De aankomst der eerste militaire veteranen, dan nog 'invalide militairen' genoemd, in het najaar van 1826

Op 30 juni 1826 is door middel van een contract afgesproken dat de Maatschappij van Weldadigheid militaire veteranen in de koloniŽn zal opnemen. Dan is nog de vraag wanneer daarmee begonnen wordt.Op 4 september 1826, Drents Archief, toegang 0186 invnr 81, schrijft de commissaris van oorlog aan de permenente commissie:

Aan de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid

ís-Gravenhage, 4 september 1826

Na overweging mijne heeren, van het door u voorgestelde bij missive van den 21 der vorige maand no.453, is het mij voorgekomen, dat het plaatsen al dadelijk van een zeker getal huisgezinnen uit de gehuwden der Garnizoens Compagnien, in de kolonien der Maatschappij, meer verkieselijk zal zijn, dan dit tot in het aanstaande voorjaar uittestellen.

Het is niet te ontkennen dat het naderend wintersaisoen, ten aanzien van eenen dergelijken maatregel niet zonder bedenkingen is, doch het opgevat voornemen eens bekend zijnde behoort eene dadelijke uitvoering te erlangen, wil men de hierbij belanghebbende militairen niet in het denkbeeld brengen, dat de zaak nog niet tot een vast besluit is gekomen, en dat zij, mitsdien, nog in de gelegenheid zijn eene andere beschikking omtrent hun lot in te roepen.

Daarbij komt, dat de toestand van vele huisgezinnen in den aanstaanden winter ongetwijffeld weinig gunstig in hunne tegenwoordige verblijfplaatsen zal wezen, dat zij dan welligt tot bezwaar der aanmerkingen zouden verstrekken, en dat de pogingen der Maatschappij om hunne verzorging, zoo veel mogelijk, op duurzame grondslagen te vestigen, nu reeds wel gelukkende, allezins zal kunnen bijdragen, om deze schikking welke van een geheel nieuwe aard is, uit een gunstig oogpunt te doen beschouwen.

Mij dan ook op Uwe zorgen hieromtrent verlatende, informeer ik U Mijne Heeren, dat ik op heden de noodige maatregelen neem, teneinde het overbrengen, nog deze maand, van een vijftigtal militaire huisgezinnen in uw Stichtingen, voortebereiden, zoodanig dat, op Uwe nadere kennisgeving van den juisten tijd wanneer dezelve in de Kolonien kunnen ontvangen worden, daaraan onmiddellijk gevolg worde gegeven.

Ik verzoek u dus in den voorschreven geest te willen handelen, en mij. zodra doenlijk, Uwe nader opgave te willen doen toekomen.

De Commissaris van oorlog, Frederik

Uit het bijschrift op de brief blijkt dat de permanente commissie hier op 8 september 1826 op antwoordt en op 15 september 1826 de directeur der koloniŽn bericht geeft. De laatste schrijft op 19 december 1826, invnr 81, aan Jan van Konijnenburg, die dan nog secretaris van de permanente commissie is:

Aan: Den Weledelen Heer van Konijnenburg,
Secretaris der Permanente Kommissie, Ďs- Hage.

Frederiksoord, den 19 september 1826

WelEd. Heer!

De Heer Faber van Riemsdijk die gister avond hier is gearriveerd, wenscht van UwEd te ontvangen afschrift van het Kontrakt met het Gouvernement betrekkelijk de invalide militairen. ZnEdGestr verzogt mij deezen morgen, dit nog heeden te schrijven en ik geloof dat men het nodig heeft ten einde de kleeding, der misschien spoedig aankomenden, te bepalen.

Met den meest achting heb ik de eer te zijn,
Uw welEds DW Dienaar, Visser


Het ministerie van Oorlog laat er geen gras over groeien. Op 2 oktober 1826, invnr 81, schrijft ze aan de permanente commissie:


ís Hage, den 2en October 1826   no.39

Ik heb de eer, Mijne Heeren, U hierbij te doen toekomen, een staat houdende naamsopgave van eenentwintig mannen, een gelijk aantal vrouwen en achtenvijftig kinderen van de 3e Garnizoens Compagnie, welke op de Stichtingen der maatschappij te Frederiksoord zullen worden gedirigeerd.

De Militaire autoriteiten zijn aangeschreven om overeenkomstig het verlangen uitgedrukt bij Uwe missive van den 8sten der vorige maand No.548 te zorgen, dat de Heer Directeur der Kolonien W. Visser aldaar, in tijds van de komst dezer huisgezinnen verwittigd worde.

Overigens heb ik gemeend der Maatschappij geen ondienst te doen, met de mededeeling van behoorlijke extracten uit het Stamboek van het Garnizoens Bataillon, de 21 bedoelde manschappen betreffende, temeer vermits daaruit hunne respective rangen ontwaard zullen worden, ter regeling der toelagen, bepaald bij Art 17 van het op 30 juny aangegaan kontrakt, waarbij ik het onnoodig acht eenige opheldering te voegen, doch waartoe ik bereid ben, indien deswegens bij de Commissie nog eenigen twijfel mogt bestaan.

De Commissaris-Generaal van Oorlog,
bij afwezigheid van Zijne Koninklijke Hoogheid,
De Secretaris-Generaal bij het Departement,
J.P. Scheffer

De permanente commissie neemt dit voor kennisgeving aan en reageert er pas op op 16 december. De directeur der koloniŽn is een paar dagen weggeweest met verlof en valt bij terugkomst met zijn neus in de boter, schrijft hij 18 oktober 1826, invnr 81:

Frederiksoord, den 18 oktober 1826

Onder dankbetuiging voor de goedgunstig aan mij verleende vrijheid, van eenige dagen de kolonie te kunnen verlaten, heb ik de eer de Permanente Kommissie van mijn retour in dezelve te informeeren.
Voorts ter harer kennis te brengen dat heden te Veenhuizen zal aankomen het eerste transport invalide militairen, bestaande, volgens vooraf bekomen opgaaf, uit 21 huisgezinnen, waarbij zoo veele mannen en vrouwen en 58 kinderen; zullende de nominative opgaaf daarvan, bij eene volgend, worden ingezonden.
Ter zaken van bovengemelde aankomst mij morgens naar Veenhuizen begevende, hoop ik bij mijne terugkomst vandaar, de nog onafgedane brieven der Permanente Kommissie zo veel nodig te beantwoorden.
Ik heb de eer te zijn,
de Directeur der Kolonien,
Visser

In invnr 1370 bevindt zich een aankomststaat van de veteranen, evenals staten van de manschappen die later in het jaar aankomen. Het volgende dat er moet gebeuren is dat er een commandant voor de veteranen moet komen. Ondertussen gaat de toestroom door. Zo schrijft de directeur op 11 november 1826, invnr 82:

Voorlopig heb ik de eer de Permanente Kommissie te berigten, dat mij ieder dag wagtende zijn, 23 huisgezinnen van invalide militair uit Heusden, naar aanleiding eener bij mij ontvangen missive des Heeren Provincialen Kommandant van Noord Brabant dd. 4 dezer.