De eerste kolonisten uit Hoogeveen


De 'Regenten van het armen-Werkhuis te Hoogeveen' slaan snel toe als de Maatschappij van Weldadigheid midden 1819 de mogelijkheid opent om contracten af te sluiten voor plaatsen in de kolonie (boek blz. 189-190). Als vierde sluiten ze in de eerste dagen van december een zogenaamd A-contract (zie verderop) af, wat dan ook in de boeken als A 4 voorkomt.
Bij de start van Willemsoord zomer 1820 zijn zes van de 100 hoeves gereserveerd voor pupillen van het Armwerkhuis. Hier een summier overzichtje van de belevenissen van die eerste Hoogeveense kolonisten, her en der aangevuld met door Henk Elsinga verstrekte gegevens over hun leven voor en na de kolonie.


Bij een A contract betaalt de contractant 60 gulden per jaar per kind voor zes wees- of armenkinderen, 360 gulden per jaar dus. Voor dat geld mag hij drie hoeves in gebruik nemen en als hij zestien jaar betaald heeft, zijn die drie hoeves eigendom geworden en mag hij er 'voor altoos' mensen op plaatsen. Het Hoogeveense Armwerkhuis contracteert dubbel, dus ze betalen 720 gulden per jaar voor twaalf kinderen en mogen dus zes hoeves opvullen.
De officiële bedoeling is dat die twaalf op twee hoeves komen met bij elke zes een bejaard kinderloos echtpaar als 'huisverzorgers' om op ze te passen en dat er vier gewone arbeidersgezinnen komen. Maar Hoogeveen zendt maar één 'hoeve-vullend' gezin en bij de andere vijf deelt ze wezen in. Ik heb de indruk dat ze stiekem veel meer wezen wegwerkten dan waar ze voor betaalden.

Op het moment dat ze het contract tekenen, weten ze nog niet precies wie ze in juni 1820 willen sturen. Maar dankzij het onlangs gevonden stamboek Willemsoord ± 1822 tot ± 1824 (Drents Archief, toegang 0186, inventarisnummer 1407), zijn bijna alle Hoogeveense namen bekend. Zie ook hun verneldingen op de Willemsoord-pagina.
De hele meute arriveert op maandag 5 juni 1820, een kleine veertig personen, dus dat moet een hele optocht door zuid-Drenthe geweest zijn. Diezelfde dag arriveren er nog  tientallen anderen uit het hele land, het moet die dag een gekkenhuis geweest zijn.

Hieronder de zes Hoogeveens hoeves in de begindagen. Achtereenvolgens:
- Hoeve no 1 gezin Zwiers met ingedeelden
- Hoeve no 34 gezin Loggies met ingedeelden
- Hoeve no 36 gezin Lodewijk
- Hoeve no 37 huisverzorgers Sirrep/Benken met ingedeelden
- Hoeve no 38 huisverzorgers Koster/Flap met ingedeelden
- Hoeve no 46 huisverzorgers Hartman/Flap met ingedeelden


Willemsoord hoeve 1, gezin Zwiers met ingedeelden

Bijna alle namen zijn bekend, schreef ik, maar bij hoeve 1 mist een blad. Er staat alleen de plaats van herkomst (Hoogeveen), datum van aankomst (inderdaad: 5 juni 1820) en twee aantekeningen over bewoners:
- 'K. Vosch, weggelopen 20 aug. 1821' Daar worden we niet wijzer van.
- 'J, Kuik, gedeserteerd 7 sept 1822, doch teruggebracht en op hoeve no 38 geplaatst'. Dat zegt meer, want de desertie van Jan Kuik is bekend!
Zeven maanden na aankomst meldt de onderdirecteur van Willemsoord:
Op den 21 january 1821 zijn van deze kolonie weggelopen twee ingedeelde jongelingen, als Jannes Kuik, geboortig van t Hogeveen, oud 16 jaar en Gerrit Molen, geboren te Amsterdam, oud 25 jaren, beide gezonden door de subkommissie van het Hogeveen, ingedeeld bij Jan Zwiers.
De twee hadden de zondagse kerkgang benut om de benen te nemen, maar er wordt alarm geslagen en ze worden door 'geregtsdienaars' teruggebracht. Jan Kuik wordt gezien zijn leeftijd verexcuseerd en krijgt geen straf, maar verhuist dus wel naar hoeve 38, zie daar verder.
Gerrit Molen wordt veroordeeld tot een verblijf van een jaar in de strafkolonie Ommerschans. Hij behoort tot de groep die daaruit in september 1822 wordt vrijgelaten (en die abusievelijk geld meekrijgen waar ze drank van kopen, zodat het een dolle reis wordt - dit verhaal komt ook nog eens op de site) en wordt daarna ingedeeld op hoeve 37, zie daar zijn verdere geschiedenis.

