Deze pagina is tot stand gekomen met hulp van de genealogisch onderzoekers annex nazaten Henk Maatje, Gerhard Taatgen en Willem Helder (Bakema). Zij houden zich aanbevolen voor elke informatie die mensen hebben over deze geslachten. Onderstaande bevat onderdelen van het verhaal dat ik 30 augustus 2008 heb gehouden tijdens de grote en bijzondere kunst- en cultuurmanifestatie Het Geheim van Appingedam.




Kolonisten van Appingadam



Appingedam reageert een beetje laat op de oproep uit juli 1818 om een subcommissie op te richten (boek blz 16, zie tekst circulaire elders op de site). Pas in september schrijft burgermeester Houwerzijl dat er een subcommissie is opgericht met twee leden 'uit het stedelijk bestuur', twee leden 'uit de geestelijken' en twee 'uit de notabelste ingezetenen'. 'En heeft voorts de subcommissie bij meerderheid van stemmen uit hun midden tot Thesaurier en Secretaris benoemd de heer J. Q. Cleveringa' (1).
Maar dan is het ook goed raak. Het 'algemeen erkend weldadig karakter onzer natie' viert hoogtij, met 1070 contribuanten is het 'arrondissement Appingadam' na Amsterdam en Den Haag de grootste subcommissie van weldadigheid in het land.


Appingedam is de hoofdzetel en het aanspreekpunt voor de landelijke leiding van dat arrondissement wat naast de stad zelf 23 dorpscommissies omvat. Mede dankzij een massale inschrijving van medewerkers van de 'regtbank' zijn er in Appingedam zelf 176 inwoners die een stuiver per week opzijleggen om de armenkolonies mogelijk te maken. 'Toute Appingedam' staat op de lijst. Maar plaatsen als Stedum (97 contribuanten), 'Uithuistermeden' (87) en Leens (79) mogen ook gezien worden. Het minst lijkt het aan te slaan in Bedum, 'Slogteren', Siddeburen en Harkstede, zie de volledige lijst van de 23 dorpscommissies hieronder (2).






Door de late reactie valt Appingedam buiten de boot bij het bevolken van de proefkolonie, want de proefkolonisten waren toen al uitgekozen en sommigen al op weg naar het net opgerichte Frederiksoord. Maar zodra er in de kolonie huisjes bijgebouwd worden, is men aan de beurt.

Nicolaas Annes Maatje
Het eerste gezin dat in de kolonie gaat proberen een nieuw bestaan op te bouwen, is dat van Nicolaas Annes Maatje, wiens naam af en toe ook wel voorkomt als Lijkle Annes Maatje. Hij is dan 54 jaar en inwoner van Kloosterburen. Een aardig gebaar van de stad Appingedam naar de 46 contribuanten in die plaats. De familie Maatje wordt de eerste bewoners van een nieuwe hoeve in wat dan heet Frederiksoord-2, het gebied pal ten noorden van de Vledderweg (die tegenwoordig Majoor van Swietenlaan heet).

Op vrijdag 7 januari 1820 schrijft de directeur van de kolonie:
'Gisteren is hier aangekomen uit Kloos­terburen, kwartier Appin­gedam het huisgezin van Likle Annes Maatje, sterk 6 hoofden. Van de vier kinderen is het oudste slegts 9 jaren.' (3)

Dat betekent dat er nogal wat kinderen niet zijn meegekomen. Dit is het tweede huwelijk van Nicolaas Annes en uit die beide huwelijken zijn tien kinderen geboren waarvan er acht de eerste levensjaren overleefd hebben. De vier oudsten, in leeftijd tussen de 18 en 26 jaar, hebben er dus voor gekozen om niet mee naar de kolonie te gaan (4). Daar is de kolonie-leiding niet blij mee, die had liever wat meer arbeidskracht - mannelijke voor de landarbeid en vrouwelijke voor het spinnen - in het huishouden gezien.

Net al alle andere kolonisten wordt de familie bij aankomst in de blauwe uniforme kleding gestoken en krijgt zij een volledig ingerichte hoeve. En prompt begint ook het werk. Het is hier geen vakantiekamp, mannen en oudere jongens werken op het land, vrouwen en kinderen spinnen wol en vlas. Maatje doet het redelijk. Hij doneert 20 cent voor de slachtoffers van de watersnoodramp die februari 1820 delen van Gelderland onder water zet (5) en bij de eerste oogstresultaten behoort hij tot de gemiddelde kolonisten.
Overigens zullen die achtergebleven oudere kinderen na een tijdje wel in de buurt opduiken, maar dat komt straks.

