Geweld op en rond de kolonie

Bij lichte 'dadelijkheden', zoals een 'stoot voor de borst' of een duw of een simpele oorvijg, wordt een kwestie rond kolonisten afgedaan voor de Raad van Policie voor de gewone kolonien. Die oordeelt al vanaf 1822 - zie boek blz 265 ev - over alles wat kolonisten fout doen, inclusief handtastelijkheden. (Zie voor een overzicht van de tuchtzaken 1825-1838 deze pagina.)
Maar als er grover geweld aan te pas komt, en een van de betrokkenen dient een klacht in, dan komt het bij de rechtbank. De uitgebreide getuigenverklaringen en proces-verbalen die daar bijgehouden zijn, leveren ook weer een boel informatie over het koloniale leven en de kolonisten.

Tot 1 oktober 1838 heet de dienstdoende instantie de rechtbank van eerste aanleg. Daarna is er sprake van arrondissementsrechtbanken, maar die tijd laat ik op deze pagina even buiten beschouwing, ik beperk me hier tot de eerste periode.

Bij het onderzoek scheelt het waar de betrokken kolonisten wonen.
- Frederiksoord en Wilhelminaoord vallen onder de rechtbank van eerste aanleg in Assen. Het archief daarvan bevindt zich bij het Drents Archief, toegang 0103. De vonnissen van die rechtbank zijn de invnrs 2601-2608, waarbij de eerste drie buiten beschouwing kunnen blijven, omdat dat speelt in de tijd dat de kolonien nog niet waren opgericht. De hieronder genoemde gevallen betreffen allemaal vonnissen uit invnr 2605, de periode tussen oktober 1825 en mei 1828.
Die vonnissen vallen vrij snel door te nemen door te kijken naar de woonplaats van de beklaagde. Daar zitten een aantal Frederiksoord en Wilhelminaoord tussen. Elk vonnis heeft een nummer en aan de hand daarvan kunnen de processtukken gevonden worden in de invnrs 28001-28055. Daar zitten vaak boeiende stukken tussen, getuigenverklaringen, tekeningen van het Plaats Delict, verhoren, en in ieder geval het volledige zittingsverslag. Op basis van die dingen zijn onderstaande verhalen gemaakt.
- Willemsoord valt onder de rechtbank in Zwolle, dan moet je dus bij het Historisch Centrum Overijssel zijn. toegang, invnrs ????





Bakkeleien in de broodbakkerij




De magazijnmeester slaat toe

Zo rond 1825 hebben de ambtenaren op het algemeen bureau van de Maatschappij van Weldadigheid een grote middagpauze voor de warme maaltijd, waarna ze om drie uur weer op het kantoor in Frederiksoord verwacht worden. Dat we dat weten, danken we aan magazijnmeester Theodorus Lindeman en diens assistent Jacob Carel Helmcke.
Want op de dag na Kerstmis 1825 komt Helmcke drie kwartier te laat. De 43-jarige Lindeman had zich al tegenover de andere aanwezigen lopen opfokken en als Helmcke arriveert, begint hij heel cynisch dat de ander 'bliksems vroeg kwam'. Helmcke, 27 jaar oud, verontschuldigt zich dat 'het middagmaal niet zoo vroegtijdig gereed was als gewoonlijk' en belooft 'de aanstaande nagt te zullen werken' om alle stukken klaar te krijgen. Maar Lindeman denkt dat Helmcke aan het drinken is geweest, waarvoor hij kort tevoren al een schorsing had gehad, en begint hem voor 'schelm, schurk, smeerlap' uit te maken. 'Ik gaf hem ten antwoord,' meldt Helmcke, 'dat hij zulks mogte zijn maar ik nimmer geweest was.' In hedendaags Nederlands: wat je zegt dat ben je zelf.
De voormalige sergeant Lindeman pikt dat niet, gooit 'hem in een naastgelegen kamertje onder den tafel op de grond' en geeft hem een pak slaag waar de ander een 'blauw opgezwollen oog, een opene wond aan zijn voorhoofd en een dikte in de slaap van 't hoofd' aan overhoudt. Helmcke doet aangifte, Lindeman wordt voor de rechtbank in Assen veroordeeld tot een boete, maar of het tussen de magazijnmeester en zijn assistent ooit weer goed gekomen is, vermeldt de historie niet.


Blaast mij wat in mijn Haarlemmer kont

Jochem Sleyfer is van beroep 'scharenslijper', hij woont te Vledder en staat volgens de burgemeester ter plaatse bekend als 'een eerlijk en ter goeder naam staande persoon'. Maandag 28 augustus 1826 raakt hij in gevecht met iemand die aanmerkingen heeft op de prijzen die hij rekent.