Met enig deduceren en met hulp van lijsten uit de jaarverslagen viel te achterhalen dat de eerste hoofdbewoner van deze hoeve was Jan Zwiers, volgens de kolonie-administratie van 10 mei 1774, met echtgenote Trientje Pieters, met geboortejaar 1785. Ze hebben één kind bij zich, de op 8-10-1817 geboren Bouwke Zwiers, dus Hoogeveen zal er flink wat wees- of armenkinderen bijgestopt hebben, maar behalve de bovengenoemde Jan Kuik, Gerrit Molen en die geheimzinnige 'K. Vosch' valt dat niet te achterhalen.

Overigens komt er snel minder plaats voor ingedeelden, want het gezin breidt zich uit. Met Maria, geboren 20 oktober 1820, Jannetje, geboren 6 januari 1822, Pieter, geboren 15 november 1824 en Gesina, geboren 16 december 1827.
Daarna volgt de andere kant van de balans: vader Jan overlijdt 6 januari 1830 en zoon Pieter op 27 juni 1836.

Drie jaar later, op 9 november 1839, verlaat de moeder met de drie dochters voorgoed de kolonie.


Willemsoord hoeve 34, gezin Loggies met ingedeelden

De weduwnaar Hendrik Loggies is bijna 62 jaar als hij in Willemsoord aankomt met drie dochters en drie ingedeelde jongemannen. Zijn herkomst was een raadsel tot Henk Elsinga ontdekte dat Hendrik zichzelf had vernoemd naar de bijnaam van de vader van zijn moeder! Daar begint dit overzichtje:

Hendrik Harmens Schonewil, ook Schonewille, alias Hendrik Lochjen en Lochjen Schonewille, geboren ± 1695, trouwt ± 1717 met Jentien Hendriks, geen afkomst bekend. Van hen zijn twee kinderen bekend, waaronder Wijggertien (Wichertjen) Hendriks Schonewille, gedoopt 21-12-1721, die trouwt met Arent Jans Metselaar, gedoopt 23 oktober 1712 te Hoogeveen, zoon van Jan Arents en Elsjen Jans. Zij laten acht kinderen dopen in Hoogeveen, waarvan de eennejongste is:
Hendrik Arents, gedoopt  24 september 1758 te Hoogeveen; na 1811 is hij ook bekend als Hendrik Arents Metselaar.
Hij trouwt met Stijntjen Christiaans Breijting, ook Breiding, gedoopt 11 maart 1770 te Hoogeveen, dochter van Christian Breytink (van Hessen Kassel) en Margjen Harms.
Kinderen gedoopt te Hoogeveen:
1. Arend Hendriks, 02-03-1796, waarschijnlijk jong overleden
2. Marrichje, 11-11-1798
3. Wigertie, 19-09-1802
4. Christina, 24-08-1806


Hendrik Arents Metselaar is degeen die als Hendrik Loggies op de kolonie komt en de kinderen 2, 3 en 4 zijn de dochters die mee zijn gekomen. Hendrik leeft niet lang meer. Het maandblad De Star meldt augustus 1821:
In no.2 is over­leden de huisverzorger van den berg; in no. 3 de huisver­zorger mohle, de oude kolonist loggiers, en de jongeling r. zwaan.
De dochters blijven. Als opvolgend huiverzorger wordt eerst aangesteld de ongeveer 60-jarige Pieter Foest uit Den Haag, maar die neemt na twee jaar ontslag als hij merkt dat huisverzorgers niet alleen moeten oppassen maar ook zelf moeten werken, en dat wordt Frans Loomeijer met vrouw en twee kinderen als huisverzorger aangesteld. Hij was voorheen ingedeelde bij proefkolonist Weender uit Zaandam, is getrouwd met de dochter van de inmiddels vertrokken proefkoloniste uit Gouda, en men zit met hem in de maag. Bij de plaatsing wordt opgemerkt dat het ook is om de dochters van Loggies een tehuis te bieden.

