappij is dat wie niet werkt niet zal eten. Het rantsoen der kinderen is te klein, zodat zij schreeuwen van de honger, de doktor is een kwakzalver en de godsdienst komt in het gedrang doordat de predikant op twee uur afstand woont en 's winters vanwege de slechte wegen in het geheel niet kan komen. Op school treffen zij maar dertig van de driehonderd kinderen, de schoolplicht houdt op met de 8-jarige leeftijd, in de avondschool zijn de oudere kinderen van hun dagwerk te vermoeid om nog iets te kunnen leren.(10) Van Lennep en Van Hogendorp komen mensen tegen die volstrekt ten onrechte in de Ommerschans zitten: kinderen die hadden gebedeld en zonder proces bij hun ouders weggerukt waren, een reiziger die was opgepakt door een dronken schout die zijn Franse pas niet kon lezen, een arbeider die op straat overvallen was door geeuwhonger en meteen doorgetransporteerd...Afschuwelijk vonden ze het dat gezinnen uit elkaar getrokken werden. Vrouwen en mannen en kinderen kwamen in aparte zalen, tenzij er - wat zelden voorkwam - schriftelijk bewijs van een huwelijk was. Tijdens het werk op de velden daarentegen, is door gebrekkig toezicht sprake van "de Republiek van Plato en Jan van Leiden, anders gezegd de Vaga Venus heerst hier in den volstreksten zin, zoodat de meeste meisjens zwanger zijn."(11) Alles overziend komt Dirk van Hogendorp tot een vernietigende slotconclusie over de MvW: "Ik herinner mij een gezegden van onzen vriend Capadose, dat de Duivel in alle maatschappijen voorzit. Lang heb ik aan de gegrondheid van dit gezegde getwijfeld, doch begin er waarlijk hoe langs hoe meer toe over te hellen. De inrichtingen der maatschappij van Weldadigheid, dat wij naauwkeurig en omzichtig onderzocht geven mij daarvan een nieuw bewijs. Wij wisten dat Le Maistre gezegd heeft, dat alle menschelijke instellingen die niet op Godsdienst gegrond zijn vergaan moeten, en wij geven hem dit zeker toe, zoodat ik nu zoo verre de ondergang der maatschappij van Weldadigheid tegemoet zie."(12)

De brieven maken grote indruk. Capadose en da Costa zeggen hun lidmaatschap op en eerstgenoemde schrijft een brief aan de Amsterdamse subcommissie van Weldadigheid met zijn bezwaren tegen de Maatschappij, over welke brief hij zelf zegt: "De taal is tenminsten, zo ik vertrouw, uit 't hart gekomen en dus eenigsinst krachtig."(13) En aan Dirk van Hogendorp schrijft hij terug: "Nimmer heb ik gedacht dat iets zou instaat zijn de gruwelen van de Fransche Revolutie te evenaaren en de diepe indruk die dezelve steeds op mij gehad hebben, tot dezelfde trap van verontwaardiging te brengen. Doch ik moet u bekennen dat uw brief beide overtroffen heeft. Hart en ingewanden schudden en beeven bij het lezen dier afschuwelijkheden. Ik ben er nog ziek van: en waare het niet dat eene mengeling van zielroerende medelijden voor die rampzalige slachtoffers en hoogestemde Sainte Coleretegen die monsters mij in het eerste oogenblik reeds traanen van droefheid en woede hadt doen storten, het hadt - geloof ik - mij eene ziekte gekost."(14) Het voormalig lid Da Costa is niet minder fel: "Hij verdient, dat men hem den kop voor de voeten legt, die Generaal Van den Bosch! Want zij is uit den Duivel, de Maatschappij van Weldadigheid! De armoede willen opheffen! Het ontwerp is boven het bereik der menschen. Zij willen een toren van Babel bouwen! Maar het geheele gebouw zal omver. De bijl ligt aan den boom, en de tijd van Gods herstellende Almacht breekt aan!"(15) Zelfs de secretaris van de Commissie voor de Armenzorg en tot dan toe warm voorstander van de MvW, Willem van Hogendorp, is geschokt door de brieven van zijn broer. Volgens hem is de oorzaak van de problemen te zoeken in de leiding van de Maatschappij en meer in het bijzonder bij Johannes van den Bosch, aan wiens verleden in Nederlands IndiŽ hij refereert:"De hoofden der onderneming munten zeker niet uit door godsdienstige gezindheid en gevoelens. De generaal van den Bosch zelf is geen Christen, en komt er nagenoeg voor uit wanneer men hem provoceert, loopt weg met de overleveringen der Hindous, die hij ten plaatse zelve heeft nagegaan. Wat hij voor het publiek belijdt weet ik niet. Hij is de spil waar alles op draait, en zeker zijn onverschilligheid alleen is genoeg om het punt van den godsdienst in de opvoeding geheel te doen verwaarlozen."(16)
 

