Informatie komt (bijna) altijd uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid dat berust bij het Drents Archief onder toegang 0186. Onder deze stukken staan de gebruikte inventarisnummers.


Verhalen uit de kolonie Wilhelminaoord

Deze verhalen worden geschreven voor de
dorpsgemeenschap Wilhelminaoord-Frederiksoord en verschijnen altijd éérst op die site: http://www.dorpsgemeenschap-fw.nl/ (kies Verhalen) en pas later hier.
Sommige van de verhalen van www.dorpsgemeenschap-fw.nl zijn hier niet opgenomen, omdat het verhaal in andere vorm al ergens op deze pagina's staat.
Bovendien heb ik hier veel namen en verwijzingen toegevoegd en onder elke verhaaltje verwijzingen opgenomen waar de betrokkenen op deze site of erbuiten ook te vinden zijn..

1)
De kleding tot op het bloote ligchaam nagezien
2) De reden van zijn terugkomst zijn, dat hij haar wilde eeren en trouwen
3) En zie daar, zoo even brengt zijn moeder mij een brief
4)
Een ontuchtig lied over de R.K. Pastoor de heer Van Dam
5)
De wispelturige weduwe














Verhalen uit de kolonie Wilhelmina-oord (1)

De kleding tot op het bloote ligchaam nagezien

Met hun aankomst op woensdag 4 juli 1821 behoren Hendrik Jans Duijker en zijn gezin tot de eerste bewoners van Wilhelminaoord. Duijker is ongeveer 34 jaar, evenals zijn echtgenote Wijtske, en ze hebben acht  kinderen. Ze komen uit Workum en daar had Hendrik vroeger het beroep 'kuiper' uitgeoefend en Wijtske dat van 'spinster'.

Omdat de kinderen nog klein zijn is er wat weinig arbeidskracht in huis en daarom wordt er een wees aan toegevoegd uit het weeshuis van het Zuid-Hollandse Oudewater. De 11-jarige Arie Roesteen is blijkbaar een harde werker en omdat Hendrik Jans 'zelfs een man is, die door sterken arbeid veel geld wint', behoren de inkomsten van het samengestelde huisgezin tot de hoogste van de kolonie. Maar na een half jaar komen er klachten.

De Regenten van het Weeshuis te Oudewater hebben over de Duijkers vernomen dat die 'door het vloeken, de slegtste voorbeelden' geven en dat zij de jonge Arie er zeer armetierig laten bijlopen. Hij zou 'somwijl zonder koussen en als in lompen gehuld' gaan. Verder is vernomen dat hij bij zijn gastgezin 'zoo veel honger lijdt, dat hij bij andere kolonisten een stuk brood moet vragen'.

Zulke klachten worden serieus genomen en de directeur van de kolonie gaat op onderzoek uit. Dat het jongentje Arie in lompen loopt is geheel onwaar, meldt hij. 'Zoo zelfs, dat ik het gisteren onverwagt bij de spinzaal aantrof en aangenaam wierdt verrast, daar het zelve zodanig te vinden, dat slechts de linnen broek aldien behoorde te zijn gerepareerd.' De directeur houdt niet van half werk: 'Niet te vreden met het uitwendige heb ik de kleding tot op het bloote ligchaam nagezien, en zelfs het hemd schoon en zonder de minste verzuiming hersteld gevonden.'

Vervolgens wil hij rond etenstijd een kijkje nemen bij het gastgezin, maar hij komt te laat. 'Toen ik gisteren bij Duijker kwam, was daar reeds gegeten.' Maar de vrouw des huizes toont hem 'het overschot, bestaande in een grote portie gort, waar over vet en stroop' en dat lijkt de directeur een goede en voedzame maaltijd.

Alleen bij één aspect heeft hij twijfels, hij kan zich voorstellen dat Arie 'door te hoog vloeken' een slecht voorbeeld krijgt. 'Duijker en derzelver vrouw bij wien dit kind is ingedeelt zijn menschen enigsints ruw.' Maar voor de rest is zijn conclusie dat de klachten onterecht zijn. En hij heeft ook een vermoeden hoe ze in de wereld gekomen zijn.

