Het tweede deel van onderstaande verhaal is tot stand gekomen in samenwerking met genealogisch onderzoeker (en achterachterkleinzoon van FJ Leloux) Luut Vlastra uit Zoetermeer. Hij houdt zich aanbevolen voor elke informatie die mensen hebben over het geslacht Le Loux (of Leloux). Zie ook www.vlastra.woelmuis.nl en/of stamboom Vlastra en/of Stamboom Kroeger en Leloux.
Citaten komen allemaal uit het Archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186.
Als er een sterretje (*) bij iemand staat, is onderaan de pagina meer informatie of een verwijzing over die perso(o)n(en) te vinden.



Ongelukkige huwelijken



Volgens de kolonie-directie werd de proefkolonist uit Vlaardingen door zijn vrouw zodanig mishandeld 'dat hij daarvan de uiterlijke merkteekenen op het gezicht droegí (boek blz 205). Minder geslaagde huwelijken komen overal voor, dus ook op de kolonie. Alleen was scheiden in de eerste helft van de negentiende eeuw een stuk lastiger dan in latere tijden.
Twee verhalen, eerst een korte uit de eerste jaren van Wilhelminaoord en dan een uitgebreidere uit de jaren rond 1830. Nummertjes verwijzen naar extra informatie onderaan de pagina.


1) Met welke vrouw, hij zegde, niet langer te kunnen leven

Het is zondag 25 juli 1824 als de directeur van de kolonie meldt dat 'kolonist  J.W. Steenhui≠zen van kol. N4 agterlatende zijne vrouw en kinderen (...) den 21e dezer is gedeserteerd'. Volgens de directie behoort de ongeveer 50-jarige Johannes Wilhelmus Steenhuizen* 'tot de werkzaamd≠ste en oppassend≠ste kolonisten' en leeft het gezin welvarend op de kolonie. Hij vermoedt dat de man ervandoor is gegaan vanwege de 'gedurige oneenigheden met zijn vrouw'.

Dat vermoeden blijkt te kloppen. De volgende dag, maandag 26 juli, meldt Johannes Wilhelmus zich bij de subcommissie van weldadigheid Amsterdam die hem twee jaar ervoor naar Wilhelminaoord had gezonden. Volgens hun verslag vertelt hij 'de kolonie te hebben verlaten om onze hulp en medewerking te kunnen verzoe≠ken dat hij hoe eer zo liever van zijne vrouw van tafel, bed en bijwoning zoude kunnen worden gescheiden'. Zijn echtgenote is de ongeveer 48-jarige Jannetje, 'met welke vrouw, hij zegde, niet langer te kunnen leven'.

Misschien heeft Jannetje ook wel klachten over hem, maar die zijn niet geboekstaafd. Die van Johannes Wilhelmus wel, want hij loopt tegenover de subcommissie Amsterdam helemaal leeg. Hij wil van haar af omdat zij 'slordig was, alles verwaarloosde, zijne kinderen tot een slegt voorbeeld vertrekte, en dezelve daar te boven, tot ongehoorzaamheid en opstand tegen hem stijfde en opzettede.' Het stel had bij aankomst vijf kinderen bij zich, in leeftijd variŽrend van 5 tot 17 jaar, zie de staat van aankomst van 28 juli 1822:



De subcommissie heeft duidelijk geen zin hier haar handen aan te branden. Ze verwijst hem door naar 'de Heer Hoofd-directeur der kolonien, vervolgens aan den Raad van Discipline derzelve en dit alles niets batende aan de bevoegde lokale rechtbank' en ze maakt vooral werk van het feit dat hij zonder verlof naar Amsterdam is gereisd. Streng wijst men hem op 'het ongeoorloofde en strafbare zijner handelwijze om de kolonie in stilte te verlaten'. Johannes Wilhelmus belooft de volgende avond meteen het beurtschip te nemen dat de geregelde nachtelijke verbinding met Steenwijk onderhoudt.

De kolonie-directeur zit hier ook niet op te wachten. Hij doet niets en schrijft de landelijke leiding dat hij hoopt 'hare intentie te vernemen'. Maar daarna gebeurt er ook helemaal niets. De Maatschappij van Weldadigheid voelt zich niet geroepen om als echtscheidings-adviseur op te treden. Blijkbaar voelt Johannes Wilhelmus Steenhuizen dat aan, want als hij een jaar later om ontslag van de kolonie vraagt, voert hij hele andere gronden aan. Omdat hij 'door lighaamsgebreeken, zoo van borstkwaal als andersints buiten staat ben eenige de minste veldar≠beid te verrigten' en omdat vrijwel alle kinderen dan het huis uit zijn en werk in Amsterdam hebben gevonden. Maart 1826 gaan Johannes Wilhelmus en Jannetje ook die kant op. Of het tussen de twee ooit weer goed gekomen is, is onbekend.