Nuances

Deze eensgezindheid zal niet blijven. Er ontwikkelt zich bij het Rťveil een variŽteit aan meningen over de MvW, die grofweg valt in te delen in twee stromingen:A) een groep die louter negatief over het plan oordeelt; B) een groep die kritiek heeft, maar ook positieve kanten aan het initiatief ziet. De tweede stroming bestaat uit mensen die in de literatuur veelal de 'sociale kant' van het Rťveil genoemd worden. De scheiding der geesten tussen de twee stromingen wordt hier alleen beschreven met betrekking tot de MvW, maar strekte zich ook uit tot andere maatschappelijke kwesties uit die dagen. Zo zijn de criticasters van de MvW bijvoorbeeld tegelijk degenen die het verzet tegen de pokkenvaccinatie het langst hebben volgehouden. De tweede stroming zal langzamerhand de overhand krijgen. Iets over beide stromingen:
 

De criticasters

Capadose neemt zich voor de spreekbuis te worden van het verzet tegen de Maatschappij van Weldadigheid. Maar dat zou tot ťťn actie beperkt blijven: mede door zijn toedoen mislukt in 1823 een poging om een groot aantal wezen uit het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam naar de koloniŽn te verplaatsen."Ik dank den Almachtigen God dat Hij aldus 380 kinderen van den Minotaurus verlost heeft! En wat zou nu die Heer wel zeggen zo hij uwe brief en alle de ijslijkheden die dezelve vervat gelezen hadt. Neen, Hoogendorp, ik zeg het u openhartig, ik mag niet de zaak langer uitstellen: ieder dag rooft kinderen uit de armen hunner ouderen en dit schreeuwt wraak tot God!"(17) Verdere activiteiten van zijn kant zijn niet bekend (en in 1825 wordt alsnog het Aalmoezeniersweeshuis 'geleegd' en worden de kinderen naar het inmiddels opgerichte Veenhuizen overgebracht).

In zijn Bezwaren tegen den geest der eeuw formuleert Da Costa ook bezwaren die van toepassing zijn op de MvW: "De tijd is niet veraf, waarop het blijken zal, wat het menschdom gewonnen heeft met al die opgeworpen verbeteraars (die men in vroeger tijd naar een verbeter- of gekkenhuis had verwezen) en ijveraars voor het algemeen, voor het algemeenwelzijn, voor algemeene weldadigheid enz., waardoor in de daad de waarachtige liefde tot den evennaasten in zijn bijzonder verloren en verloochend wordt."(18) De algemene weteen, betoogt Da Costa, staan de persoonlijke beleving in de weg, terwijl dat laatste volgens hem juist de enige weg is die tot God voert.Dat past in het denken van de oude leermeester. In een brief aan Capadose treffen we de enige woorden die Willem Bilderdijk ooit schriftelijk aan de MvW gewijd heeft:"Uw laatste brief brief heeft mij zeer getroffen door het geen gij mij van het U voorgekomene in de Maatschappij van Weldadigheid meldt; alhoewel het mij, recht gesproken, in geenen deele bevreemden kan. Gij zult hoe langer hoe meer ondervinden, mijn dierbare Vriend, dat alle gezelschappen, ook met de beste voornemens opgericht, ten verderve voeren. God wil geen menschenbeleid, geen vereeniging uit menschlijke inzichten al zijn zij ten aanzien van 't doel zuiver en loflijk. De duivel van hoogmoed en egoÔsmus maakt er zich dadelijk meester van, en zij worden zijne werktuigen. - God stort zijn geest in de harten, maar wil dienaars. Geen planmakers maar wachters in den wijngaard."(19) Zoals gezegd, verloor deze stroming geleidelijk aan betekenis, maar zij verdween niet. In 1848 bekritiseerde het Tweede Kamerlid baron Mackaij van Ophemert na een bezoek aan de koloniŽn de gedachte van de MvW dat bedelen een teken van zedelijk verval is en dat mensen dus het bedelen af moeten leren. Hij schreef aan Da Costa:"En leerden de bedelaars om een stuk brood nog maar bedelen om een stuk des levenden broods. Helaas! men roept die drenkelingen toe: redt U, verbeter U, verander U - mooi ding: zij verzuipen en gaan verloren."(20) Als de bedelaar, lezen we uit zijn woorden, zijn lot aanvaardt, aanvaardt hij de genade (een centraal begrip in dit denken) en staat hij dichter bij de redding dan wanneer hij zich tegen zijn lot verzet.
 