Loting
Als er enkele maanden later weer twee gezinnen uit het arrondissement naar de kolonie gaan, besluit Appingedam dat het tijd is voor een potje propaganda. Zij plaatst een artikel in de Provinciale Groninger Courant, wat men ook laat opnemen in de Staatscourant:

"Appingedam, den 23sten julij.
De sub-commissie der maatschappij van weldadigheid, alhier geves­tigd, mag met blijd­schap berigten, dat ook dit distrikt thans wer­kelijke deelt in de weldadige vruchten, welke genoemde maatschappij overal wenscht te verspreiden. Drie huisgezinnen, beloopende te zamen twintig personen, zijn der armoede en gebrek ontrukt, en geplaatst in de kolonie Frederiksoord; reeds in de maand januarij dezes jaars, vertrok het eerste gezin van L.H. Maatje, te Kloosterburen te huis behoorende, en op gister en eergister volgden de beide anderen, waarvan het eene van H.J. Taat­gen, te Farnsum, en het andere van E. Bake­ma, te Eenrum, tot dus verre woonde." (6)

Uit een eerdere brief van de subcommissie wordt duidelijk dat de belangstelling bij arme huisgezinnen voor de kolonie heel groot is. Op 12 juni 1820 draagt Appingedam Taatgen en Bakema voor met de vermelding dat zij 'bij loting uit de negen opgegevenen daartoe gedesigneerd' zijn. (7) Helaas vermeldt de geschiedenis niet wie die andere zeven meedingende gezinnen waren.

De loterij-winnaars worden geplaatst 'uit de contributie'. De stichting van een hoeve kost 1700 gulden en dat betaalt Appingedam in zestien jaarlijkse termijnn, waarvoor ze 3/4 van de opgehaalde contributiegelden mag gebruiken (het overige kwart is voor wat we tegenwoordig 'overhead' noemen).
Eerst twee verhalen over hun belevenissen:


Zonder haar kan ik niet leven
Hendrik Jans Taatgen is 47 jaar als hij op 29 juli 1820 met zijn echtgenote in Willemsoord arriveert. Ze zijn in gezelschap van een negen jaar oude zoon en dochters van zes jaar, drie jaar en drie maanden (8). Maar vermoedelijk is dit niet het eerste huwelijk van Taatgen, want na anderhalf jaar op de kolonie krijgen ze bezoek van een oudere dochter. Haar leeftijd en haar naam zijn onbekend, geen enkele onderzoeker heeft iets over haar kunnen vinden, het enige dat we weten is dat ze het pad kruist van de ondermeester van Willemsoord en dat die jonge onderwijzer het zwaar van haar te pakken krijgt.

Christiaan Johannes Auberlé was ongeveer zeventien toen de 'Hoofdcommissie van de armeninrigting' in Den Haag met hem op de proppen kwam. Ze noemen hem een 'jongeling van een allerbraafst gedrag, doch door lig­chaamsgebrek tot werken onge­schikt'. Hij is 'onder de kweekelingen op de school tot Nut van 't Algemeen tot onder­wijzer opgeleid' en de armeninrichting beveelt hem aan  'om bij voorkomende gelegenheid als onder­meester te worden geplaatst'. Vanuit het dan net opgerichte Willemsoord laat Johannes van den Bosch, de stichter van de Maatschappij van Weldadigheid, weten er positief tegenover te staan: 'Een geschikt onder meester zullen wij zeker van noden zijn.' Maar het moet niet te snel: 'Dan hij dient niet te komen voor het school gereed is.'

Een tijdje later is het schoolgebouw opgericht en vanaf dat moment assisteert Christiaan Johannes de hoofdmeester. Die kan wel wat hulp gebruiken, want rond die tijd telt de school te Willemsoord 550 (!!) leerlingen. Blijkbaar levert de ondermeester waar voor zijn geld (hij verdient 3 gulden per week), want er worden geen klachten gehoord. Tót die dochter van Taatgen verschijnt.

De leiding van de kolonie vindt het geen geslaagde liaison. De kolonie-directeur geeft de jongeman een 'regtmatige berisping en vaderlijke teregtwijzing' en praat op Christiaan in om 'zijne verkeerde conver­satie met zeker vrouwenmensch' een halt toe te roepen. En vrijdag 15 en zaterdag 16 februari 1822 stelt de directeur voor het onderwijs 'alle pogingen in het werk om den gebrekkigen Auberlé van zijne verkeerde minnerij af te brengen.' Vruchteloos, want de jonge schoolmeester staat pal. 'Hij zeide maar ronduit: "Ik zal deze verkeering nooit nalaten, al wordt het mij nog zoo veel verboden. In dezen zoekt men de loop der natuur zelve te stremmen."