Maar Marrigje (of Margje) overlijdt op de kolonie. Na de nodige conflicten met de directie worden Lomeijer en vrouw in maart 1825 ontslagen, daarop vertrekken Wigertie (Wiggertje) en Christina (Stijntje) samen op 27 april 1825 richting Hoogeveen. Wat over hun verdere leven bekend is:
- Wigertie, bij volkstelling 1829 vermeld als Wichertje Hendriks Metselaar, 26 jr, ongehuwd, dienstbode De Huizen 38, Hgvn; overl. 02-01-1868 Hollandscheveld A144 ten huize van Klaas Kist, als Wichertje Metselaar, 60 jr(!), ongehuwd.
- Christina, bij volkstelling 1829 vermeld als Stijntje Loggies, 23 jr, ongeh., Kl. Kerkstg. 814 = Armwerkhuis Hoogeveen.


De wezen dan:
- Eentje heet Jan Lodewijk en dat zorgt voor verwarring omdat er ook met die naam op hoeve 36 wonen. Deze Jan Lodewijk is een neef van de vader van onderstaande gezin, nl een zoon van diens broer Lubbertus Lodewijk (bron onderzoekers Paul en Thom Lodewijk). Ook uit deze bron komt als geboortedatum 1-1-1806. Jan Lodewijk wordt augustus 1823 overgeplaatst naar hoeve 38 (zie aldaar).
- De andere twee zijn broers, ingeschreven als Barend en Steven Bremer, en uit navolgende familie-overzichtje blijkt dat zij geen wezen zijn maar dat hun vader nog leeft.

Jan Berents Bremer, gedoopt 28 mei 1780 Hoogeveen; overleden te Ommen 1 november 1833, arbeider; hij trouwt op 24 april 1803 Hoogeveen met Maria Stevens Snippe, gedoopt 15 juli 1781 Hoogeveen als dochter van Steven Hendriks Snippe en Annegien Gerrits Smant; overleden 11 november 1817.
Kinderen geboren of gedoopt in Hoogeveen:
1. Annichje, doop 07-03-1804, trouwt 04-11-1827 Berend Koelink
2. Berend, doop 25-05-1806, overl. 21-06-1809; begr. 30-06-1809.
3. Steven, doop 11-09-1808
4. Baerend Jans, doop 16-09-1810
5. Reinoud, geboren 23-07-1813, overl. 01-09-1817.
6. Klaasje, geboren 10-04-1816, overl. 20-06-1818.

Steven
en Ba(e)rend, de nummers 3 en 4, komen op de kolonie en blijven daar drie jaar. De broers vertrekken samen op 22 augustus 1823. Wat over hun verdere leven bekend is:
- Steven, overl. 23-04-1892, schipper; trouwt (1) 30-01-1833 Hendrikje Harms Pol, (2) 23-05-1846 Geesjen Kreeft en (3) 16-02-1848 Femmina Schokker..
- Baerend Jans, overl. 23-05-1894, schipper; trouwt (1) 29-05-1841 Metje van Goor en (2) 29-12-1858 Jantje Jans Hartman.

 
Willemsoord hoeve 36, het gezin Lodewijk

Jan Lodewijk komt van Hattem, maar is ergens tussen 1808 en 1812 in Hoogeveen neergestreken. De niet altijd betrouwbare kolonie-administratie geeft zijn geboorte/doopdatum als 17 oktober 1780, zodat hij bij aankomst 39 jaar zou zijn. Diezelfde administratie meldt dat zijn echtgenote van 18 oktober 1778 is. Ze komen met het hele gezin:

Jan Lodewijk, trouwt 4 november 1804 Hattem, als jm. van Hattem, na ondertrouw op 19 oktober 1804 te Hattem, met Fennigje Coopman, jd. van Oene; ze wordt later ook Femmigje Jans Koopmans genoemd.
Kinderen gedoopt te Hattem:
1. Geertruit, 07-04-1805
2. Jan, geboren 14-07-1806, gedoopt 20-07-1806
3. Klaas, geboren 22-09-1808, gedoopt 09-10-1808
Kinderen geboren te Hoogeveen:
4. Gesina, 25-08-1812
5. Wilhelmina, 27-09-1814
Gezina heet in de kolonie-administratie Geesje en Wilhelmina staat daar als Willempje, en daarnaast zou er nog zijn een dochter Janna/Johanna, geboren in 1818, en tenslotte wordt er 27 september 1822 nog een broertje geboren die Rijn genoemd wordt. Waarschijnlijk vond de Maatschappij het gezin iets te groot, want de oudste dochter Geertrui wordt beschouwd als ingedeelde waarvoor Hoogeveen 60 gulden per jaar moet betalen.

