Voormalig directeur (1818-1821) Benjamin van den Bosch over: DE KOLONIEN DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Zesendertig jaar nadat hij zijn post als directeur der koloniŽn neerlegde en dertien jaar na de dood van zijn broer Johannes van den Bosch, mengt Benjamin van den Bosch zich juni 1857 in de dan woedende discussie over de toekomst van de koloniŽn. Dit artikel verschijnt in de Amsterdamsche Courant van donderdag 2 juni 1857.


De toestand der Maatschappij van Weldadigheid, zoo als wij die dezer dagen in de couranten hebben vermeld gezien, moet op ieder, die het met de lijdende menschheid wel meent, een treurigen indruk maken. Men was er te minder op voorbereid, daar onze financiŽle toestand van dien aard is, dat hij zonder bezwaar vergunt eene inrigting te ondersteunen, die daarop te regt eene volle aanspraak kan doen gelden, daar zij met het algemeen welzijn in het naauwste verband staat en in hare zedelijke strekking de beste uitkom≠sten aanbiedt. Ik weet dat er veel tegen de Maatschappij van Weldadigheid en hare zoogenaamde misrekeningen wordt ingebragt; maar ik weet tevens dat niet alle redeneringen uit eene zuivere bron voortvloeijen, en dat dikwijls de hoogste toon wordt aangeslagen door hen, die het minst grondig met het onderwerp bekend zijn, of die de zedelijke strekking er van geheel over het hoofd zien, en de geldelijke uitkomsten als de eenige die oplettendheid verdienen op den voorgrond willen gesteld zien. Tot zulke beschouwingen zijn wij, naar den aard van ons volkskarakter, misschien meer dan eenig ander volk geneigd, en hoewel dit punt alle oplettendheid verdient, is het echter niet het standpunt van waar men uitsluitend zaken en aangelegenhe≠den beschouwen moet, waaraan nog een en ander, en wel een hooger en edeler doel verbonden is.
Het is hier de plaats niet om over dit onderwerp in breedvoerige beschouwingen te treden; ik zal slechts zeggen dat naar mijne overtuiging, de Maatschappij van Weldadigheid, na een bijna veertigjarig bestaan, zich op een standpunt bevindt, waarop zij in geen opzigt de uitspraak van een onpartijdig onderzoek moet vreezen, maar dat integendeel de verkregene uitkomsten van dien aard zijn, dat zij, zoo als ik reeds gezegd heb, te regt op eene meer krachtige ondersteuning had mogen rekenen. Dien daaraan willen twijfelen, zouden zich de moeite moeten geven de zaak plaatselijk en grondig te onderzoeken, en den toestand der koloniale bevolking te beschouwen in verband met hetgeen vroeger haar toestand was in onze bedelaarsgestichten en vondelinghuizen, en tevens een blik slaan op hetgeen men dienaangaan≠de in naburige rijken aanschouwt, en dan eerst zal men met eenig regt kunnen optreden om over de zedelijke waarde der koloniale onderneming eenig gegrond oordeel te vellen. Wat nu de geldelijke aangelegenheden betreft, en de misrekenin≠gen dien men zoo hoog doet klinken, -al het vertoon dat men daarmede zou willen maken, zal grootendeels verdwijnen, als men in aanmerking neemt dat de inrigtingen der Maatschappij van Weldadigheid als proefnemingen moeten worden beschouwd, in hoe verre namelijk het moge≠lijk zou zijn armen die in luiheid en ledigheid leven, en aan gebrek en zedelijke verbastering waren bloot gesteld, aan dien toestand te ontrukken, en als nuttige arbeiders aan den staat terug te geven, en hoedanig daarbij de kosten zouden staan in verhouding tot hetgeen daarvoor eertijds met het meest doellooze gevolg is besteed geworden.
De geldelijke berekening die daarbij is tot grondslag gelegd, was te laag genomen. Ik heb dit na het eerste proefjaar gezegd en mag het dus thans herhalen, maar zij was hoofdzakelijk te laag, omdat aan de voorwaar≠den, die tot grondslag der berekeningen waren gelegd, niet was voldaan, daar vele ten eenenmale ongeschikte huisgezinnen, waarvan men zich wilde ontslaan, naar de vrije-koloniŽn waren opgezonden, en omdat in plaats van valiede bedelaars-kolonisten, waarvoor met het gouvernement was gecon≠tracteerd, de etablissementen der Maatschappij met invalieden werden overladen, die door het hooger bestedingsloon dat voor hen werd betaald, geene evenredige vergoeding aanboden voor het nadeel, dat hierdoor aan de Maatschappij van Weldadigheid werd toegebragt, en aan hare berekeningen ongunstige uitkomsten geven moest.