Het is niet de bedoeling dat kolonisten zomaar familieleden in huis nemen. Bovendien maakt de jonge vrouw die bij Taatgen inwoont blijkbaar een ongunstige indruk, want haar verklaring dat zij 'de weduwe van een zeekapitein' is, wordt openlijk in twijfel getrokken. En als de directeur er niet in slaagt om Christiaan 'al het verkeerde van zijne denk- en handels­wijs onder het oog te brengen', verbiedt hij haar 'de inwoning in de kolonie na 2 of 3 weken'
.
Deels om de jonge ondermeester tegen zichzelf in bescherming te nemen omdat men vreest dat 'de jongeling zich nog ongelukkiger maken zal', deels omwille van de kwaliteit van het onderwijs: 'Daar Auberlé bij deze weduwe (zoo als hij zegt dat zij is) veel tijd doorbrengt, en zijne kennis in het praktisch onderwijs niet zocht te vermeer­deren, ontwaart UWEdGestr. dat de koloniale jeugd van Willemsoord (...) daarbij schade lijdt.'

Christiaan Johannes is in alle staten over het aanstaande vertrek van zijn geliefde: 'Dit kan ik niet uitstaan; ik kan zonder haar niet leven'. Hij wil naar Den Haag om bij het landelijke hoofdbestuur van de Maatschappij van Weldadigheid 'toestemming tot ons huwelijk te vragen'. Maar dat wordt niet toegestaan en blijkbaar volgt hij dan de eerder door hem genoemde ‘loop der natuur’. Een paar dagen later meldt de directeur dat 'de ondermeester Oberlee, aan den onder Direkteur voor zijne post heeft be­dankt'. Hij heeft dan al de kolonie verlaten 'en dat wel om reden hij zonder de dogter van den kolonist Taatge (...), in de kolonie niet kan leven, volgens zijn gezegde.'

Op den duur houdt het geen stand. Als Christiaan Johannes vier jaar later in zijn geboorteplaats Den Haag in het huwelijk treedt, is dat met een geboren Haagse die Maria Johanna Faaber heet. Waar die mysterieuze dochter van Taatgen gebleven is, viel niet te achterhalen. (9)


De koeijen zijn de magerste in de kolonie
De derde kolonist uit het arrondissement Appingedam is de jongste van het stel en heet Eilke Levys Bakema. Hij is 42 jaar als hij zich juni 1820 in Frederiksoord-2 vestigt. Hij is een kind uit een in die tijd zeldzame soort van gemengd huwelijk. Zijn vader heette Levy Jacobs, een 'slagter en schapenhandelaar' die in diverse gerechtelijke aktes voorkomt als 'Levie de Joode', zijn moeder was een hervormde 'daglonerse' te Eenrum. Een oudere broer van Eilke was in 1805 als timmerman een van de bouwers van de toren van de hervormde kerk in Pieterburen. Of het er iets mee te maken had of niet is onbekend, maar een jaar later liet die broer zich samen met een zus christelijk dopen. Weer vijf jaar later kreeg hij de grote opdracht om het interieur van diezelfde kerk te vernieuwen. (10)

Of Eilke Levys Bakema zelf ook ooit officieel is toegetreden tot het christelijke geloof is onbekend, maar op de kolonie worden hij en zijn gezin ingeschreven als 'hervormd'. Lezen en schrijven kan Eilke niet maar landarbeiden blijkbaar wel. Na een paar jaar krijgen ze een koperen medaille en in oktober 1824 komen ze voor op een door de directeur opgestelde 'lijst van eenige kolonisten welke door de Kleine Raad geschikt zijn geoordeeldt om als boeren op grote hoeven bij eene der etablissementen te worden overgeplaatst'. Vrijboeren dus, met een grote boerderij (boek blz. 331) en met veel land dat mede bewerkt moet worden door de bedelaars die in het 'etablissement' vastzitten. De 20ste van die maand betrekken ze de grote boerderij nummer 13 bij de Ommerschans.

Het gaat een jaar goed. Tot twee employées van de Maatschappij het nodig vinden om - 'op heden den drieentwintigste november des jaars eendui­zendachthonder­denvijfentwintig'- een proces verbaal op te maken vol met beschuldigingen tegen de familie.