De voorzichtige supporters

Willem van Hogendorp mocht dan geschokt zijn over de waarnemingen van zijn broer, maar hij zag wel kans op verbetering: "Wij weten doch beiden dat Prins Frederik van die maatschappij van Weldadigheid niet de President in name alleen is; maar dat hij meer tijd en zorgen daaraan geeft en met meer ijver voor de onderneming bezield is, dan iemand, Van den Bosch uitgezonderd. Te weinig vertrouwen op zich zelve kan hem wel eenige tijd doen zwichten voor den invloed die hem omringt; doch hij behoeft zeker alleen den geest te kennen die daar werkzaam is, om er zich met alle krachten tegen te verzetten. De zaak is alleen dat hij zich van deszelfs aanwezen overtuige."(21) En in tegenstelling tot de anderen ziet hij geen heil in opheffing van de Maatschappij:"Intusschen wat van dit alles zij, ik ben wel overtuigd dat er geen herstel mogelijk is dan langs dezen weg van colonisatie. Is nu de geest die bij de Maatschappij alsnog bovendrijft erger dan diegeen die zich in alle andere instellingen, in het hooger en lager onderwijs, in het gehele bestuur manifesteert? Zoo neen is het toch nog beter dat de menschen (...) eeten en werken dan dat zij van ellende vergaan. In allen gevalle, dunkt mij onder verbetering, dat het doel der maatschappij zoo weldadig en tevens zoo zeker is. Dat men het kwaad dat zich aan haar vasthecht moet bestrijden, het zij zoo, en met alle krachten, maar zonder haar bestaan en uitbreiding aanteranden."(22) Van Hogendorp ziet de Maatschappij van Weldadigheid als een noodzaak, het enige middel om de armoede op te heffen. Dat het middel ook zijn nadelen kent beschouwt hij als onvermijdelijk. Hij neemt afstand van de felle kritiek op de bedelaarskolonie Ommerschans door er op te wijzen dat de Ommerschans volgens de wet gelijk te stellen is met een gevangenis (bedelarij was bij wet verboden) en dat het dus niet te verwachten valt dat de omstandigheden veel beter dan in een gevangenis kunnen zijn.

Ook Guillaume Groen van Prinsterer staat gematigd positief ten opzichte van de ideeŽn van de Maatschappij. Hij ziet haar in eerste plaats als een mogelijkheid om het lot van individuele armen te verbeteren. Bij zijn bezoek aan de koloniŽn in 1826 schrijft hij:"Er heerschte zoowel onder de colonisten zelve, als onder alle, die met de Directie waren belast, een uitmuntende toon, en het gezigt van zoovele nu toch vrij gelukkige landbewoners, die te voren zich in de meest kommervolle omstandigheden bevonden, dwingt de bewondering voor diegenen af, welke deze heugelijke standverwisseling ten uitvoer hebben gebragt."(23) Lof heeft hij ook voor de school en andere instellingen. Overal is het schoon en zijn de mensen tevreden. Zijn conclusie luidt dan ook: "Die het in Frederiksoord goed maken wil, kan het in Frederiksoord goed hebben."Zijn kritiek richt zich vooral op de Ommerschans en lijkt sterk op die van de reizigers die het etablissement drie jaar eerder bezochten: slechte leefomstandigheden, onvoldoende werk en vooral: de strikte scheiding van echtparen die niet kunnen bewijzen dat ze getrouwd zijn. Over dat laatste merkt hij (terecht) op dat analfabete armen vrijwel nooit in het bezit zijn van wat voor papieren dan ook.