De misrekeningen zullen dus minder in de becijfering of juistheid der begrooting, dan in het teleurgestelde vertrouwen moeten worden gezocht, en de standvastige pogingen der kommissiŽn van weldadigheid, ondersteund door de ijverige en volhardende medewerking en aanzienlijke geldelijke opofferingen die een prins van den bloede zich wel wilde getroosten, konden wel den ongunstigen uitslag vertragen, maar niet eene duurzame verbetering doen ontstaan, en de onderneming leed schipbreuk, toen het meer en meer duidelijk werd, dat de hulpbronnen niet meer aan de behoeften geŽvenredigd waren.
Dat men op dien weg is blijven voortgaan, omdat men aan een gesteld beginsel en de aangegane verbintenissen wilde getrouw blijven, mag op zich zelf als eene prijzenswaardige naauwgezetheid worden beschouwd; maar van het oogenblik dat generzijds van die overeenkomst werd afgewe≠ken, kon de uitslag der zaak niet gunstig zijn, en hier is, mijn inziens, het punt waarop men te regt aanmerkingen maken kan, en zulks te meer daar voor de vestiging in de vrije-koloniŽn slechts É22, en in de bedelaars-gestich≠ten É35 per individu wordt betaald, hetgeen naar ik meen, nog niet de helft zal uitmaken van hetgeen daarvoor bij ons in vroeger tijd in dergelijke inrigtingen van onderhoud werd besteed, terwijl in andere naburige rijken dit tot een veel hooger bedrag gestegen is.
Met eene verhooging van slechts tien gulden per hoofd, komt men tot het resultaat, dat de Maatschappij van Weldadigheid gereedelijk aan al hare verplichtingen zou hebben kunnen voldoen, en dat nog eene aanzienlijke besparing op de vroeger betaalde bestedingspenningen zou hebben plaats gehad, zoo als van zelf blijkt. Wanneer men aanneemt, dat p.m. 8000 kolonisten gedurende bijna 40 jaren zijn verpleegd, en ieder individu op eene verhooging van slechts É10 aanslaat, dan verkrijgt men met de rente eene som meer dan voldoende om de Maatschappij van Weldadigheid geheel op een effen voet te brengen, en al de afkeurende stemmen in loftrompetten te veranderen. Zoo waar is het, dat aangelegenheden van oogenschijnlijk gering belang dikwijls over de uitkom≠sten der gewigtigste ondernemingen beslissen, en dat de publieke opinie, in voor of tegen, door zulke toevallige omstandig≠heden wordt geleid. Wat nu de zedelijke strekking aangaat, het zou betreu≠renswaardig zijn, zoo de inrigtingen der Maatschappij van Weldadigheid van dien kant nog verdediging behoefden, daar zij voldingend bewezen is en buitenlands meer nog dan bij ons zelven, algemeen wordt erkend. Want wat men ook daarvan in een tegengestelden zin mag hebben gezegd, onze koloniŽn van weldadigheid zij bij vreemden, inzonderheid in Frankrijk en Engeland, grondiger bekend en meer gewaardeerd dan bij ons, en de talrijke bezoeken van aanzienlijke mannen en hoogeplaatste staatsdienaren, en de belangrijke geschriften die zij daaromtrent hebben verspreid, bewijzen hoe zeer zij van het nut en de grootheid eener onderne≠ming doordrongen waren, die zij volmondig erkennen, dat hunne zoo veel kostbaarder inrigtingen in ieder opzigt verre overtreft.
Een der uitvoerigste en belangrijkste werken over dit onderwerp is van den heer Heurne de Pommeuse, oud gedeputeerde van Frankrijk, reeds in 1832 te Parijs bij madame Huzard in het licht verschenen, met een aantal kaarten en tabellen, en eene naauwkeurige beschouwing van alle binnen- en buitenlandsche armen-inrigtingen, die bij de verschillende volken zijn tot stand gekomen of nog bestaan; een arbeid die, wanneer hij meer bekend was, ons zou kunnen vrijwaren voor die zonderlinge redeneringen, die wij, dat onderwerp betreffende, nog dagelijks zien opdisschen.