Om te beginnen was geconstateerd dat 'de aardappelen ongedekt en voor alle weder bloot stonden'. Toen ze Eilke daarover aan zijn vestje trokken 'heeft hij gezegd zulks niet geweten te hebben'. Vervolgens bleek dat 'het hooi rondom de hooimiet verslingerd en in de modder getrapt was (..) en overigens slingerde het hooi over de gansche deel zelfs met zoo eene ongeregeldheid dat zulks geen mensch met billijkheid konde aanschouwen zonder zijn misnoegen te kennen te geven.'

Zo zijn er meer klachten en die worden ondersteund door de hoogste gezagsdragers ter plekke die bij de Bakema's alles ontwaren 'wat een huishouden van onverschillige en verwaarlozende menschen aan­duidt: de koeijen zijn de magerste in de kolonie, met de paarden is het niet beter gesteld'. Men spreekt van 'verregaande neglisentie in de uitvoe­ring zijner pligten, veront­achtzamen der hun aanvertrouwde goederen'
 
Maar het belangrijkste is toch wel de reactie op deze kritiek en en het feit dat die reactie komt van Bakema's echtgenote. Trijnje Jans de Jong, 49 jaar tevoren geboren in Bellingeweer, is niet van plan zich door de bemoeials te laten intimideren. 'Ik zal voor de bliksem Mijnheer Visser wel spreken,' zegt zij, verwijzend naar de koloniedirecteur die het gezin voor het vrijboerschap heeft voorgedragen. Ze uit 'niets dan brutale uitdrukkingen' volgens de twee verbalisten. 'Zoo hebben wij haar bij den arm genomen om haar de fout aan te tonen, dan genoemde vrouw heeft niet opgehouden met brutaliseeren'. Ze gaan er iets van zeggen tegen Bakema die op het land is: 'doch heeft hier op niet geantwoord'.

Ook voor de directie is het de 'alles overschreeuwende, vloekende en door en door brutale vrouw', die de doorslag geeft bij het besluit om de Bakema's het vrijboerschap te ontnemen en ze terug te plaatsen naar Frederiksoord. Maar als een aantal jaren later daar kleine hoeves worden samengevoegd ten gunste van grote boerderijen voor vrijboeren, behoren de Bakema's weer tot de eersten die tot die status bevorderd worden. Misschien dat vrouw Bakema tegen die tijd begrepen heeft dat je in de koloniën een beetje moet 'meeveren' om iets te bereiken? (11)


Intussen in Appingedam...
De verwachting was dat het enthousiasme voor de kolonisatie steeds groter zou worden. Maar het tegendeel bleek het geval. Over 1819 zijn er nog maar 478 contribuanten. het jaar erop 356. Alleen Ulrum blijft met 64 leden standvastig en is dan een tijdje de commissie met het grootste ledenbestand van het arrondissement. Op de ledenlijsten die Appingedam zendt komen steeds meer 'non-valeurs' voor, mensen bij wie geen contributie geïnd kan worden, soms door overlijden of vertrek maar heel vaak staat er bij een naam 'bedankt'.

Die tendens zet zich de daaropvolgende jaren voort. In 1823 is het aantal inwoners van het arrondissement dat een stuiver opzijlegt tot onder de honderd gezakt. Enkele cijfers: Appingedam 20, Adorp 3, Delfzijl 9, Kantens 8, Kloosterburen 1, Loppersum 5, Usquert 3, Warffum 1, Winsum 2 en in Ulrum helemaal niemand meer.

Het heeft er mee te maken dat het 'algemeen weldadig karakter onzer natie' altijd een zaak van korte adem is. We willen best een keer geven, maar dan moet het ook klaar zijn. Daarnaast lijken de gulle gevers het resultaat van drie gekoloniseerde gezinnen wat aan de magere kant te vinden. Het gevolg is wel dat Appingedam met hangen en wurgen de drie koloniale hoeves afbetaalt en er van uitbreiding geen sprake meer is.

Althans van het aantal plaatsen in de vrije koloniën, maar vanaf 1822 bouwt de Maatschappij van Weldadigheid grote bedelaarsgestichten, de Ommerschans in de buurt van Ommen en kort daarop Veenhuizen. Vanaf dat moment worden regelmatig Appingedamse bedelaars daarnaartoe getransporteerd, eerst als de schout alleen maar vindt dat iemand zich als een bedelaar gedraagt, in latere jaren na een veroordeling wegens bedelarij of landloperij door de rechter.