Vermoedelijk voor zijn werk is Jochem die dag in Steenwijk geweest. Hij is op weg naar huis en hij is ter hoogte van Eesveen als volgens zijn verklaring een man van een jaar of dertig hem begint uit te schelden voor 'schurk, schelm en dief'. De man daagt hem uit te vechten. De scharensliep wijst dat aanbod af, waarop de ander 'hem bij de keel had gegrepen en hem de das om de nek had zoeken toe te drayen'. Waarbij hij hem ook 'het vel aan den hals op eenige plekken had afgekrabd'. Jochem staat bekend als sterk, weet de man af te weren en grijpt op zijn beurt de ander bij zijn halsdoek.
Hij roept naar ´twee Steenwijker voerlieden, welke eenige schreeden vandaar met hun wagens waren blijven staan om dit schouwspel te zien'. Die twee dachten eerst 'dat die lieden gekheid met elkanderen hadden', maar Jochem maakt duidelijk dat het alleen maar grappig lijkt dat ze elkaar bij de halsdoek hebben en vraagt hen erbij te blijven. Dat doen ze en ze horen Jochem aan de man vragen: 'Wat persoon bent gij, dat gij mij hier op de weg zoo aanvalt?' Vergezeld van 'eenige vloekwoorden' antwoordt de man: 'Dat raakt u niet. Blaast mij wat in mijn Haarlemmer kont.'
Op dat moment passeert ook Klaas Geerts Brouwer, 35 jaar oud, landbouwer te Vledder en een goede bekende van Jochem. Brouwer komt met een wagen met een voer hooi van Giethoorn. Hij vraagt de Steenwijker voerlieden wat er hier te doen is en krijgt ten antwoord 'dat zij elkanderen willen slaan'. Jochem heeft hem gezien, laat de halsdoek van zijn aanvaller los en zegt tegen Brouwer: 'Gij moet bij mij blijven'. Hij gaat lopen 'aan de andere zijde van 't voer hooy' en zo laten ze de onverlaat achter.

Niet voor lang. Na een tijdje komt hij hen achterna 'met een allerijselijkst gevloek en gescheld'. Hij gaat hen voorbij, steekt voor de paarden langs over en valt de scharenslijper opnieuw aan, waarbij hij 'hem op de borst had gestoten'. Klaas Geerts Brouwer komt tussenbeide, hij dreigt de aanvaller 'van hem te zullen aanbrengen, met dat gevolg dat hij gevangen zoude worden genomen.' De man taait af, maar Jochem vindt het een goede suggestie van zijn plaatsgenoot en besluit het er niet bij te laten zitten.
Als de twee Vleddenaren – waarschijnlijk om van de schrik te bekomen - 'vervolgens in een huis een borrel hadden gedronken', vernemen ze dat de aanvaller Sabelis heet en in de kolonie te Frederiksoord woont. En Jochem Sleyfer informeert wie de twee Steenwijker voerlieden waren die het gezien hadden en die als getuigen zouden kunnen optreden. Het blijkt te gaan om Egbert Bos en David Bos, 'beide gepatenteerde slagters, wonende in de Omningerstraat te Steenwijk'.
Diezelfde avond om acht uur meldt hij zich bij de burgemeester van Vledder, Stephanus Jacobus van Royen en doet hij hem het hele verhaal. Ook Klaas Geerts Brouwer komt langs om te verklaren dat het echt allemaal zo gegaan is. Drie dagen later stuurt Van Royen de op papier gezette klacht naar 'den Heer Officier bij de Regtbank van eersten aanleg te Assen'. Een paar dagen later vraagt de officier hem de identiteit van de aanvaller te checken en dat doet Van Royen bij de directeur van de Maatschappij van Weldadigheid.
Hendrik Sabelis is net 31 jaar oud geworden, hij is een kleine twee jaar tevoren met echtgenote en drie kleine kinderen in de kolonie aangekomen. Hij is, meldt van Royen. 'kolonist in de kolonie No 1 te Frederiksoord en wonende in 't huis no 113'. Oorspronkelijk is hij afkomstig – zoals het voorafgaande al deed vermoeden – uit Haarlem.
De juridische molens draaien snel in die dagen. Binnen een maand, op 20 september 'des voordemiddags te half elf uur' staat de zaak op de rol. Negen dagen ervoor gaat de deurwaarder iedereen dagvaarden: de scharenslijper als klager, landbouwer Klaas Geerts Brouwer en de twee Steenwijkse slachters als getuigen, en de beklaagde, kolonist Hendrik Sabelis. Laatstgenoemde is niet thuis, zijn echtgenote neemt de oproep aan. Blijkbaar schrikt haar man als hij thuiskomt, een week later neemt hij de benen, de boeken van de Maatschappij van Weldadigheid melden 'den 17den september gedeserteerd'.
Hij is dan ook niet aanwezig op de zitting. Daar herhalen de getuigen in grote lijnen het verhaal, waarbij twee nieuwe aspecten aan het licht komen. De eerste is dat die maandagmidddag – in de woorden van Klaas Geerts Brouwer: - 'Sabelis niet nuchteren scheen te zijn', of in de woorden van de ene Steenwijkse slachter 'een borrel gedronken had' en in die van de andere 'iets dronken scheen'. En het andere nieuwe aspect is de aanleiding tot de ruzie.
Volgens de getuigen had Sabelis de scharenslijper vooral uitgemaakt voor 'afzetter'. In zijn klacht had Sleyfer er niet van gerept maar tijdens de onenigheid had hij de Steenwijkenaren wel uitgelegd dat de aanleiding een ordinair handelsconflict was. Het was er mee begonnen dat Jochem de kolonist 'voor een soldeerbolt vijf stuivers had afgevraagd', terwijl Sabelis er de helft voor had willen betalen. De man was zo kwaad geweest omdat de scharensliep 'hem zoo overeischt had'.
Hendrik Sabelis bewijst zichzelf een slechte dienst door niet op de zitting te verschijnen. Er gelden dus geen verzachtende omstandigheden en hij wordt bij verstek veroordeeld tot vier maanden cel, een boete van twintig gulden en de kosten van de procedure, ongeveer 25 gulden. Als de deurwaarder dat bij hem bekend komt maken, treft hij slechts zijn vrouw die meedeelt 'dat haar man zig had geabsenteerd, zonder te weten waar hij zig ophield'. Enkele maanden later duikt hij weer op en gaat hij alsnog de cel in. Daarna begint hij op de kolonie om zijn ontslag te vragen en in maart 1829 krijgt hij dat en keert hij, mét strafblad, terug naar Haarlem.