Tegelijk met de klachten over de behandeling van Arie had Oudewater ook klachten opgevangen over de behandeling van een meisje bij huisverzorger Reedijk. De directeur wijst erop dat er in Wilhelminaoord ook twee gezinnen uit Oudewater wonen (Bouwman en Van Puffelen). Hij denkt dat die graag die twee harde werkers in huis zouden willen hebben en dat zij daarom 'de kinderen tot het inbrengen van klagten hebben aangespoort'. Dat plannetje gaat dus niet door. De directeur plaatst Arie wel over, want de regenten in Oudewater moeten te vriend gehouden worden en hij weet nog wel een gezin (Jan van der Lugt) waar minder 'hoog' gevloekt wordt. Maar niet naar die kolonisten  uit Oudewater!

Bovenstaande komt uit een brief van de subcommissie Oudewater dd 22 februari 1822 en een brief van kolonie-directeur Visser dd 27 februari 1822, beiden invnr 60.


Nadere informatie over de betrokkenen
Vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.


- Hendrik Jans Dui(j)ker wordt genoemd bij de eerste bewoners Wilhelminaoord, zie hoeve 14

- Arie Roesteen wordt ook bij Wilhelminaoord hoeve 14 (én hoeve 13) genoemd. Hij zal in 1825 van de kolonie deserteren en niet meer terugkomen. Ik vond hem in zijn latere leven terug - gezien leeftijd en geboorteplaats neem ik tenminste aan dat het dezelfde is - in de kwartierstaat van Roeland Klein Haneveld

- Vermelding van Cornelis Reedijk en het gebeuren rond zijn ingedeelde Janna Hendriks uit Oudewater is te vinden bij Wilhelminaoord hoeve nummer 16

- Jacobus Bouwman en Anthonie van Puffelen uit Oudewater, en Jan van der Lugt uit Vlaardingen, wonen te Wilhelminaoord op respectievelijk de hoeves 15, 21 en 13.










Verhalen uit de kolonie Wilhelmina-oord (2)

De reden van zijn terugkomst zijn, dat hij haar wilde eeren en trouwen

Vanaf 1825, dus vier jaar na de oprichting, kent Wilhelminaoord een Raad van Toezicht. Of 'Raad van Toezigt'. Daarin zitten enkele ambtenaren van de Maatschappij van Weldadigheid plus een 'gemeensman', een door de kolonisten uit hun midden gekozen vertegenwoordiger, en vanaf een bepaald moment ook altijd twee wijkmeesters. De Raad komt bijeen als er ergens ruzie is of als iemand ergens van beschuldigd wordt, ondervraagt de betrokkenen en schrijft daarvan een proces-verbaal. De Raad van Toezicht deelt geen straffen uit, ze bepaalt alleen welke inwoners van Wilhelminaoord moeten verschijnen voor de 'Raad van Policie en Tucht in de gewone koloniën' en die spreekt wél vonnissen uit.

De Raad van Toezicht moet ook de zedelijkheid in Wilhelminaoord bewaken. Dat betekent vooral dat kolonistendochters die 'onzedelijk zoude hebben omgegaan' met een kolonistenzoon moeten verschijnen voor de Raad als de gevolgen ervan zichtbaar worden. Bijvoorbeeld in haar zitting van 'Dingsdag den 5 Mei 1838'. Dan moet voorkomen de 30-jarige Catharina Puper en die zou je wat dit betreft gerust een recidiviste kunnen noemen. Dit is de vierde keer dat zij ongehuwd zwanger is. Ze beweert voor de raad van toezicht 'dat zulks geheel bezijde de waarheid is'. Maar de onderdirecteur van Wilhelminaoord is ook aanwezig en tegen hem had ze 'een paar uur te voren' gezegd dat 'zij maar twee maanden heen was'.

Als vader van het nog ongeboren kind wordt, net als bij twee van haar voorgaande zwangerschappen, de 21-jarige kolonistenzoon Isaac Beun genoemd. Maar hij is voorafgaand aan de behandeling van de zaak van de kolonie weggevlucht. Dat is niet onverstandig, de standaardstraf voor ongehuwde zwangerschap is opsluiting voor onbepaalde tijd in de strafkolonie op de Ommerschans voor zowel de zwangere als de verwekker.

Overigens zal Isaac twee maanden later terugkeren in Wilhelminaoord en dan komt hij alsnog voor de Raad. 'Verder ondervraagd zijnde of hij bekende gemeenschap te hebben gehad met Catharina Francina Puper, derwelke vroeger verklaard heeft zwanger van hem te zijn, heeft geantwoord dat zulks de waarheid is, en de reden van zijn terugkomst in de kolonien zijn, dat hij haar wilde eeren en trouwen'. Uiteindelijk gebeurt dat ook, Isaac en Catharina vestigen zich in Noordwolde, trouwen en stichten een gezin met ook wettige kinderen.