Ook weeskinderen kunnen in Veenhuizen gedeponeerd en via een speciaal contract met de overheid kunnen af en toe ook helemaal gratis gezinnen geplaatst worden. Bijvoorbeeld dat van Willem Feith (vaak ook geschreven als Veith) dat in 1831 als 'arbeidershuisgezin' een van de kleine woningen aan de buitenkant van de 'etablissementen' in Veenhuizen betrekt. Of Geertrui Melles Koning uit Leens die na enkele jaren een weduwnaar huwt en kolonistenvrouw wordt.

Het aantal contribuanten in het arrondissement stabiliseert zich vanaf 1830 rond de 60, Appingedam met een stuk of twintig en verder enkelingen in de omringende plaatsen. In 1850 staat de teller daar nog op. (12)


Koloniale carrières
Van dat instortende enthousiasme in Appingedam hebben de in de begintijd op de kolonie geplaatste gezinnen niet zo'n last .Ze keren nooit meer terug. Het lijkt erop dat de geslachten Maatje, Bakema en Taatgen werkelijk een nieuw bestaan opbouwen en worden ontrukt aan wat de Maatschappij noemt 'de toestand van zedelijke verbastering' waar ze door hun armoede in terechtgekomen waren. En ze laten veel sporen na in de kolonie...


Nicolaas (of Lijkle) Annes Maarje zelf overlijdt in 1829. maar het gezin blijft op de hoeve wonen. De jaren erop trouwen een paar van de eerst in Groningen achtergebleven kinderen in de directe omgeving van de kolonie (Vledder, Weststellingwerf) en uit de geboorteaktes van hun kinderen valt op te maken dat drie van de vier in de buurt wonen.

Van de naar de kolonie meegekomen kinderen verlaten twee jongens de kolonie als ze 22/23 jaar zijn. Eén doet dat zonder vooraf toestemming te vragen, zodat hij in de boeken komt als 'gedeserteerd'.

De oudste meegekomen zoon, Jurrien, trouwt met een dochter van de proefkolonist De Wals uit Geertruidenberg. En ook bij hun schijnt het de gewoonte te zijn om familie na te reizen. Een ander meisje De Wals is namelijk getrouwd met een kolonistenzoon die vrijboer is bij de Ommerschans, op een boerderij die op het grondgebied van Avereest ligt. De inmiddels bejaarde proefkolonist Jacobus de Wals en echtgenote trekken daar bij in en dan vestigt ook de met Jurrien getrouwde dochter zich daar in de buurt, met Jurrien en een toenemend kindertal.

Kort daarop trouwt de van de kolonie gedeserteerde broer in... Avereest. En de in eerste instantie in Noord-Nederland achtergebleven dochter die als enige in de provincie Groningen (Bedum) trouwt, komt na een aantal jaren ook naar Avereest. De familieband is blijkbaar sterk.

De mee naar de kolonie gekomen dochter tenslotte, Johanna, trouwt met een zoon van een kolonist die was geplaatst 'uit de contributie' van de militairen in Limburg. Die zoon wordt ook kolonist en Johanna prolongeert dus haar koloniale bestaan als kolonistenvrouw. Johanna leeft niet lang, maar na haar dood zal haar moeder opgenomen worden in het huis van haar man. Een zoon van Johanna zal later zelf ook nog kolonist worden.


Ook het nageslacht van Hendrik Jans Taatgen telt blijvertjes. Na zijn dood in 1837 neemt zoon Willem de hoeve over en hij schopt het tot wijkmeester. Daarna verschijnt hij met enige regelmaat voor de Raad van Tucht in de kolonie om aangifte te doen van belediging. Misschien is Willem wat snel op de teentjes getrapt, het kan er ook mee te maken hebben dat met name de grotere steden naar de kolonie die mensen sturen die ze het liefst uit het straatbeeld zien verdwijnen en dat zijn meestal niet de volgzaamste en hardste werkers.De Maatschappij is blijkbaar tevreden± Willem zal de functie 35 jaar lang uitoefenen.
Hij is getrouwd met een kolonistendochter uit Den Haag en na haar dood met een kolonistendochter uit Middelburg. Zijn moeder woont tot haar dood, op 83-jarige leeftijd, bij hen in.

