Schuldeisers belagen de directeur der koloniŽn en de Maatschappij van Weldadigheid

De jaren 1835/1836 lijken het hoogtepunt te zijn qua wanbetaling door de Maatschappij. In het archief zijn tientallen brieven van mensen die goederen hebben geleverd aan de koloniŽn en hun geld daarvoor maar niet krijgen. Die brieven ga ik geleidelijk aan op deze pagina verzamelen. Van lang niet alles zijn transcripties, vaak wel verwijzingen naar scans.

Nog doen opsomming brieven van schuldeisers

Op 14 januari 1835 schrijft directeur Van Konijnenburg dat hij het niet meer trekt. Uit deze brief wordt geciteerd op de pagina's 204-206 van De kinderkolonie, de brief met nummer N89 bevindt zich in invnr 155 de scans 180-183:


Frederiksoord, den 14 Januarij 1835

Sedert het begin van dit jaar hebben UwEdG goed gevonden de wekelijksche remisen aan mij van f 7500.- op f 7000.- te verminderen. Hoe gaarne ik ook wenschte, de zaken met die som gaande te kunnen houden, dringt mij, echter, de nood, mij daarover bij UwEdG te beklagen.

Jarenlang heb ik mij gevleid eindelijk eens in staat gesteld te zullen worden van den grooten achterstand iets, van eenig aanbelang, te kunnen afdoen en in dat vooruitzigt heb ik den schier ondragelijken last daarvan gedragen en mij onvermoeid betoond in het maken van eindelooze dagelijksche schikkingen, die, naar ik mij overtuigd houd, de belangen der Maatschappij aanmerkelijk hebben bevoordeeld.

Maar, om op den duur dien last te torschen en zoo veele onaangenaamheden en moeijelijkheden te ondervinden, mag ik mij zelven niet vergen en, ofschoon ik wel weet, dat UwEdG niet dan met leedweezen en weerzin, mij in deze gesteldheid laten, kan ik toch niet nalaten, UwEdG te verklaren, dat er onvermijdelijk voorziening gevorderd wordt, en verlichting van de naamlooze zorgen, die mijne schouders steeds blijven drukken.

Dat  mijne gesteldheid werkelijk zoodanig is moest ik, dunkt mij, niet wijdloopig voor UwEdG behoeven te betoogen. De achterstand beloopt ongeveer f 280,000.- De som, waarvoor jaarlijks op krediet aankoopen gedaan worden, bedraagt nagenoeg zoo veel; de overige f 100,000.- der uitgaven worden terstond, voor tractementen, transportkosten en ander einden betaald. Derhalve loopt de achterstand over een rond jaar.

Nu ben ik, bij mijne indiensttreding, begonnen met op 3, 6, en 9 maanden aan te koopen; vervolgens zijn de termijnen van voldoening al wijder gesteld, zoodat ik thans de meeste grondstoffen, zoo als wol, hout, ijzer, linnen, leder enz. op een jaar krediet inkoop; de winkelwaren op gemiddeld 11 maanden; de levensmiddelen, zoo als aardappelen, gort, haver, rogge op 6; maar voor onderscheidene andere kleinere artikelen kan ik niet meer dan 3/m crediet bedingen, zoo als hennep, vlas enzovoort.

Dat ik, intusschen, aan die accoorden nog niet voldoen kan, uit hoofde het grootste krediet maar een jaar is en de achterstand reeds over zulk een tijdvak loopt, spreekt van zelve.

De leveranciers, die daarvan herhaalde malen ondervinding gehad hebben, zijn daarom reeds lang begonnen met niet anders aan mij te verkoopen dan op schriftelijke acceptaciŽn, zoo als Brouwer, Tijl, en Niewold, van der Meer, Duursma, de Hes, Cohen en andere meer.

Daar deze acceptaciŽn, welke allťťn nog vertrouwen hebben, op zijn tijd moeten worden voldaan, geschiedt zulks niet anders dan ten nadeele van andere, veelal nieuwe leveranciers, of dezulken, wier vermogen en omstandigheden dat langer geduld, voor eene enkele maal, mogelijk maken; doch het getal van de zoodanige wordt hoe langer zoo kleiner;

mijne acceptaciŽn nemen daarentegen met den dag toe; de aanmaningen om betaling en daaronder van kooplieden, die zich door de achterlijkheid in de betaling bij de Maatschappij hoogst verlegen zien, worden hoe langer zoo menigvuldiger, terwijl mijne mondelinge beloften hoe langer zoo minder vertrouwen verdienen, daar het uitzigt op eindelijk herstel al meer en meer bij mij verlooren raakt.

Kon ik voorheen de financiŽn op een halven dag in de week afdoen, tegenwoordig ontroven zij mij wel 2 dagen van iedere week en ik raak in zulk eene duurzame rustelooze en kommervolle gesteldheid, dat ik mij schier ongeschikt  bevind voor mijne overige werkzaamheden.

Wat ik UwEG dus bidden mag, laat mij niet langer in zulk eene gesteldheid. Dezelve wordt door mij geenszins vergroot, maar is naar de zuivere waarheid beschreven en dezelve kan UwEG dan ook in geenen dele bevreemden.

Had de gewoonte mij geen sterkte en vermogen geschonken, om het zoo lang vol te houden, ik had de zaak reeds lang als ondoenbaar door mij moeten opgeven; maar daar dezelve, uit haren hierboven beschreven aard, hoe langer zoo drukkender en ingewikkelder wordt, zoo gevoel ik mij verpligt, UwEG in gemoede te betuigen, dat ik het zonder grotere remisen, of zonder stelligen en voldoenden raad van UwEG, niet  langer doen kan en ik UwEG dus dringend verzoeken moet, om spoedige voorziening.

De Directeur der KoloniŽn
J. van Konijnenburg


De permanente commissie heeft op de brief geschreven dat zij hem ebspreekt op 27 januari 1835 bij agendapunt N17, maar dat leidt niet tot een oplossing. Op 23 februari 1836, invnr 168 scan 390, schrijft procureur Luttenberg uit Zwolle (zie over hem de dbnl). De permanente commissie heeft op de brief genoteerd dat zij hem behandelt op haar vergadering van 7 maart 1836 bij agendapunt N10.


Zwolle, 23 Februarij 1836
                   
WelEdel Gestrenge Heeren!

Ik heb van den Heer Johannes Ridderinkhoff, koopman in houtwaren alhier, in last ontvangen, om door gepaste middelen regtens, van de Maatschappij van Weldadigheid in te vorderen eene somma van É 4641.82, die hem opregt en deugdelijk toekomt, wegens in de jaren 1833, 1834 en 1835, geleverde goederen, en welker betaling hij tevergeefs door alle minnelijke wegen had getracht te verkrijgen.

Alvorens tot eenen zoodanigen hoogst onaangenamen maatregel jegens eene zoo loffelijke Maatschappij over te gaan, heb ik, met voorkennis van mijnen principaal, de eer UWEG vriendelijk doch dringend te verzoeken, om wel de noodige order te willen stellen, dat de door den Heer Ridderinkhoff naar billijkheid verlangde betaling alnog ten eerste geschiede, terwijl het mij aangenaam zoude wezen daaromtrent eenige geruststelling van UWEG te ontvangen, teneinde mij daarnaar te kunnen gedragen.

Ik heb de eer met verschuldigde hoogachting te zijn,
UWelEdGestr. Dienaar
G.Luttenberg, procureur