Archiefstukken komen uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, inventarisnummer 0186. Onderstaande komt uit de invoernummers 50 - 68.


de wezen van het Dorpsweeshuis van Koog aan de Zaan


Al in februari 1819 stelt de schout van Koog aan de Zaan voor enige wezen uit die plaats bij koloniale huis­gezinnen te plaatsen. Hij geeft alvast een overzicht van de 'Bevolking van het dorpsweeshuis van Koog aan de Zaan', waar dan verblijven 14 jongens, variërend in leeftijd van 6 tot 44, en 10 meisjes, van 3 maanden tot 27 jaar.

Later komt er de mogelijkheid daarvoor contracten te sluiten en als Willemsoord gebouwd is, meldt Benjamin v.d. Bosch op 1 juni 1820 aan de Per­manente Commissie:
    Gisteren zijn hier 15 personen uit het dorpsweeshuis Koog aan de Zaan aangeko­men, en bij huisverzorgers ingedeelt gewor­den. Allen hebben een vrij goed voorkomen en zijn zeer wel gekleed. Ook hebben zij allen de benodigde kleeding en linnen bij zich en zouden eigenlijk niets behoeven. Het zou mij aangenaam zijn daarin de bepaling der Kommissie te mogen kennen.

Het jaar daarop, april 1821, gaan twee ervan in militaire dienst. Ene Dirk Roemer en Simon Muze.
----- Simon Muze of Muuze of Muse, geboren 5 maart 1803,  zoon van 'Jan / Trijntje Kleijn', die nog een broer op de kolonie heeft, Remmert, en een zus, Gerritje. In het Dorpsweeshuis werkte hij als 'papiermakersknegt', en de schout meldt over hem 'schrijft een goede hand.'

Muze maakt van die gelegenheid gebruik om bij de armenvoogden en de schout van Koog zijn beklag te doen over de kolonie en de verzorging van wezen. Hij klaagt over het te zware werk, over onvoldoende gevarieerd eten, over mede-wees Rijk Schuurman die zondags in dezelfde kleren moet lopen als doordeweeks en ook:
'dat de mede van deze gemeente ingedeelde Jacobus Stöckel, Remmert Muze en de meergem: Rijk Schuurman aan het hoofd-zeer laboreeren, en dat daar na weinig word gezien, veelmin iets tot geneezing of uitroeijing van deze kwaal wordt aangewend.'

De schout gelooft die klachten niet, maar vraagt 21 april 1821 toch alles op de kolonie na te gaan:  'Dit onderzoek zal mij te meer aangenaam zijn, alzoo mijne gemeente de eerste aan de Zaan is, uit dewelke weeskinderen in de kolonie zijn ingedeeld, en het mij dus gansch niet onverschillig is, hoe deeze maatregel nu of in het vervolg beoordeeld word.'

De net in functie getreden directeur Wouter Visser gaat op onderzoek en rapporteert 26 april 1821 dat er niets van waar is en ten aanzien van het hoofd-zeer: 'dat deeze daar aan wel laboreren, maar het eene onwaarheid is, dat niets tot genezing daar van wordt aangewend, als hebbende ik ook de zalf gezien, door doctor Schuurmans uit Steenwijk, tot dat einde verstrekt:'

Ergens in 1821 doet Jacobus Stõckel een poging tot desertie, maar blijkbaar komt hij niet ver want hij blijkt er nog te zijn als hij vier jaar later schrijft dat het hem op de kolonie goed bevalt. 'Doch echter wenschte mijne ouders mij weder in hunnen midden te zien.' Hij was dus helemaal geen wees. De directie noemt hem 'onberispelijk' en hij mag vertrekken.

Laat in het jaar komt Trijntje de Vries als opvolgster wanneer een van de weesmeisjes, Neeltje Vegter, de gewone maatschappij in mag. Maar 24 november 1821 meldt Wouter Visser dat 'eerstgen. aan eene ontsteking aan het been dat bijna ongeneeslijk schijnt souffreert, niet alleen, maar zelfs niet geheel bij hare zinnen is.'

In 1822 beweert de hiervoor genoemde Simon Muze dat hij nog gespaard geld van de kolonie tegoed heeft, wat ontkent wordt, en speelt er ook iets rond de al even genoemde Rijk Schuurman.
----- Rijk Schuurman, geboren 14 november 1807, zoon van 'Tijmon / Maartje Doek', volgens brieven 'stug in het voorkomen, doch echter anders van een goed gedrag; gezond en sterk', die met zijn moeder, zijn broertje Arend en een in 1818 geboren halfzusje Sijtje Doek 'uit verregaande armoede' in het Dorpsweeshuis was opgenomen. In ieder geval broer Arend is ook naar de kolonie gegaan.
Op 29 september 1822 meldt directeur Visser: 'Eindelijk ontvangt de Permanente Kommissie hier mede berigt dat Rijk Schuurman uit het huisgezin van D. Wiemes, kolonie no.2 uit hoofde van misdaad van eene kleine dieverij uit de winkel van de ond. Direkteur Faken (...) door de Raad van Policie te Steenwijk zijn verwezen naar de Ommerschans en daar reeds aangekomen.'