Gebaseerd op een brief van de kolonie-directeur dd 25-7-1824, een brief van de subcommissie Amsterdam dd 1-8-1824, beide invnr 70, en een brief van J.W.Steenhuizen dd 19-11-1825, invnr. 76. De staat van aankomst komt uit invnr 1370. Eerder gepubliceerd op de site van Dorpsgemeenschap Frederiksoord-Wilhelminaoord: http://dorpsgemeenschap-fw.nl/


2) De eerste kolonist uit Epe

trijders desnoods gewapenderhand te lijf en er komt een 'algemeene wapening'..

De Maatschappij van Weldadigheid is vanaf haar oprichting nauw aan het koningshuis verbonden. En al op 8 oktober 1830 besluit de permanente commissie dat dienstneming door kolonisten 'aangemoedigd en bevorderd' dient te worden. Volgens de gegevens van mevrouw Kloosterhuis vertrekken er in 1830 veertien kolonistenzoons, dertien bestedelingen en 24 gezinshoofden als vrijwilligers met de 'Drentsche Schutterij'. (Ir. C.A. Kloosterhuis, De bevolking van de vrije koloniŽn der Maatschappij van Weldadigheid, Zuphen 1981, blz. 250)
En daaronder, blijkbaar wordt het mankement aan zijn rechteroog niet zo belangrijk meer gevonden, Frans Leloux. Het kan patriottisme zijn, het kan ook dat hij zo ver mogelijk van dat 'ongelukkige schepsel' weg wilde zijn.

Hoerenbagazie
Tijdens zijn afwezigheid gaat het op de kolonie helemaal mis met Willemina. Er wordt gezegd 'dat zij in hare buurt steeds op allerlei wijze de rust verstoort en zich in alle opzigten misdraagt'. Alleen weet men nog niet helemaal hoe dat afwijkende gedrag geÔnterpreteerd moet worden.

Dat blijkt bij de twee keren dat zij zich moet verantwoorden voor de Raad van Politie en Tucht. De eerste keer in oktober 1831, als zij de kolonistendochter Catharina Penning* heeft mishandeld. En niet zo'n beetje ook, om precies te zijn: ze had haar 'eerst gescholden voor Hoerenbagazie, daarna de muts van het hoofd getrokken haar in het haar gevat en met een eind bultouw geslagen, vervolgens voor de grond gegooid en met de voet gescopt en getrapt.' Daarna waren er gelukkig twee kolonisten toegesneld en die hebben de 19-jarige Catharina 'terwijl zij reeds bewusteloos ter aarde lag uit dezelven handen gered'.

Die twee kolonisten behoren tot de getuigen die gehoord worden. Een van hen, Ale Boelens Kooistra van hoeve 112, vertelt dat Willemina nadat hij haar had losgetrokken 'toen nog zeide, ik zal je (Katarina Penning bedoelende) vermoorden'. Een andere getuige zegt het 'voor zijn huis staande' allemaal wel gezien te hebben, maar 'gedurig overlast van vrouw Le Loux hebbende en zich zo min mogelijk met haar willende bemoeyen niet daarna toe was gegaan'.

Willemina geeft als verklaring dat haar dochter op een zondag bij de kinderen van de al even genoemde Kooistra aan het spelen was en dat 'alstoen de dochter van Penning haar dochter de muts van het hoofd had genomen en niet teruggegeven'. Dwars tegen alle getuigen-verklaringen in beweert ze dat ze Catharina Penning alleen maar daarover had 'onderhouden doch dat zij haar niet had geslagen of ze eenig leed aangedaan'.

Terloops komt ook nog ter sprake dat Willemina met een van buurman Kooistra geleende kruiwagen '3 a 4 stok turf' van de Maatschappij gestolen zou hebben en al met al zijn dat zware beschuldigingen. Maar de Raad laat een verzachtende omstandigheid meetellen, waardoor zij er vanaf komt met ťťn dag opsluiting in de strafkamer op de kolonie. In aanmerking wordt genomen 'dat zij, hoewel boos van aard, ook niet het volle bezit van verstandelijke vermogens heeft'.

Kwaad voorbeeld
De tweede keer is een jaar later, oktober 1832. De lijst van beschuldigingen is nu lang. Het begint ermee dat zij 'op den 11 dezer maand des avonds ongeveer om 10 uur' naar het verlaten huis van buurman Kooistra zou zijn geslopen en 'daar eenige turf en stroo heeft weggenomen'.

