Woensdag 20 september 2006 werden de eerste twee exemplaren van De proefkolonie overhandigd aan een nazaat van de stichter Johannes van den Bosch en aan een nazaat van de kolonistenfamilie Van Nieuwenhoven. Daarbij moest ik natuurlijk iets vertellen over de relatie tussen de respectieve voorouders:


welke van gevolgen is dat zij haar zinds eenige maanden zwanger bevind


Bij de Maatschappij van Weldadigheid waren mensen die weldadig wilden doen en mensen die soms ‘de beweldadigden’ genoemd werden. Die twee groepen hadden vaak moeite elkaar te begrijpen.

Uw voorvader, jonkheer van den Bosch, was een immens daadkrachtig man. In het boek citeer ik zijn uitspraak: ‘Ik ben nimmer besluiteloos en draal nog minder’.

In 1818 stampte hij Frederiksoord uit de grond, in 1819 Frederiksoord-2, in 1820 Willemsoord en in 1821 Wilhelminaoord.

En dáár, in Wilhelminaoord, het cement nog nat, arriveert op dinsdag 19 juni 1821 Cornelis van Nieuwenhoven.
47 jaar oud, getrouwd met vijf kinderen, laatst woonachtig in de Ge­buurte nr. 55 in Leiden, gezonden door de diakenen der huiszittende armen Leiden.

Na drie maanden vraagt zijn vrouw of ze zes weken met verlof mag naar Leiden, want daar had ze tijdens de slachttijd altijd een bijbaantje als ‘scheelster’ en dat wilde ze nu ook weer doen.
Niet omdat het zulk leuk werk was.
Schelen is het handmatig schoonkrabben van varkensdarmen

Het verzoek werd on-mid-del-lijk toegestaan. Want het getuigt van arbeidslust en als er iets bij de Maatschappij van Weldadigheid hoog in het vaandel stond, dan was het dat.

Het is niet voortdurend koek en ei geweest tussen uw beider voorouders.
In 1823 krijgt de 22-jarige dochter Jacoba van Nieuwenhoven op de kolonie verkering met een leeftijdsgenoot.
Dat mag.
En ze raakt zwanger.
Dat mag niet.

De Maatschappij had sinds twee jaar strenge regels tegen ‘zedeloosheid’.
Met ‘zedeloosheid’ werd in die tijd bedoeld gemeenschap buiten het huwelijk. Althans voor de lagere klassen. Wat de rijkeren uitspookten met inwonende dienstmeiden of in de vele bordelen in het land viel daar blijkbaar niet onder.

Een zwanger meisje moest komen voor de raad van policie in de koloniën en de straf was een paar jaar opsluiting in een soort gevangeniskolonie bij Ommen. Het bewijs is: zwangerschap.

Jacoba zegt dat er niets van waar is. Johannes van den Bosch meldt in juni 1823: ‘de dogter van Nieuwenhoven blijft nog de zaak ontkennen’ en hij stelt voor rustig te kijken of zich ‘binnen eenige tijd, b.v. 2 of 3 maanden daar­voor geen bewijzen opdoen'.

Er heerst paniek bij de familie. Want ondanks de ontkenning is er natuurlijk wel wat aan het handje. Vader van Nieuwenhoven schrijft een brief aan Leiden of ze voor zijn dochter willen pleiten.

En ook Jacoba’s vriendje komt in actie. Hij heet Teunis, hij is een wees uit Monnikendam en hij wendt zich tot het gereformeerde weeshuis Monnikendam waar hij onder valt: ‘In een dringende omstand waar in ik mij bevinde, neem ik mijn toevlugt tot UE heeren, met verzoek mij in UE goede protectie te willen verhoren. Zints eenige tijd heb ik met een meisje genaamt Jacoba van Nieuwenhoven geboren te Leiden dochter van den kolonist C: van Nieu­wen­ho­ven, verkering gehad, welke van gevolgen is dat zij haar zinds eenige maanden zwanger bevind. Dierhalven is mij verzoek ons UWE het konsent tot ons huwelijk te verlenen.'.

De toestemming komt niet op tijd, Jacoba loopt dan al met een behoorlijke buik en zij en Teunis moeten voor de raad van policie verschijnen. Johannes van den Bosch laat de raad weten dat de twee hoedanook naar het koloniale gevang moeten.

Niet omdat hij zelf zo’n heilig boontje is.
Maar hij staat onder zware druk. Delen van de geestelijkheid staan wantrouwend tegenover het projekt. Ging dat wel goed daar, buiten hun bereik, in het verre Drenthe? Werd dat geen losgeslagen bende? Kritiek uit die hoek bedreigde het hele project.

Maar als Jacoba en Teunis voor de raad zeggen dat ze er spijt van hebben en nu alleen maar zo snel mogelijk willen trouwen, worden ze vrijgesproken.

Dan strijkt ook Johannes van den Bosch over zijn hart. Want een klein hartje, dat had hij ook wel.
Het jonge stel krijgt eerst een zoontje en trouwt dan en Jacoba en Teunis leefden nog héél lang, en naar ik oprecht hoop: ook gelukkig.

Voorin het boek zeg ik dat ik al lezende en schrijvende mensen uit beide groepen erg goed ben gaan kennen en ben gaan mogen. Daarom wilde ik per se de eerste exemplaren geven aan nazaten van allebei de groepen en ik ben heel blij dat u beiden daartoe bereid bent.

Mevrouw van Nieuwenhoven: De Maatschappij streefde er ook naar uw voorouders spaarzaamheid te leren. Op een gegeven moment moest er zelfs verplicht geld op de spaarbank gezet worden. Opdat ze het verdiende geld niet over de balk smeten. In eerste instantie zou Jeltje van Nieuwenhoven hier vandaag zijn en de uitgeverij had haar gebeld en aangeboden dat een wagen met chauffeur haar van Den Haag naar Groningen en terug zou brengen. Waarop zij zei: Waarom? Ik kan toch met de trein.
Toen ze gisteravond wegens politieke woelingen moest afzeggen en u voordroeg, belde de uitgeverij en bood aan dat een auto met chauffeur u van Woubrugge naar Groningen en terug zou brengen. Waarop u zei: Waarom? Ik kan toch met de trein.
Ik vind het heel fijn dat u als nazaat van kolonisten een exemplaar in ontvangst wilt nemen.

Jonkheer van den Bosch: Als iemand in 1818 gezegd had dat een nazaat van deze armen ooit voorzitter van het parlement zou worden, dan was die acuut in het dolhuis opgesloten. Maar ik weet zeker dat als Johannes van den Bosch zoiets over een nakomeling van een van ZIJN kolonisten zou horen, dat hij tot tranen toe geroerd zou zijn.
Ik vind het heel fijn dat u als zijn nazaat een exemplaar in ontvangst wil nemen.


Meer informatie over Teunis van Waveren en Jacoba Cornelia van Nieuwenhoven staat hier.