Archiefstukken komen uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, inventarisnummer 0186. Onderstaande brief komt uit invoernummer 69.



dit aan ons zelven volstrekt schuldig te zijn


Het terugtreden van de subcommissie van weldadigheid Zaandam wordt in het boek kort beschreven (blz. 362-363). Hier de preciese voorgeschiedenis:
    Het in 1822 door de subcommissie Zaandam gezonden gezin Thesink neemt na een jaar weer de benen. De schuld die ze achterlaten wordt op rekening van de subcommissie geschreven. Zaandam stelt september 1823 verbaasde vragen daarover, krijgt een antwoord waarin volgens haar 
'van alle punten slechts een, en dit naar ons inzien zeer onvolledig beantwoord' is, stuurt 21 november een vragenlijstje met zeven vragen, hoort niets, herhaalt 3 april 1824 die vragen, hoort weer niets en heeft er dan genoeg van. Op 5 juni 1824 stuurt de subcommissie aan Burgemeesteren en Wethouders van de stad Zaandam een brief met daarin::


      De leden der subcommissie der Maatschappij van Weldadig­heid, hoezeer zich vereerd achtende met het vertrouwen, hetgeen UEA wel in dezelve heeft willen stellen, achten zich verpligt hunne posten neder te leggen in handen van UEA en zich van de verdere werkzaamheden dier kommissie te ontslaan.

      Dit is een besluit in onze vergadering den 1sten deezer met eenpari­ge stemmen genomen, tot hetwelk wij voorzeker niet zouden gekomen zijn, indien wij niet meenden, dit aan ons zelven volstrekt schuldig te zijn.

       Hoe toch kunnen wij blijven in eene administratie waarn wij aan de contribueerende leden geene andere verantwoording doen konden, dan: wij hebben de gelden van de leden ontvangen en dezelve verzonden aan de Permanente Commissie, eene administratie in welke wij op de vraag: "Wat er dan toch van de meer dan ƒ3600- die van de oprigting af hier gecontribueerd zijn, geworden is? Hoeveel personen of familien daaruit onderhouden worden?" moeten antwoorden: Eene weduwe met ééne dochter slegts en misschien nog een persoon bij haar of elders ingedeeld. Terwijl die weduwe zoo wij wel onderrigt zijn eene schuld heeft van meer dan ƒ500-, niet tegenstaande zij altoos voor vlijtig en oppas­send is gehouden, en zelfs eene medaille ten bewijze hiervan verdiend had.

      Het is waar, ook Thesing is met zijn gezin in de kolonien geweest, maar slechts een jaar, toen hij dezelve zonder toestemming verlaten heeft, en daarbij ons uit een missive der Permanente Kommissie gebleken, dat hij eene schuld achter liet van meer dan ƒ300-.

     Het is ons onbegrijpelijk hoe zoo wel de wed. Weender als ook Theesing met zulken importante schulden kunnen bezwaard zijn. Wij weten niet waartoe de ƒ1700- strekken die voor elk huisgezin op eene hoeve betaald zijn: het is ons niet gebleken dat zij immers eenige voordeelen daarvan genoten hebben, dan misschien het gebruik der woning en van het land zoo ook hiervan de huur hun niet in rekening gebragt wordt.

   (...)
    Misschien beoordeelen wij de zaak verkeerd, maar dan is dit buiten onze schuld, want wij hebben op de belangrijkste punten inlichting gevraagd aan de Permanente Kommissie reeds in november des voorleden jaars (zie bijlage N 96).
     Geen antwoord hoegenaamd ontvangen hebbende, hebben wij den 3den april van dit jaar in dezelfde bewoordingen onze bezwaren opgege­ven en dringend om antwoord verzocht. Dit is niet gekomen, en moeten wij daaruit niet opmaken dat men ons of niet wil of niet kan antwoorden.

     Wij vertrouwen dat het UEA uit dit bovengezegde en meer nog uit de notulen en verdere bijgevoegde stukken onze administratie betreffende welke bij dezen tevens aan UEA overleggen, genoegzaam zal blijken dat wij behoudens de achting in onze eigen oogen niet anders hebben kunnen handelen.



De pc reageert snel met een brief waarin subtiele verwijzingen voorkomen naar 'onze doorluchtige voorzitter', dus prins Frederik. Die brief gaat ook naar de Zaanse Burgemeesteren en Wethouders, waarbij de pc pinnig opmerkt dat de subcommissie nagelaten heeft gratis gezinnen te plaatsen in Veenhuizen.

Twee maanden later schrijven Burgemeesteren en Wethouders aan de pc dat de leden van de subcommissie zich hebben laten overreden
'om hunne posten weder opnieuw te aanvaarden', maar dat is vooral omdat zij 'de onmoogelijkheid gevoelden om eene nieuwe commissie alhier te organiseren'. Van de subcommissie zelf zal de pc in de toekomst nog maar heel weinig vernemen.