Een dochter van Hendrik Jans, Helena, komt op een andere manier in aanraking met de tucht op de kolonie. Zij raakt op haar 19de ongehuwd zwanger en dat betekent verbanning voor onbepaalde tijd naar de strafkolonie op de Ommerschans. Wie de ´mede-schuldige´ is viel (nog) niet te achterhalen. In de strafkolonie schenkt ze begin 1836 het leven aan een dochtertje. Kort voor de dood van haar vader mag ze naar haar ouders terug. Later trouwt ze een kolonistenzoon uit Rotterdam en blijft ze als kolonistenvrouw nog tientallen jaren op de kolonie.


Van Eilke Levys Bakema was hiervoor al verteld dat hij in Frederiksoord opnieuw vrijboer werd en dat blijft hij tot zijn dood in 1851. Van de vijf meegekomen kinderen (één dochter was in Groningen gebleven) kiezen er drie voor het koloniale bestaan.

De oudste dochter Frouwke of Vrouwke trouwt met een kolonistenzoon uit Amsterdam. Na een tijdje als 'arbeidershuisgezin' in Veenhuizen krijgen ze een hoeve op fr kolonir. Dochter Johanna trouwt een kolonistenzoon uit Alkmaar en wordt zo'n twintig jaar kolonistenvrouw tot het gezin vertrekt. Zoon Jacob trouwt een dochter van de eerste en enige kolonist uit het Zeeuwse Sluis, maar zij blijven niet op de kolonie. Zoon Drewes wél, na zijn huwelijk met een wichtje uit de omgeving, voor de uitzondering eens géén kolonistendochter, wordt hij kolonist en later vrijboer tot zijn dood eind negentiende eeuw. Van zijn twaalf kinderen blijven er ook een paar altijd op de kolonie. (13)





Noten:
(1) Archief van de Maatschappij van Weldadigheid, Drents Archief toegang 0186, invnr 49.
(2) Idem invnr 1112.
(3) Idem invnr 54
(4) Informatie over het voorgeslacht van Nicolaas Maatje komt van Henk Maatje en van de stamboom Maatje van J. Sijbom.
(5) Archief MvW invnr 54
(6) Staatscourant 28 juli 1820.
(7) Ibidem invnr 55..
(8) Informatie over Hendrik Jans Taatgen komt van Gerhard Taatgen en uit de stamboeken van de Maatschappij van Weldadigheid, invnrs 1346-1366
(9) Dit verhaal is geconstrueerd uit de ingekomen post januari-februari 1820, invnr 60, stamboek Willemsoord invnr 1407 (loon Auberlée) en Genlias (huwelijk Auberlée als Auberlen).
(10) Informatie over Eile Levys Bakema komt van Willem Helder en uit Petronella J. C. Elema, Bakema's van joodse afkomst (Eenrum), Gruoninga, jaargang 2000, blz.94-101.
(11) Dit verhaal is geconstrueerd uit de ingekomen post, invnr 76.
(12) Gegevens over aantallen contribuanten komen uit invnr 1104. De gratis geplaatsten uit het arrondissement Appingedam uit het designatieregister van personen geplaatst op grond van de tweede helft van het contract van 16/19 juni 1826, invnr 1399.
13) De koloniale carrières zijn gereconstrueerd vanuit de stamboeken van de vrije koloniën en die der hoevenaars.




Nadere informatie over de betrokkenen
Vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.

Nicolaas Annes Maatje komt voor bij de eerste aankomsten in Frederiksoord-2, en als bewoner van Frederiksoord-2 hoeve nummer 37, op de pagina met donaties voor de watersnoodramp, hij wordt even genoemd in het verhaal van Frans Leloux en op de pagina van proefkolonist De Wals.
Extern staat informatie in de stamboom Maatje van J. Sijbom.

Eilke Levys Bakema wordt op de site genoemd als bewoner van hoeve 45 in Frederiksoord-2, als (kortstondig) vrijboer bij de Ommerschans, als vrijboer in de vrije kolonie bij het reglement van 1830 en een verhaaltje over brem en als voorvader van Twentse nakomelingen.
Extern staat er een schat aan informatie op de site van Willem Helder
. NB: Het hier afgedrukte verhaal staat ook op de site van de dorpsgemeenschap Frederiksoord-Wilhelminaoord.

Hendrik Jans Taatgen wordt op de site genoemd als bewoner van Willemsoord hoeve 88, en als vrijboer bij het reglement 1830. Hij komt even voor op de pagina over de ontuchtige huisverzorgster uit Kampen en onderaan de pagina over Rotterdamse kolonisten