Dat hun zoon zich nooit of nimmer meer aan zoo danige overtreding zal schuldig maken

Een nieuwe trend in de vrije koloniŽn is om meteen na een zitting van de raad van politie en tucht de pen ter hand te nemen om de permanente commissie om clementie te vragen. Wanneer de trend precies is begonnen weet ik niet, maar ik kwam drie brieven tegen uit 1854. Ze reageren alle drie op de tuchtzitting van 20 april van dat jaar en alle drie vragen om een lichtere straf voor een zoon.
Waarbij het niet zozeer een kwestie lijkt van de pen ter hand nemen, dan wel de pen ter hand LATEN nemen. De brieven vertonen namelijk opvallende overeenkomsten in stijl. En het handschrift is identiek. Er is iemand in Willemsoord die een leuk centje bijverdient met het schrijven van brieven voor medekolonisten.

Jan de Jong woont in Willemsoord sinds 6 april 1846. Hij is getrouwd met Adriana de Heeger, ze hebben vijf kinderen en ze komen uit Utrecht. Zijn zoon Christiaan de Jong, geboren 26 maart 1836, werkt als alle jongeren in de katoenweverij en daar zijn twee zaken gebeurd die het daglicht niet verdragen.
Een groep jongens heeft pijpjes katoen ontvreemd en die aan derden verkocht. En een groep jongens heeft katoenafval meegenomen en verkocht. Cornelis de Jong is de enige die van allebei die groepen deel heeft uitgemaakt. Zijn vader reageert op de straf die Cornelis is opgelegd en gooit daarbij ook de gezondheidstoestand van zijn echtgenote in de strijd.

Wel Edele Heeren,
Geeft met de meeste schuldige en nederige eerbied te kennen J. de Jong, gewoon kolonist in de vrije koloniŽn der Maatschappij van Weldadigheid te Willemsoord,
dat suppliants zoon C de Jong, werkzaam in de weverij alhier, door de raad van tucht, gehouden den 20e dezer maand, verwezen is naar Ommerschans, wegens het verkoop van pijpjes en afval.-
daar suppliants zoon naauwelijks 17 Jaren oud zijnde, altijd van een onbesproken gedrag geweest is, noch nooit eenig feit heeft begaan, zich nimmer eenige straf, noch zelfs eene berisping heeft op den hals geladen, valt het hard voor een vader, om, voor zoo een gering feit, zijnen zoon zoo zwaar te moeten zien boeten; grievend voor eene moeder wiens zwak en ziekelijk gestel zich zulk een onheil ziet voorspeld, zoo dat zij hierdoor geheel ter neder gedrukt welhaast onder die ramp zal moeten bezwijken.
Weshalven den suppliant bid en smeekt, dat de WelEdele Heeren zoo goed mogten zijn, die eerste straf, hem opgelegd, wel te willen veranderen, hem met eene provoost of kachot straf vrij te laten; welke laatste wel zoodanige werking zal hebben, dat hij zich nooit of nimmer meer aan zoo danige overtreding zal schuldig maken.
dit is ook de bede eener ziekelijke diep ter neder gedrukte en bedroefde moeder
ít welk doende
J de Jong

Reinier Hill is op 3 oktober 1842 aangekomen. Hij begint in Frederiksoord, krijgt ruzie met een wijkmeester, wordt per 16 februari 1843 overgeplaatst naar Willemsoord en krijgt daar ruzie met een wijkmeester. Hij voegt die laatste, de als kolonistenzoon begonnen Jan van Agteren, toe: 'Stinkende boer, je bent een verdrukker van veertig huisgezinnen, denk je dat mijn ook te doen, daar zal ik voor zorgen, ik zal je wel vinden'.
Als die scheldpartij op 2 augustus 1843 voor de tuchtraad komt, zegt Hill 'driftig te zijn geweest' en belooft hij zich voortaan beter te zullen gedragen. Daar heeft de directie van Willemsoord geen vertrouwen in, 'want hij is van het begin zijner aankomst in deze kolonie onophoudelijk bezig geweest te woelen en te twisten'. Bovendien verdienen Hill en zijn gezinsleden slechts f 1,25 per week, terwijl het gezin f 4,00 nodig heeft, zodat de Maatschappij elke week f 2,75 op Hill en de zijnen moet toeleggen.
Het gezin wordt dan ook als 'geheel ongeschikt is voor de gewone koloniŽn' beschouwd en gedegradeerd tot arbeidershuisgezin in Veenhuizen. Daar komen ze aan op 14 oktober 1843, maar ze mogen terug naar Willemsoord op 18 augustus 1847. Na een jaar gaat het weer mis, december 1848 worden ze opnieuw naar Veenhuizen gestuurd en pas sinds maart 1853 zijn ze weer terug.
Reinier Hill is getrouwd met Catharina Melis en ze hebben drie kinderen. De jongste is Frederik Johannes Hill, geboren 15 Junij 1841, en die heeft katoenafval verkocht en is tot acht dagen strafkamer veroordeeld:

Wel Edele Heeren,
Geeft met nederige eerbied te kennen R. Hill kolonist in de vrije koloniŽn der Maatschappij van Weldadigheid te Willemsoord,-
dat suppliants zoon, een minderjarig kind van 12 Jaren, door de raad van tucht is gestraft geworden met 8 dagen Kachot straf en eene geldelijke boete, wegens het verkwanselen van eenig afval of verlies ter waarde van 5 Cts, als zijnde sedert 2 maanden werkzaam in eene der wevershuisjes alhier,
grievend valt het voor zijne ouders een onmondig kind gelijk gesteld te zien, met meerderjarigen die sedert lang die werkzaamheden hebben uitgeoefend, en een onnoozel kind tot zulk een feit hebben verleid daar hij geen doorzigt in het begane heeft gehad,-
Altijd oppassend van gedrag en verleiding de oorzaak zijner begane misstap geweest zijnde, bid suppliant de Wel Edele Heeren, ten aanzien zijner zoon eenig onderscheid te willen gebruiken in hem voor deze keer zijne fout te vergeven en opgelegde straf wel te willen kwijtschelden, Zijne ouders, waarop nooit iets is te zeggen geweest, zullen hem het wel genoegzaam op zijn gemoed drukken, dat zoodanige overtreding nimmer meer door hem zal worden begaan.
ít welk doende
R. hill

Pieter Calkhoven, wiens achternaam ook wel als Kalkhoven voorkomt, is op 22 juli 1840 met zijn gezin in Willemsoord aangekomen. Hij is dan 47 jaar en nu zestig jaar oud. Zijn echtgenote Barta Hendrica Rosenhaan is in 1848 overleden. Zijn brief gaat over zoon Jan, geboren 30 november 1835, die katoenafval heeft verkocht terwijl hij nota bene als 'adsistent' in de weverij werkzaam was:

Wel Edele Heeren,
Geeft nederig en eerbiedig te kennen P. Kalkhoven kolonist in de vrije koloniŽn der Maatschappij van Weldadigheid te Willemsoord,-
dat suppliant eenen zoon J. Kalkhoven, werkzaam op de weverij alhier, heeft, dewelke zich heeft schuldig gemaakt aan het verkwanselen van eenig afval of verlies, en daarvoor door den raad van tucht bij deszelfs uitspraak van den 20e dezer is verwezen tot opzending naar Ommerschans,-
daar suppliant door ligchaamsgebreken reeds drie malen voor de dagelijksche werkzaamheden is afgekeurd, en zijn zwak gestel niet toelaat voor hem en de zijnen de volle voeding te verdienen, zoodat deze zijn genoemden zoon, hem tot steun verstrekt, en het grootste gedeelte der verdiensten moet bijbrengen, valt het hard voor eene vader, weduwnaar zijnde, van eene zoo groote steun zich te zien beroofd,-
daar er nog nimmer op het gedrag zijner zoon iets aantemerken en hij nog nooit voor het geringste is gestraft geweest, smeekt suppliant dan ook eerbiedig dat het de Wel Edele Heeren mogen behagen eenige consideratie te willen gebruiken, door zijnen zoon van opzending naar Ommerschans wel te willen verschoonen en hem eene ligtere hetzij kachot straf opteleggen om zoo doende eene zwakke en ziekelijke vader zijn grootste steun te doen behouden.
ít welk doende
P. kalkhoven

Op het moment dat de brieven bij de permanente commissie aankomen (De Jong 24 april, Calkhoven 25 april en Hill 26 april) kan ze er nog helemaal niets mee, want ze heeft het zittingsverslag van de raad van politie en tucht dan nog niet ontvangen. Dat duurt tot half mei en op 16 mei neemt ze besluiten erover. 'Onder afwijzing der voorschreven verzoeken' bekrachtigt ze de vonnissen van de raad van politie en tucht. Dus de twaalfjarige Frederik Johannes Hill gaat acht dagen de strafkamer in en Cornelis de Jong en Jan Calkhoven verdwijnen naar de Ommerschans.
Brieven schrijven lijkt niemand te helpen. Behalve natuurlijk de bewoner van Willemsoord die er wat mee bijverdient.