De Rťveilman die zich op het werkterrein van de Maatschappij begeeft is Otto Heldring. Aangegrepen door het lot van de paupers in de grote steden schrijft hij in 1848 een werk met de titel Binnen- en buitenlandsche kolonisatie in betrekking tot de armoede, waarin hij pleit voor de kolonisatie van armen op onontgonnen gebieden omdat dat het meest krachtdadige middel is gebleken. Om de problematiek van de kolonisatie te leren kennen reist hij naar de koloniŽn van de Maatschappij van Weldadigheid. Dagen lang wandelt hij er rond "om dit reuzenwerk van Nederland's weldadigheid te bewonderen".(24) Hij ziet er veel bewonderingswaardigs, maar het systeem lijdt aan enkele principiŽle fouten, zoals onvoldoende onderscheid tussen werkwillige, werkschuwe en invalide armen.De Maatschappij schiet volgens hem vooral te kort op het godsdienstige vlak: "Het ontbrak er, naar mijne overtuiging, alleen aan echt praktisch Christendom, gegrond op geloof, hoop en liefde."(25) De gevolgen daarvan meent hij vooral te zien in de weeshuizen in Veenhuizen. In een brief aan Groen schrijft hij: "Ik bezocht de KoloniŽn van Weldadigheid; ik zag daar honderden knapen in een huis (volgens de getuigenis van een arts des Gouvernements aan de KoloniŽn verbonden) door onanie tot pygmťŽn ingekrompen. Ik onderzocht (in Amsterdam zijnde) aangaande het bloeiende geslacht der meisjes van onze KoloniŽn tot Weldadigheid de lijsten der policie van de hoerenhuizen, en bevond dat zij voor een vierde gedeelte bevolkt worden uit deze koloniŽn. Schrikkelijke toestand! ... Moet de Christen hier stilstaan? De knapen komen terecht, getuigt de rechtbank te Zwolle, in de Ommerschans; de dochters bevolken onze speelhuizen. Houdt stil, o! gij Christenen en denkt over uwe rechten na; kan dat zoo? mag dat zoo?"(26) Opmerkelijk genoeg heeft Heldring juist de meeste bewondering voor de instelling die door de eerste bezoekers uit Rťveilkringen zo verafschuwd werd: de Ommerschans, die hij "een meesterstuk van orde, netheid en degelijkheid" noemt.(27)" Menig verpleegde, die mij, voor en na zijn verblijf aldaar, bekend was, heeft mij de uitnemende werking dezer inrigting zoo bewezen, dat ik gaarne de leemten over het hoofd zie, die aan elk goed werk toch altijd verbonden zijn."(28) Heldring heeft zijn ideeŽn ruimschoots in de praktijk gebracht en werd de pionier van de sociale tak van het Rťveil. Hij heeft diverse instellingen op een christelijke grondslag opgericht, die uiterlijk nogal verschillen van die van de Maatschappij van Weldadigheid, maar zijn uitgangspunt vertoont opmerkelijk veel overeenkomst met dat van Johannes van den Bosch en de MvW: "De eenige grondwet zij: in het zweet des aanschijns zal het brood gegeten worden, en onze weldadigheid moet er nacht en dag over denken: hoe zal ik den arme leeren werken, werk verschaffen; leeren zorgen, helpen zorgen; leeren zuinig worden, tot zuinigheid dwingen; hem helpen zich zelf te helpen, opdat God hem dan ook helpe met zijne kinderen en gansche nageslacht."(29)





1. Brief aan Da Costa, 10 augustus 1819
2. Brief aan Da Costa, 29 mei 1819 en 31 oktober 1821
3. Brief aan Da Costa, 3 en 18 november 1821
4. Idem
5. M.E. Kluit, Nederland in den goeden ouden tijd. Zijnde het dagboek van hunne reis te voet, per trekschuit en per diligence van Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp door de Noord-Nederlandsche provintiŽn in den jare 1823 (Utrecht 1942) p. ##
6. Brief aan Da Costa, 8 juli 1823
7. Idem
8. Nederland in de gouden ouden tijd, p.##
9. Brief aan Gijsbert Karel van Hogendorp, 17 juli 1823
10. Dit en volgende komt uit de samenvatting die JJ Westendorp Boerma geeft van hun bevindingen. J.J. Westendorp Boerma ##
11. Idem, p.152
12. Brief aan Da Costa, 8 juli 1823
13. Brief aan Dirk van Hogendorp, 15 juli 1823. De brief aan de Amsterdamse subcommissie is niet bewaard gebleven
14. Brief aan Dirk van Hogendorp, 30 juli 1823.
15. Geciteerd in Bijvanck, De jeugd van Da Costa (Leiden 1896) II p. 255
16. Brief aan Da Costa 18 juli 1823
17. Brief aan Dirk van Hogendorp, 30 juli 1823
18. Bezwaren tegen den geest der eeuw p 84
19. rief aan Capadose, 8 augustus 1823
20. Brief aan Da Costa, 2 juni 1848. Geciteerd in B. de Gaay Fortman, Figuren uit het Rťveil (Kampen 1980) p.150
21. Idem
22. Idem
23. Uit Schriftelijke nalatenschap. Bescheiden 1810-1896, C. Gerretson, red. (Den Haag 1951)
24. Heldring, Binnen en buitenlandsche kolonisatie in betrekking tot de armoede p. 10
25. Heldring, Leven en arbeid (1882) p. 171
26. Brief aan Groen van Prinsterer, 15 mei 1848
27. Binnen- buitenlandsche kolonisatie p. 11
28. Leven en arbeid p. 156
29. Leven en arbeid p. 43