Een dodelijke schietpartij op de Ommerschans op 22 juli 1839

De dodelijke schietpartij en de nasleep worden beschreven op de pagina's 206-208 van De strafkolonie. Eerder had ik er al eens een stukje van gemaakt op Vele Handen. Hier de volledige stukken. Van de drie brieven die volgen heeft Abdulwadûd Louws de transcriptie gemaakt. Het eerste stuk, een door de directeur gekopieerde brief van Adrianus Hulst, adjuncy-directeur van de Ommerschans, bevindt zich in invnr 214 de scans 169-170.


Ommerschans den 23 Julij 1839

Gister morgen bij het uitgaan naar het land, hebben vier kolonisten, met namen Nicolaas Dreef No 1018, - Hendrik Lutselaar No 630, - Willem van de Glindt No 1527 en Hendrik Oversteeg No 1270, in complot met stokken gewapend, pogingen aangewend tot desertie langs de posten van de veteranen Bohan en Rosenstengel, staande bij de Zwolsche weg aan de westzijde der kolonie.

Deze veldwachters hebben volgens de door hen uitgebragte rapporten beproefd, of niet de genoemde kolonisten door woorden zouden kunnen worden tegengehouden, hetgeen echter geen gunstig gevolg had mogen hebben, daar dezelve kolonisten, aan hunne vermaningen geen gehoor gegeven en hun voornemen om doortedringen hadden zoeken ten uitvoer te brengen – en vermits men de aankomende kolonisten in het onderhavig geval als vijanden beschouwden en men, hen zonder het gebruik van wapenen niet durfde aantetasten, heeft de eerstgemelde veteraan dadelijk gebruik van zijn geladen geweer gemaakt, doch hetwelk niet afging en waarop hij een der kolonisten een slag met den kolf heeft toegebragt, die hem deed nedervallen en belette om door te dringen, - terwijl in middels ook de tweede genoemde zijn geweer geladen met aan stukken geslagen kogels aanlegde, met oogmerk om een der kolonisten en wel met name Hendrik Oversteeg in de beenen te schieten, doch hetwelk tegen zijnen wil uitviel, daar het schot afgaande, hem niet alleen in het eene scheenbeen, maar ook in de linkerborst holte trof, welke laatste verwonding dan ook al zeer spoedig den dood ten gevolge had. –

Bij het ontwaren dezer gebeurtenis, heb ik gemeend dezelve niet te mogen verzwijgen en daar om van dezelve direct kennis gegeven aan den Ambtenaar van Policie, den Heer Burgemeester van het Ambt Ommen, die geadsisteerd met den Geneesheer de Goede, dan ook dadelijk de zaak in loco onderzocht en van zijne bevinding aan den Heer Officier van Justitie bij de arrondissements Regtbank te Deventer heeft kennis gegeven, terwijl het lijk tot nader order onder in het hiertoe bestemde locaal op het hospitaal is geplaatst geworden. –

De gesneuvelde was iemand, die meermalen is gedeserteerd geweest, en de overige drie, die inmiddels zich overgegeven hebben en teruggebragt zijn, volgens hun lieder verklaring den vorigen dag tot desertie had misleid, hetgeen ik den Heer Burgemeester verzocht heb in het belang der veldwachters wel speciaal in het Proces-verbaal te willen vermelden, daar naar mijn inzien hieruit zoude afteleiden zijn dat die persoon als aanvoerder wel op den voorgrond gestaan en het eerst tegenstand zal hebben geboden.

Intusschen hoop ik dat mijne handeling ten dezen, de goedkeuring van UWelEdelGestrenge zal wegdragen.
De Adjunct Directeur
/get./ A. Hulst

Voor Copie Conform
De Directeur der Kolonien
J van Konijnenburg

De volgende brief is van twee dagen later. Weer van Hulst en weer door de directeur gekopieerd (Copie No 282) en aan de permanente commissie toegezonden, invnr 214 de scans 221-222

Ommerschans den 25 Julij 1839.