Ik zal, alvorens van dit onderwerp af te stappen, nog zeggen, dat men dezer dagen, zelfs, naar ik meen, in de Tweede Kamer der Staten-Generaal veel heeft gewaagd van een verschijnsel dat in de dwang-koloniŽn is voorgekomen, namelijk het leggen van brandbrieven, waaraan zich eenige bedelaars-kolonisten zouden hebben schuldig gemaakt, met bedoeling om daardoor uit de dwang-koloniŽn in de gevangenis te kunnen overgaan, en welk verschijnsel, volgens de couranten, zoo in als buiten de Kamer, de meeste verwondering heeft doen ontstaan en tot de ongunstigste oordeelvel≠lingen schijnt aanleiding te geven. Ook wij zijn verwonderd, niet over het feit, maar over die verwondering zelve, daar het toch zoo zeer in den aard der zaak ligt, zoo geheel de geschiede≠nis van dergelijke voorvallen in andere landen uitmaakt, dat die hooge bevreemding, wanneer zij ernstig gemeend is, te regt zelve de hoogste bevreemding geven moet. Hoe, men bevreemdt zich, dat onder vele duizende armen, te traag of onwillig om te arbeiden, die zich aan bedelarij en landlooperij overgaven, en tegen hunnen wil gedwongen werden zich aan orde en tucht te gewennen, en door eigen arbeid in eigen onderhoud te voorzien, er zich hieronder eenige weinigen hebben opgedaan, die op den vroeger ingeslagen weg willen terugkeeren en liever in de gevan≠ge≠nis het brood der luiheid en ledigheid willen eten, dan dat, hetwelk zij bij een arbeidzaam, ordelijk leven in de koloniŽn in het zweet huns aanschijns moeten verdienen. Is dit verschijnsel zoo vreemd, wijkt het zoo zeer af van hetgeen de ondervinding leert en het voorbeeld bij andere volken bevestigt, dat men daarover een zoo hoog betoon van verwondering verwachten kon? Of was het minder het feit, dan wel het middel dat hier werd aangewend,dat die bevreemding heeft doen ontstaan? Dan zou dit een bewijs zijn, hoe weinig men het besproken onderwerp heeft overdacht en hoe weinig men zich nog in het algemeen bekend toont met de handelingen en drijfveren van menschen, die tot een zeer lagen trap van zedelijkheid zijn afgedaald en al de graden der ondeugd en verdorvenheid hebben moeten doorlopen, om op een standpunt te komen, waar zij zich met de schande en oneer van misdadi≠ge bedrijven belasten, die zij den moed niet hadden te volbrengen, hetgeen de uiterste grens van lafhartigheid en lage vernedering is waartoe de mensch kan afdalen. Wel verre dan van hier bevreemding te betuigen, dat zoo iets heeft kunnen bestaan, moest men zich integendeel verwonder betoonen, dat dergelijke bedrijven zoo zeldzaam, zoo bij uitzondering voorkomen onder eene zoo talrijke vereeniging van diep afgedaalde menschen, en men is aan de Maatschappij van Weldadigheid en hare geŽmployeerden veel dank verschuldigd, daar het haar en hun gelukt is zoo vele duizenden ongelukki≠gen aan orde en tucht te gewennen, lust tot den arbeid bij hen op te wekken, en hun als het ware een nieuw leven in te prenten, -liever dan haar verant≠woordelijk te stellen voor de slechte gedragingen van eenige weinigen, die zich aan haar toezicht hebben weten te onttrekken, om zich met misdrijven te belasten die zij den moed niet hadden te volbrengen, en die ter verschooning van hun gedrag aanvoeren, het eenige wat zij aanvoeren kunnen: eene lastering en beschuldiging tegen het gezag, aan hetwelk zij getracht hebben zich te ontrekken. In waarheid is het bedroevend, dat in den tijd dien wij beleven, zulke zaken nog dergelijke ophelderingen behoeven, en ik zou mij gewacht hebben er mede op te treden, wanneer hetgeen dezer dagen heeft plaats gehad, daartoe niet het volle regt gaf, ja de noodzakelijkheid deed ontstaan. Wat nu de overige beschuldigingen aangaat, de etablissementen der Maatschappij van Weldadigheid staan voor ieder onderzoek open, en het is dŠŠr dat men een onpartijdig oordeel leert vellen, niet bij den schuldige die voor zijn regter staat en die daar toch niet als aanklager van zich zelven verschijnt.
Dat de kolonisten weÍrzin betonen om naar de koloniŽn terug te gaan, en liever in de gevangenis worden opgesloten, kan noch in het nadeel der koloniŽn, noch in het voordeel der gevangenissen worden uitgelegd. De koloniŽn zijn eene toevlugt der armen, wanneer hun, door eigen toedoen, of dadelijke tegenspoeden geene middelen van bestaan meer overblijven. Zij worden er geoefend, verpleegd en aan orde en tucht gewend, om later in de gewone maatschappij terug te kunnen treden, met vooruitzigt van voor nieuwe afwijkingen bewaard te blijven. Dit is een groot en edel doel, en als de ongelukkige of gevallen mensch op deze wijze weder wordt opgerigt, moet het de grootste zelfvoldoening zijn voor al degenen die daartoe hebben medegewerkt of bijgedragen; maar het moet tevens eene les zijn voor den betrokken individu, die hem bijblijft en aanspoort om alles aan te wenden, om met de verkregen ondervinding zijn voordeel te doen en voortaan op eigen beenen te staan.