Bij het stel dat in juni 1838 voor de Raad verschijnt, is het net andersom als bij de vorige: de zwangere is gedeserteerd en de verwekker verschijnt voor de raad. Hier is geen sprake van blijvende liefde. Als Harm Marinus, 25 jaar, wordt ondervraagd over zijn omgang met de 23-jarige Hendrica van der Walle, heeft hij ' niet ontkend met haar wel te doen te hebben gehad'. Maar hij voegt eraan toe 'dat zij zich niet alleen met hem maar met verscheidene andere personen heeft afgegeven'. Hij biedt zelfs aan van dat laatste 'getuigen te kunnen brengen'. Dat Hendrica zich 'ook met nog meer andere personen heeft opgehouden', is voor hem de reden 'dat hij geheel van haar afziet'. Maar zijn bekentenis met haar 'te doen te hebben gehad' is voldoende voor een paar jaar opsluiting.

In hun latere leven zullen Harm en Hendrica elkaar nog tegenkomen. Op de kolonie. Hendrica keert terug, mét kind, trouwt een weduwnaar en wordt kolonistenvrouw en Harm Marinus is tegen die tijd ook getrouwd en als kolonist geplaatst, dus ze kunnen elkaar niet misgelopen zijn.

Bovenstaande komt uit de 'Notulen van vergaderingen van de Raad van Policie en Tucht 1838-1849', invnr 1616.



Nadere informatie over de betrokkenen
Vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.


Hendrik Christiaan Puper
begint 1820 als kolonist in het gedeelte van Frederiksoord-2 dat pas in 1825 bij Wilhelminaoord getrokken wordt, zie Frederiksoord-2 hoeve nummer 54.
Beun, alle verwijzingen rond het geslacht Beun staan onderaan de pagina kolonie-dynastiën
Marinus, volgt
vd Walle, informatie over het kolonistengeslacht van der Walle is samengebracht op de bladzij met Leidse kolonisten











Verhalen uit de kolonie Wilhelmina-oord (3)

En zie daar, zoo even brengt zijn moeder mij een brief

Als een plaatselijke subcommissie van weldadigheid iemand in de kolonie plaatst, wil men hem of haar pas terug als men zeker weet dat de persoon de eigen kost kan verdienen. Men heeft geen zin om iemand na terugkeer weer financieel te moeten ondersteunen.

Zo ook Leiden. Met een van de allereerste proefkolonisten, Johannes van der Heijde, had men in 1818 de toen zestienjarige Jacobus Stephanus meegezonden. Maart 1825 is hij 22 jaar als hij wel eens de wijde wereld in wil. Hij wendt zich met dat verzoek tot de subcommissie Leiden, maar die informeert eerst bij de Maatschappij. En die adviseert negatief: 'Op die van Jacobus Stephanus, dat deze nog niet in staat is op den duur voor zich te kunnen zorgen, dat het zelfs zeer twijffelachtig is of hij, ingeval hij ontslagen wierd, wel eene goede dienst heeft, zoo als hij voorgeeft.

Leiden volgt dat advies en laat de jongeman weten dat hij niet weg mag. Dat heeft gevolgen aan allebei de kanten van de pijplijn. Vanuit de kolonie wordt gemeld dat Jacobus 'zedert er over zijn ontslag gehandeld word, zich minder vlijtig en gewillig tot den arbeid betoond te zijn'. En in Leiden gaat de moeder van Jacobus zich er mee bemoeien.

Zij vraagt aan de subcommissie 'zijne demissie, onder voorgeven dat zij hem gaarne bij zich had en wel bij wevers werk voor hem vinden zou'.
De subcommissie heeft daar vraagtekens bij, 'de zekerheid om alhier werk te erlangen, komt ons suspect voor'. En ze vragen zich af of 'het wel geraden zijn zoude, het laatste verzoek intewilligen?'
Het is dan al augustus geweest, Jacobus heeft inmiddels zijn 23ste verjaardag gevierd en Leiden en de Maatschappij komen overeen om 'hem nog dezen winter bij het huisgezin van vdHeyden te laten'. Tegelijk willen ze hem aansporen om in het voorjaar zich bij een boer in de omgeving te verhuren. Volgens Leiden maakt hij in Drenthe veel meer kans op zo'n boerenarbeidersplaats, 'hetgeen hij hier zeer onzeker vinden zou'.