Ten gevolge op mijn rapport van eergisteren No 280, deel ik UWEdG bij deze mede,

dat hier gisteren zijn geweest de Heeren Baron van Knobbelsdorf tot den Krietenberg, substituut officier, van Marle Regter Commissaris, Kuvel Commies Griffier bij  de Arrondissements Regtbank te Deventer geadsisteerd met den Med. Doctor Hof, mede uit Deventer ten einde onderzoek te doen naar het voorgevallene tusschen de veteranen Rosenstengel en Bohan, met de kolonisten Lutselaar, van der Glindt, Dreef en Oversteeg, waarvan de laatste door den veteraan Rosenstengel gewond is en die aan de gevolgen daarvan dadelijk is overleden.

dat het bij de schouwing van het lijk is gebleken, dat geen twee zooals mij was gerapporteerd, maar zeven wonden waren toegebragt.

dat ofschoon gemelde Heeren van gevoelen waren, dat Rosenstengel zoo niet geheel vrygesproken er dan toch wel met eene ligte straf wegens onvoorzigtigheid zoude afkomen, het mij evenwel toescheen dat zij de zaak als hoogt moeijelijk beschouwden en daarom dan ook op het naauwkeurigst wenschten te worden onderrigt, op grond van welke bepalingen de veteranen het regt hebben om des noods hunne posten door geweld te verdeedigen of wel om des noods de kolonisten het deserteren met geweld te beletten, -

dat ik hierop geantwoord heb, deswegen met geene bepaalde instructie bekend te zijn, doch dat het mij bewust was, dat de veteranen nog werkelijk militairen waren en als zoodanig gewapend met een schietgeweer, sabel en scherpe patronen, van Gouvernementswege naar de bedelaars gestichten waren gedetacheerd, en dat zij volgens hetgeen ik ten dezen van den sergeant de Bruin had hooren zeggen, van een mijner voorgangers, nu wijlen de Heer Harloff de instructie mondelinge hadden bekomen, om de desertie des noods met geweld te keer te gaan, zoodanig dat zij in die gevallen de kolonisten altijd met de stukken konden betalen,

eindelijk dat ik mij omtrent het een en ander nader bij UWEdG zoude informeren en dat ik alle ophelderingen welke mij dienvolgens mogten geworden aan den Heer Officier bij de Regtbank zoude mededeelen, waarmede volgens de verklaring van welgemelde Heeren, de Regtbank dienst zoude worden gedaan.

Het is dan ten gevolge van dat alles, dat ik UWEdGeb. Mitsdien beleefdelijk verzoek van mij zoo mogelijk met de eerste gelegenheid de bedoelde inlichtingen wel te willen doen toekomen.
De Adjunct Directeur
/get./ A. Hulst

Voor Copie Conform
De Directeur der Koloniën
J van Konynenburg

De volgende dag, als hij de eerste brief doorstuurt, schrijft de directeur zelf aan de permanente commissie in een brief met nummer N2056, invnr 214 scans 243-244:

Frederiksoord, 26 July 1839.

Ik vind mij in de onaangename noodzakelijkheid UWEdGeb., bij nevens gevoegden copy-brief van den Adjunct-directeur te Ommerschans, van den 23 dezer maand, berigt te geven van van een doodelijk schot, door den veteranen Veldwachter Rosenstengel, den Kolonist Hendrik Oversteeg N 1270 toegebragt, op den 22e dezer maand, ’s morgens, toen deze, aan het hoofd van nog 3 andere kolonisten, met stokken gewapend, eene poging deed, om tusschen de posten van gemelden Rosenstengel en den Veteranen veldwachter Bohan, te ontvlugten.

Die kolonist was geboren den 31 Maart 1792 en dus 47 jaren oud. Hij was den 16 Maart 1829 voor de eerste maal aangekomen en den 19 July 1830 gedeserteerd; den 25 October 1830 ten 2e maal aangekomen en den 3e February 1835 wederom gedeserteerd; den 12 Mei 1835 ten 3e male aangekomen en den 10 November 1838 ontslagen, zijnde hij den 13e February jl voor de 4e maal aangekomen.

Het zal niet noodig zijn UWEdGeb te verzekeren, dat er, althans bij mijn weten, geen last of vrijheid gegeven is aan de Veldwachters, om met schietgeweer de desertie tegen te gaan; doch, daar dit complot reeds het 6e was, sedert 12 Maart jl, het welk heeft willen ontvlugten, en waartegen haast niets anders te doen is, buiten dezulken te laten doorgaan, willen zy zich zelve niet in groot gevaar brengen van gewond of gedood te worden, daar elk complot op tegenstand bedacht is en zij mitsdien met stokken en messen gewapend zijn, waarvan, onder anderen de Veteraan Pollet ondervinding gehad heeft; zoo verwondert het mij minder, dat er zulk een ongelukkig voorval heeft plaats gehad, te minder, daar de op elke desertie gestelde boete, voor iederen veldwachter, hen als het ware dringt, om dezelve te verhinderen, dat, van eene desertie bij complot, niet wel anders mogelijk is.

Deze gebeurtenis geeft dan nu ook voldoende aanleiding, om bepaalde voorschriften te geven, hoedanig de veldwachters zich voortaan in  de waarneming van hunnen post te gedragen hebben; terwijl het mij voorkomt, dat er alle mogelijke pogingen behooren te worden aangewend, om den veteranen veldwachter Rosenstengel met eene ligte correctionele straf te doen vrijkomen.