De koloniŽn zijn opgerigt om bedelarij en landlooperij te helpen weren, niet om ze aan te moedigen of te bevorderen, door die verkeerde toegevendheid, die vadzige inschikkelijkheid, die meer beoogt het verkrijgen van een gunstige vermelding, dan het vervullen van een strengen, moeijelij≠ken pligt; en bespottelijk inderdaad is de vraag, die vele bezoekers aan de kolonisten doen: of zij wel in alles met hun lot tevreden zijn? Werd dit toestemmend beantwoord, dan had de Maatschappij van Weldadigheid aan een harer eerste, harer heiligste pligten te kort gedaan: hare etablissementen zouden dan van hunnen aard ontvreemd en niet meer zijn bedelarij werende-, maar bedelarij aanmoedigende verblijven, waarin zoo wel de menscheid als de staat slecht worden gediend.
Op die wijze heb ik de zaken begrepen, toen ik geroepen was een werkzaam aandeel te nemen aan het koloniaal bestuur, en de uitslag er van is zoodanig geweest, dat ik geloof regt te hebben in het tegenwoordige oogeblik mijne meening naast dien van anderen te plaatsen, als het resultaat eener veeljarige ondervinding, te midden dier bevolking verkregen in de vroeger bestaande beide deelen des rijks.
Ter vermijding van alle verkeerde opvattingen vermeen ik hier nog te moeten bijvoegen, dat ik, ten gevolge van plaats gehad hebbende gebeurte≠nissen in het vaderland, sedert vele jaren heb opgehouden tot de Maatschap≠pij van Weldadigheid in eenige direkte betrekking te staan, maar hare inrigtingen zijn mij daarom niet vreemd gebleven, daar ik dezelve meermalen in alle bijzonderheden ben gaan bezigtigen, en het is mij steeds gebleken dat het geheel in een gunstigen staat verkeerde, die van eene trouwe zorg ten streng toezigt getuigde.
Wat verder het lot dier koloniŽn zijn zal, is moeijelijk te voorzien, maar men zij indachtig als men er de hand aan legt, dat het met kennis en behoedzaamheid geschiede, en het magtige en energieke Engeland heeft ons ook daarin lessen en voorbeelden gelaten, die de oplettendheid over≠waardig zijn, dewijl dŠŠr wordt geleerd welke schromelijke gevolgen eene verkeerde toepas≠sing der armenverzorging voor den staat hebben kan, waarvan onder anderen zoo veel onheil brouwende armen-tax getuigt.
Overigens zal echter datzelve land, hoewel het nu en dan moge hebben misgetast, ons tevens meer groote voorbeelden aanbieden dan eenig ander doen kan; en bij eene naauwkeurige beschouwing staat men verbaasd, zoo wel over de grootheid der kwaal, die moet worden bestreden, als over de rijkdom, grootheid en kracht der middelen, om de armoede zoo wel door binnenlandsche als buitenlandsche inrigtingen te bestrijden en terug te dringen binnen de grenzen, die de veiligheid en het welzijn van den staat gebieden, en waarbij die opoffering, moed en volharding worden ten toon gespreid, die het engelsche volk in al zijne ondernemingen kenschet≠sen, en het gewis in dit opzigt in den hoogsten rang der beschaafde volken plaatsen. Ook dŠŠr kwam in vroeger tijd veelmaal het verschijnsel voor, dat bij ons zoo veel bevreemding geeft, dat de luiheid een toevlugt zocht in het werkeloos en zedebedervend verblijf der gevangenissen; maar toen men er de zoogenaam≠de tread-mill had ingevoerd, een ronddraaijend rad, waarin de gevangene dagelijks negen of tien uren in een geheel improduktieven arbeid moest werkzaam zijn, en hij tevens bewaard wordt voor de besmetting, waartoe de ledigheid aanleiding geeft, toe verdween voor altijd de lust om in de gevange≠nissen het brood der luiheid te gaan eten, en Engeland meende eene inrigting, die eene dubbele nuttige strekking had, niet te duur te betalen, door, met inbegrip der gebouwen, daaraan vele millioenen ten offer te brengen, zoodat iedere daar geplaatste gevangene den staat op meer dan É700 's jaars kwam te staan. Geen volk begrijpt overigens beter het nut van elke instelling, die zedelijke verbetering ten doel heeft, dan Engeland, en geen is meer genegen om daarvoor elk gevraagd offer aan te bieden. Frankrijk in de eerste plaats en bijna al de overige staten van Europa trachten het daarin na te volgen en trede voor geene offers terug, om de gevolgen van het meer en meer toenemend en dreigend pauperisme, dat de maatschappij in hare grondslagen aangrijpt, te bestrijden. Moge Nederland hierin niet ten achter≠staan en zijne roeping goed begrepen worden.

Nijmegen, 16 junij 1857

B. van den Bosch