Een ander vergrijp dat bij de Maatschappij altijd hoog opgenomen wordt is 'ongehoorzaamheid'. In dit geval jegens de wijkmeester en de onder-directeur 'welke beiden haar aan verregaande pligtsverzuim herinnerde'. Inplaats van de aardappels op haar landje te rooien laat Willemina die die door haar koe opeten, en als ze een keer wel rooit worden die door het beest alsnog verorberd. En 'Waarom zij eindelijk niet meer zorg droeg dat haar koe niet tot last van haren buren verstrekte, waarover men zoo veel klagten wordt vernomen, ja zelfs haar eigen tuin door haar koe liet vernielen.'

Als ze wordt ondervraagd over dat geheel van 'dieverij ongehoorzaamheid brutaliteit en de verwaarlozing van haren koeien en veldvruchten' heeft ze daar weinig tegen in te brengen, 'en de raad kan van haar niets verder eenig antwoord bekomen'.

En nu komt men tot een hele andere, zelfs tegengestelde afweging als de vorige keer, namelijk 'dat hare verkeerde handelingen meer het gevolg zijn van boosaardigheid dan van redeloosheid'. Met als logische vonnis dat het hele gezin voor onbepaalde tijd wordt verbannen naar de strafkolonie op de Ommerschans.
Willemina heeft men zo'n beetje opgegeven, maar men wil voorkomen dat de vijf kinderen nog meer van 'zulk een kwaad voorbeeld' te lijden hebben, en daarom besluit men in het verbanningsoord 'de vrouw dŠŠr afgescheiden van hare kinderen in de zalen te doen indeelen'.

Vermoedelijk zegt men dat dan nog niet tegen Willemina, want van het besluit wordt haar alleen 'zoo veel noodig' kennis gegeven, maar het gebeurt wel. Willemina komt op een van de bedelaarszalen, de vijf kinderen (inmiddels 14, 10, 7, 5 en 3 jaar oud) wonen in de strafkolonie. Het duurt allemaal niet zo heel lang. Na anderhalve maand opsluiting overlijdt Willemina Huisman, 35 jaar oud.

Zeeuws meisje
Een half jaar na de dood van zijn echtgenote keert Frans Leloux terug in de kolonie, na een dienstverband van tweeŽneenhalf jaar die hij bijna helemaal in de kazerne heeft doorgebracht. De hoeve is ter beschikking van een andere kolonist gesteld en hij wordt tijdelijk ondergebracht bij kolonist Maatje* van Appingedam, maar na een paar maanden mag hij hoeve 42 op Frederiksoord betrekken. Twee weken later voegen de vijf kinderen zich bij hem. De kolonie-directie plaatst er een kolonistenweduwe (Hilletje Kok*) bij met de aanduiding 'huishoudster'. Frans Leloux heeft zijn leven weer op orde en gaat denken aan hertrouwen.

Vermoedelijk is er veel overeenkomst tussen de beweegredenen van de Raad van Tucht om Willemina afzonderlijk van haar kinderen op te sluiten en de motieven van de 'Regenten van het Armen-Gast en Weeshuis te Vlissingen' om Catharina Celina Maria Ciri in november 1826 naar de kolonie te sturen. Haar ouders zijn dan al drie keer veroordeeld voor diefstal en heling, de laatste keer in juni 1826 en vermoedelijk wilden de Vlissingse regenten de kinderen van het echtpaar aan een 'kwaad voorbeeld' onttrekken.

Catharina wordt ingedeeld bij koloniale gezinnen in Frederiksoord en is 19 jaar als Frans terugkeert van zijn militaire dienst en 20 als ze in april 1834 met hem trouwt. De huishoudster verdwijnt en Catharina doet haar intrede op hoeve 42. Het stel krijgt zes kinderen, waarvan eentje jong overlijdt, ze blijven altijd op de kolonie en overlijden allebei op hun 62ste, Frans in 1866 en Catharina in 1876.

En later
Van de drie voor-echtelijke kinderen van Willemina Huisman trekken Henricus en Annetje na enkele jaren de wijde wereld in, Gerrit Huisman blijft, trouwt met een dochter van kolonist Bollen*, wordt zelf kolonist en zal de kolonie nooit meer verlaten. Uiteindelijk overlijdt hij begin 20e eeuw in het koloniale bejaardentehuis Rustoord.