De Directeur der Koloniën.
J. Van Konynenburg


Tenslotte neemt de permanente commissie aan de hand van deze stukken op 30 juli een besluit. Dat bevindt zich bij de uitgaande post 30 juli 1839 bij agendapunt N26, invnr 490 (daarvan zijn geen scans). Het is niet overal even goed leesbaar:

No. 26

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID.

Gelezen de missiven van den Directeur der Kolonien van den 26 en 24 dezer No 2065 en No. 2077 betrekkelijk eene doodelijke verwonding door een der veteraner veldwachters te Ommerschans toegebragt aan den bedelaars kolonist H. Oversteeg N. 1240 toen deze in complot met geweld op den 22 dezer getracht heeft te deserteren

Besluit

1 aan den Heer officier van de Arrondissements regtbank te Deventer te schrijven als volgt:

De directie der kolonien heeft [   ] mededeeling gedaan van eene doodelijke verwonding dien eenen den veteranen veldwachters te Ommerschans toegebragt aan den bedelaars kolonist H Oversteeg, bij gelegenheid dat deze in complot en met geweld op den 22 dezer heeft willen deserteren.

Onderrigt zijnde, dat er van de zijde van UWEG een onderzoek in loco is gedaan en vooronderstellende dat het UWEG niet ongevallig zal zijn met onze wyze van zien ??? deze zaak en derzelven behandeling bekend te worden gemaakt, hebben wij gemeend, het volgende onder de aandacht van UWEG te moeten brengen. -

Bij de oprigting van het bedelaars gesticht te Ommerschans begreep men al dadelijk, dat zulk een établissement niet zou kunnen worden beheerd, indien voor de orde en veiligheid binnen en buiten het gesticht geen behoorlijke maatregelen wierden genomen. Het gouvernement stond ons, op onze aanvrage, dan ook gereedelijk eene bezetting van militairen toe, doch, daar de ondervinding deed zien, dat binnen het gesticht de militaire tusschenkomst geheel noodeloos was en het ontvlugten der bedelaars buiten het gesticht gevoegelijk door veldwachters, voornamelijk uit de veteranen genomen, kan worden tegengegaan, werd de militaire bezetting ingetrokken en de ?? der in de kolonien bestede veteranen tot het bedoelde einde aangewend.

Daartoe hadden wij gezorgd, dat in het contract met het Departement van Oorlog voor de kolonisatie der Veteranen aangegaan, de bepaling wierd opgenomen, dat zy voor zoo verre zy aan den veldarbeid geen deel namen, de gewone garnizoensdienst gehouden zouden zijn, waartoe van ’s rijks wege de noodige wapenen zouden worden verstrekt,  hetgeen dan ook werkelijk plaats heeft terwijl ons zelfs voor de bedoelde dienst scherpe patronen zyn uitgereikt geworden. –

Het feit door de omderhavige veteraan gepleegd kan, onzes inziens, dus niet uit een civiel oogpunt beschouwd worden want in zyne betrekking als militair heeft hy van het hem door de militaire autoriteit toevertrouwde wapen en kruid gebruik gemaakt en heeft hij daarom zich vergrepen, dan is hij er niet aan den burgerlijken maar aan de militairen regter verantwoordelijk voor.

Naar het bovenbedoelde contract zijn de veteranen dan ook werkelijk niet tegenstaande hunne kolonisatie, aan al de bepalingen van het reglement van krijgstucht onderworpen en volgens de voorschriften door het Departement van Oorlog gegeven, moeten de klagten, tegen hen opgemaakt, door den kapitein, met derzelven toezigt belast, regtstreeks aan den auditeur militair in het provinciaal kommando, waar het feit is gepleegd, worden opgezonden.

Dientengevolge zou het ons voorkomen dat de onderhavige zaak niet behoorde tot de competentie van eenige burgerlijke regtbank en doen wy den kapitein voornoemd dan ook aanschryven van, ingevolge zyne instructien, de zaak ter kennis van de Auditeur Militair van het provinciaal Kommando van Overyssel te brengen.
De P.C.

2 de directeur uittenoodigen om van den kapitein Thonhauser de bedoelde aanschryving te laten afgaan, zo ?? evenwel voor dat de auditeur militair door hem worde gead??eerd de opperveldwachter van de OSchans een behoorlijk relaas van het gebeurde dienen ?? het welk tevens aan Den Auditeur zal ?? worden medegedeeld.
En zal afschrift dezes aan gemelde Directeur worden toegezonden ??