November 1843 schrijft een ex-bedelaar over de onheuse behandeling op de Ommerschans en ook al is zijn klacht anoniem, het wordt wel serieus genomen

Een bedelaar die kortgeleden uit de Ommerschans ontslagen is, stuurt een anonieme brief naar de permanente commissie waarin hij door zaalopzieners veroorzaakte misstanden meldt. De brief komt uit Amsterdam, draagt als datum 10 november 1843 en bevindt zich in invnr invnr 286, de scans 237-238, met de envelop als scan 239. De transcriptie ervan is gemaakt door Jan Ebels:

Over de brief en het daaropvolgende onderzoek wordt geschreven in De strafkolonie pagina 280-281. Hier de volledige stukken:


Amsterdam den 10 November 1843

Wel Edele Heeren,

Ik neem de vrijheid om UwelED eens eenige woorden te doen toekomen over de wijze waarop in de Kolonie Ommerschans met de menschen wordt geleefd,
daar ik ruim 2 jaaren geweest ben, en nouw met eenige tijd met mijn ontslag ben, daar ik god voor dank want u moet dan weete,

dat vooreerst al de zaalopzieners zoo wel an de mannen als vrouwen zij koffij of liever zuikerij water verkoopen, en de arme kolonisten dwingen om hunne zuur verdiende centen daaran te besteden;
doen zij dit niet dan worden zij uitgescholden, de mannen dat zij hun gelt an de vrouwe en hoere gefen, en de vrouwe dat zij het aan de manne gefen en dan worde zij uitgescholden voor hoere en hoerelopers,
dus om vredes wil moet men maar hun sin doen, en koffij hale, en dan saturdags houde de majoors de sente in, en het spek dubbeltje ook,
en dikwijls is dit nog niet genoeg,
en houwe zij nog schuld over de andere week,
zoo dat er niets over schiet om wat tabak of een stukkie brood voor te kope,
alles moet de majoor hebben, voor zijn koffij om dan met vrouw en kinders mooi opgeschikt te kunnen zijn, en nog veel meer te pronken, als de directeur menheer Krieger en zijn vrouw,

en dan in de saale zijn kolonisten die verkoope brood stoet, boter kaas vleesch visch, worst en wie weet wat al meer en die worden rijk en knoejen met de majoors, en de kolonisten die dan saterdags niets kreige en toch honger hebbe, kunne dan niet betale, en verkope dus hun goed, en kome voor de raad, en worde gestraft, en worde soo ongelukkig,

en dat is tog niet soo als het hoort, als het nu was zoo as in feen huize, dat er een waterhuisje was daar de majoors ieder op zijn beurt in was, dan was alles goed, en dat zij niet in huis mogte verkope, en dan die winkelhouders in de saale ook verboden, dan zoude de arme koloniste weer wat op de been kunne komen, en er wat meer order kunne sijn.

dus als nu uweledele zoo goed wouw zijn daar van eens een bevel te geven, dan souw alles veel beter (??) gaan.

ik hoop as dat uweled mijn mijne vrijheid ten goede sal houde, wat ik seg is waar, en daarom dagt ik dit u weledele dit te moeten laten weten want als het u weledele wist souw het seker niet gebeuren, dus kan dit nog goed zijn voor de kolonisten.


De Maatschappij van Weldadigheid heeft inmiddels een gezond wantrouwens ontwikkeld ten aanzien van de activiteiten van haar zaalopzieners en daarom stuurt ze op 20 december 1843 bij agendapunt N29 de brief door naar de directeur met de opdracht dit allemaal eens goed te onderzoeken.

Het onderzoek door de directeur

Dat doet directeur Jan van Konijnenburg en hij rapporteert daarover als op 29 december 1843 in een brief met nummer N3631, invnr 286 scans 234-236:


Ik heb de eer UwEdG op de marginale van den 20 dezer maand N29 te berigten, dat ik de klagte, welke in den teruggaanden naamlozen brief vervat is, te Ommerschans zoo veel mogelijk heb onderzocht en daarbij bevonden, dat al de ambtenaren dáár ontkennen, of niet gelooven, dat de zaalopziener de kolonisten zouden kwellen, over het niet bij hen koopen van coffij, maar in het eene waterhuisje.

Ik, voor mij, echter, sla daaraan wel eenig geloof, ook omdat ik eergisteren, toevallig een ontslagen kolonist ontmoetende en naar een en ander vragende, daaromtrent bevestiging bekwam.