Maar een moeder is niet voor éen gat te vangen. Want een week na dat besluit komt Leiden met een verrassende mededeling. 'En zie daar, zoo even brengt zijn moeder mij een brief van zekere Backer aan de Bles-dijke in dato 11 sept., inhoudende dat S. niet alleen des zomers landwerk bij hem erlangen, maar ook van nu af aan tot half meij bij hem door weven van linnen of ander diergelijke arbeid wekelijksch ƒ15.- verdienen kan.'

Leiden kondigt aan dat moeder Stephanus van plan is om naar Den Haag te gaan om die brief hoogstpersoonlijk aan het landelijk bestuur van de Maatschappij te laten zien. Maar zij zijn al om, Ze vragen 'om een spoedig ontslag van den jongeling'. Kort daarop gaat Jacobus Stephanus naar Leiden, zijn moeder en zijn nieuwe werkgever. Of hij daar altijd zonder steun heeft kunnen bestaan, is mij niet bekend.

Bovenstaande komt uit de ingekomen past 1825, invnrs 72-76.


Nadere informatie over de betrokkenen
Vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.

Zie voor proefkolonist Johannes van der Heijde zijn eigen file. Op die pagina komt jongeman Stephanus ook nog een paar keer voor, maar verder weet ik niets van hem.











Verhalen uit de kolonie Wilhelmina-oord (4)

Een ontuchtig lied over de R.K. Pastoor de heer Van Dam


Kwajongens halen kwajongensstreken uit. Normaliter is dat weer snel vergeten, maar op de kolonie is van veel van die streken informatie bewaard gebleven. De jongelui dienden zich namelijk te verantwoorden voor de koloniale tuchtraad. Zomaar een greep uit 1838.

De dertienjarige Frederik Leonhardt uit Wilhelminaoord wordt  beschuldigd 'baldadigheid te hebben gepleegd aan de school in de Oostvierdeparten'. Het misdrijf zou zijn begaan op 11 juli toen hij 'met zijne makkers' van de katoenweverij naar huis liep, het had bestaan uit het 'met steenen, op de school te gooijen' en de getuige à charge is de schoolmeester. 'Daar ik nog met het onderwijs bezig was, had ik ook gelegenheid, na zulks eenmaal vernomen te hebben, de dader te kunnen gade slaan.'

In eerste instantie had Frederik al duidelijk gemaakt dat er niet naar de school zelf maar alleen op het dak van de school gegooid was. Ten tweede was er volgens hem geen sprake geweest van stenen maar van 'een steentje'. En tenslotte had Frederik dat ene onbenullige steentje alleen maar gegooid 'op aanraden van' een met name genoemde kameraad.

Blijkbaar heeft Frederik op het laatste moment geen trek om dat verhaal op de tuchtzitting van 21 juli 1838 nog eens te herhalen. 'Den beschuldigde niet verschenen, doch de vader komt binnen, te kennen gevende, dat zijnen zoon hem onder den weg was ontloopen.'
De raad onderhoudt dan maar die vader over 'de verkeerdheid' van Frederik en 'draagt hem op de zoon hierover ernstig te onderhouden'.

De andere jongeren die diezelfde tuchtzitting moeten verschijnen, opereren steevast in groepjes. Eerst zijn er vier jongens, twee van 15 en twee van 11 jaar, die 'baldadigheid zoude hebben gepleegd aan de katoenfabriek in kolonie no 1'. Meer concreet staan zij onder verdenking 'een gedeelte des muurs van het secreet bij de katoenwerij te hebben afgebroken'. De jongens zijn het er niet mee eens, maar daar wordt niet echt aandacht aan besteed. 'De beschuldigden binnen geroepen zijnde, willen zij allen hunne onschuld te kennen geven, zijnde de Raad echter genoegzaam van hunne schuld overtuigd.'

Aldus monddood gemaakt worden de twee jongsten veroordeeld tot twee dagen opsluiting in de  strafkamer op de kolonie. De twee oudsten moeten vier dagen zitten, met ook nog eens de toevoeging 'zullende het beschadigde uit het zakgeld van de twee oudsten worden hersteld'.