Dit is een van die gezinnen die zich met volle overgave settelen op de kolonie. Na een tijdje zijn ze familie van half Willemsoord, want nagenoeg alle kinderen trouwen met andere koloniebewoners en diversen blijven altijd op de kolonie. Dat zal dan zijn omdat ze harde werkers zijn, want een smetteloze reputatie hebben ze niet. Er staat regelmatig iemand van de familie voor de Raad van Tucht en uit de manier waarop over ze geschreven wordt komen ze naar voren als ietwat ruw volk dat nogal grof in de mond kan zijn. Qua ongehuwde zwangerschappen behoren ze in ieder geval tot de koloniale koplopers.

Eerst de ouders: Jan Lodewijk sr zou volgens Hoogeveen van beroep schoenmaker zijn en zijn echtgenote werd omschreven als 'een excellente spinster en arbeidster'. In 1829 worden ze bevorderd tot vrijboer maar al na een half jaar weer teruggezet naar de gewone kolonie. In 1848, Jan sr is dan een jaar of 68, geven ze het kolonistenbestaan op. Ze worden ingedeeld op de hoeve van dochter Wilhelmina, waar Jan een jaar later overlijdt. Zijn weduwe blijft er tot 1860 en vertrekt dan, volgens de administratie naar Hoogeveen.

Dan de kinderen. Alle huwelijken zijn in Steenwijkerwold (waar de burgerlijke stand van Willemsoord gevoerd werd):

1) Geertrui Lodewijk trouwt 08-10-1824 met Jan Kist, die juni 1820 vanuit Hoogeveen was ingedeeld op hoeve 38 (zie aldaar). Het stel zwerft met een vóór het huwelijk geboren zoontje een jaartje door de omgeving als de regenten in Hoogeveen zich voor hen gaan inspannen. Ze vragen of 'Jan Kist en deszelfs huisvrouw (...) niet als huisverzorgers zouden mogen geplaatst worden bij die kolonisten welke van hier afkomstig zijn.' Hoogeveen vindt dat ze daar volgens het contract recht op hebben en beveelt de twee aan: 'de voormelde Jan Kist en vrouw zijn reeds eenige jaren in de kolonie geweest - de een als wees - de andere als ingedeelde bij hare ouders. Zij hadden des te meer geschiktheid - onzes inziens - tot de waarneming der verlangde post.'
Alleen... is Hoogeveen net iets te laat. Een week eerder had de kolonie-directie de twee al geplaatst als huisverzorgers. Ze blijven hun hele leven op de kolonie, worden kolonist en later vrijboer, krijgen tien kinderen, Klaas overlijdt in 1865, Geertrui in 1883 en een van de kinderen volgt ze dan op als kolonist.

2) Jan jr. Lodewijk trouwt 2 februari 1826 een dochter van een kolonist uit Groningen. En begint daarna zonder daar al te geheimzinnig over te doen een relatie met het jongere zusje van zijn echtgenote, die hij zwanger maakt (dat verhaal komt nog een keer op de site). Het hele gezelschap verdwijnt een dikke drie jaar naar de strafkolonie op de Ommerschans. Na terugkomst volgt nog een periode als vrijboer en hij blijft tot zijn dood in 1886 op de kolonie.

3) Klaas Lodewijk trouwt 8 februari 1838 een dochter van een Haagse kolonist en twee jaar later mag hij een van de Hoogeveens hoeves betrekken. Acht jaar later wordt het gezin bevorderd tot vrijboer bij de Ommerschans en dat blijven ze altijd, ook nadat de Staat in 1859 de Ommerschans van de Maatschappij heeft overgenomen.

4) Gezina/Geesje Lodewijk raakt op haar achttiende zwanger maar vertelt de Raad van Tucht dat de desbetreffende jongeman haar met schone beloften en het geven van kledingstukken tot de daad bewogen heeft. Dat lijkt te kloppen, want die jongeman geeft voor de Raad de 'onzedelijke omgang' volmondig toe, 'onder bijvoeging der schaamtelo­ze uitdrukking, echter, van haar daarvoor te hebben betaald'. Ook zij verdwijnen naar de strafkolonie. Als het daar geboren dochtertje is overleden keert Geesje terug. Na nog een veroordeling trouwt ze 18 februari 1836 met een zoon van dezelfde Haagse kolonist die ook schoonvader van Klaas is. Zij blijven bij wijze van uitzondering niet op de kolonie.