De twee eigen kinderen van Frans en Willemina belanden in hun teenerjaren nog in de strafkolonie wegens 'verregaande baldadigheden'. Later trekt de oudste, als zoveel kolonistenkinderen, richting Twente, de jongste huwt een dochter van het geruchtmakende Amsterdamse kolonistengezin Amende* en woont een tijdlang in Vledderveen, vermoedelijk de desperado-kolonie daar.

Van de vijf kinderen van Frans en Catharina Ciri zullen er maar liefst vier kolonist worden!!! Die vier trouwen ook allemaal met andere kolonistenkinderen, de oudste een kleindochter van proefkolonist Lucassen*, de anderen kinderen van kolonist Havermans, van Hoogmoed en van der Poort. Daarmee behoort het geslacht tot de 'harde kern' van koloniebewoners, tot diep in de twintigste eeuw wonen er afstammelingen van Frans Leloux in de kolonie.




Nadere informatie over de betrokkenen
Vet is een externe link en opent in een nieuw venster, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.


- Familie-onderzoeker Dries Steenhuisen uit Nieuwegein meldde mij nav bovenstaande dat Johannes Wilhelmus Steenhuysen op 24 april 1774 is gedoopt te Amsterdam en op 3 januari 1800 in ondertrouw is gegaan met Jannetje Arends. De kinderen die meegekomen zijn naar de kolonie zijn Maria Sophia Wilhelmina Steenhuise, geboren 1805 en juli 1823 vertrokken van de kolonie, Willem Steenhuijsen, geboren 1807 en juli 1825 met ontslag vertrokken van de kolonie, Christina Maria Steenhuysen, geboren 1810, Johannes Steenhuysen, geboren 1813, Hendrik Steenhuysen, geboren 1817.
Over de staat van het huwelijk na terugkomst is niets bekend, alleen dat Johannes Wilhelmus in april 1834 overleed in het Buiten-gasthuis te Amsterdam en toen als 'weduwnaar van Johanna Arends' werd aangemerkt. Voor contact over het familie-onderzoek naar de Steenhuizens kun je rechtsbovem op 'Reacties' klikken.


 - Genealogische gegevens van F.J.Leloux staan in dit overzicht door Jacob Leloux.

  -Voor proefkolonist Johannes Molewijk zie zijn file.

  -Voor proefkolonist Johannes Bodenstaff, inclusief genealogische internetverwijzingen, zie zijn file.

  -Catharina Penning is een dochter van de in 1822 aangekomen Schiedamse kolonist Hendrik Penning. Zie voor genealogische informatie over het geslacht de genealogie van Frederik Pennink. De weduwe van Hendrik hertrouwt enkele jaren na zijn dood, zie hier. Een zoon huwt een dochter van Westerveld,.de proefkolonist uit Broek in Waterland. De in dit verhaaltje ter sprake komende dochter Catharina zal twee jaar later zelf met de Raad van Tucht in aanraking komen als ze zonder toestemming getrouwd is en dan en samen met haar echtgenoot naar de strafkolonie gestuurd worden.

  -Nicolaas (of Likle) Annes Maatje uit Kloosterburen kwam in 1820 als eerste kolonist van het grote arrondissement Appingedam. Zie voor meer informatie inclusief internetverwijzing onderaan de pagina Appingedam.

- Hilletje Kok is een bestedelinge uit Broek in Waterland. Zij kwam april 1831 op de kolonie en trouwde in december van dat jaar met de Deventer kolonist Hendrik Steunenberg die tijdens zijn vrijboerschap aan de Ommerschans weduwnaar was geworden. Ze krijgen april 1832 een zoontje maar daar zit nog een verhaal bij. In augustus van dat jaar overlijdt Steunenberg. De directie deelt dan Hilletje Steunenberg-Kok en haar zoontje een tijdje bij Leloux in.

- Casper Bollen is een weduwnaar die in 1822 is geplaatst door de Provinciale Commandant van Limburg. Hij komt voor in een verhaaltje elders op de site.

- Johann Gotthelf Amende overleed kort voor de plaatsing in de kolonie, waarna zijn weduwe in 1844 met zeven kinderen uit Amsterdam kwam. Na twee jaar deserteerde het gezin waarbij ze zoveel koloniale eigendommen hadden verdonkeremaand en verkwanseld dat er een klopjacht gehouden werd en diverse kolonisten die spullen hadden overgenomen in het beklaagdenbankje kwamen. De weduwe Amende moest zich voor de burgerlijke rechter verantwoorden en werd veroordeeld. Zie voor genealogische gegevens over de familie Amende Th. Visser

-
Zie voor proefkolonist Lucas Lucassen, inclusief genealogische internetverwijzingen, zijn file.