Zeven jongeren, in leeftijd variërend van 13 tot 18 jaar, zouden 'op zondag en maandag den 15 en 16 dezer maand, door de te veld staande rogge zijn gelopen'. Ze hadden dat gedaan 'om zekere zwarte korrels uit de halmen te peuteren'. Zwarte of 'aardkorrels' uit de rogge geven bij lang kauwen hetzelfde gevoel in je mond als - het toen nog niet uitgevonden - kauwgum. Gevolg van hun actie zou zijn geweest dat 'het te veld staande koorn is vertrapt' en schade toebrengen aan het gewas is binnen de Maatschappij een ernstig vergrijp.
De jongens betuigen dat het erg meeviel. 'Zij brengen tot hunne verontschuldiging in, dat zij alleenlijk door de slooten bij langs en niet over de akkers zoude gegaan zijn.' Dat laat de tuchtraad meespelen in de beoordeling. Met het oog op 'het min beschadigde aan het koorn' komen ze er van af met twee dagen strafkamer.

En tenslotte is er weer een groepje van vier dat over de schreef is gegaan. Dit keer bínnen die al een paar keer genoemde katoenweverij. Daar zouden de drie jongens van veertien en één van vijftien 'een ontuchtig lied gezongen hebben, waarin de R.K. Pastoor de heer van Dam, betrokken was'.
De jongens ontkennen dat niet, maar verklaren 'dit van de andere wevers die zulks ook gezongen zouden hebben, te hebben gehoord'. Dat klinkt plausibel, maar de raad heeft er geen boodschap aan. Ze neemt dit hoog op en komt tot het hoogste strafkamervonnis van de dag: acht dagen opsluiting.

Het schijnt niet tot de raad door te dringen dat ze een van de vier vandaag al een keer gezien heeft. Pieter Nieuwenhuis, vijftien jaar, heeft zojuist al vier dagen strafkamer aan de broek gekregen wegens het slopen van het wc-muurtje bij diezelfde katoenweverij.

Bovenstaande komt uit de 'Notulen van vergaderingen van de Raad van Policie en Tucht 1838-1849', invnr 1616.


Nadere informatie over de betrokkenen
Vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.

Fredrik is een zoon van Johann Godfried Leonhardt, zie hoeve nummer 42 in Wilhelminaoord

De baldadigheidsplegers aan het sekreet worden in het verslag genoemd als:
- 'Lucas Krabshuis, oud 15 jaaren', zoon van de proefkolonist Hendrikus Krabshuis, zie zijn file
- 'Pieter Nieuwenhuis, - 15 jaaren', (zie onder)
- 'Jan Wibier', de gegevens van Gabriel Wibier zijn ondergebracht onderaan de pagina De Ronde
- 'Jan Smies', die later bekend zal worden als Jan Smies jr omdat zijn vader ook Jan Smies heet. Zijn vader Jan Smies is dan al kolonist - zie de pagina Gewilde Weduwen - en deze Jan Smies zal het later ook worden. Hij is een - zeg maar - stiefkleinzoon van proefkolonist Hubrecht de Ruiter, zie zijn file. De internet-verwijzing naar zijn werkelijke grootouders staat onderaan een pagina over kolonist Huibert van der Griend, zie hier.

Als koorn-vertrappers worden in het verslag genoemd als:
- Habe Hoekstra, oud 17 jaren, vermoedelijk bedoelen ze Abe Sikkes Hoekstra, een broer van...:
- Gabe Hoekstra, 15, zoon van Sikkel Hessels Hoekstra, die als kolonist is begonnen in Frederiksoord-2 hoeve nummer 26
- Lourens Augustijn, 16, (volgt nog)
- Karel Hensbergen, 13, zoon van de in 1826 uit Den Haag gekomen Frans van Hensbergen. Volgens mij (maar moet ik nog nakijken) is deze Karel (of Carel) ook degeen die in 1852 zelf kolonist wordt.
- Neeltje Broekhuizen, 17 (zie voor haar familie onderaan een verhaaltje over vrijboeren)
- Antje Broekhuizen, 13 (zie haar zus hier boven)
- Johanna Verbeek, 18 (zie voor haar familie onderaan de Rotterdamse pagina)