5) Wilhelmina/Willempje Lodewijk trouwt 5 maart 1836 met een kolonistenzoon uit Dordrecht en wordt kolonistenvrouw. Na de dood van haar man hertrouwt ze met de weduwnaar van haar zus Johanna (zie hieronder) en ze worden geplaatst als kolonisten.

6) Janna/Johanna Lodewijk ontvlucht op haar 24ste de kolonie als aan het licht komt dat zij zwanger is van een kolonistenzoon uit Monnickendam (Klaas Willems Vreeling). Volgens familie-onderzoekers trouwen ze dan, maar Janna overlijdt niet zo lang daarna.

7) Rijn Lodewijk tenslotte trouwt met een dochter van de kolonist uit Goes en mag dankzij de subcommissie van weldadigheid Goes de hoeve van zijn schoonvader overnemen. Ze krijgen tien kinderen, worden later vrijboer en overlijden op de kolonie rond de eeuwwisseling.


Willemsoord hoeve 37, huisverzorgers Sirrep/Benken met ingedeelden

Bij Jan Sirrep, die ook als Sierp voor komt, en Aaltje Benken geeft de kolonie-administratie slechts globale geboortejaren, bij Jan staat 1750 en bij Aaltje 1770. Met zulke leeftijden zullen ze zijn bedoeld als huisverzorgers en er zijn ook geen eigen kinderen, alleen ingedeelden. Ze doen dit werk een aantal jaren, Aaltje Blenken overlijdt 1 april 1825, Jan Sierp/Sirrep 23 september 1828.
Aaltje mag in de kolonie-administratie dan als Blenken of Benken voorkomen, maar ze trouwt onder de naam Aaltje Hendriks Binken.
Er blijkt dat Aaltje en Jan een jaartje voor hun komst naar de kolonie te Hoogeveen getrouwd zijn, voor beiden hun tweede huwelijk.

Bij hun aankomst dragen ze de zorg voor zeven ingedeelden, vijf uit Hoogeveen en twee uit Dordrecht. Die laatsten laat ik even buiten beschouwing, de andere:

- Jantien Koops is verreweg de oudste, ze zou bij aankomst al 40 jaar zijn. Dat duidt er op dat er geestelijk of lichamelijk iets mis is en de Hoogeveense regenten er geen raad mee wisten. Dat lijkt te worden bevestigd door de vele overplaatsingen van de ene koloniale hoeve naar de andere die ze tijdens haar verblijf zal hebben. Ze is nog steeds ingedeelde als ze in 1844, ongeveer 64 jaar oud, overlijdt.

- Pietertje Hendriks Kattouw is maar een jaartje jonger en daarvoor gaat hetzelfde op, ook qua grote aantal verhuizingen. In 1843 is ze ongeveer 62 jaar en wordt ze overgeplaatst naar Veenhuizen. Of ze daar tussen de bedelaars komt of bij een arbeidershuisgezin wordt ingedeeld weet ik (nog) niet.

- Jan Sterken en Hilbert Sterken, met de geboortejaren 1808 en 1809, zullen ongetwijfeld broers zijn. Ze vertrekken na een kleine vier jaar samen van de kolonie: 17 februari 1824.

- Gerrit Molen is na zijn terugkeer uit de strafkolonie (zie bij hoeve 1) hier ingedeeld.Als zijn geboortejaar is genoteerd 1797 en je zou hem gerust 'vluchtgevaarlijk' kunnen noemen. Want na zijn eerdere desertiepoging in 1821, neemt hij mei 1823 opnieuw de benen. Evenals in augustus 1825 en in de zomer van 1826. Dan besluit men hem maar een tijdje in de strafkolonie te houden, maar.... augustus 1828 deserteert hij daarvandaan!
Ook niet voor lang. Uiteindelijk is hij ongeveer 38 jaar als hij 26 augustus 1833 in de strafkolonie overlijdt.


Willemsoord hoeve 38, huisverzorgers Koster/Flap met ingedeelden

Frederik Koster is bij aankomst 68 jaar en weduwnaar.