Het verkoopen of uitventen, door kolonisten in de zalen, van eenige eetbare waren en andere kleinigheden, schijnt, zoo als de Adjunct Directeur mij heeft verzekerd, voor eenigen tijd reeds te zijn afgeschaft, ofschoon opgem. ontslagen kolonist mij toch verhaalde, dat er nog tabak in het klein door de kolonisten verkocht werd en wel moest worden, omdat ze niet bij geringer qauntiteit dan 25 ons in den kolonialen winkel te bekomen was.

Eergisteren te Ommerschans wilde ik mij daarvan zelf overtuigen en begaf ik mij ten dien einde tegen den avond naar den winkel, deed een kolonist, in mijn bijzijn, een ons tabak vragen en vroeg daarom, vervolgens, zelf een en andermaal, waarop ten antwoord gegeven werd, dat er niet minder dan 25 ons verkregen kon worden.

De Adjunct Directeur en Onder Directeur verklaarden daar van niet te hebben geweten en dat geen kolonist daarover immer geklaagd had.

De winkelier verontschuldigde zich, met te zeggen, dat hij de tabak in pakken van 5 en 25 ons ontving; waarop ik hem toevoegde, dat hij ze, of in andere kleiner pakjes had kunnen vragen, of die zelf behoorde te maken en dat zijne handelwijze alle berisping verdiende, daar hij behoorde te verkoopen bij zulke geringe hoeveelheden als het tarief aanduidde, terwijl ik ook den Onder Directeur mijne ontevredenheid heb te kennen gegeven, van een en ander niet beter en meer te surveilleren, gelijk ik ook de zaalopzieners heb te kennen gegeven, wel te gelooven, dat de baatzucht hen soms onbillijk jegens de kolonisten deed zijn.

Intusschen is het reeds meermalen door de Directie opgemerkt, dat het gemis van een tweede waterhuisje, zoo als te Veenhuizen, het moeijelijk maakt, om de kolonisten meer onafhankelijk van de zaalopzieners te maken, terwijl spaarzaamheid ons weêrhield UZeEdG te verzoeken, om de noodige autorisatie tot het daarstellen van nog zulk een huisje, hetgeen ik thans de eer heb UwZeEdG te verzoeken, met de daarstelling waarvan ongeveer f 250.- zal heen gaan, fornuizen en kookpotten daaronder begrepen.

Mogten UwZeEdG daartoe toestemming verleenen, dan hoop ik later de uitgifte gratis van gekookt water en van coffij en water en melk, voor de geringste prijzen, bij al de gestichten op een gelijken voet te brengen, dat zeker eene verbetering voor den kolonist opleveren zal, hebbende ik overigens reeds gezorgd, dat alle venten in de zalen geen plaats meer heeft en de winkelier zijn plicht betracht.

Het besluit

Op de brief heeft de permanente commissie genoteerd '20 februari 1844 N8' en dat betekent dat zij deze kwestie op 20 februari 1844 bespreekt bij agendapunt N8. Het resultaat van die bespreking bevindt zich in invnr 549 (daarvan zijn geen scans) en luidt als volgt:


De Permanente Commissie

Gelezen het rapport van den Dir der Kol van den 30 Dec ll N3631

Besluit

aan den Dir te kennen te geven, dat de PC tot de daarstelling van een tweede waterhuisje te Ommerschans voor hands liever niet zou overgaan, doch dat zij het daarentegen van groot belang acht, dat op den winkel aldaar een scherp toezigt werde gehouden, hebbende zij van den Inspecteur der kolonien vernomen, dat de kolonisten in dien winkel niet altijd het volle gewigt bekomen, en dat er ook niet alle artikelen, tot zoo geringe hoeveelheden als het tarief bepaalt, verkrijgbaar zijn;

weshalve de Directeur wordt verzocht den winkelier over een en ander ernstig te onderhouden, met aanzegging dat hij uit zijne betrekking zal worden ontslagen, wanneer de PC weder eenige dergelijke klagten over de bediening in zijnen winkel mogt verneemen,

en voorts met waarschuwing, dat hij een waakzaam oog zal behoren te houden op zijnen assistent, welke, ofschoon kolonist zijnde, echter door den Inspecteur der kolonien is aangetroffen over de Vaart in een herberg, (doorgehaald: gekleed als een heerschap) in burger kleeding en eene partij biljart spelende,

waarop bij dezen mede de aandacht des Directeurs wordt gevestigd, met verzoek om te doen toezien, dat zulks niet weder plaats hebbe.

Afschrift dezes.... enzv