De ontuchtig liedzingers worden in het verslag genoemd als
- Pieter Nieuwenhuis, 15 jaar (volgt nog)
- Ferdinand Götz, 15 jaar, een zoon van Johannes Götz die in maart 1821 uit Den Haag was gekomen en een hoeve in de oorspronkelijke proefkolonie had betrokken. Zie het vrijboerenreglement 1830.
- Cornelis Verboom, 14 jaar, zoon van de Dordtse kolonist Teunis Verboom; alle verwijzingen naar Verbooms staan bij hoeve 23 van Wilhelminaoord.
- Pieter van Belkum, 14 jaar (volgt nog)











Verhalen uit de kolonie Wilhelmina-oord (5)

De wispelturige weduwe


Op donderdag 22 mei 1823 vestigt Johanna Woortman zich in de kolonie Wilhelminaoord. Zij is 31 jaar, komt uit Amsterdam en ze is de weduwe van ene J.B. Goblé zodat ze meestal wordt aangeduid als 'de weduwe Goblé'. Ze heeft een zoontje van negen jaar en een dochtertje van vijf en ze lijkt niet van plan lang alleen te blijven.

De eerste keer dat haar liefdesleven de annalen van de Maatschappij haalt is in december van hetzelfde jaar. Het betreft een sergeant uit Brugge die door zijn commandant is uitgeleend om als wijkmeester in de kolonie te fungeren. Zijn achternaam is Ootmarsum of Van Ootmarsum, zijn voornaam is onbekend evenals zijn leeftijd.

Het enige dat wel bekend is, is dat begin december 1823 de directeur van de kolonie schrijft 'dat de wijkmr. van Ootmarsum, zich niet heeft ontzien om, behalve het misbruik van sterken drank, op een onbetamelijke wijze met de kolonisten wed. Goblé te verkeren'.
 Tegen het 'op eene zedelooze wijze met zekere koloniste verkeren' wordt hard opgetreden. Overwegende de noodzaak 'om zoodanige voor de zedelijkheid der kolonisten schadelijke voorwerpen (...) uit de kolonien te verwijderen', wordt Van Ootmarsum per direct ontslagen en teruggestuurd naar zijn commandant in Brugge.

Verkering krijgen mag op de kolonie, maar als je een stapje verder wilt gaan dien je eerst toestemming te vragen. Dat doet Johanna de volgende keer. Het is augustus 1824. De kolonie-directeur brengt aan de landelijke leiding over 'het verlangen van de kolonist Dirk van Jeveren (...) en de kolonisten wed. Goblé (...) tot het aangaan van een wettig huwelijk, met verzoek mij te informeren of dat van onzen zijde kan worden toegestaan'.
Dirk van Jeveren is een 42-jarige kolonist uit Rotterdam die in Willemsoord woont. In 1820 was hij aangekomen en in juni 1823 was zijn echtgenote overleden, hij is dus een jaar weduwnaar. Als je het netjes vraagt is het meestal wel goed. De landelijke leiding geeft toestemming om te trouwen.

Maar... dat doet Johanna niet. We zijn weer een half jaar verder als de directie meldt 'dat de wed. Goblé (...) van de aan haar verleende permissie tot het aangaan van een huwelijk dd. 19 aug. 1824 N437 geen gebruik heeft gemaakt.' In plaats daarvan komt er nu een verzoek van haar en 'Arie, zoon van den kolonist Kuiters' om in het huwelijksbootje te mogen stappen. Arie Kuiters komt uit Dordrecht, is 25 jaar en is vijf jaar tevoren met zijn ouders naar de kolonie gekomen.

Dit keer gaat het wel door en het stel krijgt een koloniale hoeve. De versmade Dirk van Jeveren trouwt dan maar met een kolonistendochter uit Enkhuizen. Want er werd op de kolonie vooral met elkaar getrouwd. Zo ook de dochter die met Johanna uit Amsterdam was gekomen. Zij huwt een kolonistenzoon uit 's Hertogenbosch en zal net als haar moeder haar hele leven op de kolonie blijven.

Bovenstaande komt uit de post, december 1823 is invnr 67, augustus 1824 is 70, januari 1825 is 72.


Nadere informatie over de betrokkenen
Vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.

Johanna Woortman weduwe Goblé (volgt nog)
Van Ootmarsum (geen nadere gegevens bekend)
Dirk van Jeveren wordt ook genoemd bij Willemsoord hoeve 23 en bij een verhaaltje over Rotterdam
Willem Kuiters