Fredrik Harmens Koster, gedoopt 9 april 1752 Hoogeveen, zoon van Harmen Jans Koster en Hendrikjen Jans Munnink, alias Quidam, schipper, hij trouwt met Geesjen Jans Kapteijn, gedoopt 7 december 1749 Hoogeveen, dochter van Jan Geerts Kapteijn en Jantien Alberts Klinkjen; overleden 7 mei 1813, Noord C 600, als Geesje Jans Kapitein.
Kinderen gedoopt te Hoogeveen:
1. Harm. 05-10-1777. begr. 08-11-1777
2. Hendrikje, 02-12-1778, overl. 1860 te Avereest; trouwt schipper Jan Thijs Luning.
3. Jan, 23-09-1781, begr. 20-10-1808 zoon van Fredrik Koster.
4. Harm, 24-10-1784
5. Albert, 24-10-1787

Alle kinderen zijn het huis uit, dus Frederik Koster komt in zijn eentje als huisverzorger naar Willemsoord. De Hoogeveense regenten vinden dat zo'n man niet alleen voor die wezen kan zorgen en doen er een 'huishoudster' bij. Trijntje Roelofs, meestal aangeduid als 'de weduwe Flap'.

Pieter Hendriks, alias Pieter Flap, geboren in Haalweide; gedoopt 17 september 1752 te Yhorst; begraven 15 juli 1796 te Hoogeveen als Pieter Flap; hij trouwt (1) met Aaltje Jans, geen afkomst bekend; overleden voor augustus 1783. Daarna hertrouwt hij met
Trijntjen Roelofs, gedoopt 5 maart 1758 te Hoogeveen, dochter van Roelof Jacobs Botter en Grietjen Jans.
Kinderen gedoopt te Hoogeveen:
1. Grietje, 16-10-1785, begraven 10-11-1792 kind van Pieter Flap.
2. Hendrikjen, 22-02-1789, zie hoeve 46
4. en 5. N.N, begraven 11-02-1792 twee kinderen van Pieter Flap; w.s. doodgeboren kraamkinderen.
6. Roelof, 12-01-1794, trouwt 12-07-1829 Leeuwarden als Roelof Pieters Flap met Catharina Hendriks Kieler.

Huisverzorger Frerik Koster overlijdt op 5 mei 1822. Daarna wordt er achter de naam van de oudste in huis aanwezige ingedeelde geschreven 'huisverzorger' (zodat Hoogeveen ook geen 60 gulden per jaar meer voor hem hoeft te betalen). Hij heet Jan Hendrik Kist, hij is van 1803 en zijn huisverzorgerschap duurt niet zo lang. Hij gaat 18 mei 1823 met ontslag, want hij heeft verkering. Met Geertrui Lodewijks, zie verder bij hoeve 36.

De dan 65-jarige Trijntje Roelofs weduwe Flap doet het daarna alleen, maar volgens de directeur is zij een 'aller ongeschikst voorwerp voor hare bestemming (...) als zijnde door hare jaaren niet in staat werk van eenig aanbelang te verrigten; van het eigenlijk vrouwelijk huiswerk als stoppen, naaijen enz kan zij niets en doet zij niets waardoor de kinderen steeds met onreine gescheurde klederen gaan'. Vanaf 1827 wordt zij dan ook beschouwd als ingedeelde, waarbij ze eerst een jaartje bij huisverzorger Sierp van hoeve 37 zit (tot diens dood), en daarna bij andere kolonisten, met twee keer een periode bij haar dochter Hendrikje (zie hoeve 46). Ze overlijdt 18 december 1838 op de kolonie.
 
De eerste wees- en armenkinderen in dit huishouden:

- Jan Hendrik (soms: Roelof) Kist, zie hierboven.

- Jan Lamberts Beekelaar, geboortejaar 1811, hij deserteert 16 juni 1824 van de kolonie.

- Hendrikje Arend Strijkers, geboortejaar 1806, zij gaat op 27 april 1825 met ontslag.

- Dina Booijs, geboortejaar 1809, wordt later een paar keer overgeplaatst naar andere hoeves en gaat met ontslag van de kolonie op 1 april 1829.

- Hendrik van Assen, geboortejaar 1814, hij deserteert op 11 april 1829 uit de kolonie.