Voorjaar 1823 vragen twee wezen ontslag van de kolonie:
----- Albert Leyenaar, de oudste bewoner van het dorpsweeshuis, geboren 9 april 1774, dus bijna 50 jaar oud, laatst werkzaam als 'kuipersknegt', in de rode boeken van Kloosterhuis wordt gemeld: 'kan aan zijn rechteroog weinig of niets zien, is een weinig stroef in het voorkomen en zwak van lichaamsgestel'.
----- Engeltje Oerhaan, geboren 3 februari 1790, dochter van 'Wijnand / Anna van den Berg', door de schout omschreven als 'Werkmeid, gezond ligchaamsgestel'.
Dat ontslag gaat niet door omdat directeur Visser het afraadt. Hij schrijft op 31 mei 1823: (...) dat Albert Leyenaar is een volwassen jongeling, doch van een niet zeer sterk gestel en nog minder werkzaamen aard, hetgeen misschien wel aanleiding kon geven om, eenmaal zijn ontslag bekomen hebbende en zich met moeite een zoo goed bestaan zal kunnen verschaffen als hij in de kolonie geniet, weder zijnen toevlugt tot de armen directie te neemen; terwijl Engeltje Oerhaan hoewel gezond en sterk genoeg om te arbeiden, daartoe geen grote lust betoond; het geen ook ten hare opzichte geen gunstig vooruitzigt om voor haar eigen onderhoud te zorgen oplevert; als kolonist zijn zij bijden geen geheel ongeschikte voorwerpen.

Als er wezen met zomerverlof in Koog geweest zijn, komt er van de weeshuisregenten de klacht dat eigendommen van Antje Schilp door haar verzorgers op de kolonie naar de bank van lening gebracht zijn.
----- Antje Schilp, geboren 15 oktober 1806, dochter van 'Adriaan / Elisabeth Butter', met ook een broer Dirk in de kolonie.
Op 22 augustus 1823 schrijft directeur Visser: 'Het is ook waar dat de hoofd of halssie­raden van Antje Schilp in de lombard zijn gebragt, doch volgens haar eigen aan mij op heden afgelegde verklaring, op verzoek van haar en met voorkennis van haaren broeder; hetzelve wordt heden gelost en haar terugge­geven.'

Zowel bij dit verlof als bij verlofgangers die rond oud en nieuw komen, schrikken de armbezorgers van de staat waarin hun kleding zich bevindt. De schout meldt 16 januari 1824 namens hen: 'dat dezelve alhier ten aanzien van hunne kleeding zoo wel boven als onderkleeding in een zeer deplorabele toestand zijn aangekomen, en betuigd hebben geene meerder nog andere kleederen te bezittten (...). Dat in dezelfde omstandigheid ook onlangs met verlof alhier was gekomen de ingedeelde Pieter Nome, en dewelke door HH Armenvoogden van nadere kleederen voorzien na de kolonie is terug gekeerd.'
----- Pieter Nomen, geboren 9 april 1788, zoon van 'Jan / Antje Mysen'.

De Maatschappij kan alleen maar verklaren met welke kledingstukken de wezen op verlof vertrokken zijn en de - niet geheel onwaarschijnlijke - veronderstelling uiten dat ze op de boot over de Zuiderzee hun nettere kledingstukken aan de meestbiedende hebben verkocht.

De schout vertrouwt het echt niet meer als hij, 2 februari 1824, wordt geconfronteerd met de al eerder genoemde verlofgangster Engeltje Oerhaan, 'dewelke thans in het weeshuis alhier aan eene miskraam laboreerd' (zie ook boek blz. 354).

En kort daarop, 28 februari 1824, is hij ter plaatse in gezelschap van een lid van het gemeentebestuur en een lid van het armbestuur. Ze bezoeken zonder de directie te raadplegen de pleeggezinnen.
En dat blijkt ontzettend mee te vallen. Hij gaat de directeur complimenteren met
'den goede Direktie der kolonie' en in het gastenboek dat in het logement ligt, schrijft hij:

    '28 february 1824 is door ons ondergetekende Frederik­soord nagezien en na genoegen bevonden, houdende derhalve de klagten daar van voor laster en vooroordeel
   Waigert Evert Smit, schout van Koog aan de Zaan
   Dirk Groen
   Jan Huurman'