Een brief van de subcommissie van weldadigheid Amsterdam over meerdere onderwerpen, 9 mei 1837

Omdat deze brief nogal van de hak op de tak springt heb ik hem even hier apart gezet. Toelichtingen staan onderaan. De brief is gedateerd 9 mei 1837 en bevindt zich bij de uitgaande post van de permanente commissie van 29 Mei 1837 bij agendapunt N29, invnr 460 (daarvan zijn geen scans) en luidt:

In antwoord op UwEd missive van den 25 April ll. N12 hebben wij de eer te berigten, dat er binnen deze Stad geene gelegenheid is, om het huisgezin van den Kolonist W. Kalbe in een Gesticht van liefdadigheid te verpleegen en te verzorgen, en dat de bedeelingen bij de onderscheidene Armbesturen niet van dien aard zijn om dit huisgezin voor gebrek te beveiligen, en wij alzoo hebben goedgevonden hetzelve, overeenkomstig UwEd voorstel, in de Gestichten te doen verzorgen, ingeval dien Kolonist zich daartoe genegen mogt betonen.

Wij bedanken UwEd intusschen voor de mededeeling hiervan en verzoeken tevens, ingeval dit huisgezin door den tijd mogt geraken uit zijn geheel hiervan te mogen worden ge´nformeerd, om alsdan van het vervangingsrecht gebruik te kunnen maken.


Voorts dient ter beantwoording van UwEd missive van den 5e dezer N21, dat bij ons geene redenen bestaan om het, door den Kolonist C.H. Steenwinkel gevraagd ontslag te weigeren.


Ook heeft zich den Kolonist Asser Simon Overst schriftelijk aan ons gewend om vanuit de Kolonien te worden ontslagen, waartegen wij geene bedenkingen hebben, zoo het verzoek door UwEd wordt geaccordeert.


Wij nemen hiertevens de vrijheid in originale te voegen, een verzoekschrift van den Koloniste de Weduwe Scholbroek, welke zich in de Ommerschans bevindt en aan wien wij in dato 19 Mei 1836 hebben toegestaan om met zekere C.W. Harbregt in het huwelijk te mogen treden, mits dit huwelijk aanleiding gaf dat dit huisgezin weder als Hoevenaars in de vrije Kolonie geplaatst wierd, aan UwEd overlatende om in het belang van dit huisgezin te handelen, zooals UwEd zult vermenen te behooren.


Eindelijk nemen wij de vrijheid UwEd te verzoeken wel te mogen worden ge´nformeerd, wanneer wij huisgezinnen naar de Kolonien kunnen opzenden en alsdan tevens het getal te mogen kennen waarop wij regt hebben ter plaatsing zoo primitive als bij wijze van vervanging.

De Sub-Commissie der Maatschappij van Weldadigheid,
Anthony Ehrlich.
Ter ordonnantie van dezelve,
W.H. de Hoog

Over wie gaat dit?

1) Voor het gezin van Willem Kalbe zie deze pagina.

2) Kolonist Cornelis Hermanus Steenwinkel is met vrouw en twee kinderen pas op 24 augustus 1836 in de kolonie Willemsoord aangekomen en heeft er dus al heel snel genoeg van. Ze zullen op 8 juni 1837 weer vertrekken.

3) Kolonist Asser Simon Overst is op 17 juli 1833 met zijn echtgenote aangekomen in de 'jodenhoek' van de kolonie Willemsoord. Op de tuchtzitting van 24 september 1836, waarvan ik helaas geen transcriptie heb, komt hij samen met zijn geloofdgenoot Joseph Salomon Nord klagen dat de plaatselijke jeugd de godsdienstoefening stoort met baldadigheid. Hij en zijn vrouw verlaten de kolonie op 8 juli 1837, dus gelijk met Steenwinkel.

4) Voor Willempje van der Dooze weduwe Schoolbroek en Christiaan Willem Harbrecht zie dit overzicht.

5) Ten aanzien van het laatste punt noteert de permanente commissie: Zal worden nagezien; welke vervangingen. Volgens de laatste voorloopige bepaling zou Amsterdam dit jaar slechts 1 nieuwe plaatsing bekomen.