- Roelofje Davel, geboortejaar 1814, zij deserteert ook op 11 april 1829 en dat is natuurlijk te toevallig om waar te zijn dat zij en Hendrik van Assen op dezelfde dag allebei de benen nemen. Hier zit vast meer achter!!

Daarnaast komt hier na zijn tijdelijk desertie (zie hoeve 1) Jan Kuik, geboortejaar 1806, die op 25 mei 1823 met ontslag gaat. En Jan Lodewijk, ook wel Jan Lubbertse Lodewijk, geboortejaar 1808, die is overgeplaatst van hoeve 34 en die op 27 april 1825 met ontslag gaat. Later trouwt hij met een zus van de echtgenote van de bij hoeve 36 genoemde Jan Lodewijk jr (sorry, beetje ingewikkeld),


Willemsoord hoeve 46, huisverzorgers Hartman/Flap met ingedeelden

Op deze hoeve heeft Hoogeveen een soortgelijke constructie als op hoeve 38 bedacht: een-oudere-man-met-een-Flap. De man in kwestie is Arend Lamberts Hartman, volgens de kolonie-administratie geboren in 1753 en bij aankomst dus ongeveer 67 jaar oud. Toegevoegd is Hendrikje Flap, volgens de gegevens hierboven (zie hoeve 38) geboren in 1789. Het is niet duidelijk of Hartman en de veel jongere Hendrikje een stel zijn of dat zij net als haar moeder als huishoudster is geplaatst. Wel schenkt zij 1 september 1822 het leven aan Gerrigje. Als die van Hartman is, was het ook een van zijn laatste daden, want hij overlijdt al op 17 mei 1822.

In het begin zijn er acht wees- en armenkinderen ingedeeld, waarvan vier uit Dordrecht die hier verder buiten beschouwing gelaten worden. De Hoogeveeners waren:

- Kornelis Kuiper, geboortejaar 1806, hij gaat op 18 april 1829 met ontslag.

- Twee zusjes, en naar ik aanneem ook zusjes van de Jan Lodewijk op hoeve 34/38, Johanna Lodewijk en Barta Lodewijk, allebei dochters van Lubbert, met respectieve geboortejaren 1-2-1809 (volgens de kolonie-administratie 1807) en 31-10-1910 (volgens de kolonie-administratie1811). Johanna wordt op 4 maart 1827 ontslagen, Barta op 14 juni 1828.

- Er staat ook ungeschreven een Trientje Flap die is doorgehaald met de melding 'Flap de kolonie verlaten'. Als geboortejaar wordt gegeven 1814 dus ze zal niet op eigen gelegenheid de kolonie verlaten hebben. Volgens een eerdere onderzoekster (mevrouw Kloosterhuis) zou het een onecht kind van Hendrikje Flap geweest kunnen zijn.
In latere stamboeken komt rond 1829 ook weer een Trientje Flap voor, die in 1829 deserteert en in 1833 terugkeert met een onecht dochtertje dat Anna Peters heet. Ze wordt opgesloten in de strafkolonie Ommerschans en daar liefst zeven jaar vastgehouden. In de tussentijd overlijdt het dochtertje en krijgt ze na rwee jaar strafkolonie een onecht zoontje die Petrus Flap heet. In 1840 verlaten zij en dat zoontje de kolonie.

Haar mogelijke moeder, dus huisverzorgster Hendrikje Flap is zes maanden zwanger als ze in 1825 trouwt met een jongeman uit Purmerend die sinds twee jaar bij gezinnen uit die plaats was ingedeeld. Ze worden dan samen huisverzorgers. Ze krijgen drie kinderen, de Purmerender overlijdt in 1837 en Hendrikje in 1839. De nog levende kinderen (een zoontje is dan al overleden) blijven nog een paar jaar op de kolonie voor ze vertrekken.



Na die allereerste Hoogeveeners zullen er nog tientallen volgen (voorzover de familie Lodewijk de plaatsen niet in beslag neemt). Zodra een wees met ontslag is gegaan wordt zijn plaats ingenomen door een volgende enzovoort enzovoort. Daarnaast mag Hoogeveen ook nog 'uit de contributie' een hoeve vullen. Daar komt op een gegeven moment Jan van Agteren jr te wonen, over wiens activiteit als wijkmeester elders op de site nog een verhaaltje staat.

Bij diverse onderdelen van deze pagina is de helpende hand geboden door genealogisch onderzoeker Henk Elsinga.